Huis op rots of zand (Mattheüs 7)

Huis op rots of zand
Preek Mattheüs 7:24-27: Een iegelijk dan, die deze Mijn woorden hoort en dezelve doet, dien zal Ik vergelijken bij een voorzichtig man, die zijn huis op een steenrots gebouwd heeft. En er is slagregen nedergevallen, en de waterstromen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen hetzelve huis aangevallen, en het is niet gevallen, want het was op de steenrots gegrond.

Thema preek Mattheüs 7: Huis op rots of zand

De gelijkenis huis van de twee bouwers
1. Bouw
2. Resultaat bouw

PDFAudio

Preek: Huis op rots of zand

Er zijn allerlei wegen die naar de hemel leiden, zegt men… Aantrekkelijke gedachte…
Je kunt het een beetje doen op je eigen manier. Met je eigen manier van leven.
Maar de Heere Jezus heeft altijd gesproken van twee soorten van wegen. Van twee soorten van mensen.

We hebben het net gezongen uit Psalm 1. Er zijn mensen (en u kunt kiezen bij welke u hoort), er zijn mensen die wandelen in de raad der goddelozen en er zijn mensen die lust hebben (dat is hun blijdschap, hun levensvreugde en het is voor hen geen straf), die lust hebben in het overdenken van de wet des Heeren.

Trouwens, in het Oude Testament was dat ook al zo, want Jeremia zegt in Jeremia 21: Er is een weg des levens en er is een weg des doods. Dus, er is eigenlijk helemaal niets nieuws in de preken van de Heere Jezus als Hij zegt, het is één van twee. Het is òf dit òf dat, het is òf zus òf zo.

En zo is het ook in de gelijkenis van de twee bouwers. Die staat aan het eind van de Bergrede. En die begint in Mattheüs 5.
Die hele lange bergpreek, jongens en meisjes, die begint met zaligsprekingen. Zalig zijn degenen die treuren, die verdriet hebben in hun hart vanwege hun zonden. Zalig zijn de armen, die niets meer hebben van zichzelf. Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid.
En nu in Mattheus 7 is die hele lang bergpreek, die Bergrede bijna klaar.

En dan opeens is hij daar weer, die tweedeling, bijvoorbeeld in Mattheüs 13: gaat in door de enge poort. Want er zijn twee poorten en er zijn twee wegen.
De mensen zeggen wel, het is heel simpel om zalig te worden, maar Jezus zegt, dat is niet eenvoudig. Hij zegt: Strijd om in te gaan. Die poort moet je echt zoeken, want er zijn er maar weinig die hem echt vinden.

En dan in vers 15 is er weer de tweedeling: Wacht u voor de valse profeten, want er zijn twee soorten van profeten, twee soorten van dominees, van ambtsdragers. En u ziet het aan de vrucht van hun leven. Want het is waar wat Paulus zegt: wij worden niet gerechtvaardigd, wij worden niet zalig, niet behouden door de dingen die we doen. Maar het omgekeerde is ook waar: je kunt geen kind van God zijn en geen ambtsdrager, geen profeet, geen dienaar van het Woord, zonder vruchten voort te brengen van goede werken.

En dan in vers 21 is er weer de tweedeling: niet een ieder die tegen Mij zegt met woorden: Heere HEERE zal ingaan in het koninkrijk der hemelen, maar die daar doet, de wil van Mijn Vader.
En er zijn twee soorten van claims uit de mond van de mensen; want er zijn er straks die zullen zeggen: Heere HEERE, we hebben in Uw Naam geprofeteerd, gepreekt, duivelen uitgeworpen, prachtige dingen gedaan… En de mensen bevestigen het: ja, dat waren gerespecteerde voorgangers. En wat is het hemelse antwoord tegen die voorgangers? Ik heb u nooit gekend. U sprak wel, maar uw werken waren werken van ongerechtigheid.

En dan komt deze gelijkenis. Die ook diezelfde tweedeling in zich heeft. En die wij vanmorgen met elkaar overdenken. De preek van vanmorgen gaat over Mattheüs 7:24-27. We lezen dat stukje samen nog een keer. De Heere Jezus zegt daar:
Een iegelijk die deze Mijn woorden hoort en dezelve doet die zal Ik vergelijken bij een voorzichtig man die zijn huis op een steenrots gebouwd heeft. En er is slagregen nedergekomen en de wateren zijn gekomen en de winden hebben gewaaid en zijn tegen dat huis aangevallen. En het is niet gevallen, want het was op de steenrots gegrond.
En een iegelijk die deze Mijn woorden hoort en dezelve niet doet, die zal bij een dwaze man vergeleken worden die zijn huis op het zand heeft gebouwd. En de slagregen is nedergevallen en de waterstromen zijn gekomen en de winden hebben gewaaid en zijn tegen dat huis aangeslagen en het is gevallen en zijn val was groot.
Tot zover deze gelijkenis.

