PREEK · KERKELIJK JAAR

Vrijwillig geven voor de tempel - 1 Kronieken 29

Dankdag - 6 november 2024

1 Kronieken 29:9: En het volk was verblijd over hun vrijwillig geven, want zij gaven met een volkomen hart den HEERE vrijwillig; en de koning David verblijdde zich ook met grote blijdschap.

INLEIDING

Eenvoudige dankdagpreek 1 Kronieken 29 over het vrijwillige geven van David en van heel het volk voor de bouw van de tempel door de toekomstige koning Salomo. Teruggeven van wat we gekregen hebben.

1 KRONIEKEN 29:1-9

1 Verder zeide de koning David tot de ganse gemeente: God heeft mijn zoon Sálomo alleen verkoren, een jongeling en teder; dit werk daarentegen is groot, want het is geen paleis voor een mens, maar voor God den HEERE.
2 Ik nu heb uit al mijn kracht bereid tot het huis mijns Gods, goud tot gouden en zilver tot zilveren en koper tot koperen, ijzer tot ijzeren en hout tot houten werken; sardonyxstenen en vervullende stenen, versierstenen en borduursel, en allerlei kostelijke stenen en marmerstenen in menigte.
3 En daartoe, uit mijn welgevallen tot het huis mijns Gods, het bijzonder goud en zilver dat ik heb, geef ik tot het huis mijns Gods daarenboven, behalve al wat ik ten huize des heiligdoms bereid heb:
4 Drieduizend talenten goud, van het goud van Ofir, en zevenduizend talenten gelouterd zilver, om de wanden der huizen te overtrekken;
5 Goud tot de gouden en zilver tot de zilveren vaten, en tot alle werk, door de hand der werkmeesters te maken. En wie is er willig, heden zijn hand den HEERE te vullen?
6 Toen gaven vrijwillig de oversten der vaderen en de oversten der stammen Israëls en de oversten der duizenden en der honderden en de oversten van het werk des konings;
7 En zij gaven tot den dienst van het huis Gods vijfduizend talenten goud en tienduizend drachmen en tienduizend talenten zilver en achttienduizend talenten koper, en honderdduizend talenten ijzer.
8 En bij wien stenen gevonden werden, die gaven zij in den schat van het huis des HEEREN, onder de hand van Jehíël, den Gersoniet.
9 En het volk was verblijd over hun vrijwillig geven, want zij gaven met een volkomen hart den HEERE vrijwillig; en de koning David verblijdde zich ook met grote blijdschap.

VOLLEDIGE TEKST

Vrijwillig geven voor de tempel - 1 Kronieken 29

ds. J. IJsselstein - 1 Kronieken 29:9

LITURGIE

Psalm 68:10 12 artikelen

Psalm 68:17

Lezen 1 Kronieken 29:1-14 en 20

Psalm 84:1,2,5

Psalm 116:1

Psalm 24:1

Psalm 103:1,2

Jongens en meisjes, vandaag is het dankdag. Probeer goed te luisteren. De preek is niet moeilijk. Dus probeer goed op te letten. En bid in je hart of de Heere de preek voor ons allemaal zal zegenen.

Er zijn heel veel mensen bij elkaar in de stad Jeruzalem. Alle belangrijke mensen uit het hele land zijn naar Jeruzalem gekomen om te luisteren naar koning David. Hij is na veertig jaar bijna koning af. Hij heeft veel gedaan voor het volk Israël. Hij heeft ook veel oorlogen gevoerd, om de vijanden uit het land te verjagen. En nu is hij bijna klaar met koning zijn. Maar eigenlijk zou hij nog dolgraag één ding willen doen. Weet je waarom? Omdat hij in zijn hart zoveel van de Heere houdt.

Hij heeft het een poosje geleden ook tegen de Heere gezegd: ‘Ik woon zelf in een mooi huis, in een mooi paleis, gebouwd van cederhout. Maar, Heere, ik zou voor U ook heel graag een heel mooi huis willen bouwen. Echt nog veel mooier dan mijn eigen huis. Want ik houd zoveel van U.’ Zeg je dat ook weleens tegen de Heere? ‘Heere, ik houd zoveel van U. God heb ik lief, want die trouwe Heere hoort mijn stem als ik bid?’

