22 februari 2026
Psalm 139:14-16: Ik loof U, omdat ik op een heel vreselijke wijze wonderbaarlijk gemaakt ben; wonderlijk zijn Uw werken; ook weet het mijn ziel zeer wel. Mijn gebeente was voor U niet verholen, als ik in het verborgene gemaakt ben, en als een borduursel gewrocht ben in de nederste delen der aarde. Uw ogen hebben mijn ongeformeerden klomp gezien; en al deze dingen waren in Uw boek geschreven, de dagen als zij geformeerd zouden worden, toen nog geen van die was.
INLEIDING
In Psalm 139 bezingt David vol verwondering de alwetendheid en alomtegenwoordigheid van God, Die hem al kende voor zijn geboorte: als een borduursel gewrocht ben, in de nederste delen der aarde (Psalm 139:15). Deze leespreek neemt u mee in de troostvolle boodschap dat ieder mensenleven, ook het ongeboren leven, gekend en gewild is door zijn Schepper en Maker.
Leven voor Gods aangezicht
PSALM 139:1-16
1 Een psalm van David, voor den opperzangmeester. HEERE, Gij doorgrondt en kent mij.
2 Gij weet mijn zitten en mijn opstaan, Gij verstaat van verre mijn gedachte.
3 Gij omringt mijn gaan en mijn liggen, en Gij zijt al mijn wegen gewend.
4 Als er nog geen woord op mijn tong is, zie, HEERE, Gij weet het alles.
5 Gij bezet mij van achteren en van voren, en Gij zet Uw hand op mij.
6 De kennis is mij te wonderbaar; zij is hoog, ik kan er niet bij.
7 Waar zou ik heen gaan voor Uw Geest, en waar zou ik heen vlieden voor Uw aangezicht?
8 Zo ik opvoer ten hemel, Gij zijt daar; of bedde ik mij in de hel, zie, Gij zijt daar.
9 Nam ik vleugelen des dageraads, woonde ik aan het uiterste der zee,
10 Ook daar zou Uw hand mij geleiden, en Uw rechterhand zou mij houden.
11 Indien ik zeide: De duisternis zal mij immers bedekken; dan is de nacht een licht om mij.
12 Ook verduistert de duisternis voor U niet, maar de nacht licht als de dag; de duisternis is als het licht.
13 Want Gij bezit mijn nieren, Gij hebt mij in mijner moeders buik bedekt.
14 Ik loof U, omdat ik op een heel vreselijke wijze wonderbaarlijk gemaakt ben; wonderlijk zijn Uw werken; ook weet het mijn ziel zeer wel.
15 Mijn gebeente was voor U niet verholen, als ik in het verborgene gemaakt ben, en als een borduursel gewrocht ben in de nederste delen der aarde.
16 Uw ogen hebben mijn ongeformeerden klomp gezien; en al deze dingen waren in Uw boek geschreven, de dagen als zij geformeerd zouden worden, toen nog geen van die was.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Psalm 139:14-16
THEMA
Leven voor Gods aangezicht
AANDACHTSPUNTEN
Gemeente, we overdenken vanmorgen met Gods hulp het eerste gedeelte van Psalm 139, in het bijzonder de verzen 14, 15 en 16 (hoewel ik de andere verzen niet zal overslaan). Psalm 139:14-16, waar we Gods Woord als volgt lezen: Ik loof U, omdat ik op een heel vreselijke wijze wonderbaarlijk gemaakt ben; wonderlijk zijn Uw werken! ook weet het mijn ziel zeer wel. Mijn gebeente was voor U niet verholen, als ik in het verborgene gemaakt ben, en als een borduursel gewrocht ben, in de nederste delen der aarde. Uw ogen hebben mijn ongevormde klomp gezien; en al deze dingen waren in Uw boek geschreven, de dagen als zij geformeerd zouden worden, toen nog geen van die was.
Het thema voor de preek van vanmorgen is: Leven voor Gods aangezicht
Er zijn drie aandachtspunten 1. Voor het oog van de Alwetende 2. Voor het oog van de Overaltegenwoordige 3. Voor het oog van onze Schepper en Maker Als eerste dus:
Voor het oog van God, Die alles weet. Als je deze Psalm leest, dan voel je direct: Dit is een alleenspraak in het hart van David voor God. Hij zingt, hij dicht zijn psalm, terwijl hij zich geplaatst weet voor het aangezicht van de Heere.
