PREEK · KERKELIJK JAAR

Bidt, en u zal gegeven worden – Mattheüs 7

Winterwerk - 28 augustus 2016

Mattheüs 7:7-8: Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden. Want een iegelijk die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, dien zal opengedaan worden.

INLEIDING

Aan het begin van een nieuw kerkelijk seizoen klinkt in Mattheüs 7 een woord vol belofte: „Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en u zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden” (vers 7). Deze leespreek over Mattheüs 7:1-11 gaat in op deze drievoudige weg van vragen, zoeken en kloppen, en biedt bemoediging voor wie worstelt met het gebed en verlangt naar een leven met de Heere.

THEMA

De plicht van het gebed en de rijke bemoediging om te…

KERNPUNTEN

  1. Bidden
  2. Zoeken
  3. Kloppen

MATTHEÜS 7:1-11

1 Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt.
2 Want met welk oordeel gij oordeelt, zult gij geoordeeld worden; en met welke maat gij meet, zal u wedergemeten worden.
3 En wat ziet gij den splinter die in het oog uws broeders is, maar den balk die in uw oog is, merkt gij niet?
4 Of hoe zult gij tot uw broeder zeggen: Laat toe dat ik den splinter uit uw oog uitdoe; en zie, er is een balk in uw oog?
5 Gij geveinsde, werp eerst den balk uit uw oog, en dan zult gij bezien om den splinter uit uws broeders oog uit te doen.
6 Geeft het heilige den honden niet, en werpt uw parelen niet voor de zwijnen; opdat zij niet te eniger tijd dezelve met hun voeten vertreden en zich omkerende u verscheuren.
7 Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden.
8 Want een iegelijk die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, dien zal opengedaan worden.
9 Of wat mens is er onder u, zo zijn zoon hem zou bidden om brood, die hem een steen zal geven?
10 En zo hij hem om een vis zou bidden, die hem een slang zal geven?
11 Indien dan gij, die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal uw Vader, Die in de hemelen is, goede gaven geven dengenen die ze van Hem bidden.

VOLLEDIGE TEKST

Bidt, en u zal gegeven worden – Mattheüs 7

ds. J. IJsselstein - Mattheüs 7:7-8

THEMA

De plicht van het gebed en de rijke bemoediging om te…

AANDACHTSPUNTEN

  1. Bidden
  2. Zoeken
  3. Kloppen

Gemeente, aan het begin van het kerkelijke seizoen dat voor ons ligt, preek ik u vanmorgen over wat wij vooral nodig hebben voor ons kerkelijke leven, voor ons gemeenteleven, voor huwelijk en gezin, en ook en vooral voor ons persoonlijke leven.

De tekst voor de preek van vanmorgen kunt u vinden in Mattheüs 7, daarvan de verzen 7 tot en met 11, Mattheüs 7: 7-11, ik lees u samenvattend alleen nog de verzen 7 en 8 voor. Daar staat het woord des Heeren als volgt geschreven: Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en u zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden. Want een iegelijk, die bidt, die ontvangt en die zoekt, die vindt en die klopt, die zal opengedaan worden.

Deze tekst gaat over, en dat is ook het thema van de preek, over: De plicht van het gebed en de rijke bemoediging om te… In de eerste plaats om te vragen, in de tweede plaats om te zoeken, en in de derde plaats om te kloppen. Dus: De plicht van het gebed en de rijke bemoediging om te… 1. Vragen 2. Zoeken 3. Kloppen

Eerst even iets, gemeente, over de aanleiding van dit gedeelte, want er gaat iets aan vooraf, wat uiteindelijk in vers 12 (aan het einde van dit Bijbelgedeelte) ook weer terugkomt. Ik bedoel de bekende woorden van de Heere Jezus in vers 1: Oordeelt niet, opdat u niet geoordeeld wordt. Ik doel op vers 3, waar staat: En wat ziet u de splinter, die in het oog uws broeders is, maar de balk, die in uw oog is, merkt u niet?

Leerzame woorden voor onszelf, voor mij en voor u, voor het komende seizoen, voor het kerkelijke leven, voor het gemeenteleven: oordeelt niet, opdat u niet geoordeeld wordt. Betekent dat, dat we niet en nooit een oordeel mogen geven? Dat zou op zich prima passen in ons postmoderne denken, en daar zijn we zeker ook mee besmet: ‘dat u uw mening hebt, u mag denken wat u zelf vindt, dat is uw goed recht, maar zeg het mij niet en dring het mij zeker niet op…’

U voelt, dat kan de betekenis niet zijn. Want de Heere Jezus zegt ook in Lukas 17:3: En indien uw broeder tegen u zondigt, zo bestraf hem; en indien het hem leed is, zo vergeef het hem. En de Spreukendichter zegt: Bestraf de wijze, en hij zal u liefhebben (Spreuken 9:8).