David dacht bij zichzelf: Ik zou zo graag een hele mooie tempel willen bouwen, een huis voor de Heere. Maar toen hij dat een poosje geleden tegen de Heere zei, toen zei de Heere: ‘David, het is goed dat je zoveel van Mij houdt. Maar jij hebt zoveel oorlogen gevoerd, jij hebt zoveel gevochten. Daarom is het beter dat je zoon Salomo dat gaat doen. Hij mag straks, als hij na jou koning is, Mijn tempel gaan bouwen.’

En zo zal het straks ook gebeuren. Maar, dat begrijp je, voordat je een huis kunt bouwen, heb je eerst heel veel spullen nodig. En als je een mooi huis wilt bouwen, heb je heel veel mooie spullen nodig. Maar als je een huis voor de Heere gaat bouwen, dan heb je echt de allermooiste dingen nodig: goud, zilver, koper, edelstenen. Allemaal hele dure dingen. En die heeft David ondertussen ook al gespaard. Hij heeft al heel veel dingen voorbereid, voor zijn zoon Salomo, om straks de tempel van de Heere heel erg mooi te gaan maken.

David heeft al heel veel mooie dingen gespaard, voor — dat zegt hij in vers 2 —, voor het huis van mijn God. Vind je dat niet bijzonder, dat hij dat zo zegt? Hij zegt niet: ‘o, dat is voor later, voor de tempel’. Hij zegt ook niet: ‘dat is voor de tempel van de Heere.’ Maar hij zegt: ‘dat is voor de tempel van mijn Heere, van mijn God.’

Denk jij ook weleens zo over dit huis van God? Dit is: een kerk? Of, dit is: het huis van God? Weet je nog wat we net zongen? Psalm 84 vers 5: 'k Waar' liever in mijns(!) Bondsgods woning Een dorpelwachter, dan gewend Aan d' ijd'le vreugd in 's bozen tent. Daarom ga ik zo graag naar de kerk. Want dit is het huis van mijn Heere, van mijn God. Gelukkig ben je, als je zo denkt over de kerk. Als je zondags zegt: ‘Fijn, vandaag mag ik weer naar het huis van mijn God.’

David, zei ik, heeft al heel veel dingen voorbereid. Voor zijn zoon Salomo, om straks de tempel van de Heere heel erg mooi te gaan maken. En dat heeft natuurlijk heel veel tijd gekost. En dat heeft ook heel veel geld gekost. Maar dat vindt David niet erg. Want het is allemaal voor de Heere.

Weet je hoeveel hij gespaard heeft? Er staat in vers 4: drieduizend talenten goud. Drie talenten is honderd kilo. Dus drieduizend talenten is honderdduizend kilo goud. Daar heb je twee van de allergrootste vrachtwagens voor nodig, alleen al voor het goud. En daarbij heeft hij ook nog heel veel zilver. Alles bij elkaar zou het nu wel meer dan acht miljard euro waard zijn. Dat heeft David ondertussen allemaal bij elkaar gespaard voor de Heere, om aan Hem te geven.

Je zegt: ‘Nou, zoveel krijg ik nooit bij elkaar.’ Ik ook niet. Maar dat hoeft ook niet, want het gaat niet per se om hoeveel je geeft. Het gaat vooral om de manier waarop wij geven. Ook vandaag op deze dankdag. Want weet je, deze geschiedenis gaat over iemand die heel rijk is. En die daarom ook heel veel geven kan. Maar er staat in de Bijbel ook een andere geschiedenis. Van een vrouw die arm was. En die daarom maar heel weinig kon geven. Maar, daar gaat het om: wat zij gaf, dat gaf zij met heel haar hart, uit liefde tot de Heere.