Hij is zich terdege bewust van wie hijzelf is, van zijn zonden en afdwalingen. Maar hij mag geloven, dat hij de Heere dient met een volkomen hart. En in dat staan voor God is het hem tot troost (ondanks dat zijn geweten Hem aanklaagt en ondanks dat zijn vijand hem beschuldigt): de Heere ziet en weet alles.
Leest u dit ook met troost? Of leest u dit met schrik? Dat de Heere alles van je weet, jongens en meisjes, vind je dat fijn? Of schrik je daar een beetje van?
Schrik je ervan, als je eraan denkt: de Heere weet alles, Hij weet wat ik doe, Hij weet hoe ik leef, Hij ziet de dingen waarmee ik bezig ben, Hij weet hoe vaak ik Hem vergeet? Of..., vind je het fijn, dat de Heere alles weet: Hij ziet dat mijn leven vol is van zonde en schuld, maar Hij hoort ook mijn stem, mijn smekingen en klagen? Hij ziet me, Hij luistert naar me, als ik stil bid?
Psalm 139 plaatst ons als eerste voor God, Die alles weet, voor God de Alwetende. Kijkt u maar in vers 1 en 2: U doorgrondt mij. U dringt door tot mijn diepste geheimen. U doorziet alles. Het laat Job vragen: Zal het goed zijn, als Hij u zal onderzoeken? (Job 13:9Zal het goed zijn, als Hij u zal onderzoeken? Zult gij met Hem spotten, gelijk men met een mens spot?)
U doorgrondt mij, en: U kent mij. U kent mij persoonlijk, van heel dichtbij. Zoals Psalm 8 vol verwondering zingt: O HEERE, wat is de mens, dat U hem kent?
U doorgrondt mij, U kent mij en U weet mijn zitten en mijn opstaan. U weet van mijn doen en laten, dag en nacht. Ik kan Uw pad verlaten, maar U verlaat mijn pad niet. Zoals Job zei: Hij ziet mijn wegen, Hij telt mijn treden (Job 31:4Ziet Hij niet mijn wegen, en telt Hij niet al mijn treden?).
En U verstaat van verre mijn gedachten. Terwijl ík ze nog niet gedacht heb, weet U ze al.
Vers 3 (lees maar verder mee, jongens en meisjes): U omringt mijn gaan en mijn liggen, en U bent al mijn wegen gewend. U kent mij en mijn leven door en door.
Als er (vers 4) nog geen woord op mijn tong is, zie, Heere, U weet het alles! Ik kan niets zeggen, of U wist al, dat het zou komen.
Is het u tot schrik, of tot troost en verwondering? Schrik je daarvan, of vind je dat fijn?
U (vers 5) bezet mij van achteren en van voren, en U zet Uw hand op mij. U voelt: de hand van de Heere is er aan alle kanten: van voren, van achteren, van boven, overal! Met andere woorden, ik ben helemaal omsloten door Uw hand.
Die kennis (vers 6) is mij te wonderbaar. Zij is hoog, ik kan er niet bij. Dit begrijp ik niet, dit is te véél voor mij. Dat U echt alles weet!
Jongens en meisjes, wat denk je als je dit hoort? Vind je dit fijn? Of schrik je ervan? Wat denkt u? Ja, want er zijn twee mogelijkheden: a. Dit kan je (net als bij David) troosten. De Heere weet alles. Jazeker, Hij weet ook alles waar ik me diep voor schamen moet, alles wat mij zo diep laat bukken en buigen. Maar de Heere weet ook van Zijn Eigen werk in mijn hart.
