PREEK · KERKELIJK JAAR

Wie ben ik, Heere HEERE - 2 Samuël 7

Dankdag - 5 november 2025

2 Samuël 7:18: Toen ging de koning David in en bleef voor het aangezicht des HEEREN, en hij zeide: Wie ben ik, Heere HEERE, en wat is mijn huis, dat Gij mij tot hiertoe gebracht hebt?

INLEIDING

David wil een tempel bouwen voor de HEERE, maar God wijst dat af: niet David voor God, maar God voor David. Hij belooft David een eeuwig koningschap, vervuld in Christus. David buigt hierop stil voor Gods aangezicht en zegt: Wie ben ik, Heere HEERE, en wat is mijn huis, dat U mij tot hiertoe gebracht hebt? Ware dankbaarheid is geen blijdschap om eigen verdiensten, maar verwondering en ootmoed voor Gods onverdiende goedheid.

THEMA

Hoe David dankdag houdt

KERNPUNTEN

  1. De plaats waar David dankt
  2. De woorden waarmee hij dankt

2 SAMUËL 7:17-22

17 Naar al deze woorden en naar dit ganse gezicht, alzo sprak Nathan tot David.
18 Toen ging de koning David in en bleef voor het aangezicht des HEEREN, en hij zeide: Wie ben ik, Heere HEERE, en wat is mijn huis, dat Gij mij tot hiertoe gebracht hebt?
19 Daartoe is dit in Uw ogen nog klein geweest, Heere HEERE, maar Gij hebt ook over het huis Uws knechts gesproken tot van verre heen; en dit naar de wet der mensen, Heere HEERE!
20 En wat zal David nog meer tot U spreken? Want Gij kent Uw knecht, Heere HEERE.
21 Om Uws woords wil en naar Uw hart hebt Gij al deze grote dingen gedaan, om aan Uw knecht bekend te maken.
22 Daarom zijt Gij groot, HEERE God; want er is niemand gelijk als Gij en er is geen God dan alleen Gij, naar alles wat wij met onze oren gehoord hebben.

VOLLEDIGE TEKST

Wie ben ik, Heere HEERE - 2 Samuël 7

ds. J. IJsselstein - 2 Samuël 7:18

THEMA

Hoe David dankdag houdt

LITURGIE

Psalm 8:1 Catechismus Zondag 9

Psalm 8:4

Lezen 2 Samuël 7

Psalm 65:1, 2,3

Psalm 116:1

Psalm 42:7

Dankdag houden, jongens en meisjes… Danken… Wat is dat? Wanneer doe je dat? En hoe doe je dat? Je zegt: ‘Nou, als je iets gevraagd hebt en je hebt het gekregen, dan ben je blij, dan voel je je dankbaar. Dan zeg je: ‘Dank U wel, Heere, voor al dit moois wat ik heb gekregen.’

Ja, maar wat dan, als je iets gevraagd hebt, en je hebt het niet gekregen? Je vroeg met biddag om heel veel dingen… Maar heb je ze ook gekregen? Misschien moet je wel zeggen: Nee, helaas niet… Ik wilde zo graag dat het beter zou gaan op school. Maar het is nog steeds moeilijk. Ik wilde zo graag dat ik meer dingen zou kunnen doen met pappa of mamma, maar ze zijn nog steeds heel druk. Ik wilde zo graag dat ik gezond zou worden. Maar ik ben nog steeds vaak ziek. Ik wilde zo graag dat mijn opa beter zou worden. Maart hij is gestorven.

En nu? Wat nu, op deze dankdag? Ben je blij? Voel je je dankbaar? Zeg je in je hart: ‘Heere, dank U wel, voor alles wat U gaf?’ Lastig hè? Ik snap het. Er zijn mensen, en misschien ben jij er ook wel een van, die het heel moeilijk vinden om dankdag te houden. Ja, want je kan wel gemakkelijk zeggen: ‘de Heere is goed’, maar wat als je je vrouw of man verloor? Of je kind? Je vader of moeder, je broer of zus? Wat als je groten zorgen gekregen hebt over je kinderen? Wat als je je werk verloor, of je gezondheid?

