Biddag - 12 maart 2025
Psalm 127:1: Een lied Hammaäloth, van Sálomo. Zo de HEERE het huis niet bouwt, tevergeefs arbeiden deszelfs bouwlieden daaraan; zo de HEERE de stad niet bewaart, tevergeefs waakt de wachter.
INLEIDING
Op deze biddag buigen wij ons over Psalm 127, waar Salomo ons voorhoudt: “Zo de Heere het huis niet bouwt, te vergeefs arbeiden deszelfs bouwlieden daaraan.” Deze preek neemt u mee in de vraag of uw werk en zorgen rusten op eigen kracht of op de zegen des Heeren, en wijst de weg naar de gerustheid die God Zijn beminden als in den slaap geeft.
Twee manieren van leven
PSALM 127:1-5
1 Een lied Hammaäloth, van Sálomo. Zo de HEERE het huis niet bouwt, tevergeefs arbeiden deszelfs bouwlieden daaraan; zo de HEERE de stad niet bewaart, tevergeefs waakt de wachter.
2 Het is tevergeefs dat gijlieden vroeg opstaat, laat opblijft, eet brood der smarten; het is alzo, dat Hij het Zijn beminde als in den slaap geeft.
3 Zie, de kinderen zijn een erfdeel des HEEREN; des buiks vrucht is een beloning.
4 Gelijk de pijlen zijn in de hand eens helds, zodanig zijn de zonen der jeugd.
5 Welgelukkig is de man die zijn pijlkoker met dezelve gevuld heeft; zij zullen niet beschaamd worden, als zij met de vijanden spreken zullen in de poort.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Psalm 127:1
THEMA
Twee manieren van leven
AANDACHTSPUNTEN
Op een avond ziet Maarten Luther een vogeltje, dat op een takje gaat zitten slapen. Hij schrijft: dit vogeltje heeft lekker gegeten, en gaat nu heerlijk op een takje slapen. Hij maakt zich niet ongerust, hij is niet bezorgd voor de dag van morgen. Hij zit tevreden op zijn takje en laat God zorgen. Voor zulke vogeltjes (zegt Luther), die ons op zo’n liefelijke manier onderwijzen in het vertrouwen op God, mogen wij ons petje wel afnemen! Die vogels (zegt hij), ze slapen de hele nacht zonder zorgen in hun nestje. ‘s Morgens vroeg staan ze weer op. Ze zijn vrolijk, gaan op een boompje zitten, en zingen en loven en danken God. En daarna zoeken ze hun eten en… ze vinden het. Zo’n vogeltje kan zijn zorgen loslaten (…), want hij weet, dat er Een is, die zorgt. Die vogels (zegt Luther), ze zingen en ze zijn vrolijk en ze kennen geen zorg, terwijl ze toch niet weten waar ze morgen hun eten vandaan moeten halen. Maar wij, ellendige gierigaards (zo zegt hij letterlijk), kunnen het bezorgd zijn niet laten, ook al hebben wij zolders en schuren vol, en al zien wij het koren zo rijk op het veld groeien. Zie, zo maakt God de vogeltjes tot een prediker voor de meest wijze mensen. Tot zover het citaat van Maarten Luther.
Wat Luther zag, in de tuin of in het bos, dat zien wij op deze biddag nog helderder in onze tekst in Psalm 127. De tekst voor de biddagpreek van vanmorgen vindt u in Psalm 127:1-2, waar we het woord van God als volgt lezen: Een lied Hammaäloth, van Salomo. Zo de HEERE het huis niet bouwt, te vergeefs arbeiden deszelfs bouwlieden daaraan. Zo de HEERE de stad niet bewaart, te vergeefs waakt de wachter. Het is te vergeefs, dat gijlieden vroeg opstaat, laat opblijft, eet brood der smarten; het is alzo, dat Hij het Zijn beminden als in den slaap geeft.