Wat ik vaak zo moeilijk kan duiden. Wat ik zo vaak niet begrijp. Wat ik zo moeilijk onder woorden kan brengen. Maar dan zeg ik maar, net als Petrus: ‘Heere, U wéét alle dingen’ (Joh. 21:17Hij zeide tot hem ten derden maal: Simon, zoon van Jonas, hebt gij Mij lief? Petrus werd bedroefd, omdat Hij ten derden maal tot hem zeide: Hebt gij Mij lief, en zeide tot Hem: Heere! Gij weet alle dingen, Gij weet, dat ik U liefheb. Jezus zeide tot hem: Weid Mijn schapen.). U weet wat U in mijn leven gedaan hebt en doet. U weet hoe U Zelf in mijn leven gekomen bent, en hoe ik U sindsdien zoek. U weet hoe ik naar U verlang, hoe ik naar U uitzie, hoe ik op U hoop. Want: Ik hoop in al mijn klachten op U, op Uw onfeilbaar Woord (Psalm 130:3Zo Gij, HEERE! de ongerechtigheden gadeslaat; HEERE! wie zal bestaan?, ber.).
Zeker, dat is in het leven van David ooit ook anders geweest. Toen de Heere zijn zondige leven plaatste voor het alwetende oog van Zijn heiligheid. Toen moest hij zeggen: zo U de ongerechtigheden gadeslaat, wie zal bestaan (Ps. 130:3)? Dit is geen man, die zich heel zijn leven al vertroost weet door Gods alwetendheid. Hij kent ook tijden van benauwdheid en ontdekking, tijden waarin hij kromp en boog en brak… U doorgrondt en kent mijn daden? U weet mijn gedachten? O wee mij dan, want ik heb tegen U gezondigd! Maar nu weet hij zich gerust en getroost. Want bij de Heere is vergeving. Vergeving, afgebeeld in het Oude Testament in het bloed van de offers. Heen wijzend naar de toen nog komende Christus en naar Zijn sterven aan het kruis.
Er zijn, zo zei ik, twee mogelijkheden. Dit, dat de Heere alles ziet en weet, kan je (net als bij David) troosten. Maar…
b. Dit kan je ook heel ongemakkelijk maken. De Heere weet en ziet alles? Weet de Heere dan ook, wat ik pas zei…? Ja, dat ook! Zag de Heere ook dat, wat ik pas deed? Ja, dat ook! Hoort de Heere dan ook wat ik nu denk? Ja, zonder twijfel!
Is dat niet de reden, onbekeerde vrienden, dat je vaak niet aan de Heere wilt denken? ‘t Maakt je ongemakkelijk. Want je hebt iets te verbergen. Maar het ís niet verborgen, voor het oog van de Alwetende, Die alles ziet en weet!
Ons tweede aandachtspunt:
Voor het oog van Hem, Die overal is. Want de Heere wéét niet alleen alles, maar Hij is ook overal. En ook dat kan ongemakkelijk voelen. Als je iets te verbergen hebt. Of als je jezelf wil verbergen voor God, zoals Adam in het paradijs, achter de struiken.
Maar, zegt vers 7: Waar zou ik heengaan voor Uw Geest en waar zou ik heen vluchten voor Uw aangezicht?
a. Je kan (als eerste) proberen omhoog of naar beneden te gaan. Kijk maar in vers 8: Zo ik opvoer ten hemel, U bent daar; of bedde ik mij in de hel, zie, U bent daar. Het is de hemel van de hemel: dat Gód daar is, met Zijn gunst en liefde in Christus. En het is de hel van de hel: dat God ook dáár is, maar dan zonder Zijn gunst en liefde. Heeft Job niet gezegd: De hel is naakt voor Hem, en geen deksel is er voor het verderf (Job 26:6De hel is naakt voor Hem, en geen deksel is er voor het verderf.)? En heeft de profeet Amos niet geprofeteerd: Al groeven zij tot in de hel, zo zal Mijn hand ze van daar halen, en al klommen zij in de hemel, zo zal Ik ze van daar doen nederdalen (Amos 9:2Al groeven zij tot in de hel, zo zal Mijn hand ze van daar halen, en al klommen zij in den hemel, zo zal Ik ze van daar doen nederdalen.)?