Weet je waarom het zo lastig is, om dan te danken? Omdat we naar onze handen kijken. Ik had iets… En je kijkt naar je handen en denkt…: heb ik het nog steeds? Ik vroeg iets… En je kijkt naar je handen en denkt…: heb ik het gekregen? Of niet? En, als ik nog heb wat ik had, of als ik gekregen heb waar ik om vroeg, en ik kijk daarnaar, dan voel ik me blij. Dan zeg ik: ‘Ik voel me zo dankbaar!’ Maar als ik dat wat ik had verloren heb, of als ik dat wat ik vroeg niet gekregen heb, en ik kijk naar mijn lege handen, dan voel ik me niet fijn, dan voel ik me ontevreden en naar. Dan bal ik misschien wel mijn vuisten.

Omdat? Omdat ik naar mijn handen kijk. Omdat ik naar beneden kijk. En niet tegelijkertijd omhoog, naar de Heere God. En mezelf afvraag: Was de Heere er, in al die dingen die gebeurden? In wat ik kreeg? In wat ik verloor? Was de Heere erbij, in voorspoed en in tegenspoed? Niet met wat ik deed voor Hem, maar met wat Hij deed voor mij? In het bijzonder in Zijn Zoon, de Heere Jezus Christus, aan het kruis?

Dan blijft je verdriet. Dan blijven je tranen. Maar ze worden toch minder bitter, als je in al je verdriet door het geloof mag zien op Jezus. En mag weten en geloven: Hij? Hij verloor letterlijk… alles, om mij. Zijn hemel verloor Hij, toen Hij vrijwillig naar deze aarde kwam. En hier op aarde verloor Hij Zijn vrienden, Zijn moeder, Zijn bezit, Zijn kleding, Zijn leven, ja, zelfs… Zijn God. Opdat ik, in al mijn verdriet (zegt ons avondmaalsformulier), nooit door God verlaten zou worden.

Waar het met dankdag om gaat, is of de Heere in alle dingen die gebeurden, erbij was. In Zijn Zoon, de Heere Jezus Christus. In Immanuël, God met ons. Met ons, ook in ons diepste verdriet, in onze grootste zorg, in onze pijnlijkste smart. Dan kan het misschien wel heel anders gelopen zijn dan wij zelf dachten, wilden of vroegen. Dan kan het leven bitter zijn, moeilijk, verdrietig en vol snerpende pijn. Maar dan buig je toch voor de Heere. Dan zeg je: Heere, Hij is goed wat U doet. Ik begrijp het niet, het doet me ook heel veel pijn, het kost me veel tranen, en soms ben ik ook boos geweest. Maar U hebt het gedaan. Dat geeft toch iets van stille rust in verdriet en zorg. Dat bedoelt de Heere ook als Hij zegt in Psalm 46: Weest stil. Laat af. En weet dat Ik God ben (Ps. 46:11).

We zien iets vergelijkbaars in de geschiedenis, die ons voorgelezen is uit 2 Samuël 7. David zit thuis, in zijn prachtige paleis. Hij is in gesprek met Nathan, de profeet. Ineens zegt David: ‘Nathan, het voelt niet goed. Het is niet goed. Ik ben koning geworden, ik heb van God rust gekregen van mijn vijanden, ik heb een prachtig paleis, ik heb… alles. Maar, de ark van de Heere, waar Hij door Zijn genade bij ons woont, staat nog steeds in een tent! We zijn nu al vierhonderd jaar in het beloofde land, maar de Heere God woont nog steeds in een tent van dierenvellen. Ik heb een voorstel. Ik heb, denk ik, een heel goed voorstel. Ik denk dat het goed zou zijn, als ik(!) voor de Heere ook een heel mooi huis, een hele mooie tempel zou bouwen.’

Zoals jij misschien ook wel eens iets aan de Heere voorstelt. ‘Heere, volgens mij zou het goed zijn als ik…’, en dan komt het, dat wat je zelf een goed idee vindt. Zoals u misschien ook wel eens een voorstel aan de Heere doet. Goed, er is best wat ruimte om te onderhandelen, maar: ‘Heere, laat mij iets voor U doen. Iets goeds. Een goed werk. Waar U beter van wordt!’