Het thema voor de preek is: Twee manieren van leven
We gaan samen kijken naar twee manieren van leven: zinloos ploeteren (dat is de eerste manier) of gerust slapen (dat is de tweede manier). Er zijn dus twee aandachtspunten bij ‘twee manieren van leven’: 1. Zinloos ploeteren 2. Gerust slapen Als eerste dus:
Een lied Hammaäloth, van Salomo. Het is een pelgrimslied, gezongen door mensen, door pelgrims op weg naar de stad Jeruzalem. Van Salomo. De inhoud van deze psalm doet ook meer dan eens denken aan de Spreuken van Salomo. Bijvoorbeeld aan Spreuken 10:22De zegen des HEEREN, die maakt rijk; en Hij voegt er geen smart bij., waar staat: De zegen des HEEREN, die maakt rijk, en Hij voegt er geen smart bij. En wie denkt er bij vers 2, het is alzo, dat Hij het Zijn beminde als in de slaap geeft, ook niet aan de naam van Salomo zelf: Jedid-Jah, de beminde van de HEERE? Zijn naam betekent: De HEERE had hem lief (2 Sam. 12:24-25Daarna troostte David zijn huisvrouw Bathseba, en ging tot haar in, en lag bij haar; en zij baarde een zoon, wiens naam zij noemde Salomo; en de HEERE had hem lief. En zond heen door de hand van den profeet Nathan, en noemde zijn naam Jedid-jah, om des HEEREN wil.).
Psalm 127 is een klein dichtwerk, een kort spreukenboek vol waarnemingen en levenswijsheid, waarin Salomo, verlicht door de Heilige Geest, de waarde van het werk van God en van het werk van de mens aan ons voorhoudt. Met als belangrijkste les, dat al ons werk, al onze moeiten en zorgen op zichzelf genomen, zonder het werk en de zegen van de Heere, tevergeefs zijn.
Een lied Hammaäloth, van Salomo. Als de HEERE het huis niet bouwt… Als de HEERE de stad niet bewaart… Dan kan je wel vroeg opstaan en hard werken, maar dan… Tegen wie zegt Salomo dat eigenlijk? Tegen mensen (jazeker!) die heel hard werken, en die ook voor het komende seizoen van plan zijn om weer hard aan de slag te gaan. Ze staan vroeg op, ze gaan er keihard tegenaan, maar… Ze vertrouwen op zichzelf, op hun eigen kracht, op hun eigen prestaties. En ze houden geen rekening met God.
Wat ze doen? Ze bouwen een huis. Ze zijn bezig, letterlijk, met de bouw van hun eigen huis, met de aanleg van hun tuin, met de renovatie van hun dak. Ze zijn druk met hun werk, met hun carrière. Ze zijn druk op zoek naar een nieuwe baan, ze zetten alles op alles om hun tentamens te halen en straks hun examens…
Ze bewaken de stad. Dat wil zeggen: ze zijn druk bezig met het algemene, met het publieke belang van kerk en maatschappij. Ze zijn druk met de politiek, met het maatschappelijke leven, met het onderwijs, met de kerk, met vrijwilligerswerk…
Ze staan vroeg op. Nee, het zijn geen uitslapers. Ze doen hun uiterste best. Ze werken van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat.
En hun gezin is ook niet onbelangrijk, dat verwaarlozen ze zeker ook niet. Kijk maar in vers 3-5: Zie, de kinderen zijn een erfdeel des HEEREN; des buiks vrucht is een beloning. Gelijk de pijlen zijn in de hand eens helds, zodanig zijn de zonen der jeugd. Welgelukkig is de man die zijn pijlkoker met dezelve gevuld heeft; zij zullen niet beschaamd worden, als zij met de vijanden spreken zullen in de poort.
Maar, zegt Salomo, het is tevergeefs. Het is ijdel, het is leeg. Krijg nou wat! Je doet zo je best, je slooft je uit, je geeft alles wat je hebt, en nu zegt Salomo: ‘Het is vergeefs, het is leeg. Jammer, maar het is allemaal voor niets’.
En toch zullen veel mensen onder ons dit wel begrijpen en ook uit ervaring weten. Hoe vaak is dit ons niet overkomen, thuis, op het werk, op de zaak: lange dagen gewerkt, gezwoegd, gezweten, eindeloos… Maar wat we zochten kregen we niet. En uiteindelijk bleek dat het iemand anders wel gelukt was. Al je moeite was vergeefs.
De Schotse stad Edinburgh heeft een wapen, een stadswapen. Kijk er thuis maar eens naar op internet. Midden in dat wapen staat de poort van de stad. Links staat een vrouw, rechts een paard, en boven op die poort het anker van een schip. En helemaal bovenaan staat een spreuk: Nisi Dominus Frustra. Zonder de Heere is het vergeefs, ijdel, frustrerend! Frustra! Frustrerend!