Onbekeerde vrienden, je kúnt niet vluchten voor God. Godzoekers, kinderen van God, de Heere is in de hoogte, maar Hij is ook in de diepte, Hij is overal. Hij is er ook in duisternis, in strijd, in aanvechting en geestelijke verlating. De profeet Jesaja zegt in Jesaja 57:15Want alzo zegt de Hoge en Verhevene, Die in de eeuwigheid woont, en Wiens Naam heilig is: Ik woon in de hoogte en in het heilige, en bij dien, die van een verbrijzelden en nederigen geest is, opdat Ik levend make den geest der nederigen, en opdat Ik levend make het hart der verbrijzelden.: Want alzo zegt de Hoge en Verhevene, Die in de eeuwigheid woont en Wiens Naam heilig is: Ik woon in de hoogte en in het heilige, en bij dien die van een verbrijzelde en nederige geest is, opdat Ik levend make den geest der nederigen, en opdat Ik levend make het hart der verbrijzelden. Je kan, zo zei ik, als eerste proberen omhoog of naar beneden te gaan.
b. Je kan als tweede proberen naar het oosten of naar het westen te gaan. Kijk maar naar vers 9 en 10: Nam ik vleugelen van de dageraad, woonde ik aan het uiterste der zee; ook daar zou Uw hand mij geleiden, en Uw rechterhand zou mij houden. Onbekeerde vrienden, wáár je ook heen gaat, nergens ontsnap je aan Gods oog. Kinderen van God, overal in deze wereld zijn we veilig. In Christus geborgen, veilig in Gods handen.
c. Je kan als derde proberen te vluchten in het donker. Vers 11 zegt: Indien ik zeide: De duisternis zal mij immers bedekken (om mij te verstoppen); dan is de nacht een licht om mij. Ook verduistert de duisternis voor U niet; maar de nacht licht als de dag; de duisternis is als het licht. Onbekeerde vrienden, denk nooit ‘De Heere ziet mij niet.’ Want Hij ziet alles. De schrijver van de Hebreeënbrief zegt: En er is geen schepsel onzichtbaar voor Hem; maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen Desgenen, met Wie wij te doen hebben (Hebr. 4:13En er is geen schepsel onzichtbaar voor Hem; maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen Desgenen, met Welken wij te doen hebben.). De Heere heeft echt geen licht nodig. Hij heeft het alleen voor ons geschapen. Wat een troost, kinderen van God. Onze duisternis is niet duister voor God. Hoe donker ooit Gods weg moog wezen, wij zien Hem niet meer, wij zien de weg niet meer, maar Hij ziet in gunst op die Hem vrezen. Tegelijkertijd is dat ook een aansporing om heilig te leven. Want de Heere is overal, en Hij ziet en weet alles.
Voordat we verder gaan met ons derde punt, gaan wij nu eerst zingen uit Psalm 73:1: Ja waarlijk, God is Isrel goed, voor hen, die rein zijn van gemoed. Hoe donker ooit Gods weg moog' wezen, Hij ziet in gunst op die Hem vrezen.
De preek van vanmorgen gaat over: Leven voor Gods aangezicht. We hebben samen gelet op: 1. Leven voor het aangezicht van God de Alwetende. 2. Leven voor het aangezicht van God de Overaltegenwoordige En nu ons derde aandachtspunt:
Gemeente, het volgende deel van deze Psalm is eigenlijk een toespitsing van het eerste deel. Maar David daalt in verwondering steeds dieper af, uiteindelijk zelfs naar de oorsprong van zijn bestaan.
Kijk maar in vers 13: Want U bezit (of: U vormde, U schiep) mijn nieren; U hebt mij in mijn moeders buik bedekt. Mijn innerlijke emoties, mijn begeertes, mijn verlangens, die hebt U gemaakt, die zijn in Uw hand. In het eerste huis waarin ik woonde, in mijn moeders buik, heeft Uw goede hand mij bedekt. Eigenlijk staat er: U hebt mij in de buik van mijn moeder geweven met Uw eigen hand. Toen al was Uw gunst op mij, Uw tere en trouwe zorg. Toen (zoals staat in Psalm 71:6Op U heb ik gesteund van den buik aan; van mijner moeders ingewand aan zijt Gij mijn Uithelper; mijn lof is geduriglijk van U.), toen heb ik al gesteund op U. Van de buik aan, van mijner moeders ingewand aan bent U mijn Uithelper.
a. Voel je iets van de goedheid van de Heere, jongens en meisjes, als je hieraan denkt? Dat de Heere je met Zijn hand gemaakt heeft, gevlochten, geweven? Voel je dan iets van Zijn liefde, en van de voorzichtigheid van Zijn tere handen? Voel je dan ook iets van hoe groot en hoe machtig de Heere is? Zie dan ook iets van het bijzondere, dat de Heere jou, dat geweven, dat gemaakte kindje, nadat het geboren was, wilde noemen met Zijn Eigen Naam? Ik bedoel: toen je hier gedoopt werd?