Weet je wie dat was? Het staat in de Bijbel in Markus 12: En Jezus gezeten zijnde tegenover de schatkist, zag hoe de schare geld wierp in de schatkist; en vele rijken wierpen veel daarin. En er kwam een arme weduwe, die twee kleine penningen daarin wierp, hetwelk is een oort. En Jezus Zijn discipelen tot Zich geroepen hebbende, zeide tot hen: Voorwaar Ik zeg u, dat deze arme weduwe meer ingeworpen heeft dan allen die in de schatkist geworpen hebben. Want zij allen hebben van hun overvloed daarin geworpen; maar deze heeft van haar gebrek, al wat zij had, daarin geworpen, haar gansen leeftocht (Mark. 12:41-44).

Ze had geen twee vrachtwagens vol goud. Ze had maar twee kleine muntjes. Maar ze geeft alles wat ze heeft. En ze geeft het uit liefde tot de Heere.

En dat doet David ook. Hoe is dat eigenlijk met ons, met jou? Wat geef jij aan de Heere? En dat wat je vandaag aan de Heere geeft, geef je dat ook omdat je van de Heere houdt? En trouwens, wat geef je eigenlijk? Want, misschien zeg je: ik heb eigenlijk helemaal niet zoveel geld. Weet je wat de Heere het liefst van je krijgt? De Heere vraagt er zelfs om in de Bijbel. Hij zegt: Mijn zoon, Mijn dochter, dat ben jij, geef Mij je hart. Dat wil zeggen: Ik wil zo graag dat je Mij lief gaat hebben. Dat je met heel je hart van Mij gaat houden. Geef Mij je hart!

Wat betekent dat eigenlijk? Met heel je hart van de Heere houden? Dat betekent dat je graag dicht bij de Heere bent. En dat je daarom vaak stilletjes op je kamer bidt. Dat betekent dat je graag naar de Heere luistert. Dat je verdriet hebt over de verkeerde dingen die je doet. Die wil je niet meer doen. Met heel je hart van de Heere houden, dat betekent dat je graag over de Heere Jezus hoort. Die stierf aan het kruis om voor zulke verkeerde dingen, voor zulke zonden, te betalen.

Als je met je hart heel veel van de Heere houdt, dan zing je ook met heel je hart, wat we nu samen eerst gaan zingen. Psalm 116 vers 1: God heb ik lief; want die getrouwe HEER’ Hoort mijne stem, mijn smekingen, mijn klagen; Hij neigt Zijn oor, 'k roep tot Hem, al mijn dagen; Hij schenkt mij hulp, Hij redt mij keer op keer. - - - - -

David geeft alles wat hij gespaard heeft voor de tempel aan de Heere. En hij zegt tegen de oudsten, tegen de leiders van het volk, zo staat in vers 5, dat zij dat ook mogen doen. Hij zegt tegen hen: Wie is er willig, heden zijn hand den HEERE te vullen? Dat wil zeggen: Wie wil er nu ook graag mooie dingen aan de Heere geven, voor de nieuwe tempel?

En dan? Stel je voor. Iemand geeft iets aan de Heere, heel veel zelfs. En dan, dan zegt hij: ‘En nu jij.’ Wat zou er dan gebeuren? Je ziet het al voor je. Je ziet je spaarpot al leeglopen. Moet ik nu ook van mijn mooie dingen gaan weggeven? Maar weet je wat er dan in de Bijbel staat? In vers 6: toen gaven zij vrijwillig. Ze doen niet moeilijk, ze zuchten niet, ze protesteren niet. Ze zeggen niet: ach, wat jammer nu. Nee, net als koning David, doen ze het graag. Ze doen het vanzelf. Ze doen het vrijwillig.

Vers 7 zegt: Ze geven tot de dienst van het huis van God goud en gouden munten, zilver en koper en ijzer en hele mooie edelstenen. Ze geven alles bij elkaar nog meer dan David eerst gaf. Maar weet je wat vooral opvalt: ze geven het samen. Het is niet zo (en ook bij ons is het niet zo) dat ze gaan bijhouden: deze meneer, Simon, heeft duizend euro gegeven. Zacheüs heeft zelfs honderdduizend euro gegeven. Goed zo! Maar deze meneer, deze arme Lazarus, heeft helaas maar één euro gegeven. Jammer!