Thema voor de preek van vanmorgen is:
De gelijkenis van het huis op de rots en van het huis op de zandgrond

We letten op twee aandachtspunten:
1. De bouw van die huizen
2. Het resultaat van die bouw
Dus twee dingen, bouw en resultaat van de bouw.
Als eerste dus:

1: De bouw van die huizen: op rots of zand

Een huis bouwen, jongens en meisjes, je weet wel hoe dat gaat. Je ziet het trouwens ook, als je hier in [plaatsnaam] kijkt naar de nieuwbouw van [zelf invullen]: graven in de grond, een fundament leggen, steigers bouwen, metselen…

Maar vroeger in Israël ging het toch een beetje anders. Want de grond in Israël was ook heel anders dan hier. Als in maart de regentijd voorbij was, het was voorjaar geworden, dan werd het heel heet. Dat is nog zo. Dan worden de druiven en de olijven en de vijgen als het ware rijp gestoofd door de zon. Alles wordt heel erg droog. Rivieren drogen op en het water in het meer van Galilea en in de Dode Zee zakt tot een dieptepunt. En de Jordaan, in andere jaargetijden een bruisende rivier, is dan eigenlijk nog maar een miezerig, modderig gekleurd stroompje water. Alles droogt op, alles droogt uit.
En, daar gaat het nu om, daardoor wordt ook de grond heel erg hard. Die grond bestaat uit zand, uit kiezelsteentjes en stukjes steen en rots. En als die grond indroogt, dan wordt die heel erg hard.
Dat is ander zand dan het zand van onze stranden, van onze duinen. Als je dat pakt, dan glijdt het zo tussen je vingers door. Maar deze zandgrond in Israël is hard. Je zou er wel een huis op kunnen bouwen.

En dat doet hij dus ook, die ene man. Hij denkt: die grond, dat is stevige grond, het is hard, het is vlak, het is prima bouwgrond. En hij tekent de lijnen van zijn huis op dat zand en… gaat bouwen. De grond is mooi vlak en hard.
Het begint met de muren. Die muren waren niet zo sterk als tegenwoordig. De Heere Jezus zegt op een andere plaats dat dieven de muren kunnen doorgraven. Die kunnen zelfs door de muur binnen komen. De muren zijn dus niet zo sterk als bij ons.
Hij bouwt zijn muren, deur, ramen, het dak er op (van grond en gras) en: klaar is kees. Meubels er in… klaar!

Aan de andere kant van de heuvel is een andere man. Die wil ook een huis bouwen. Eigenlijk zijn het twee heuvels en daar midden in, daar ligt de droge bedding van een rivier. Toen het winter was stroomde er heel veel water, maar nu door de hitte van de zon en van de zomer is het helemaal droog en uitgedroogd.
Aan de andere kant is ook een man die een huis gaat bouwen. Maar die pakt het heel anders aan. Die begint niet met bouwen, die begint met graven. Met een schop, met een houweel begint hij te graven. Eerst in het harde zand en als hij daar doorheen is, ja, dan wordt het niet gemakkelijker, dan wordt het juist moeilijker. Trouwens, de zon brandt op zijn hoofd, het is bloedheet en het werk is zwaar. Onder die laag zand liggen keien en stenen. En dat moet allemaal weg. Hij graaft, hij graaft, steeds dieper…
Lukas schrijft: Hij groef en verdiepte, steeds verder en verder onder de grond. Als je van opzij kijkt, dan zie je aanvankelijk nog zijn bovenlijf, nog zijn hoofd, maar later zie je hem helemaal niet meer. Zo diep is hij aan het graven, totdat…
Hoe diep moet hij nu graven? Totdat hij komt op een rotssteen. Dan kan hij echt niet meer verder. Hij stuit uiteindelijk, na heel veel graven, op de bodem van het gat. En dan is het goed.

Daar kan hij, zo heet dat, zijn fundament op bouwen. De basis voor zijn huis. Daar kan hij straks de muren op gaan bouwen. Eerst moet de plaats natuurlijk helemaal vrij gemaakt worden, maar dan kan hij straks daar zijn fundament op leggen.