Die Heere, Die van het allereerste begin je maakte, Die zo goed voor je zorgde, Die al zo vroeg in je leven kwam, toen jij nog niet eens aan Hem dacht…, die Heere, jongens en meisjes, is het zó waard dat je Hem gaat zoeken, liefhebben, en dienen. En dat wil de Heere ook aan je geven!
b. En voel jij, voelt u, die een kind van de Heere mag zijn, hier niet iets van Zijn onbegrijpelijke, eeuwige liefde, als u terugdenkt aan dit moment? Wat staat in vers 13: U vormde mijn nieren; U hebt mij in mijn moeders buik geweven? Liefgehad met een eeuwige liefde. En zo, door U gemaakt, met liefde en tere zorg. En zo geboren laten worden, zo gedoopt laten worden. En zo getrokken uit de duisternis tot het licht. En zo gewassen met het bloed van Zijn lieve Zoon, met onbegrijpelijke, tere liefde en zorg?
Het kan niet anders, dat moet ons overweldigen. Ik bedoel, jongens en meisjes, dat je zegt: ‘Heere, dit is zo bijzonder! Ik begrijp het niet. Wat bent U groot, wat bent U goed, voor zo’n mens als dat ik ben…’
Overweldigd door de liefde en macht, en door de goedheid en de gunst van de Heere, zingt David in vers 14 dan ook een innemende lofzang: Ik loof U, omdat ik op een heel vreselijke (ontzagwekkende) wijze wonderbaarlijk gemaakt ben; wonderlijk zijn Uw werken! ook weet het mijn ziel zeer wel. Ik loof U! Loven, lof zingen doet een mens in verwondering, in aanbidding. Uit de diepten van ons bestaan (wie ben ik eigenlijk voor U, Heere?), daarvandaan klinken de hoge tonen van de lof voor de Heere. Hoge tonen ontlokt aan een nederig hart: Kom, maak God met mij groot. Want, U bent groot, maar ik begrijp U niet. En dus loof ik U. Het vult zich mijn hart met ontzag voor U. Omdat ik op ontzagwekkende wijze (zo het vereren waard, zo aanbiddelijk groot!) wonderbaar gemaakt ben. Uw werken, Heere, zijn wonderlijk.
Vers 15: Mijn gebeente (mijn beentjes, mijn botjes, mijn lijfje) was voor U niet verholen (niet verborgen). Niemand zag me, maar U wel. Toen ik in het verborgen gemaakt ben, en als een borduursel ben voortgebracht (als een fijn netwerk van draden geweven, als borduurwerk gestikt) in de nederste delen der aarde, in de buik van mijn moeder.
Mijn spieren, mijn zenuwen, mijn aders en slagaders, zijn door U als draden geweven. Zo volmaakt! Volmaakter dan de prachtige kleden van de tabernakel, die door mensenhanden, die door kunstenaarshanden geweven zijn. Zij hadden daglicht nodig, maar U niet, U borduurde in het dónker van de buik van mijn moeder, in alle pracht, en schoonheid, en volmaaktheid.
In de nederste delen van de aarde… In de baarmoeder van mijn moeder. Ja, maar die uitdrukking ‘in de nederste delen van de aarde’ doet ook heel sterk denken, niet alleen aan het begin, maar ook aan het einde van het leven. Het doet denken aan de woorden van Job: Gedenk toch, dat U mij als leem bereid hebt, en mij tot stof zult doen wederkeren. Hebt U mij niet als melk gegoten, en mij als een kaas doen runnen? Met vel en vlees hebt U mij bekleed; met beenderen ook en zenuwen hebt U mij samengevlochten (Job 10:9-11Gedenk toch, dat Gij mij als leem bereid hebt, en mij tot stof zult doen wederkeren. Hebt Gij mij niet als melk gegoten, en mij als een kaas doen runnen? Met vel en vlees hebt Gij mij bekleed; met beenderen ook en zenuwen hebt Gij mij samengevlochten;). Bereid, gemaakt als een klompje leem, in de nederste delen van de aarde. Als stof, dat tot stof zal wederkeren (Gen. 3:19In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert, dewijl gij daaruit genomen zijt; want gij zijt stof, en gij zult tot stof wederkeren.).
