Westminster Grote Catechismus
VRAAG 20
Wat was Gods voorzienigheid ten aanzien van de mens in de staat waarin hij geschapen was?
Gods voorzienigheid ten aanzien van de mens in de staat waarin hij geschapen was, bestond hierin dat Hij hem in het paradijs plaatste, hem opdroeg het te bebouwen, hem vrijheid gaf om van de vrucht van de aarde te eten, de schepselen onder zijn heerschappij stelde en het huwelijk instelde tot zijn hulp.
Hij gaf hem gemeenschap met Zichzelf, stelde de sabbat in en sloot met hem een verbond des levens, op voorwaarde van persoonlijke, volmaakte en voortdurende gehoorzaamheid, waarvan de boom des levens een teken en onderpand was. Ook verbood Hij hem te eten van de boom van de kennis van goed en kwaad, op straffe van de dood.