Die man is ondertussen misschien al maandenlang bezig. Overdag is hij heel druk. En hij werkt door tot ’s avonds laat. ’s Avonds is hij doodmoe.
Z’n buurman aan de andere kant? Ja, die moet er wel een beetje om glimlachen. Die zit ondertussen heerlijk op zijn terrasje, onder zijn afdakje van bladeren. Hij kijkt een beetje minachtend en spottend naar de andere kant van de heuvel en zegt misschien wel: Zeg buurmannetje, waarom doe je nou toch zo moeilijk? Ik zit toch ook al lekker? Waarom doe je nu zo moeilijk? Waarom doe je zo ouderwets? Waarom zoveel bloed en zweet en tranen?
Maar, die man gaat onverstoorbaar door met graven, totdat… ja, totdat hij eindelijk zijn fundament kan leggen en met bouwen kan beginnen.

Diep onder de grond begint hij te bouwen met de muren van zijn huis. Niemand ziet het, totdat, ja, uiteindelijk de buurman ook ineens wat ziet. Daar komt een muur boven de grond uit… En ja, de rest is precies hetzelfde: muren, ramen, deur en dak, klaar!
Maanden later… Eindelijk klaar!

En weer zie ik die buurman daar glimlachen. Kijk nou buurmannetje, als je nou goed kijkt, dan zijn onze huizen precies gelijk, toch? Waarom toch zoveel moeite gedaan? Onze huizen zijn precies hetzelfde: muren, ramen, deur en dak.

Die twee mannen, die twee bouwers, die verschillen. Ze verschillen heel erg, maar ze lijken ook wel een beetje op elkaar, in twee dingen op zijn minst.
a. Ze bouwen. Ze bouwen allebei een huis. En dat is logisch, want straks komt de regentijd en dan hebben ze allebei een dak boven hun hoofd nodig. Wat dat betreft is er geen verschil.
Er is geen verschil in mensen die naar Jezus luisteren tijdens die bergpreek. Er is geen verschil tussen mensen die in de kerk zitten, wat betreft horen. Horen doen we allemaal. En ‘horen’ in deze gelijkenis is bouwen. Bouwen doen ze alle twee. Horen doen we allemaal. En op één punt is die dwaze bouwer, die domme bouwer in ieder geval wel verstandig: hij gaat in ieder geval bouwen.
Ja, want er zijn ook mensen die helemaal niet bouwen. Er zijn ook mensen die helemaal niet horen. En dat is nog veel dommer, nog veel dwazer.
Het is verstandig, jongelui, dat je hier bent en dat je luistert, dat je hoort. En het is goed dat je in je hart overtuigd bent van het feit dat je bekeerd moet worden, en dat je met God verzoend moet worden, en dat je een ziel hebt, en dat je op reis bent naar de grote eeuwigheid.
Maar het is wel dwaas, als je denkt dat het horen alleen voldoende is, dat dat genoeg is. Het is wel dwaas, als je denkt dat het genoeg is dat je naar de kerk gaat, en dat je meedoet, en meezingt, en meeluistert. Het is dwaas als je denkt dat dat allemaal genoeg is.

b. Trouwens, die twee lijken ook op een ander punt op elkaar. Dit punt, wat ik u net zei: die huizen zien er voor het oog precies hetzelfde uit.
Het leven van een bekeerd kind van God (en dan heb ik het over ons, kerkmensen) lijkt misschien voor het oog wel heel veel op het leven van een onbekeerde kerkganger. Misschien zegt die laatste wel: ik ben nog veel netter. Het leven van een onbekeerde kerkganger lijkt voor het oog heel wat. Maar dat zegt dus niet alles. Ja, ik zeg u vanmorgen: dat zegt dus helemaal niets!

Er zijn overeenkomsten. Maar er zijn ook verschillen, en die zijn des te groter. En wat dat verschil is, dat staat in vers 24 en 26. Daar zegt de Heere Jezus: Er zijn twee soorten van mensen. Er zijn mensen die horen en doen en er zijn mensen die horen en die helemaal niets doen. Bouwen is horen. Ja, dat deed die domme man, die domme bouwer ook, maar dat is niet genoeg. We moeten horen en doen, zegt Jezus. Bouwen en graven!
Het grootste verschil tussen die twee bouwers is dat de een graaft en de ander niet.
En daarom is het werk van die ene zo moeilijk en duurt het zo lang en is het zo zwaar.
En daarom is het werk van die ander zo gemakkelijk.

Die wijze bouwer die doet, die graaft. En als hij graaft, dan komt hij van alles tegen. Als hij graaft in zijn hart, want dat is de betekenis van deze gelijkenis, dan komt hij van alles tegen in zijn hart, en vooral zonde. En dat doet hem diep verdriet en brengt hem tot hartelijk berouw. En het leidt tegelijkertijd tot bekering en tot levensvernieuwing.
Gravers, dat zijn die mensen, die al gravend het binnenste en het diepste van hun hart tegenkomen. En dat maakt hen klein en ootmoedig. En dat breekt hen voor God. Dat breekt hun trotse hart. Ze worden verslagen van geest als ze afdalen in de diepte van schuldbesef, van berouw en boetvaardigheid, als ze hun hart onderzoeken tot op de bodem toe.