Het is allemaal tevergeefs. Zonder God. Dat vroege opstaan, dat harde werken, dat laat opblijven, dat brood der smarten eten, het is allemaal tevergeefs.
Wat betekent dat eigenlijk: ‘brood der smarten’? Dat betekent dat dat brood het resultaat is van moeilijk, van pijnlijk, van ‘smartelijk’ werk. Ons werk is niet zo gemakkelijk. Het kost inspanning, het kost moeite, het kost soms pijn en tranen.
Waarom zegt Salomo dat er eigenlijk bij? Om ons te herinneren… Hier moet bij ons (in ons hoofd, in ons hart) een lampje gaan branden. Brood der smarten, dat is het gevolg van de zonde in het paradijs! Adam heeft niet geluisterd naar God. Hij heeft gezondigd. Hij heeft van de boom gegeten, waarvan hij niet eten mocht. Hij vlucht weg, bij de Heere God vandaan. Maar dan komt de Heere naar hem toe, en zoekt hem op. De Heere belooft de Messias, de Heere Jezus te zullen zenden. Het Zaad van de vrouw, zal de kop van de slang vermorzelen (Gen. 3:15En Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad; datzelve zal u den kop vermorzelen, en gij zult het de verzenen vermorzelen.).
Maar, er is nog wel steeds de straf op de zonde: Adam, omdat u geluisterd hebt naar de stem van uw vrouw, naar de stem van Eva, en van die boom gegeten hebt, waarvan Ik u gebood, zeggende ‘u zult, u mag daarvan niet eten’, daarom is het aarderijk, daarom is de aarde om uwentwil vervloekt. En, nu komt het: Met smart zult u daarvan eten, al de dagen uws levens (Gen. 3:17).
U zult al uw levensdagen daarvan eten met smart, met pijn en verdriet. Dat is precies wat hier staat: eet brood der smarten. Met pijn, met verdriet, met tranen, en ten diepste zonder vrucht of resultaat.
Waarom staat dat hier? Waarom zegt Salomo dat? Dit is bedoeld om ons tot inkeer te brengen. Dit is bedoeld om ons te laten zien, waar we mee bezig zijn. Maar vooral ook: hoe dat komt. Brood der smarten? Dat komt door onze zonde. Daarom is het allemaal zo pijnlijk, zo frustrerend, zo tevergeefs.
Maar, moet je dan lui zijn? Moet je dan maar iedere dag uitslapen? Als het toch allemaal tevergeefs is en geen zin heeft? Nee, dat is niet wat Salomo bedoelt. We kennen hem toch ook van het Spreukenboek, bijvoorbeeld van Spreuken 6, waar hij schrijft: Ga tot de mier, gij luiaard! zie haar wegen, en word wijs. Dewelke, geen overste, ambtman noch heerser hebbende, haar brood bereidt in den zomer, haar spijs vergadert in den oogst. Hoe lang zult u, luiaard, nederliggen? Wanneer zult u van uw slaap opstaan? (Spr. 6:6-9) Kortom: luiaard, opstaan en aan het werk!
Dus lui zijn, dat is ook niet de oplossing. God roept ons op om (ook in het komende seizoen) vlijtig te zijn en onze beste doen. Om hard te werken op school, op je opleiding, bij je studie, op het werk, in de politiek, in de kerk… Maar toch, hoe zit het nu? Want de Prediker zegt tegelijkertijd: IJdelheid der ijdelheden, zegt de prediker; ijdelheid der ijdelheden, het is al ijdelheid (Pred. 1:2IJdelheid der ijdelheden, zegt de prediker; ijdelheid der ijdelheden, het is al ijdelheid.). Het is allemaal leeg, het is allemaal tevergeefs, het is allemaal zo frustrerend!
Zoals we nu eerst samen gaan zingen uit Psalm 127 vers 1 en 2: Vergeefs op bouwen toegelegd; Vergeefs, om 't huis voltooid te zien, Gezwoegd, gezweet, o arbeidsliên, Zo God Zijn hulp aan 't werk ontzegt. Vergeefs, o wachters, is uw vlijt, Zo God niet zelf de stad bevrijdt. Vergeefs van 's morgens vroeg geslaafd Tot 's avonds, en het brood der smart Gegeten, met een angstig hart; Vergeefs den gansen dag gedraafd; God geeft het, hoe een ander schraap', Dien Hij bemint, als in den slaap. Het is allemaal… tevergeefs!