Waar het hier om gaat, en dat is een wijze les ook voor het komende kerkelijke seizoen: wie zonden of gebreken bij anderen opmerkt (bij medegemeenteleden, bij ons als kerkenraad, bij een medebroeder), die doet er goed aan eerst zijn of haar eigen hart te onderzoeken. Want het zou kunnen zijn dat het voor mij geldt, wat staat in vers 3: de balk die in mijn oog is, die zie ik niet. Met andere woorden: dat wat ik zie aan zonden in anderen, dat doe ik zelf ook, maar ik zie het niet. Eerst het eigen hart onderzoeken dus. En dan niet eerst een ander, maar eerst jezelf bestraffen.

Waar het hier vooral om gaat, is om een bemoeizuchtige, bedilzieke en overdreven kritische geest. Het gaat hier vooral om het altijd bezig zijn met anderen te bekritiseren vanwege hun gebreken, vanwege hun net iets anders-zijn, vanwege hun nalatigheden, vaak in lichte of middelmatige zaken. Het gaat hier om het altijd bezig zijn met de zwakheden van anderen te overdrijven en erger te maken dan ze in werkelijkheid zijn. En dat alles zonder eigen zonden, fouten en grove nalatigheden te kennen, te herkennen en te belijden. En dat schaadt het persoonlijke leven en ook het leven in de gemeente. Veel praatjes zijn van dit soort: ze gaan over splinters! Ik wil u, en laten we elkaar, daar blijvend voor waarschuwen. Jakobus zegt: De tong is een onbedwingelijk kwaad vol van dodelijk venijn (3:8) We hebben van nature slangengif onder onze lippen (Romeinen 3:13). En gif is gevaarlijk, gif is schadelijk, gif kan zelfs dodelijk zijn... Als we op de vereniging, op de catechisatie, op het koor, op de Bijbelkring, op het werk, bij de theevisite thuis, altijd weer onze gesprekken vullen met nieuwtjes en weetjes over die en die, over dat en dat wat niet deugt, als we altijd onze gesprekken weer vullen met het becommentariëren of zelfs met het fileren van de preek (de preek van hier, maar net zo goed preken uit andere gemeenten)…, als we die neiging of die werkelijkheid bij onszelf opmerken, dan doen we er verstandig aan om een spiegel te nemen, op zoek naar… (één vluchtige blik is genoeg, want we kunnen er niet overheen kijken!), op zoek naar de balk… in ons eigen oog…

Laten we, gemeente, komend seizoen (wat zou dat een zegen zijn en wat zou dat ons gemeenteleven zuiveren) doen, wat de apostel zegt in 2 Korinthe 13:5: onderzoek uzelf. Onszelf onderzoeken. Een spiegel meenemen naar de kerk, naar de vereniging, naar het koor, naar het werk, als we op visite gaan: oordeel uzelf. Want (zo zegt Paulus): Indien wij onszelf oordeelden, zo zouden wij niet geoordeeld worden (1 Korinthe 11:31).

Geen mens doet dat en wil dat in eigen kracht en van zichzelf. Van nature zijn we (zo schrijft Paulus aan Timotheüs) liefhebbers van onszelf, en dus geneigd om onze naaste

naar beneden te halen (2 Timotheüs 3:2). Van nature zijn we in boosheid en nijdigheid levende, hatelijk zijnde en elkaar hatende (Titus 3:3).

Hoe moet het, hoe kan het, het komende seizoen, in de gemeente, op de vereniging, op de catechisatie, in onze gezinnen, waar overal van ons mensen geldt dat we van onszelf hatelijk zijn en elkaar hatende? Terwijl we ondertussen ook weten: Waar liefde woont, daar gebiedt de Heere Zijn zegen…?