Nee, dat doen ze niet. Ze geven allemaal tegelijk. Want voor de één is één euro veel. Maar voor een ander is duizend euro weinig. Dus ieder geeft zoveel als hij of zij kan en wil geven, uit zichzelf, vrijwillig.

Het is niet zo dat ze moeten geven. Ze mogen geven. Zoals ook wij op deze dankdag mogen geven aan de Heere. En zij zijn daar blij mee, want ze geven het met heel hun hart, aan de HEERE. In vers 9 staat: En het volk was verblijd over hun vrijwillig geven; want zij gaven met een volkomen hart de HEERE vrijwillig; en de koning David verblijdde zich ook met grote blijdschap (1 Kron. 29:9).

Wat is dat toch een mooie, blijde en bijzondere dankdag geweest. Iedereen is blij. Iedereen doet het vanzelf. Niet verplicht, maar vrijwillig. En echt heel graag. Met heel hun hart geven zij mooie dingen aan de Heere, voor de bouw van de nieuwe tempel. En zo geven ook wij vandaag spullen aan arme mensen en geld aan de Heere. Voor de kerk, voor het huis van…? Zeg je dat ook zo? Voor het huis van onze God?

Het gaat er niet om wie er veel of weinig geeft. Dat staat ook nooit in de kerkbode: hij gaf één euro, zij duizend, hij tienduizend. Nee, want het gaat niet om ons. Het gaat niet om hoe wij heten, of om wie veel geeft of om wie weinig geeft. Want de Heere kijkt naar ons hart: Hij ziet het hart aan. Hij ziet en weet hoe wij Hem dienen.

Of het van harte is. Of het vrijwillig is, met heel ons hart. Ja, dan gaat het vanzelf. Dan ben je blij met deze dankdag. Of, dat we het lastig vinden. Saai, moeilijk, zwaar. Ja, dan voelt het als verplicht. Dan ben je vandaag niet blij. Dan denk je: Danken, prima, maar geven liever niet.

Dat is hier echt anders. Iedereen geeft, samen, als gemeente, vrijwillig, met heel hun hart. Aan de HEERE. En samen zijn ze heel erg blij.

Waarom kun je eigenlijk blij zijn, als je dingen aan de Heere geeft? Als je iets weggeeft, raak je toch iets kwijt? Dan heb jezelf minder, toch? Want: het was van jezelf, maar dan niet meer. Dus, moet je daar nu blij van worden? O ja? Is dat zo? Was het echt van jou? Laten we nog eens even goed luisteren naar wat David hierover gaat zeggen. Hij gaat de Heere danken. Dat hoort bij dankdag. Dat is dankdag: de Heere danken.

En dan zegt hij in vers 10 en 11: Geloofd bent U, HEERE, God van onze vader Israël, van eeuwigheid tot in eeuwigheid. Uwe (van U), o HEERE, is de grootheid en de macht en de heerlijkheid en de overwinning en de majesteit, want alles wat in de hemel en op de aarde is, is Uwe. Dat is allemaal van U. En Uwe (dat is ook van U), o HEERE, is het Koninkrijk, en U hebt U verhoogd tot een Hoofd boven alles (1 Kron. 29:10-11).

Dus, wat zegt David? Dank U, Heere, dat ik dat wat van mij was, aan U gegeven heb? Nee, hij zegt: Alles wat in de hemel en op de aarde is, dat is van U. En in vers 14 zegt hij nog een keer: want het is alles van U. Alles wat ik denk te hebben, is eigenlijk niet van mezelf. Het is van U. En dus: daarom, zegt hij, geven wij het aan U. Wij kregen het uit Uw hand, het was van U, het bleef van U. En dus geven wij het aan U terug. Dus, als je iets aan de Heere geeft, wat geef je dan? Geef je dan iets wat van jezelf is? Waar je eigenlijk ook iets voor had kunnen kopen, voor jezelf? Nee, je geeft terug aan de Heere, wat de Heere eerst aan jou gegeven had. 't Was van Hem, is nog steeds van Hem, want alles is van de Heere!