Met smart zullen we eten van het werk van onze handen. We eten brood der smarten, tranenbrood, vol pijn en frustratie. Want al onze inspanning, alles wat we doen, dat lijkt zo vaak tevergeefs! Maar lui-zijn. zegt Salomo, is ook niet de oplossing. God roept ons op om het komende seizoen vlijtig te zijn, onze best te doen… Maar toch, zegt Salomo, is alles ijdelheid.
Want…, wat is nu het probleem…? Het probleem is, als je van de Heere wel dingen krijgt, maar Hij Zelf is er niet bij. Je krijgt wel Gods gaven, maar Hij Zelf is er niet bij. Je krijgt wel giften van Hem (geld, voorspoed, kracht, gezondheid, vooruitgang), maar de zegen van de Heere, Zijn liefde, Zijn gunst en Zijn goedheid zijn er niet. Dan lijkt het wel dat het goed gaat (en dat zeggen de mensen ook: het gaat goed!), maar het gaat helemaal niet goed. Dan lijkt het wel alsof je veel hebt (je ziet je bankrekening groeien), maar het is allemaal leeg, het is allemaal pure armoe.
Want, zo zei Mozes tegen het volk Israël op de grens van het beloofde land, terwijl hij terugkeek naar de reis door de woestijn: U kunt van brood alleen niet leven. En (zo staat in Deuteronomium 8): de Heere verootmoedigde u. Hij liet u hongeren (op uw reis door de woestijn), en Hij spijsde u met, Hij gaf u te eten van het Man, het manna, brood dat u niet kende, noch uw vaderen gekend hadden, opdat Hij u bekend maakte (en dan komt het!) dat de mens niet alleen van het brood leeft, maar dat de mens leeft van alles, wat uit des HEEREN mond uitgaat (zie Deut. 8:3).
In de woestijn, tijdens die lange reis waar we nu op terugkijken, hoe was het daar? Je zegt: in een woestijn heb je echt helemaal niks, geen tuin om te werken, geen land om te bebouwen… Maar wacht, weet je wat daar gebeurde? Daar kreeg het volk Israël iedere dag brood uit de hemel. De dichter van Psalm 105 zegt: Zij baden, en Hij (de Heere) deed kwakkelen (kwartels, kleine vogels) komen, en Hij verzadigde hen met hemels brood (Ps.105:40). En de dichter van Psalm 78 zegt: En regende op hen het Man (het manna) om te eten, en gaf hun hemels koren (Ps. 78:24). Zulk heerlijk brood hadden ze nog nooit gegeten (Num. 11: 6-9). Het beste brood kwam uit de hemel. En daar hadden ze zelf helemaal niets voor gedaan ook.
Maar, zegt de Heere: Brood alleen? Werk alleen? Geld alleen? Daar kan je niet van leven. Als het nodig is, dan zal Ik, de Heere, daar wel voor zorgen. Vertrouw op Mij, op Mijn Woord. Dat is het allerbelangrijkste. Geloof het Woord en vertrouw op het Woord dat uit Mijn mond uitgaat. Ik zorg voor u. Het is waar, dat geldt ook het geestelijke leven. Uit de mond van de Heere komt voedsel voor hongerige zielen. Wie dat gegeten heeft, zal geestelijk niet meer hongeren (Joh. 6:58Dit is het Brood, dat uit den hemel nedergedaald is; niet gelijk uw vaders het Manna gegeten hebben, en zijn gestorven. Die dit Brood eet, zal in der eeuwigheid leven.).
Maar het wordt hier in eerste instantie gezegd, en het gaat op deze biddag voor gewas en arbeid in eerste instantie om het dagelijkse brood, om de dingen die we nodig hebben voor het gewone leven. Bij alles wat je hebt, bij alles wat je zoekt, bij alles wat je vindt en krijgt, is de belangrijkste vraag of de Heere er Zelf ook bij is. Met Zijn gunst, met Zijn genade, met Zijn liefde en zorg. En of je leeft van Zijn Woorden. Want als de Heere er niet is, en als je niet leeft bij Zijn Woorden, dan is alles leeg… Maar als Hij is er wel is, en deze Bijbelwoorden zijn voor je zoeter dan honing… Dan…? Dan word je dan rijk? Dan krijg je heel erg veel van de Heere? We zullen straks zien, of de Heere dat echt zo, op die manier belooft, maar eerst even iets ander anders.