Het kan alleen door de weg van: bidden, zoeken en kloppen… Zo komt de Heere Jezus eigenlijk op dit onderwerp. Bidden, zoeken en kloppen is nodig, ook voor de goede omgang tussen mensen onderling. Maar al lezend voelen we dat dit onderwerp door de Heere Jezus veel uitgebreider wordt voorgesteld: dit betreft heel ons leven, en in het bijzonder ook ons kerkelijke leven en ons geestelijke leven. En daarom is het thema van het Bijbelgedeelte dat we vanmorgen met elkaar overdenken, zowel voor ons kerkelijke, als voor ons persoonlijke leven van het grootste belang voor het seizoen dat voor ons ligt.

Het gaat vanmorgen om de plicht van het gebed en de rijke bemoediging om te bidden. We letten in onze eerste gedachte op:

1. Bidden

Letterlijk staat er eigenlijk: vragen. Wanneer vraag je iets, jongens en meisjes? Als je iets nodig hebt. Aan wie vraag je het dan? Aan iemand die je het kan geven. Dat is altijd iemand die meer kan en die meer heeft dan jij. En hoe vraag je zoiets dan? Zeg je dan: ‘Luister, dat wil ik hebben!?’ Nee, je vraagt het met respect, netjes, eerbiedig, en nederig, dat wil zeggen met een klein hart.

Je kent wel het Bijbelse voorbeeld van de farizeeën en de tollenaar. De farizeeën bidt… Ja, is dat zo? Hij zegt wel veel, maar eigenlijk vraagt hij niets. En bidden is vragen! Hij is tevreden met zichzelf. Hij denkt dat hij genoeg heeft van zichzelf. Hij denkt dat hij geestelijke rijk is, terwijl hij eigenlijk straatarm is. Had hij maar echt gevraagd… De tollenaar dan… Ja, die bidt wel. Die vraagt, heel eenvoudig (hij vraagt maar één ding, jongens, meisjes, vragen jullie dat toch ook!): Heere, wees mij zondaar genadig.

Trouwens, daarin voel je nog iets meer: vragen, dat doe je als je voelt dat je iets nodig hebt. Wanneer bid je? Niet als je denkt: ik heb genoeg, ik heb niets nodig. Ja, dan raffel je misschien wel heel snel je gebedje af: Heere dank U voor deze spijze amen… Maar, hoor je: geen vraag! Heb je niets nodig?

Maar als je echt iets mist, als je echt voelt in je hart dat je iets nodig hebt van de Heere, dan buig je je knietjes en zeg je: ‘Heere, dit mis ik. Ik heb het niet verdiend, maar mag ik het toch van U krijgen?’ Weet je wat de Heere zegt? Als je zo bidt, dan zal je het krijgen. Want zo staat het in vers 8: een iegelijk die bidt, die ontvangt.

Je zegt: ‘Ja, maar zeker alleen goede mensen en de allerbeste kinderen?’ Nee, de Heere zegt: een iegelijk, dat wil zeggen iedereen! Zoals Petrus het ook zei op de pinksterdag: Een iegelijk, iedereen, die de Naam des Heeren zal aanroepen, die zal zalig worden (Handelingen 2:21) Daarvoor je trouwens hetzelfde in: aanroepen… Dat doe je als je iets heel dringend nodig hebt. Dan roep je: Help! Bidden is hetzelfde als help roepen: Heere, help!

Krijg je altijd alles wat je graag wilt hebben? Krijg je altijd alles wat je vraagt? Ja, maar je krijgt nooit iets wat slecht voor je is. Soms krijg je iets anders dan dat wat je vraagt, maar dan krijg je altijd iets beters. En soms is niets zelfs beter dan iets… Het is net als bij papa en mama (dat staat in vers 9): als je vraagt om een bolletje brood, dan krijg je niet iets wat daar erg op lijkt, maar eigenlijk heel slecht is. Bijvoorbeeld een mooie ronde steen, die er net zo uitziet als een bolletje brood, waar je in bijt, maar: ‘Au, ik breek mijn tanden!’ ‘Gefopt, bedrogen!’ Nee, zo is de Heere niet. Maar soms geeft Hij wel iets anders, dan waar wij om gevraagd hebt. Maar dan is het altijd iets beters. En soms is niets zelfs beter dan iets… Weet je wat de Heere vooral geeft, weet je wat de Heere het liefste geeft? Dat schrijft de evangelist Lukas: Hij wil vooral Zijn Heilige Geest geven aan degenen die Hem daarom bidden (11:13).

