Arm geworden, daar Hij rijk was – 2 Korinthe 8
| Preek over: Arm geworden, daar Hij rijk was 2 Korinthe 8:9: Want gij weet de genade van onzen Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden. |
Terwijl wij mensen, groot en klein, altijd meer willen hebben, laat God ons in het licht van Kerst iets heel anders zien: “Gij weet de genade van onze Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede zou rijk worden” (2 Korinthe 8:9). Deze leespreek laat zien hoe verschrikkelijk het is dat de Heere Jezus arm moest worden, en hoezeer het tegelijk een wonder is dat Hij dat vrijwillig deed.
Bijbelgedeelte 2 Korinthe 8: Arm geworden, daar Hij rijk was
| 1 VOORTS maken wij u bekend, broeders, de genade Gods die in de gemeenten van Macedónië gegeven is; 2 Dat in veel beproeving der verdrukking de overvloed hunner blijdschap en hun zeer diepe armoede overvloedig geweest is tot den rijkdom hunner goeddadigheid. 3 Want zij zijn naar vermogen (ik betuig het), ja, boven vermogen gewillig geweest, 4 Ons met veel vermaning biddende dat wij wilden aannemen de gave en de gemeenschap dezer bediening, die voor de heiligen geschiedt; 5 En deden niet alleen gelijk wij gehoopt hadden, maar gaven zichzelven eerst aan den Heere en daarna aan ons, door den wil Gods; 6 Alzo dat wij Titus vermaanden dat, gelijk hij tevoren begonnen had, hij ook alzo nog deze gave bij u voleinden zou. 7 Zo dan, gelijk gij in alles overvloedig zijt, in geloof en in woord en in kennis en in alle naarstigheid, en in uw liefde tot ons, ziet dat gij ook in deze gave overvloedig zijt. 8 Ik zeg dit niet als gebiedende, maar als door de naarstigheid van anderen ook de oprechtheid uwer liefde beproevende. 9 Want gij weet de genade van onzen Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden. 10 En ik zeg in dezen mijn mening; want dit is u oorbaar, als die niet alleen het doen, maar ook het willen van over een jaar tevoren hebt begonnen. 11 Maar nu, voleindigt ook het doen, opdat, gelijk als er geweest is de volvaardigheid des gemoeds om te willen, er ook alzo zij het voleindigen uit hetgeen dat gij hebt. 12 Want indien tevoren de volvaardigheid des gemoeds daar is, zo is iemand aangenaam naar hetgeen dat hij heeft, niet naar hetgeen dat hij niet heeft. 13 Want dit zeg ik niet opdat anderen zouden verlichting hebben, en gij verdrukking; 14 Maar opdat uit gelijkheid, in dezen tegenwoordigen tijd, uw overvloed zij om hun gebrek te vervullen; opdat ook hun overvloed zij om uw gebrek te vervullen, opdat er gelijkheid worde; 15 Gelijk geschreven is: Die veel verzameld had, had niet over, en die weinig verzameld had, had niet te weinig. |