Mogen we, als de Heere het allerbelangrijkste is, dan nog wel bidden (zoals op deze dag) voor de dingen van het tijdelijke leven? Mag je dan wel bidden voor school, voor je huiswerk, voor gezondheid, werk, studie, gezin, vriendschap? We lazen daarnet over in zondag 50, vraag en antwoord 125. Laten we die zondag van de catechismus nog een keer lezen met elkaar:
Vraag 125: Welke is de vierde bede? Het antwoord is: Geef ons heden ons dagelijks brood. Dat is: Wil ons (dat bidden we dan van de Heere) met alle nooddruft des lichaams verzorgen, opdat wij daardoor erkennen dat U de enige Oorsprong van alle goed bent, en dat noch onze zorg en arbeid, noch Uw gaven, zonder Uw zegen (zie je wel, daar gaat het om!) ons gedijen (ons tot nut en zegen zijn), en dat wij derhalve ons vertrouwen van alle schepselen aftrekken en op U alleen stellen
Dus de Heere heeft ons Zelf gezegd, dat we daarom bidden mogen: Geef ons heden ons dagelijks brood. Dat wil zeggen dat je bidden mag: ‘Heere, wilt U voor mij zorgen? Alles komt toch van U? Laat me toch op U vertrouwen, en geeft U mij toch alstublieft niet alleen Uw gaven, maar ook Uw zegen?’ Met zo te bidden erken je dat de Heere boven alles staat. Maar niet vergeten, ondertussen niet alleen maar bezig zijn met de dingen van nu. Want al deze dingen zoeken de heidenen; want uw hemelse Vader weet, dat u al deze dingen behoeft (dat u al deze dingen nodig hebt) (Matth. 6:32Want al deze dingen zoeken de heidenen; want uw hemelse Vader weet, dat gij al deze dingen behoeft.).
Hoe mag je bidden om die tijdelijke dingen? Hoe, op welke manier? a. Met vertrouwen. Met vertrouwen dat de Heere zorgen wil. b. En, niet om heel veel te krijgen, zeker niet om er trots op te worden en ermee te pronken. Want Jakobus zegt tot onze waarschuwing: U bidt, en u ontvangt niet, omdat u kwalijk bidt, opdat u het in uw wellusten doorbrengen zou (Jak. 4:3Gij bidt, en gij ontvangt niet, omdat gij kwalijk bidt, opdat gij het in uw wellusten doorbrengen zoudt.). c. En altijd onder de voorwaarde: als het Uw wil is, als U het goed vindt. Anders is het beter van niet.
d. En ook niet bidden om rijkdom. Want dat is vooral ook de boodschap van de tekst: rijkdom alleen is ijdel, leeg en frustrerend. Alleen de zegen van de Heere maakt rijk (Spr. 10:22).
Het is beter om te bidden met de Spreukendichter: IJdelheid en leugentaal doe verre van mij; armoede of rijkdom geef mij niet; voed mij met het brood mijns bescheiden deels (Spr. 30:8IJdelheid en leugentaal doe verre van mij; armoede of rijkdom geef mij niet; voed mij met het brood mijns bescheiden deels;). Want, als ik arm ben, ga ik misschien wel stelen van een ander. En als ik rijk ben, dan ga ik U vast vergeten. ‘Geeft u me, Heere, maar mijn dagelijkse brood. Dat wat U genoeg, dat wat U goed voor me vindt.’ Denk ook maar aan wat Paulus schrijft aan Timotheüs: Doch die rijk willen worden, vallen in verzoeking, en in den strik, en in vele dwaze en schadelijke begeerlijkheden, welke de mensen doen verzinken in verderf en ondergang (1 Tim. 6:9Doch die rijk willen worden, vallen in verzoeking, en in den strik, en in vele dwaze en schadelijke begeerlijkheden, welke de mensen doen verzinken in verderf en ondergang.). Niet bidden om rijkdom dus!