Nathan zegt (wat kunnen profeten, dominees, ambtsdragers zich vergissen, dachten we daar maar vaker aan!), Nathan zegt: Doe het, de HEERE is met u. Maar, in de nacht komt de Heere naar Nathan toe in een visioen, en zegt (het staat in vers 5): Ga, en zeg tot Mijn knecht, tot David: Zo zegt de HEERE: zoudt u Mij een huis bouwen tot Mijn woning? Ga jij(!), David, een huis voor Mij(!) bouwen? Ik heb (vers 6 en 7) helemaal geen huis nodig. En Ik, God, heb daar ook nooit om gevraagd.

En zo komt Nathan het de volgende dag ook aan David vertellen: ‘Nee, David, de Heere vindt je idee toch niet goed.’ Je hoeft aan de Heere geen eigen plannen te presenteren. Je hoeft geen voorstellen te doen… Je hoeft niets te doen… voor God. En dus hoef je op dankdag zeker ook niet te danken voor wat je zelf allemaal gedaan hebt, voor God. ‘Ik, God, kom met Mijn voorstel naar jou toe. Niet om daarover te praten of te discussiëren. Het is eigenlijk ook helemaal geen voorstel. Het is veel meer: het is een belofte. Het is Mijn verbond (zie: 2 Sam. 23; Ps. 89).

Ik zal je zeggen, David, wat Ik gedaan heb. En wat Ik je doen zal. Ik nam je van achter de schapen. Ik heb je tot koning over Israël gemaakt (vers 8). Ik ben overal met je geweest, in al die jaren die achter je liggen (vers 9). Ik heb je rust gegeven van je vijanden (vers 9-11). Met andere woorden (en dat is de oproep op dankdag!): Kijk nou, naar wat Ik deed voor u. Ik voor u! Denk nou niet aan al die goede ideeën, over wat u voor Mij zou kunnen doen. Maar alleen dit: Ik voor u.

En Ik zal nog veel meer voor u doen. Uw koninkrijk zal blijven (vers 12) en uw zaad (uw zoon) na u, die zal (vers 13) Mijn Naam een huis bouwen. En Zijn Koninkrijk zal tot in eeuwigheid zijn. Hij zal eeuwig Koning zijn. Over Wie gaat het, jongens en meisjes, als je dit hoort? Die zal eeuwig Koning zijn? Precies, over de Heere Jezus. Die toen nog zou komen. En van Wie wij nu zeggen: Hij is gekomen.

Dus wat gebeurt hier? Dit: Er is iets naars, iets negatiefs. David mag van de Heere geen tempel bouwen. De Heere zegt: ‘David, niemand komt met plannen naar Mij toe. Ik heb Mijn Eigen plannen. Mijn raad zal bestaan. Ik zal Mijn welbehagen doen (Jesaja 46:10).’ Maar, het antwoord van de Heere is niet boos of afwijzend. Het is meer een antwoord om van te leren, om stil van te worden. En de Heere zet er iets tegenover, iets moois, iets positiefs. De Heere heeft een Eigen plan, een beter plan. Het belooft aan David de komst van de Heere Jezus. Die voor altijd Koning zal zijn en blijven.

En dan? Wat dan? Als David dan kijkt, naar wat hij niet gekregen heeft, wordt hij dan boos? En als David luistert naar wat de Heere zo mooi aan hem belooft, wordt hij dan blij? Is dat dankdag vieren? Een beetje emotie? Een beetje zus, een beetje zo? Een beetje boos, een beetje blij? Een beetje boos en ontevreden om wat mis ging, of om wat je niet kreeg? Een beetje gelukkig en blij om wat je wel kreeg?

Nee, dankdag houden is echt anders. Dankdag houden is stil zijn voor God. Dankdag houden is doen wat staat in de tekst, in 2 Samuël 7:18.

2 Samuël 7:18, dat is de tekst voor de preek op deze dankdag. We lezen daar Gods Woord als volgt: Toen ging de koning David in, en bleef voor het aangezicht des HEEREN, en hij zeide: Wie ben ik, Heere HEERE, en wat is mijn huis, dat Gij mij tot hiertoe gebracht hebt?