Bekering is niet alleen horen, terwijl je in de kerk zit, maar bekering begint met, met dat moeilijke werk van: graven, graven, buigen…, van berouw hebben voor God, van zonde belijden… en laten…
Ja, tenminste als God werkt in je hart. Want, als je het allemaal zelf doet, zoals die andere man, ja, dan gaat het anders. Dan ben je gisteren nog onbekeerd (geen huis), vandaag geloof je (de muren staan overeind), morgen ben je gered (het dak ligt erop) en overmorgen ben je volmaakt, perfect. Je kunt uitrusten en zeggen: vrede, vrede en geen gevaar. Niet wetend, dat er een haastig verderf op de loer ligt.

Het grote verschil tussen het huis op de rots en het huis op de zandgrond, tussen de oprecht bekeerde (een echt kind van God) en iemand die zichzelf misleidt (die op de verkeerde weg is), het grote verschil daartussen is…
Ik noem u drie dingen. Kijk maar in uw hart of het bij u ook zo is…

a. In de eerste plaats dit: De oprecht gelovige, het oprechte kind van God is door dat graafwerk in de diepte diep overtuigd geraakt van zijn of haar zonde tegen God.
Zonder bevindelijke beleving, doorleving van wie wij zijn voor God, zullen we nooit tot Christus, de Zaligmaker komen.

b. Het tweede verschil tussen de oprecht gelovige en degene die op zand bouwt. is dat die oprecht gelovige doorgraaft, dieper en dieper, totdat hij of zij op de bodem stuit.
Dat wil zeggen: alles moet er uit, alles moet er aan. Alles wat daar ligt boven op die rots, daar kan je niet op bouwen. Daar kan je wel stevigheid in proberen te zoeken, maar dat is onvoldoende. Het moet er allemaal uit en het moet er allemaal aan.
Alles wat je hebt, wat je denkt te hebben, alles waardoor je je beter voelt als een ander en denkt dat je goed bent voor God, dat is allemaal te kort! Dat is zand! Dat moet er uit, dat moet er aan!
En wat is het gevaar groot… Kijk eens heel kritisch in je eigen hart. Als je ooit ontwaakt bent in je leven vanuit je dodelijke rust… Je bent gaan zoeken, en je bent gaan vragen, en je bent gaan graven, en na verloop van tijd… Ja, u zegt: Ik zit al twee meter onder de grond, hor! U zegt: ‘nu is het wel genoeg. Ik heb toch berouw gehad?’

Het is nog wel zand en stenen en er is nog wel geen rots, maar ik ga toch maar geloven. Zonder dat u ooit uw onmacht, uw onwil, uw onvermogen, uw vijandschap tegen Christus hebt ingeleefd. Toch maar gaan bouwen op… zand. Wat een levensgroot gevaar is dat!

We moeten vernederd worden. Hoe diep? Zo diep, dat we de volstrekte noodzaak van Christus gaan zien. En dat betekent dus dat alles van ons, van ons fundament er aan moet, er uit moet.
Daarom zegt Paulus in Galaten 2:19: ik ben door de wet (de wet heeft me mijn zonde, mijn schuld, mijn onwil, mijn onvermogen en mijn vijandschap laten zien), ik ben door de wet aan de wet gestorven. Dat wil zeggen: ik heb gezien dat doen en laten, werken en horen, dat dat allemaal niet genoeg is om zalig te worden.
Rust niet gemeente, op iets buiten Christus. Hij is de enige Rots waar je je levenshuis op bouwen mag.