Gemeente, als we in dit verband aan onszelf en onze kinderen (als we die van de Heere gekregen hebben) denken, dan is alle reden om de lof van de Heere te zingen. Met hoge tonen, ontlokt aan een nederig hart. Vol van ontzag voor de grote God. Wij loven U, omdat u ons en onze kinderen op een ontzagwekkende manier wonderbaar gemaakt hebt. Wonderlijk zijn Uw werken, o Heere! U hebt ons in het verborgene gemaakt, en als een borduursel geweven. Totdat U ons geboren liet worden.
Verloren in zonde en schuld… Verloren, maar naar Uw Naam genoemd. Door U opgezocht en apart gezet. Toen wij gedoopt werden en U aan ons beloofde: Ik zal u tot een God zijn. Zo mogen hoge tonen van lof klinken op Gods wonderlijke werk.
Maar laten we de donkere achtergrond van het leven van ons mensen niet vergeten. Gemaakt in de nederste delen van de aarde. Stof dus… En alles wat uit stof is, gaat voorbij. We hebben onze kinderen voor een poosje geleend gekregen, en moeten ze vroeg of laat weer teruggeven…
Uw ogen (vers 16) hebben mijn ongevormde klomp gezien; en al deze dingen waren in Uw boek geschreven, de dagen als zij geformeerd zouden worden, toen nog geen van die was. God heeft mij, Hij heeft u en uw kinderen, als Eerste gezien. Toen onze moeder nog niet van ons wist, laat staan onze vader. Toen al, stond alles in Gods boek geschreven, al de dagen die nog komen zouden.
a. Voor sommige kinderen werd het slechts een enkele dag. Omdat je zwangerschap, moeder, tot groot en blijvend verdriet misliep en uitliep op een miskraam. Wat een stil, pijnlijk, blijvend verdriet. Vaak voor anderen verborgen. Vaak door anderen niet begrepen.
Laten we daar trouwens, gemeente, niet gemakkelijk over denken. Die ongevormde klomp was een borduursel van Gods hand, een kindje met een ziel voor de eeuwigheid. Bid daarom, ouders, vanaf het prilste begin van je in verwachting zijn, ja van vóór je zwangerschap al voor de zielen van je kleine kindertjes. Want we weten niet hoelang we onze kinderen aan ons toevertrouwd krijgen. Alles was in Gods boek geschreven, al de dagen die nog komen zouden.
b. Voor sommige kinderen was het een enkele dag, voor anderen enkele maanden of jaren, tot vele jaren toe. Maar de dagen zijn geschreven. Job zegt: Onze dagen zijn bestemd, het getal van onze maanden bij de Heere (Job 14:5Dewijl zijn dagen bestemd zijn, het getal zijner maanden bij U is, en Gij zijn bepalingen gemaakt hebt, die hij niet overgaan zal;). En die dagen zijn een handbreed gesteld (Psalm 39:3Ik was verstomd door stilzwijgen, ik zweeg van het goede; maar mijn smart werd verzwaard.). Wat is dat voor ons allen toch reden om te bidden met de dichter: Leer ons de tijd des levens kostelijk achten? (Psalm 90:9Want al onze dagen gaan henen door Uw verbolgenheid; wij brengen onze jaren door als een gedachte., ber.)
Ouders, de levenstijd van onze kinderen is vastgesteld. En onze dagen vliegen voorbij. De apostel Paulus zegt: De tijd is voorts kort (1 Kor. 7:29Maar dit zeg ik, broeders, dat de tijd voorts kort is; opdat ook die vrouwen hebben, zouden zijn als niet hebbende;). Ouders, zóek dan toch de Heere (ook voor je kinderen!) terwijl Hij te vinden is. Want als kaf gaat de dag voorbij! Jongens en meisjes, zoek dan toch de Heere. Zoek Hem, dan zul je Hem vinden. Jongeren, zoek de Heere. Nu. Voordat de kwade dagen komen en de jaren naderen, waarvan je zeggen zult: ik heb geen lust in dezelve (Pred. 12:1En gedenk aan uw Schepper in de dagen uwer jongelingschap, eer dat de kwade dagen komen, en de jaren naderen, van dewelke gij zeggen zult: Ik heb geen lust in dezelve.).