Daarom mag je vandaag blij spullen geven aan de voedselbank, voor arme mensen. Want jij kreeg het van de Heere, en vandaag mag je het blij aan de Heere teruggeven. Daarom mogen wij vandaag blij aan de kerk geven, aan het huis van onze God. Want dan geven wij aan de Heere terug, wat eigenlijk al van Hem is.

Als David daaraan denkt, voelt hij zich in zijn hart klein voor de Heere. Hij zegt, vers 14: ‘Want wie ben ik eigenlijk, en wat is mijn volk, dat wij dit kunnen en mogen doen? Dat wij dit allemaal vrijwillig aan U mogen geven?’

Is het een zegen om te krijgen? Ja, soms ook. Maar het is ook een zegen van de Heere om te mogen geven. Om terug te mogen geven aan Hem: geld, spullen, meeleven, vriendelijkheid, hartelijkheid, gastvrijheid, je hart, alles… Want het is allemaal van de Heere. En wij geven het vandaag aan Hem terug. Denk daar maar even stil over na, als we gaan zingen uit Psalm 24 vers 1. Al d' aard' en alles wat zij geeft, Met al wat zich beweegt en leeft, Zijn 't wettig eigendom des HEEREN. Hij heeft z', in haren ochtendstond, Op ongemeten zeên gegrond, Doorsneden met rivier en meren. - - - - -

Soms zeg je dat toch weleens? ‘Dat is van mij! Deze spullen, dit geld, dat is van mij!’ Klopt dat wel? We zongen net iets anders. Alles op deze aarde is van… de HEERE. Wij mogen het een poosje lenen. We mogen het een poosje gebruiken. De Heere heeft het aan ons gegeven, tijdelijk, voor een poosje, om het te gebruiken, of om ervan te leven: eten, drinken, een huis, spullen, geld. Alles wat de Heere ons het afgelopen seizoen gegeven heeft.

Het was net als bij het volk Israël, als het manna, dat iedere dag uit de hemel regende. Ons dagelijkse brood, wat de Heere aan ons gaf. Maar weet je, toen het ging over dat manna, wat de Heere Jezus daar toen over zei? ‘Van brood alleen kun je niet leven, maar wel van het Woord dat uit de mond van de Heere uitgaat.’ En toen zei de Heere nog duidelijker: ‘Ik ben dat ware Brood uit de hemel.’

Dus… wat heb je nodig? Geld, spullen, eten, drinken? Ja, maar je hebt vooral de Heere nodig. Jongens en meisjes, je hebt de Heere Jezus nodig. Die kwam naar deze wereld. Die leefde voor Zijn Vader. Die leed en stierf aan het kruis. Om zo voor de zonden van zondige mensen te betalen.

En nu moet je, jongens en meisjes, even goed met mij meedenken. Vandaag is het dankdag. Wij danken de Heere voor alle dingen die wij van Hem gekregen hebben. Voor zoveel goede en mooie dingen. Maar wat, denk je, is nu het allermooiste wat de Heere gegeven heeft? Wat is dat? Wie is dat? Dat is Zijn eigen Zoon. Die Hij gaf aan deze verloren wereld. Die gaf Hij aan zondige mensen.

Dat had de Heere niet hoeven doen. Want daar hadden wij, mensen, helemaal niet om gevraagd. En wat waren wij ondankbaar! Want toen de Heere Jezus op aarde kwam, toen kreeg Hij, met Maria en Jozef, niet eens een plekje om in de herberg te slapen. Wat waren wij, mensen, ondankbaar! Wij wilden de Heere Jezus niet. Wij hebben Hem gekruisigd. De Heere Jezus was het grootste geschenk dat de Heere ooit aan mensen gaf: hier, Mijn lieve Zoon. Om voor jouw zonden te betalen, om jou terug te brengen bij Mij. Paulus zegt in de Bijbel: Gode zij dank voor Zijn onuitsprekelijke gave! Een groter geschenk hebben wij nooit gehad. De Heere Jezus Christus. Echt, jongens en meisjes, meer had de Heere niet kunnen geven. Dit was het allergrootste.