De Heilige Geest, dat is Degene, dat is God, die je hart veranderen kan, die je een nieuw hart geven wil! Dus, wat ga je (jongens en meisjes) komend seizoen doen, voor dat je naar de kerk gaat, in de kerk, na de kerk, op de catechisatie, en doordeweeks als je even alleen bent? Niet alleen maar thuis en op school werken, spelen en computeren, niet alleen maar gezellig naar de club en de catechisatie, maar vooral thuis, op school, in de kerk, op de catechisatie, op club en koor en overal: stil bidden! ‘Heere, wilt U mij Uw Heilige Geest geven, wilt U mij een nieuw hart geven?’

Dat geldt ons, gemeente, allemaal. Wat moet er allemaal gebeuren de komende weken en maanden? Heel veel, maar vooral dit: bidden, vragen! Want je kunt heel veel doen in en voor de kerk, maar een biddeloos mens is een Goddeloos mens en een Christusloos mens.

Het is de Bijbelse opdracht, en dan pas gaat het goed en dan pas komt er zegen in al ons bezig zijn in de gemeente: bidden! We moeten altijd bidden en niet vertragen (Lukas 18:1). We moeten, zo schrijft Lukas, dag en nacht tot God roepen (18:7). Met alle bidding en smeking, biddende te allen tijde

in de Geest, en tot hetzelve wakende met alle gedurigheid en smeking (Efeze 6:18). We moeten sterk aanhouden in het gebed (Kolossenzen 4:2), we moeten bidden zonder ophouden (1 Thessalonicenzen 5:17). Biddend voor alles: voor de voortgang van de prediking van het Woord, voor de catechisaties, voor huisbezoek, voor onze verenigingen, voor onze gezinnen, maar vooral ook voor ons hart, voor het geestelijke leven van onszelf en anderen. Altijd bidden…

Maar u zegt: ‘Dat doe ik ook. Ik bid mijn leven lang al!’ En maar zoeken naar een splinter… in Gods oog… Kijk eens in de spiegel, u die zegt (en ik hoor het vaker): ‘Ik bid mijn leven lang al, maar ik heb nog nooit iets terug gehoord…’ Pas hoorde ik een eerlijk antwoord op de vraag hoe dat zou komen, toen iemand tegen me zei (gelukkig was het ondertussen anders geworden): ‘Ik heb mijn leven lang God zo vaak gewantrouwd. Ik heb zo vaak gedacht: Ik bid wel, maar God…? Hoort Hij mij wel?’ Is dat ook niet uw verborgen gedachte? ‘Ik bid al jaren! Ik doe mijn best! Maar…, waar is God eigenlijk? Bestaat Hij wel echt? Hoort Hij me wel? En als Hij hoort, luistert Hij dan wel naar mijn gebed? En als Hij dan luistert, gaat Hij dan wel een keer antwoord geven en mij verhoren? Meent Hij wel echt wat Hij zegt?’

Waarom denkt u dat zulke gebeden verhoord zullen worden? Jakobus zegt: U bidt en ontvangt niet, omdat u kwalijk bidt (Jakobus 4:3a). De schrijver van de Hebreeënbrief zegt: Die tot God komt, moet geloven, dat Hij is, en een Beloner is dergenen, die Hem zoeken (Hebreeën 11:6) U zegt: ‘zie je wel, echt bidden is geloofswerk’. Dat is waar. Een waar gebed is een gift uit Gods hand. Maar, laat me u de weg wijzen om daar door Gods genade te komen. Want gebed is ook genademiddel. Niet alleen genade, maar ook genademiddel.

U moet anders bidden. Ouderen, ga dat toch doen, want uw tijd is nog maar kort. Bidden is vragen: vragen wat je mist, vragen wat je kwijt geraakt bent, vragen wat je niet hebt. Bidden is, zo zegt onze catechismus: zuchten, onophoudelijk zuchten en smeken (Zondag 45, a.w. 116). Zeg toch eerlijk op uw knieën, biddend voor de Heere: ‘Heere, diep in mijn hart ben ik een atheïst. Ik geloof U niet. Ik geloof in mezelf, maar ik houd U voor een leugenaar. Ik geloof niet dat U bent, dat U luistert, dat U hoort, laat staan dat U antwoorden wilt. En dat is mijn schuld: Heere, wees mij zondaar toch genadig!’

En volhard daarin! Ga daarmee door. Want het staat hier in de gebiedende wijs: Bid! Met de betekenis dat u het moet doen en dat u ermee door moet gaan. U moet het blijven doen. U zegt: ‘ik kan niet bidden’. Ik zeg u: ‘u probeert het niet, want u ziet er het nut niet van in’. Maar dit is de hemelse regel die u als aansporing gegeven is: zonder gebed zult u niet zalig worden.