Het thema voor de preek op deze dankdag is: Hoe David dankdag houdt We letten samen op twee aandachtspunten. We letten als eerste op de plaats waar hij dankt. Want er staat: Toen ging de koning David in en bleef voor het aangezicht des HEEREN. En daarna letten we in de tweede plaats op de woorden waarmee hij dankt. Want uiteindelijk zegt David: Wie ben ik, Heere HEERE, en wat is mijn huis, dat Gij mij tot hiertoe gebracht hebt?

Dus, twee aandachtspunten, als het gaat om: Hoe David dankdag houdt: 1. De plaats waar hij dankt 2. De woorden waarmee hij dankt En de Heere geve ons, dat ook wij vandaag zo dankdag zullen houden: stil, voor Gods aangezicht. Als eerste dus:

1. De plaats waar David dankt

Toen ging de koning David in, en bleef voor het aangezicht des HEEREN. Hij gaat naar de tabernakel, naar de tent, waar de ark in staat. Precies naar die plek, waar zijn vraag over ging, toen hij zei: ‘Mag ik in plaats van deze tent een prachtige tempel bouwen, voor u, Heere? Ik voor u?’ ‘Nee.’

Juist naar die plek gaat David, om te blijven voor het aangezicht des HEEREN. Zo meteen gaat David bidden. Maar hij begint met blijven… Hij staat, zit of knielt een tijd, een poos lang stil voor de tabernakel, voor de ark, voor God… Om te denken, om (jongens en meisjes, zo noemen we dat vaak), om te overdenken, om te mediteren.

Voor Gods aangezicht. Voor de heilige God, Die om het bloed van de offers, Die om het bloed dat gesprengd werd op het verzoendeksel, Die om het bloed van het kruis, genadig is en groot van goedertierenheid voor mensen zoals David. Stil denkend aan: Nee, niet jij voor Mij, David, maar Ik voor jou. Jij gaat geen huis bouwen voor Mij, maar Ik maak een woning voor Mij, bij jou. Om daarin te wonen. Door Mijn Zoon, Die straks komt, en Die inmiddels gekomen is. David blijft daar, voor de tabernakel, voor het aangezicht des HEEREN. Rustig, wachtend, verwonderd, verbaasd, buigend onder Gods goedheid.

Je hoort, jongens en meisjes, geen gemopper. David zegt niet: ‘Kijk nou, die tent, dat bedoelde ik! Mocht ik daar maar iets mooiers van bouwen voor de Heere!’ Nee, David zegt niets… Daar staat, daar zit, daar knielt een man, stilletjes voor God. Verbaasd om dat andere, wat hij ongevraagd van de Heere gekregen heeft.

Om alles wat Heere door Nathan gezegd heeft: Luister eens, David, Ik heb u koning gemaakt. Maar later zal uit u, op Mijn tijd, de grote Davidszoon, de Heere Jezus geboren worden.’ Davids eigen plan, zijn bouwplan voor de tempel moet in de wachtstand. Maar wat is dat spreken van de Heere liefdevol en hartelijk in wat Hij belooft voor de toekomst.

En daaronder is David stil, voor God. De Heere leidt David anders dan hij zelf gewild heeft. Maar hij is stil. Misschien mag u, ik bedoel u die veel verliezen geleden hebt, denkend aan Gods belofte, denkend aan het kruis, aan alles wat Christus deed voor u, aan alles wat Hij verloor voor u, op deze dankdag ook zo stil zijn voor God.

Met de woorden van de dichter in het hart. Hoe het ook tegenliep, ik heb lief, want U, Heere, hoort mijn stem, mijn smekingen, mijn klagen (Ps. 116). Ik zal Uw lof zelfs in de nacht zingen, daar ik U verwacht (Ps. 42). Mijn ziel, vergeet geen van Gods weldaden. Want zoals een vader zich ontfermt over zijn kinderen, zo zorgde U, Heere, voor mij in al mijn verdriet (Ps. 103). Want Uw goedertierenheid is uiteindelijk veel beter dan dit tijdelijke leven, dan die dingen die ik vroeg, dan de dingen die ik vast wilde houden, dan de dingen die ik zelf aan U voorstelde (Ps. 63).