Werken, gericht op meer voor nu, werken voor meer geld, meer rijkdom, meer vooruitgang, dat is leeg, frustrerend en ijdel. Misschien heb je dan wel veel (tenminste, zo lijkt het), maar zonder de zegen van de Heere ben en blijf je arm. Je zou het ook zou kunnen zeggen: God alleen maakt ons werk betekenisvol. Dit is de goede manier van werken, zoals Paulus het zegt tegen de gemeente van Korinthe: Hetzij dan dat u eet, hetzij dat u drinkt, hetzij dat u iets anders doet, doet het al ter ere Gods (1 Kor. 10:31Hetzij dan dat gijlieden eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets anders doet, doet het al ter ere Gods.). Dat wil zeggen: de goede manier van werken is gericht op God, op de eer en de glorie en de heerlijkheid van God.
Als je zo leeft, als je zo werkt, dan ben je slapend rijk. Lijk je dat niet geweldig? Wie wil dat nu niet?
We gaan dat zien in ons tweede aandachtspunt:
Want, zo staat in Psalm 127 vers 2: Het is te vergeefs, dat gijlieden vroeg opstaat, laat opblijft, eet brood der smarten; het is alzo, dat Hij het Zijn beminden als in den slaap geeft. Het is alzo, dat Hij (God) het aan Zijn beminden als in de slaap geeft. Ze worden slapend rijk! Zo lijkt het er wel te staan. Waar die andere mensen zo om ploeteren, dat krijgen Gods beminden terwijl ze slapen. Ze worden slapend rijk! Maar, als je goed kijkt in de Statenvertaling, dan zie je dat de woordjes ‘als in’ schuin gedrukt staan. Er staat eigenlijk letterlijk, en er wordt ook letterlijk bedoeld: God geeft Zijn beminden de slaap. Hij geeft ze innerlijke, zoete rust.
Aan wie geeft Hij de zegen van de slaap, een woord dat symbool staat voor de zegen van zoete rust en vrede?
Anderen ploeteren, zwoegen, zweten, hebben verdriet, kunnen niet slapen van de zorgen, liggen in hun bed te woelen: hoe moet dit toch, hoe komt dat toch goed…? Maar zij slapen. Wie…? Gods beminden. Weet je nog, de andere naam van Salomo? Jedid-jah, Gods beminde. De Heere had hem lief.
Dus, de mensen die God liefhebben, zij houden van de Heere, ze hebben de Heere lief…? Nee, andersom! De mensen van wie God houdt, God heeft hen lief, God bemint ze, het zijn Gods beminden. Die mensen laat de Heere gerust slapen. Met rust in hun hart. Denk maar aan Psalm 3: Ik lag en sliep gerust, van ‘s HEEREN trouw bewust, tot ik verfrist ontwaakte. Want God was aan mijn zij’, Hij ondersteunde mij, in het leed dat mij genaakte (Ps. 3:3, ber.) Liep het allemaal op rolletjes? Nee, want er komt leed, er komt zorg! Maar de Heere was erbij. Denk maar aan Psalm 4: Ik zal gerust in vrede slapen, en liggen ongestoord ter neer. Want U alleen, mijn Schild en Wapen, schoon het onheil schijnt voor mij geschapen, zult mij doen zeker wonen, HEER’ (Ps. 4:4, ber.). Loopt het allemaal op rolletjes? Nee, het onheil, de tegenspoed lijkt voor de dichter geschapen. Maar de Heere is erbij.
Als de HEERE het huis niet bouwt, dan is het tevergeefs. En als de HEERE de stad niet bewaart, dan wordt het één grote frustratie. Maar de HEERE, de trouwe God Die Zijn woord houdt, wil het huis bouwen, Hij wil de de stad bewaren. En dat wil hoop en vertrouwen geven. Om (terwijl je ijverig je werk doet) alle dingen van Hem te verwachten. Zoals staat Spr. 3:5-6Vertrouw op den HEERE met uw ganse hart, en steun op uw verstand niet. Ken Hem in al uw wegen, en Hij zal uw paden recht maken.: Vertrouw op den HEERE met uw ganse hart, en steun op uw verstand niet. Ken Hem in al uw wegen, en Hij zal uw paden recht maken. En wie in dat vertrouwen leven mag, heeft innerlijke rust.