c. Het derde verschil tussen de oprecht gelovige en de dwaze bouwer is: als je kijkt, jongens en meisjes, naar dat huis van die wijze bouwer, dan is er een rechtstreekse verbinding tussen zijn huis en de rots daar onder de grond. Daar zit helemaal niets tussen. Al het zand is er uitgegooid.
Dat wil zeggen: Oprechte bekering kenmerkt zich door radicale een breuk met de zonde. Een hartelijke breuk met alle zonden. Een oprechte en volkomen breuk.
Hoewel we zwak zijn en in zonden kunnen vallen. Maar het kan niet zo zijn, dat je zegt: Mijn huis staat gebouwd op de rots, maar mijn leven rust doordeweeks ondertussen toch ook nog op het zand van de zonde. Dat is onmogelijk!
Het is onmogelijk dat je zegt: Ik ben een kind van God op zondag, maar doordeweeks vermaak ik mij de hele week met lege programma’s en films, met plat amusement, met eten en drinken en vrolijk zijn, met uitgaan… en leef ik gewoon mijn eigen leven alsof God niet bestaat. Zo’n leven bewijst dat je zondagse huis -wie je ook bent en wat je ook zegt- gewoon op zand gebouwd is.
Want, het gaat er om hoe je leeft. En dat zeggen niet de remonstranten, en dat zeggen niet andere kerken, maar dat zegt Jezus Christus! Hij zegt: Die deze Mijn woorden hoort en dezelve doet!
Je daden maken je niet bekeerd. Door een goed leven wordt je niet met God verzoend. Maar je daden maak je wel bekend. Ze laten zien wie je bent in het binnenste van je hart. En je kunt werkelijk geen kind van God zijn, je kunt niet bekeerd zijn zonder een leven met de Heere, gericht op de Heere en voor de Heere. Dat heeft de Heere Jezus Zelf gezegd: die deze Mijn woorden hoort en doet.
Dus wat maakt het verschil? En er zijn mensen die horen. Er zijn mensen die horen en doen. Het verschil wordt gemaakt door doen. En dat doen is, ja, wat die man doet: graven, zand eruit, een fundament leggen op de rotsbodem en daarop bouwen.
Wat er onder de grond gebeurt, dat maakt het verschil.
Het verschil in de kerk wordt niet gemaakt door die kleine verschillen, die ik natuurlijk ook wel zie als ik u aankijk. Door die kleine verschillen in overtuiging, in voorkeur, in kerkelijke positie, een beetje meer zus of een beetje meer zo.
Het verschil wordt uiteindelijk gemaakt waar niemand ons ziet, in de eenzaamheid. Dat zegt Paulus ook in Romeinen 2. Hij zegt: Die is een Jood, die dat in het verborgen is. Ik zeg: Die is een kind van God, een oprecht christen, die in het verborgen is. En de besnijdenis van je hart, in de geest, en niet in de letter, is de echte besnijdenis. Wiens lof niet is uit de mensen, maar uit God.
Want God, Die in het verborgen ziet, zal in het openbaar vergelden. God, Die in de eenzaamheid ziet, waar ik worstel op mijn knieën voor God. En waar mijn schep, mijn houweel alles verbrijzelt van mezelf. Waar er niets van mezelf overblijft. In de eenzaamheid, waar ik mijn zonden, ook mijn verborgen en mijn onzichtbare zonden de deur uitgooi.
Zie je het voor je, jongens en meisjes? Die man, die graaft in dat gat, je ziet hem helemaal niet meer, maar wat je wel ziet, iedere keer zie je een schep zand boven hem uitvliegen. Eruit!, die zonde van mijn leven. Ook en vooral die stiekeme zonden, die niemand ziet. Dat je voor jezelf porno zit te kijken, ’s avonds laat als je vrouw en kinderen er niet zijn. Of, even erg, dat je altijd zit te roddelen over andere mensen in de gemeente, vals getuigenis. Of, even erg, als je altijd je tijd alleen maar vult met je eigen hobby of met je computer of met wat dan ook. Overspel, vals getuigenis, afgoderij. Onzichtbaar, onopgemerkt, maar je kunt God niet dienen en ook de zonde. Dat zand dat moet eruit! Want je vindt nooit de bodem, je vindt nooit Christus als je de zonde laat liggen in je leven.

Dat is ook het Woord van Christus, die niet enkel zei: Geloof het evangelie, maar ook: Bekeer u! Weg, die zonde! Bekeer u en geloof het Evangelie. Eruit dat zand! Eenzaam worstelen voor God, onder de grond. Ja, dat deed die ene bouwer, terwijl die andere in de eenzaamheid misschien wel rustte en dankte: dank u, Heere, dat ik niet ben zoals die, of zoals die.
Of misschien had hij wel helemaal geen eenzame plaats. Hij rustte in wie hij was. Hij rustte in zijn eigen werk: Kijk eens, dat mooie huis dat ik gebouwd heb!
Ja, en ondertussen kan het zijn, en ik zeg het ook tegen mijzelf, dat iedereen je erkent als een kind van God, maar dat je in de hemel onbekend bent, omdat God u nooit in de eenzaamheid op uw knieën voor Hem ziet, om uw zonde te belijden en te vragen om een nieuw en geheiligd leven. Onbekend in de hemel en straks zal het klinken: Ik heb u nooit gekend…
Dat kan als je in de bank zit in de kerk. Dat kan als je in het bankje hier vooraan zit. Dat kan als je hier op de preekstoel staat. Wel wat woorden gesproken en wel wat geluisterd, maar dat God, de rechtvaardige Rechter in de hemel zegt: Ik heb u nooit gekend.