Maar, er is in deze regel ook een hemelse troost, voor waren bidders: voor hen die bidden, zuchten, roepen, vragen…, bedelend, blijvend, steeds weer en altijd. Is uw gebed een ootmoedig smeekgebed? Nederig, bewust van uw nood, rechteloos? Gelovend dat de Heere is en hoort en dat Hij op Zijn tijd zal antwoorden? Wacht dan op de Heere. Nooddruftigen veracht Zijn goedheid niet. Wees sterk. Houd moed. Hij zal u nooit laten omkomen. Hij hoort uw gebeden en zal u verhoren. Want de hemelse Vader geeft goede gaven aan hen die Hem bidden (vers 11).

Trouwens, zo’n nederig, ootmoedig en schuldverslagen gebed, buigend voor de Heere is ten diepste een eerste teken van geestelijk leven. Werd het niet gezegd tegen Ananias over Saulus van Tarsen, toen de Heere in zijn leven gekomen was: Zie, hij bidt. Aan het huilen van kleine baby’tjes, jongens en meisjes, hoor je dat ze leven. Ze vragen huilend om drinken. Zo zijn er mensen die huilend bidden om genade. De Heere hoort u. U zult ontvangen!

Bidden is stil en ootmoedig vragen aan de Heere wat je mist, wat je nodig hebt. Een biddende gemeente mag een rijke zegen verwachten. Maar, er is meer dan bidden. Bidden doe je in stilte. Maar er is ook zoiets als (en dat is onze tweede gedachte):

2. Zoeken.

Zoeken is meer actief. Zoeken duidt nog meer verlangen aan. Je zoekt wat je kwijt bent, je zoekt wat je kwijt geraakt bent. Wat je door de diepe val van Adam in het paradijs bent kwijtgeraakt: wij zijn God kwijtgeraakt. Of wat u als kind van God door slordigheid en nalatigheid in het leven met de Heere kwijtgeraakt bent.

Maar, waar moet je dat dan zoeken? Waar moet je de Heere zoeken? In de Bijbel. In het Woord van de Heere. Zoeken betekent dus: trouw in je Bijbeltje gelezen, jongelui, goed luisteren naar het Bijbelverhaal op school, jongens en meisjes. Het betekent meedoen op de catechisatie (en we zien ernaar uit dat jullie komen, jongelui), het betekent ijverig naar de kerk komen, niet alleen in de ochtenddienst, maar ook in de middagdienst. Niet denken: ik ben vanmorgen al geweest, het is leuk geweest, één keer is genoeg’. Nee, trouw komen onder de dienst van het Woord! En: zoeken betekent niet alleen het Woord zomaar even losjes en snel lezen, omdat het nu eenmaal zo hoort, maar daarin zoeken! Daarin zoeken als naar een schat! Lezen, overdenken en in stilte bemediteren, altijd met de vraag: wat zegt de Heere tegen mij? Spreek toch, Heere, tot mij!

Heeft de Heere niet gezegd: Onderzoekt de Schriften; want u meent in dezelve het eeuwige leven te hebben; en die zijn het, die van Mij getuigen (Johannes 5:39)? Niets anders bedenken, gemeente, niet mitsen en maren: hier, in dit Woord, kunt u het leven vinden en u zult het erin vinden, als u het daarin zoekt!

Wat zoeken we dus in de Schriften? Geen kennis op zich, niet slim worden in exegetiseren, maar we zoeken in dit Woord wijs te worden tot zaligheid. We zoeken geen nieuwe weetjes, geen aardige spitsvondigheden, maar we zoeken als het goed is het leven in dit Woord. Geestelijk leven! En daarbij richting voor het leven van alledag in gezin en kerk.

Ik moet denken aan het getuigenis dat de evangelist Lukas geeft van de gemeente van Berea. Dat waren geen mensen die snel hun oordeel klaar hadden, om de woorden van Paulus en Silas te wegen. Nee, ze waren edeler. Lukas schrijft in Handelingen 17: Ze ontvingen het woord met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren (17:11). Ze zijn er de hele week druk mee: met zoeken in de Schriften!

