Westminster Grote Catechismus
VRAAG 128
Welke zonden worden door ondergeschikten tegen hun meerderen begaan?
Ondergeschikten zondigen tegen hun meerderen door hen te verwaarlozen, te minachten, te bespotten of te verachten; door hen ongehoorzaam of opstandig te behandelen; door hun goede raad te verwerpen; door hen te belasteren of te beschuldigen; door hun zwakheden onnodig openbaar te maken; en door hen op enige andere wijze niet de eer en gehoorzaamheid te geven die hun verschuldigd is.
GENOEMD IN DEZE PREKEN