Weet u wat het bijzondere is van deze gelijkenis? U kunt, en dat hoeft vanmorgen helemaal niet zo moeilijk, u kunt eenvoudig weten hoe het met u staat op reis naar de eeuwigheid. Kijk maar in uw hart. En trek er vooral een conclusie uit voor de Heere. En maak met haast werk van het moeilijke werk van uw zaligheid.
Kent u dat eenzame worstelen aan Gods genadetroon? Bent u een eenzame bidder, die graaft in de eenzaamheid? Die voor God bukt en buigt om zonden en schuld, om onvermogen en onwil en vijandschap te belijden? Bent u zo’n eenzame worstelaar?
Of, ja, dat kan ook, of bent u gaan rusten op aanvankelijke onrust, op bekering, op levensverandering. Gevaarlijk hor!
Bent u zo’n eenzame worstelaar en hebt u de zonde van uw leven eruit geworpen? Alles eruit? En bent u rusteloos doorgegaan totdat… ja, en daar ligt dan uiteindelijk toch het beslispunt, totdat u stuitte op het fundament, het vaste Fundament, de Steenrots Christus Jezus? Is Hij uw hoop geworden? Uw troost, uw houvast op weg, op reis naar de grote Godsontmoeting?

U zegt: Ja, dat is mijn hart. Ik zeg het van harte, zo is mijn verborgen leven voor de Heere, maar weet u wat mijn probleem is? De bouw van het huis wil maar niet vorderen…
Geen nood, laat uw buurman maar lachen. Hij, die Zijn goede werk, worstelaars, eenzame worstelaars aan de troon van Gods genade, Hij die Zijn goede werk in u begonnen is, zal dat voleindigen tot op de dag van Jezus Christus.
Want u hebt, zegt Paulus tegen Timotheüs, en zeg ik tegen het u ook: u hebt voor uzelf een goed fundament gelegd tegen het toekomende.

Maar u, die van geen worsteling weet, wees vanmorgen eerlijk tegenover de Heere.
U, die die worsteling niet kent, die geen tranen kent in uw hart vanwege uw schuld voor God, en u die stiekem, terwijl niemand het ziet, toch uw zonde aan de hand houdt…
U, die rust in dat mooi ogende huisje wat u gebouwd hebt van uw liefde en van uw netheid en ijver… U hebt reden om bezorgd te zijn. Ik zeg u vanmorgen, u hebt reden om bang te zijn. Ik zou dat huisje maar snel afbreken en ik zou maar snel gaan graven, want het houdt geen stand. Want u roept wel: Vrede, vrede en geen gevaar. Maar een haastig verderf, kan u zelfs op deze dag overkomen.
Als de stormen van de Almachtige over uw leven gaan en de vloed van Gods toorn zal gaan knagen aan het fundament van dat huis dat door u gebouwd is op zand. Als de dag van de grote rechtsbeslissing komen zal, blijft u niet staan. Dan gaat u vallen.
Precies zoals we dat zien in Psalm 73 en we gaan dat samen nu eerst zingen: Psalm 73: 10
Hoe worden zij, tot ieders schrik,
Vernield, als in een ogenblik,
Hoe moeten zij het leven enden!
Van angst verteerd in hun ellenden!
Hun weelde is als een droom vergaan.
O HEER, wanneer Gij op zult staan,
Zult Gij hun tonen, onverwacht,
Hoe Gij hun ijdel beeld veracht.

Twee huizen, het ene huis werd na veel moeilijkheden zichtbaar. Gebouwd op een rots. Het andere stond al lang overeind. Gebouwd op zand.
Nu ons tweede aandachtspunt:

2. Het resultaat van die bouw: op rots of zand

Het resultaat is tweeërlei. Want, jongens en meisjes, de zomer is voorbij gegaan. En door al die hitte is het kurkdroog. Op die ene heuvel staat aan die kant: het huis op de rots. Op de andere kant van de helling: het huis op het zand. Ja, je ziet het niet, voor het oog is er geen enkel verschil. Maar het is alleen maar gebouwd op zand.
En daartussen is die droge rivierbedding, waar vroeger water stroomde.

De regentijd komt dichterbij. De hemel is nog hemelsblauw, hoewel, een klein wolkje als eens mans hand. Maar nog geen paar uur later pakken donkere wolken zich samen en het duurt maar even, of de eerste bui van het regenseizoen barst los. Onweer dondert door de lucht en bliksem schiet door de wolken en de eerste dikke druppels beginnen te vallen en in een mum van tijd stort het water met bakken uit de lucht op, op dat droge zand, dat helemaal geen water opneemt.
Dus al dat water gaat stromen, in de richting van die droge rivierbedding. En ook al dat water dat valt op die heuvels en bergen. Daar achter, daar hogerop (zie je het?), daar begint het ook te stromen. En het komt allemaal naar beneden, in die rivierbedding. Tegenwoordig noemen we dat een wadi. In die rivierbedding, die eerst droog was, maar nu een paar uur later is hij al half vol. En het water gaat steeds meer naar de rand. Het water begint ook steeds meer te kolken en te bruisen.
En ondertussen zwiept de regen maar door, tegen die huizen en tegen die bergen. Die rivier word steeds meer een kolkende en bruisende massa die alles met zich meetrekt.