Ik zeg dat vanmorgen vooral, omdat er een gevaar dreigt in ons kerkelijke leven: we zijn druk, we zijn heel druk, we zijn veel te druk met van alles en nog wat. Met nog meer doen, met nog meer kennis vergaren! Jazeker, het is allemaal goed. Maar dit is beter, dit is best: in de Schriften zoeken naar het eeuwige leven! Daar moeten we het het komende seizoen van hebben en van niets anders: van het luisteren naar de stem van de Heere in de Schriften!

Wie daarin zoekt, die daarin ijverig zoekt naar dat wat hij of zij is kwijtgeraakt, ondertussen ootmoedig vragend: die zal vinden. Dat staat in vers 8: wie zoekt, die vindt.

Zoekt u antwoorden op de vragen van uw hart? Zoek biddend in het Woord! Zoek je antwoorden, jongelui, op de vragen van je leven, op de verdrietige vragen van je hart? Zoek biddend in het Woord!

Wat? Wie? De Heere. Zoek de Heere, terwijl Hij te vinden is (Jesaja 55:6). Want wie Hem vroeg zoekt, dat wil zeggen wie Hem ijverig zoekt, die zal Hem vinden (Spreuken 8:17). Wie zal je dan vinden? De Heere! Dat betekent, jongens en meisjes, dat je dan met een nieuw hart de Heere mag leren kennen. Het betekent dat je dat de Heere Jezus mag leren kennen, die ons zondige hart door de Heilige Geest wil schoon wassen van alle zonden. Zoeken, jongens en meisjes…! Vragen, en zoeken en (in de derde plaats) kloppen! Maar we gaan eerst zingen uit Psalm 65 vers 1. De lofzang klimt uit Sions zalen Tot U met stil ontzag; Daar zal men U, o God, betalen Geloften, dag bij dag. Gij hoort hen, die Uw heil verwachten, O Hoorder der gebeên, Dies zullen allerlei geslachten Ootmoedig tot U treên.

Onze derde gedachte:

3. Kloppen

Klopt! Dat gaat verder. Bidden is stil zeggen of zuchten. Zoeken is actiever. Maar kloppen is heel gericht. Kloppen doe je op een deur die dicht zegt. Dat klopt. Hij zit dicht, de deur van de Heere, de deur van de hemel. En dat is onze schuld. Wij zijn bij de Heere weggegaan en hebben de deur achter ons dicht gegooid. Hij zit dicht. Hij lijkt wel op slot te zitten, zo dicht als de deur van de ark van Noach.

Ja, dat lijkt zo, maar dat is niet zo. Weet je welke deur er echt dicht zitten? Die van je hart! Die deur zit hermetisch gesloten, die deur zit potdicht. Terwijl de Heere er je leven lang, al zo lang op klopt. Maar dit gaat over een andere deur. De Heere zegt: op Mijn deur mag je biddend en zoekend kloppen. Dat moet je niet uitstellen, want er komt een moment dan zit die deur wel echt op slot, dan is het te laat.

Gemeente, zonder vragen, zonder zoeken en kloppen, zult u niet zalig worden. Met af te wachten is nog nooit iemand zalig geworden! U zegt: ‘maar een mens kan niet bidden, een mens kan niet zoeken en kloppen…’ Weet u waarom dat zo moeilijk is? Als ik als een bedelaar aan een gesloten deur moet kloppen, dan pas voel ik mijn schuld, mijn onwaardigheid en rechteloosheid. Als ik echt mijn knieën ga buigen (nee, dat wil ik niet), dan pas voel ik pas hoe klein ik ben voor de hoge en de heilige God. En nergens voel ik meer mijn ongeloof en wantrouwen, als wanneer ik bid. En toch, jongens en meisjes, je mag en moet bidden, zoeken en kloppen.

Op de muur? Nee, op een deur! En dat is een troostvolle gedachte! Want een deur, die kan iemand opendoen! Niet kloppen op een muur dus, terwijl je denkt: hier gebeurt toch nooit iets. Maar klop op de deur, als een arme zondaar…

Buig, ouderen, uw knieën, en zeg het toch eerlijk: ‘Heere, ik ben zo slecht, dat ik U wantrouw. Ik geloof niet wat U zegt. Leer me toch echt te zien, wie ik ben… En wilt U Uw Woord, de Bijbel gebruiken om met dat te laten zien… Open toch mijn verstand, open toch, net als bij Lydia mijn hart, waar U al zo lang op klopt…! En wilt U dat doen om Jezus wil?’