Of…? Hier scheiden onze wegen. Niet zichtbaar, maar wel in ons hart. Omdat u, na alles wat tegenliep of tegenviel, stiekem denkt in huw hart… Het is één van twee: Of God kon het niet (zoals de mopperaars destijds in de woestijn zeiden): Zou God een tafel kunnen toerichten in de woestijn? Dat kan Hij niet (Ps. 78:19). Of God kon het wel, maar Hij wilde het gewoon niet. Met als resultaat een eindeloze stroom gemurmureer (zoals de Bijbel dat noemt), met als resultaat een eindeloze stroom gemopper (zoals wij dat noemen) vol van allerlei ontevreden vragen, en met de hakken in het zand. ‘God wil dit niet? God blokkeert mijn weg?’

‘Maar ik wil het wel. Dan zal ik het zelf wel regelen!’

Andere wegen, doodlopende wegen, tegenspoed en verdriet, het leidt of tot gekrenkte trots, tot irritatie en tot gekwetste hoogmoed… Of het leidt op Gods tijd (en dat is gegeven genade) uiteindelijk, misschien wel na veel strijd, tot stil zijn voor God (zoals bij David hier), en tot ootmoed, verwondering en vernedering voor de Heere.

Stil zingend, wat wij nu samen ook gaan zingen, voordat wij verdergaan met ons tweede punt, uit Psalm 116:1: God heb ik lief; want die getrouwe HEERE Hoort mijne stem, mijn smekingen, mijn klagen; Hij neigt Zijn oor, 'k roep tot Hem, al mijn dagen; Hij schenkt mij hulp, Hij redt mij keer op keer.

----------

Gemeente, het gaat in de preek op deze dankdag over de dankdag van David. We hebben gezien de plaats waar hij dankt, en letten nu in de tweede plaats op:

2. De woorden waarmee hij dankt

Want, zo lezen wij: Hij zeide: Wie ben ik, Heere HEERE, en wat is mijn huis, dat Gij mij tot hiertoe gebracht hebt? Wie ben ik, Heere HEERE, grote en trouwe God van het verbond, van wat U beloofd hebt. Van de verlossing, van de Verlosser, Die U beloofd hebt. Van de beloofde Messias.

Wie ben ik? Je zegt: ‘Nou, dat weet ik wel. David was een heel bijzondere man. Hij was heel erg gezien, hij was heel belangrijk. En hij was koning. Hij was rijk, hij was verstandig. Hij was een schrik voor zijn vijanden en hij was de lieveling van zijn volk.’

Ja, dat is waar. En toch, voor de Heere zegt David (zeg jij dat ook?): Heere, wie ben ik? Daaraan ken je het hart van een kind van God, een hart dat de Heere echt dankt. Het hart van een huichelaar, van iemand die niet echt een kind van de Heere is, zegt: ‘Ik dank U, Heere, dat ik niet ben zoals die of zoals die. Ik vast meer dan andere mensen. Ik geef tienden, meer dan iedereen. Ik doe zoveel voor U. Wel jammer trouwens, dat niet al mijn gebeden verhoord worden. Maar toch, ik dank U, Heere, om alles wat ik voor U deed.’

Maar het hart van een kind van de Heere buigt voor de Heere en zegt als eerste, stil voor God:

a. Wie ben ik, Heere HEERE? Ik, die kleine ik, tegenover U, die grote God?

Stil, ademloos stil, over: Hoe groot bent U! Hoe wonderlijk is Uw leiding. Hoe heerlijk zijn Uw beloften. Hoe onnaspeurlijk Uw wegen.

Heere, wie ben ik? En daar groei je als het goed is ook nooit bovenuit. Zelfs de vader van alle gelovigen, Abraham, zei, staande voor God: Heere HEERE, wie ben ik? Ik ben stof en as (Gen. 18: 27). En ook de aartsvader Jakob zei, in het naderende gevaar van zijn broer Ezau, wijzend naar Gods belofte: Ik ben geringer dan al deze weldadigheden en dan al deze trouw, die U aan Uw knecht gedaan hebt (Gen. 32:9-10). Gemeente, dat hoort bij dankdag. Dat hoort bij ‘komen voor Gods aangezicht’. Stil zijn, diep buigen, in diepe vernedering en verootmoediging voor God.