Kijk, daar gaat een boomstam! En daar breekt een stuk rots af! En het wordt zomaar allemaal meegesleurd. Als je goed kijkt zie je het: het water van die rivier komt steeds dichter bij. Bij die twee huizen, links en rechts!
Het natuurgeweld bedreigt zowel het ene als het ander. Want het zand aan de kant van de rivier, dat brokkelt steeds verder af, en dat wordt ook meegenomen.
En ondertussen zegt de Bijbel, slaat de stormwind tegen die huizen.

En dan, kijk! Kijk! Ineens, dan zie je wat je nog nooit hebt gezien! Maar wat je zult zien in de dag der dagen. Tot je verbazing, tot je schrik of tot je vreugde.
Kijk eens naar die kant. Terwijl dat zand mee gespoeld en mee gezogen wordt door die kolkende en bruisende watermassa, blijkt ineens dat huis vele malen groter te zijn dan gedacht. Want die muren, die gaan door. Je ziet het (terwijl het zand weggespoeld wordt) steeds meer, steeds duidelijker. Die muren die gaan helemaal door tot op het fundament, tot op de rots.
Het water spoelt en de stormwind slaat, maar dat huis staat muurvast, rotsvast! Op de rots daar, diep onder de grond, waar al het zand wegspoelt.

Kijk eens naar die andere kant. Ook dat water spoelt weg. En het komt steeds dichter bij dat huisje… En je ziet het, het begint te wankelen. Er komt een scheur in de muur. De eerste muur valt en het dak stort in. Het is eigenlijk maar in een mum van tijd en dan wordt heel dat huis meegesleurd door die kolkende watermassa met alles en iedereen daar in. En er is niks meer.

Daar staat een huis, hoog op een rots.
Daar is niets, weg! In een mum van tijd, in een ogenblik zoals Psalm 73 zegt, meegesleurd, meegenomen, en het is weg.

Zo zal het gaan met uw en mijn levenshuis op het moment van beproeving, als tegenspoed, ziekte, rouw of verdriet ons leven treft. Als de Almachtige God met schijnbaar harde hand in ons leven ingrijpt en ons als Job berooft. Je man sterft, je vrouw, je kind, je huwelijkstrouw, je zaak gaat failliet, je gezondheid wordt geknakt en gebroken en het zand spoelt alles weg.
Dan zal blijken dat dat verachte, geminachte verborgen leven op uw knieën voor Gods genadetroon meer waard is dan het fijnste goud op aarde. En dan zal aan de andere kant blijken dat al die liefde en die ijver en die netheid, die van u was, weg zal spoelen, als zand zal wegspoelen onder het gebouw van uw leven vandaan. Het was niet solide genoeg om uw huisje overeind te houden.

Zo zal het gaan met ons levenshuis, als de stormen van aanvechting komen, van verleiding en van de valse profetie, die de Heere Jezus ook voorzegd heeft. En die valse profetie zegt altijd hetzelfde, namelijk dat wij mensen zelf het vermogen hebben om te doen, om te kiezen, om alles zelf te doen.
Dan zal blijken dat dat verachte leven, door anderen geminacht, in de eenzaamheid op uw knieën voor God u zal bewaren van de boze.
En aan de andere kant: uw hart, dat zo vol liefde is voor de dingen van nu, vol van ijver… maar het is allemaal van u zelf, zelf gebouwd…, dat leven zal verstrikt raken in het net van de boze en vallen.