Voordat de tijd komt, dat het zoveel moeilijker zal zijn dan dat het nu is, om de Heere te zoeken. Voordat je druk bent, voordat je ziek wordt, voordat je oud bent. Dit is echt de beste tijd om de Heere te zoeken. Nu, vandaag! Stel het alsjeblieft niet uit.
Gemeente, vier dingen wil ik u graag nog meegeven aan het einde van deze dienst, naar aanleiding van deze psalm, die we samen overdacht hebben.
Als eerste wil ik u dit meegeven: a. David heeft hier niet over abortus. Maar je kan dit in deze tijd niet lezen zonder daaraan te denken. Laten we vanmorgen niet wijzen naar anderen, maar laten we maar dichtbij onszelf blijven. Want dit gaat ook ons als kerkmensen niet voorbij.
Ongeboren leven is het handwerk van God. Vanaf het allereerste moment. En wie (zo vraag ik) durft er met zijn handen dat handwerk van God te vernietigen? En wie durft er met haar handen het werk van de Almachtige te doden? De duisternis van ons verborgen leven licht helder op in het licht van de Alwetende, in het licht van de overaltegenwoordige Schepper van alle leven.
We weten hoe ellendig het er (wat dit betreft) met Nederland voorstaat. Maar er worden ook door kerkmensen zwangerschappen afgebroken. Ook en misschien wel vooral door morning-afterpillen of nood-anticonceptiemiddelen.
Moeders, als je dochter ongewenst zwanger is, stuur ze dan niet naar de dokter om haar zwangerschap af te breken. Maar bid voor ze, hou van ze, en blijf om haar heen staan. Jongens, als je vriendin zwanger is, terwijl dat niet de bedoeling was, wees een vent, wees een vader! Dwing je vriendin niet om haar zwangerschap af te breken. Maar ontvang je kind in liefde. We zullen (dat beloof ik) om je heen staan, we zullen voor je doen wat we kunnen. En ook de broeders diakenen zullen je helpen, als je het financieel niet redt.
Als tweede wil ik u dit meegeven: 2. Uit alles in deze psalm blijkt, ouders: uw kind is, onze kinderen zijn niet van ons. De kunstenaar zelf is de eigenaar, de wettige eigenaar van het gemaakte kunstwerk. God is de wettige Eigenaar van onze kinderen. Hij noemt ze ook in Ezechiël 16: Mijn kinderen (Ez. 16:21). En dan gaat het nota bene over de verbondskinderen van het volk van Israël, dat op dat moment in afgoderij en diep verval ver van de Heere is afgeweken. Maar desondanks noemt de Heere de kinderen van het volk Israël: Mijn kinderen.
God is de wettige Eigenaar van onze kinderen. We hebben ze voor een poosje in bruikleen gekregen. Om ze (dat is de bedoeling van de Heere), om ze (zo zegt Psalm 78) te vertellen: de loffelijkheden des HEEREN, en Zijn sterkheid, en Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft (…). Opdat het navolgende geslacht die weten zou, de kinderen, die geboren
zouden worden en zouden opstaan, en vertellen ze hun kinderen en dat zij hun hoop op God zouden stellen, en Gods daden niet vergeten, maar Zijn geboden bewaren (Ps. 78:4-7). Een poosje in bruikleen gekregen, hiervoor(!), en dan… moeten we ze teruggeven.
Dus, ouders, maak werk van je verborgen gebeden. Zoek verzoening en vrede met God voor jezelf en voor je kinderen. Vraag om een nieuwe geboorte, om nieuw geestelijk leven in hun dode harten. En maak werk van je christelijke opvoeding. En maak werk van je biddend en hoopvol pleiten op Gods belofte. Ik bedoel van biddend en hoopvol pleiten op deze belofte: En Ik (zegt de HEERE) zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God en uw zaad na u. Want u komt de belofte toe, en uw kinderen, en allen die daar verre zijn, zovelen als er de Heere onze God toe roepen zal (Hand. 2:39Want u komt de belofte toe, en uw kinderen, en allen, die daar verre zijn, zo velen als er de Heere, onze God, toe roepen zal.).