Vergis je niet, jongelui: de Heere hoeft je spullen niet, je geld niet, je diploma niet, hij hoeft helemaal niets van je. Dit is wat de Heere van je vraagt, dit is de hemelse regel die je voorgehouden wordt, zo heeft God het gewild, en zo wil Hij het: bid, zoek, klop en u zal gegeven, u zult vinden, u zal opengedaan worden!

De Heere betoont Zijn welbehagen hen nederig naar Hem vragen

De Heere betoont Zijn welbehagen… Dat wil zeggen, jongens en meisjes: je verdient het niet, dat de Heere hoort, maar toch: Hij laat zich vinden. Dat is Gods welbehagen, dat zijn Gods goede gedachten, dat is Zijn onverdiende goedheid. Zeker, dat ligt verankerd in de eeuwigheid, in Gods eeuwige welbehagen, maar die verborgen raad is voor de Heere onze God. Zijn geopenbaarde en ons bekende wil is voor ons en onze kinderen: bidden, zoeken, kloppen (Deuteronomium 29:29).

Kan dat uitlopen op een teleurstelling? Kan dat erop uitlopen dat je aan het einde van het seizoen (in mei of juni bij leven en welzijn) moet zeggen: ‘ik heb gebeden, ik heb gezocht, ik heb geklopt op Zijn deur, maar de Heere hoorde mij niet…?’ Dat gold ooit wel Eén, dat gold lang geleden wel de Heere Jezus Christus. Hij vroeg, bad, riep, maar de Vader hoorde Hem niet. Dat bracht met tot de bittere roep aan het kruis: Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten (Mattheüs 27:46)? Daarom, om Hem, om Zijn verdienste en genade, en vanwege Gods algemene goedheid en genade, is er een weg geopend voor zondaars om te bidden, te zoeken en te kloppen.

Kan dat uitlopen op een teleurstelling? Nee! De Bijbel verkoopt geen fabeltjes. De Heere belooft hemelse gaven te zullen geven aan degenen die Hem bidden. Welke gaven dat zijn? Waar we dus vooral om moeten bidden? De gave van de Heilige Geest (Lukas 11:13). Is bidden, is zoeken en kloppen dan niet iets wat je gegeven moet worden? Jazeker, maar met dat u dat zo zegt, lijkt u op de duizenden die dat zeggend voor eeuwig verloren zijn gegaan, omdat ze deze hemelse regel niet wilden volgen!

Als de meester op school iets zegt, dan doe je het. Als je op catechisatie vragen moet leren, dan doe je dat (hoop ik). Als je thuis je kamer moet opruimen, dan doe je dat. Als je moet oefenen voor koor of voor muziekles, dan doe je dat. Als je een lezing moet houden op de vereniging, dan doe je dat. Ook al kost het uren!

Dit kost ook uren! Maar wie doet het? Wie van u bidt? Wie zoekt? Wie klopt? U? Jij? Ja? Houd dan moet. Houd dan vol. Biddend en vragend om blijvend gebed, om blijvend zoeken, om aanhoudend kloppen. Want de Heere hoort! Jongelui, de Heere hoort! Onze God is geen levenloos Boeddhabeeld met ogen die niet zien, met oren die niet horen en met een mond die niet spreken kan (Psalm 115:3-5). Onze God is in de hemel en Hij hoort het gebed (Psalm 65:3)!

Vraag het maar aan een van Gods kinderen. Ik zal het je zelf zeggen: de Heere heeft mijn gebed altijd gehoord. Hij heeft het nog nooit afgewezen! Hoe Hij het gehoord heeft? Hoe Hij antwoord gegeven heeft? Altijd zoals een vader doet.

Vraag je papa om een groot mes of om een pistool? Dan zegt hij: ‘nee, lieve jongen, ik geef je liever mooie auto of een vlieger, waar je ook heel blij mee bent’. ‘Pap, mag ik ook zo’n mooie, grote elektrische zaag?’ ‘Nee, jongen, dat is veel te gevaarlijk. Je krijgt wat anders, je krijgt iets wat mooier is, iets waar je nog blijer mee bent, je krijgt vooral iets… wat beter voor je is.

Als jouw pappa die, net als alle andere papa’s van zichzelf een slecht hart heeft aan zijn eigen kinderen goede dingen geeft, hoeveel te meer zal de hemelse Vader dan Zijn Heilige Geest geven aan degenen die Hem daarom bidden (Lukas 11:13)!