Zo zal het eindelijk ook gaan met uw levenshuis op het moment dat de grote dag des Heeren komt. Als de stormen tegen uw huis zullen aanslaan. En de vloed van de toorn van de Almachtige bomen en huizen ontwortelen zal, op zoek naar, naar wat…? Naar dat ene en vaste Fundament, de Rots.
Dan zal blijken (laat het uw troost zijn, gravers, zoekers, eenzame worstelaars, bidders, armen, treurenden over uw zonden, die zonder God en Christus niet leven kunt!), dan zal blijken dat dat huis, dat zo geminacht werd door de andere kant, vast staat op de Rots, muurvast, rotsvast! Dan zal blijken dat God uw huis gebouwd heeft op het enige en vaste Fundament, de enige Hoeksteen, Jezus Christus. Al was het naar uw stellige overtuiging onvolmaakt en niet af, en niet goed en gebrekkig… Maar dan zal toch, als de vloed al dat zand zal wegspoelen, dan zal toch blijken dat u door Gods genade onder uw levenshuis een vast en hecht fundament hebt gelegd.
En dan zal aan die kant van de vallei blijken, dat u die altijd maar minachtend in uw gedachten moest glimlachen en uw schouders ophaalde over al dat getob en gezucht en geworstel, dan zal blijken, dat al uw liefde en hoop en godsdienst onder uw voeten als zand zal wegspoelen.
Zoals Asaf zegt in Psalm 73: Immers zet U hen, o God, op gladde plaatsen, doet hen vallen in verwoestingen. Hoe worden ze als in een ogenblik, in een knip van je oog, tot verwoesting, nemen een einde, worden te niet, weggevaagd, weggespoeld van verschrikking. Als een droom na het ontwaken. Als U opwaakt, o Heere, dan zult U hun beeld verachten.
Uw eigen geloof, uw eigen keus, zal in een ogenblik wegspoelen. En dan is alles weg, dan is alles verloren. Voor nu verloren, voor altijd verloren.
Want dat staat er: het huis is gevallen en zijn val was groot…

En daarom zeg ik tegen u vanmorgen, lieve vrienden: wees gewaarschuwd!
De dag des Heeren zal komen als een dief in de nacht. Onverwachts zult u het horen, de stem: ziet de Bruidegom komt, gaat uit Hem tegemoet! En dan hebt geen tijd meer om dat huisje af te breken, om alsnog te gaan graven en alsnog een fundament op de rots te gaan leggen.
O, vertrouw toch niet op uw rust van binnen, op uw vrede. Zeg niet: het voelt goed, ik heb een goed gevoel van binnen, het zal wel goed zitten. Als u niet na veel graven, na diep graven, als u niet na veel worstelen bent doorgestoten tot op de rots, waar al het zand van de zonde er uit ging… o, ontwaak dan vanmorgen uit uw dodelijke rust! En geef op dat ijdele zelfvertrouwen, die valse hoop die er is in uw hart.
Bouw niet op goed gevoel van binnen. Bouw niet op emotie, op aangedane stemmingen.
Bouw zelfs niet op zoeken, op bidden, op verlangen om de Heere te dienen. Bouw niet op het horen van het Woord alleen. U moet met God verzoend worden door het bloed van Christus de Gekruisigde, en anders hebt u geen, geen toekomst.
Uw leven kan slechts rusten op het vaste fundament van het werk van Christus, op Zijn gehoorzaamheid, op Zijn sterven en Zijn leven.

En Hij roept u tegelijkertijd op om vruchten te dragen uit Hem. Horen en doen, leven met God, iedere dag, ook doordeweeks. En zo niet, dan zal dit uw toekomst zijn wat Christus zegt in vers 19: Geworpen in de poel des vuurs.
U zegt: ja, het is gelukkig maar beeldspraak. Ja, maar beeldspraak is altijd maar een schaduw van wat het werkelijk is. Wees gewaarschuwd, bouwers op zand. De werkelijkheid van uw toekomst is vele malen erger dan deze beeldspraak kan uitdrukken.

Maar anderzijds wees getroost, dit is, door Gods genade uw toekomst, gravers, bouwers op het Fundament, worstelaars, onzichtbaar, in de eenzaamheid met God. Dit is uw toekomst.
Want zo begon de Bergrede en zo eindigt het ook! Armen van Geest, treurenden vanwege uw zonden en hongerenden naar de gerechtigheid: Uw huis staat vast!
De mensen zien het wel niet, maar God weet het. Uw huis staat vast, het is gefundeerd op de Steenrots en Die staat vast. En Hij, Die ooit Uw rechterhand vatte, zal Hem nooit meer loslaten. Hij zal het goede werk dat Hij in u begon, het goede werk van graven en funderen, voleindigen tot op de dag van Jezus Christus.
En u zult, hoewel het u misschien afschrikt (juist u zal het afschrikken), u zult veilig geleid worden over de grens van de eeuwigheid in het Vaderhuis met de vele woningen.

Gemaakt, daar ligt de oorsprong, naar Gods bestek.
Gebouwd, dat was het werk door God de Heilige Geest.
Gefundeerd op de Steenrots, Jezus Christus.
Hem zij de heerlijkheid, beide nu en in de dag der eeuwigheid.

Amen.

Links bij preek Mattheüs 7: Huis op rots of zand
Preek Mattheüs 7: Enge poort, brede en smalle weg
– Preek Mattheüs 7: Bid, en u zal gegeven worden
Preek Mattheus 8: Storm op zee
Lees meer:
– Kanttekeningen bij Mattheüs 7