Onze kinderen zijn Gods eigendom. De doop laat dat zo duidelijk zien: Gods Naam is uitgesproken over hun voorhoofdjes. Ze zijn Zijn wettige eigendom. En dus zal de Heere ons rekenschap vragen van wat wij met Zijn kunstwerk hebben gedaan.
Dat onze kinderen het werk van Zijn handen zijn, mag ons ook hoop, moed en houvast geven. Ook al leent een kunstenaar zijn kunstwerk uit, hij wil zonder twijfel zorg blijven dragen voor zijn eigen werk. Leg daarom al je zorgen over jezelf en al je vragen over je kinderen, nu en in de toekomst, blijvend bij de Heere Zelf.
Als derde wil ik u dit meegeven: 3. Er is reden, er is heel veel reden, kinderen van God (jong en oud), om de Heere bijzonder te loven voor het werken van Zijn handen. Met ziel èn lichaam van eeuwigheid liefgehad. En daarna met Gods Eigen handen geweven, als een kunstwerk met Zijn vingers geborduurd. En daarna door Zijn genade gemaakt tot een tempel van de Heilige Geest… Is dat geen reden om met de dichter van Psalm 71 verwonderd te zingen: Zo U, van dat ik werd geboren, ja, van mijn eerst begin, Mij niet, uit teed're min, had ondersteund, 'k waar' lang verloren; Dies doe ik, in gezangen, U steeds mijn lof ontvangen.
Dat (dat ons lichaam door de Heere gemaakt is) is trouwens ook reden (voor mij en u) om met zorg met onze kwetsbare lichamen om te gaan.
Als vierde en laatste: 4. Een oproep aan u, onbekeerde vrienden. U bent een mens, door God gemaakt, als een wonderlijk kunstwerk gemaakt met Zijn eigen handen. U bent een mens, met reden hier op de aarde gezet.
Bedenk, lieve vrienden, hoe u hier gekomen bent. Gods hand borduurde u, Gods hand heeft u als een kostbaar weefsel geweven tot een levende ziel. Hoe onterecht, hoe dwaas en gevaarlijk is het dan, om een leven te leiden gericht op uzelf, gericht op eigen plezier, op eigen vermaak, op rust en tevredenheid.
Heeft God u op de aarde geschapen zoals de vogels, alleen maar om een tijdje rond te vliegen, om een nestje te bouwen, om jongen te krijgen, om daarna te sterven? Zonder twijfel niet!
U bent gemaakt voor een hoger doel. U bent gemaakt om God, uw Schepper en Maker groot te maken. Zoals de Kleine Catechismus van Westminster zegt: tot heerlijkheid en glorie van God. Er is een weg om dat verloren levensdoel terug te krijgen. Het Woord wijst erop, het water van de Heilige Doop wijst erop. Het bloed van de Middelaar, het bloed van de Heere Jezus Christus alleen, gesprengd als rein water op uw onreine zielen, kan u redden van het verderf. Maar zonder dat bloed gaat u zeker verloren.
Zo u Zijn stem dan heden hoort, o kunstwerk, gemaakt door Gods hand, keer dan toch terug naar uw Schepper en Maker, met belijdenis van zonden en schuld. Wie Hem nederig valt te voet, zal van Hem Zijn wegen leren.
Amen.
Slotzang Psalm 71 vers 4 en 5: Zo Gij, van dat ik werd geboren, Ja, van mijn eerst begin, Mij niet, uit teed're min, Hadt ondersteund, 'k waar' lang verloren; Dies doe ik, in gezangen, U steeds mijn lof ontvangen.
'k Was als een wonder in elks ogen; Doch Gij, mijn toevlucht, Gij Stond mij met sterkte bij; Laat dan mijn mond Uw naam verhogen, En al mijn levensdagen Van Uwen roem gewagen.
Andere preken over Psalmen
Andere preken voor Heilige Doop