Dus, of je weg in het komende seizoen voorspoedig zal zijn, of je zegen in plaats van leegte zult ervaren, of je innerlijke rust en vrede in plaats van frustratie zal ervaren… Dat gaat afhangen van: op Wie je voor de toekomst gaat vertrouwen! Als je op jezelf vertrouwt, als je alleen het huis gaat bouwen en je werk gaat doen, dan zul je brood der smarten eten. Maar als je ijverig als de mieren, steeds biddend omhoog kijkt en zegt: ‘Heere, help mij!’, als je je vertrouwen voor het komende seizoen op de Heere alleen stelt, als je in alle dingen met de Heere leeft en alles van Hem verwacht, dan vind je (hoe het ook gaan zal) innerlijke rust. Dán heb je toekomst!
Dan zal je ervaren (wat vers 2b zegt): Het is alzo, dat Hij het Zijn beminde als in den slaap geeft.
De Heere geeft Zijn geliefde kinderen (van wie Hij zoveel houdt), midden in dit vaak zo moeilijke en onrustige leven: slaap. Dat wil zeggen: kalmte en innerlijke rust.
Om Zijn liefste Kind, dat Hij uit enkele liefde voor verloren kinderen naar deze wereld zond. Hij vond nergens rust! Hij moest klagen: De vossen hebben holen, en de vogelen des hemels nesten; maar de Zoon des mensen heeft niet waar Hij het hoofd nederlegge (Matt 8:20En Jezus zeide tot hem: De vossen hebben holen, en de vogelen des hemels nesten; maar de Zoon des mensen heeft niet, waar Hij het hoofd nederlegge.). En terwijl anderen sliepen (zelfs Zijn discipelen), droeg Hij bloed zwetend de last van de toorn van God tegen de zonde van het hele menselijke geslacht.
Om alles wat Christus deed en leed, daarom zijn er voor al Gods kinderen (hoe moeilijk en onrustig het leven ook zijn kan) bij God: milde handen en vriendelijke ogen. En die geven ons, wat er ook gebeurt in het komende seizoen: innerlijk rust.
Wij krijgen het komende seizoen zonder twijfel wat we nodig hebben, wat de Heere goed voor ons vindt. Onze hemelse Vader weet, wat we nodig hebben. En wat een wereld vol onrust zoekt, zal ons toegeworpen worden. Laten we dan niet bezorgd zijn tegen de morgen; want de morgen zal voor het zijne zorgen; elke dag heeft genoeg aan zijn zelfs kwaad (Matt. 6:32-34).
Kinderen van God, geliefde medechristenen, wees niet bezorgd. Al gaan er stormen over uw leven, u mag slapen, in vertrouwen dat de Heere waakt. Al komt er honger, u mag weten, dat God zelfs de hemel kan opendoen om manna te geven, om brood van te maken, zoet als honingkoeken. God geeft Zijn beminden, Zijn kinderen slaap. Innerlijke rust en vrede in Hem.
De duivel kan er trouwens ook wat van. Slaap is in de Bijbel vaak ook een teken van luiheid of van zondige gerustheid, slapeloosheid soms een teken van een slecht geweten. Soms een teken van luiheid. Denk maar aan Spreuken 10: Die in de zomer vergadert, is een verstandig zoon; maar die in de oogst vast slaapt, is een zoon die beschaamd maakt (Spr. 10:5). Daar rust geen zegen op. Slaap is in de Bijbel soms ook een teken van zondige rust. Simson slaapt op de knieën van, in de schoot van Delila (Richt. 16:19Toen deed zij hem slapen op haar knieën, en riep een man en liet hem de zeven haarlokken zijns hoofds afscheren, en zij begon hem te plagen; en zijn kracht week van hem.). Daar rust geen zegen op. Anderen worden door de duivel onrustig gemaakt. Darius heeft een slecht geweten en daardoor slapeloze nachten (Dan. 6:18En er werd een steen gebracht, en op den mond des kuils gelegd: en de koning verzegelde denzelven met zijn ring, en met den ring zijner geweldigen, opdat de wil aangaande Daniël niet zou veranderd worden.).
Maar God geeft Zijn kinderen innerlijke rust, hier verwoord als de rust van een zegenrijke slaap. Zoals Adam slaapt. En terwijl hij slaapt, krijgt hij van de Heere een vrouw. Zoals Jakob slaapt bij Beth-El. En terwijl hij slaapt (op de vlucht voor Ezau!) ziet hij een ladder die tot aan de hemel reikt (Gen. 28:12En hij droomde; en ziet, een ladder was gesteld op de aarde, welker opperste aan den hemel raakte; en ziet, de engelen Gods klommen daarbij op en neder.) Zoals Jozef slaapt. En terwijl hij slaapt (in de gevangenis!) krijgt hij wonderlijke boodschappen van de Heere.