Als je zegt: ‘Heere, ik buig mijn knietjes, ik vraag U om wat ik mis, ik zoek in de Bijbel, en zoekend en vragend klop ik aan Uw deur: Heere, mijn hart is zo gesloten, doe me toch open, Heere…?’ Krijg je dan direct antwoord? Nee, vaak niet. Als jij op een deur klopt of aanbelt, wordt er toch ook niet altijd direct opengedaan? Soms moet je wachten. Maar als je echt iets nodig hebt, dan zeg je: ‘ik blijf bellen, ik blijf gewoon net zolang kloppen, totdat er opengedaan wordt’.

Wat zegt de Heere dan, als Hij opendoet? ‘Jongen, meisje, je vroeg, je bad, maar dat deed je niet van jezelf. Dat dacht je misschien wel, maar Ik leerde je vragen. En nu zal Ik je geven. En je had het niet door, maar Ik leerde je zoeken en nu mag je vinden. Je had er geen erg in, maar Ik liet je kloppen, en nu? Hier ben Ik! Het is allemaal Mijn werk.’

Als de Heere nu zo is, dat Hij Zijn goede gaven wil geven aan slechte mensen, die dat niet verdiend hebben, dan ligt er voor het werk in de gemeente, in de kerk en op school nog een laatste les in vers 12: Alle dingen dan, die u wilt, dat u de mensen zouden doen, doet u hun ook alzo; want dat is de wet en de profeten. Nee, dit ‘doet u hun ook alzo’ is geen beroep op eigen vermogen. Nergens in de Bijbel doet God een beroep op ons eigen vermogen. Want, zoals ik eerder zei, van onszelf zijn we liefhebbers van onszelf, hartelijk en elkaar hatende. Daarom is er alle reden om, ook voor het komende seizoen (voor alle werk in de gemeente en voor het bestendigen van de onderlinge band van liefde en verbondenheid) samen te bidden, te zoeken en te kloppen: ‘Heere, geef ons toch Uw genade, geef ons toch Uw Heilige Geest, die onze harten en levens levend maakt en vernieuwt. En laat Uw Heilige Geest niet van ons scheiden’.

Als we als gemeente zo bidden, smekend de Heere aankleven in de gebeden, dan komt er, als de Heere in die weg gebeden verhoort door met Zijn genade te werken en die te schenken, in de eerste plaats liefde tot Hem, verwondering en verbazing, die klein en ootmoedig maakt. Maar dan komt er ook liefde tot elkaar. Echte naastenliefde. Niet zoals die er ook is in de wereld om ons heen, waar mensen soms zeggen: ‘heb elkaar lief, want daar krijg je altijd iets voor terug’.

Maar zo, zoals het hier staat in vers 12: omdat de Heere het vraagt, omdat het is naar de wet en de profeten.

Dan wordt dit mijn gebed, dan ga ik dit vragen en zoeken: ‘als u Heere, dit van zichzelf zo verloren mens zo goed behandeld hebt, met een stroom van genade voor een stroom van ongerechtigheid, laat dan toch die genade, die mildheid en goedheid ook verder stromen naar anderen toe, binnen de kerk en daarbuiten.’

En zo zijn we weer terug bij dat, waarmee dit gedeelte begon. Dan wordt de onderlinge omgang met elkaar ook in het kerkelijke leven (de Heere geve ons dat), zeker, gekenmerkt door oprechtheid (in het onderling vermanen en in het aansporen van elkaar om te wandelen in de wegen des Heeren), maar… altijd in een geest van ootmoed. Want (zeg ik dan): Volgens mij hebt u een splinter in uw oog… Maar zelf heb ik een balk!

Amen.

Slotzang Psalm 145:6,7:

De HEERE is recht in al Zijn weg en werk; Zijn goedheid kent in 't gans heelal geen perk. Hij is nabij de ziel, die tot Hem zucht; Hij troost het hart, dat schreiend tot Hem vlucht; Dat ongeveinsd, in 't midden der ellenden, Zich naar Gods troon met zijn gebeên blijft wenden; Hij geeft den wens van allen, die Hem vrezen; Hun bede heeft Hij nimmer afgewezen.

De HEERE bewaart de ziel, die Hem bemint; Maar Hij verdelgt, dien Hij goddeloos bevindt. Mijn blijde tong zal roemen in den HEER’, En alle vlees zal juichen tot Gods eer.