Maar er is wel een probleem. Want ons hart… dit hart… dat hart… Heb jij echt de Heere Jezus nodig? Ja, dat zeggen we wel, maar voel je dat ook zo in je hart? Is het niet vaak zo, dat we het wel even mooi vinden om van de Heere Jezus te horen, maar verder? Verder denken we niet aan Hem. Verder vergeten wij de Heere en doen wij lekker onze eigen dingen. Toch? En dat probleem, jongens en meisjes, zit in ons hart.

Weet je wat wij nodig hebben?

God de Vader heeft alles gegeven aan deze wereld vol zonde en schuld. Hij gaf Zijn allerliefste Zoon. De Heere Jezus, God de Zoon, heeft alles gegeven wat Hij had. Hij gaf Zijn leven aan het kruis. En wat jij en ik nu nodig hebben, is dat God de Heilige Geest in ons hart gaat werken. Dat Hij ons hart levend maakt. En nieuw maakt. Zodat we het echt gaan zien, en echt gaan geloven, dat we de Heere Jezus nodig hebben. Voor de vergeving van al onze zonden. En om ons terug te brengen bij de Heere God.

En dus mag je bidden, thuis, op een stil plekje wat je daarvoor hebt: ‘Heere, mijn hart wil niet. Ik doe zo veel zonden. Ik vergeet U zo vaak. Ik houd van heel veel dingen veel meer dan van U. Heere, wilt U het alstublieft anders maken? Want ik voel, ik merk dat ik dat zelf niet kan. Geeft U mij alstublieft het mooiste wat er is? De grootste gift, het grootste geschenk… Uw Zoon, Uw Heere Jezus, ook voor mij?’

Weet je, jongens en meisjes, daarom zegt de Heere vandaag tegen je: ‘Geef Mij je hart. Dat zou het allermooiste zijn op deze dankdag. Ik hoef niet per se je geld, want alles is toch al van Mij. Maar Ik wil graag je hart. Geef Mij je hart. Dat slechte, zondige hart van jou. Want Ik weet wel, wat Ik daarmee moet doen. Ik zal het schoon wassen. Ik zal het, om Jezus' wil, nieuw maken. Jongen, meisje, Ik wil je graag een nieuw hart geven.’

Als de Heere dat vandaag doet — en bid daarom in je hart, nu en straks thuis op je kamer — dan wordt het echt dankdag. Dan ga je echt zingen: God heb ik lief, want die getrouwe Heere hoort mijne stem. Dan ga je ook echt doen, wat David tegen het volk Israël zegt, in vers 20: Looft nu de HEERE, uw God.

Loof Hem! Niet voor wat jij aan de Heere gaf. Maar voor wat Hij aan jou wilde geven. De grootste gift van Zijn lieve Zoon, onze Heere Jezus Christus. Toen loofde, staat er, de ganse gemeente de HEERE, de God hunner vaderen, en zij neigden het hoofd en zij bogen zich neder voor de HEERE en voor de koning.

Dan wordt dankdag een dag van tranen van blijdschap. Een dag van: je hoofd buigen. Een dag van: buigen, op je knieën voor de Heere God. Een dag van: Hem loven. De HEERE, de God van ons voorgeslacht! Een dag om heel je leven aan de Heere te geven. Uit dank, omdat Hij Zijn Zoon gaf aan jou, verloren jongen, verloren meisje. Dan zing je, wat we straks nog gaan zingen, wat staat in Psalm 103: Loof, loof den HEER, mijn ziel, met alle krachten; Verhef Zijn naam, zo groot, zo heilig t' achten; Och of nu al, wat in mij is, Hem prees'! Want alles kwam van God, en dus is alles voor God. Zoek de Heere, jongens en meisjes, dan zul je Hem vinden.

Amen.