Zo is het ook bij Daniël geweest en bij andere profeten. In het Nieuwe Testament slaapt Petrus, in de gevangenis nota bene, gerust tussen twee wachters. God geeft Zijn kinderen, hoe het leven ook gaat, stille rust en tevredenheid (hier verwoord met ‘slaap’) en stil vertrouwen dat Hij zorgen zal.
Innerlijk gerust, ons bewust van wat dichter zegt Psalm 46: God is ons een Toevlucht en Sterkte. Hij is krachtig bevonden een Hulp in benauwdheden. Daarom zullen wij niet vrezen, al veranderde de aarde haar plaats, en al werden de bergen verzet in het hart van de zeeën. Want: De HEERE der heirscharen is met ons; de God Jakobs is ons een hoog Vertrek (Ps. 46:2,3,12)
Innerlijk gerust, ons bewust van wat dichter zegt Psalm 23: Al ging ik ook in een dal der schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij (Ps. 23:4)
Daarom slapen wij gerust. Al beuken de golven op de rotsen. Al gaan we door een donker dal. Want de Heere is met ons. Om Immanuël. God met ons, door onze Heere Jezus Christus
Laten we, kinderen van God, jong en oud, in het komende seizoen niet vertrouwen op eigen kracht of op eigen prestaties. Vreest den HEERE, gij Zijn heiligen; want die Hem vrezen, hebben geen gebrek. Laten we, hoe het ook gaat, in gedachten houden dat de Heere Zijn beminden nooit zal laten omkomen, ook niet in moeilijke tijden, in dure tijd of hongersnood.
Hij geeft ons, in een leven en in een wereld vol onrust: innerlijke rust, vertrouwen, slaap. En terwijl wij slapen, zorgt Hij. Zo zal onze reis door dit leven, vaak vol van moeite en zorg, uiteindelijk toch rustig verlopen. Want zelfs in de grootste smarten, blijven onze harten in de HEERE gerust (Ps. 33:10De HEERE vernietigt den raad der heidenen; Hij breekt de gedachten der volken., ber.) Totdat na alle onrust op de aarde, eindelijk voor altijd de belofte vervuld zou worden: Er blijft dan een rust (een volmaakte rust) over voor het volk van God (Hebr. 4:9Er blijft dan een rust over voor het volk Gods.). En dat alleen om Hem, Die hier op de aarde nooit rust gehad heeft. Hij moest zeggen: De vossen hebben holen, en de vogelen des hemels nesten (Luther zag ze), maar de Zoon des mensen heeft niet, waar Hij het hoofd nederlegge (Matth. 8:20).
De bekende puriteinse dominee Thomas Brooks schrijft, vooruit kijkend naar de vervulling van de belofte van die volmaakte, eeuwige rust: De slechte mensen (zoals ik ze noemde: ijdele zwoegers, tobbers, ploeteraars) hebben hier hun goede dingen, hun rust, hun hemel (wat een ellende, als je je hemel hier op de aarde hebt!), terwijl Gods kinderen in moeite en onrust zijn. Maar de dag is aanstaande dat de heiligen rust zullen hebben in de hemel.
(Maar) de zondaars zullen geen goede dag meer hebben, nooit meer een uur rust, hun pijniging zal eeuwig zijn.
Zoek daarom eerst het Koninkrijk van God en zijn gerechtigheid, al het andere zal u worden toegeworpen (Matth. 6:33). Dan krijgt u, als een kind van God hier op aarde, als een kwetsbaar en veracht vogeltje, van de Heere zonder twijfel een takje om rustig op te slapen. En straks, in het hiernamaals, eeuwige rust in het Vaderhuis.
Amen.
Slotzang Psalm 4:4:
Gij hebt m' in 't hart meer vreugd gegeven, Dan and'ren smaken in een tijd, Als zij, door aards geluk verheven, Bij koorn en most wellustig leven, ln hunnen overvloed verblijd. Ik zal gerust in vrede slapen, En liggen ongestoord ter neer; Want Gij alleen, mijn schild en wapen, Schoon 't onheil schijnt voor mij geschapen, Zult mij doen zeker wonen, HEER’.
Andere preken over Psalmen
Andere preken voor Biddag
Andere gerelateerde preken