Komt u ook zo, gemeente, op deze dankdag, hier voor God verschijnen? Tekent dit uw leven? Deze simpele woorden: wie ben ik, Heere HEERE? Ootmoedig buigend voor God? Dat U zich, o grote God, bekommert om mij! Om mij, die U verlaten heb, die tegen U ben opgestaan en die tegen U gezondigd heb! Als ik denk aan mijn leven voor mijn bekering, aan hoe het was. Als ik denk aan mijn leven na mijn bekering, aan hoe het nu is. Wie ben ik dan, Heere HEERE?

Dat zicht op mezelf (als de Heere genade geeft om dat eerlijk onder ogen te zien), dat zicht op mezelf voor God verbreekt mijn hart, doet me diep buigen en vernedert mij voor Hem.

Maar, als je zo in stilte voor God buigt op deze dankdag, dan gebeurt er meer. Juist in die persoonlijke ontmoeting met God. Dan smelt al buigend je hart ook weg in liefde tot God. O Heere, God van wat U gaf. O Heere, God van wat U in wijsheid niet gaf, ik zal U hartelijk liefhebben, Heere, mijn Sterkte! Daar vlamt in ons hart liefde tot God op. Maar ook de haat tegen de zonde. En daar maakt de Heere ons ook gewillig om Hem te dienen en te volgen, hoe de weg ook is. Wie ben ik, Heere HEERE? Dat is het eerste wat David zegt, in de stilte van zijn hart, voor God. En, zo gaat David verder:

b. Wat is mijn huis, dat U mij tot hiertoe gebracht hebt? Wie ben ik? Begonnen als herdersjongen in Bethlehem, tien kilometer hiervandaan. Meer dan tien jaren liggen daartussen: jaren van gevaren, van zwerven, van vluchten, van dwaasheid, van zonde… Totdat U mij tot hier gebracht hebt… Wie ben ik? En wat is mijn huis? Waar kom ik vandaan? Niet uit een koninklijke familie. Ik kom uit een geslacht dat getekend is door verraad, dat getekend is door hoogverraad. Ik ben een kind van Adam. En kijk, mijn gezin, mijn familie. Kijk, Absalom, Adonia…!

Gemeente, we kunnen zo trots zijn op onszelf, op onze kinderen, op ons gezin, op onze gemeente. Op alles wat wij opgebouwd hebben, persoonlijk, in de kerk, op de verenigingen, of waar dan ook. ‘Wat zijn we toch goed bezig geweest. Wat hebben we toch veel gedaan.’ En in die trots, kan je ook boos worden op God, als het verkeerd ging, als het niet lukte ging. ‘Wat heeft God me toch veel afgenomen! Had het niet anders gekund? Waarom?’

Zo kan je, jongens en meisjes, niet danken. Je kan beter dit zeggen, wat David zegt: Wie ben ik, en wie zijn wij, dat U (daar valt de nadruk op), dat U mij, dat U ons tot hiertoe hebt gebracht? Als ik vanuit mezelf (zondig, verloren, dwalend en dwaas) kijk naar U (heilig, machtig, groot en goed) dan is er alleen maar verwondering, dat ik er nog ben en dat u ons nog draagt.

Als ik kijk naar wie ik ben, als ik kijk naar mijn gezin (zoveel zonden, zoveel schuld. zoveel nalatigheid en gebreken), dan buig ik beschaamd mijn hoofd. Maar als ik vandaaruit kijk naar U, o hoge God, naar Uw geduld, naar Uw goedheid, naar Uw belofte dat de Messias zal komen... Als ik vanuit mijn armoede en gebrek, kijk naar Hem, naar Zijn gehoorzaamheid, naar Zijn lijden, naar Zijn kruis, naar Zijn ‘Ik voor u’…, dan buig ik, dan breek ik, dan word ik stil, ja, dan dank ik U zelfs voor de moeilijkste wegen. Dank U, Heere, dat U toornig op mij geweest bent. Want het is goed voor mij verdrukt te zijn geweest.

Wat hier eigenlijk gebeurt, is dat iets wat heel moeilijk is voor David (hij krijgt niet wat hij vraagt) hem dichter bij de Heere brengt. En laat zien hoe goed de Heere is, en hoe de Heere in Goddelijke wijsheid zijn leven leidt. Juist met die moeilijke dingen in ons leven heeft de Heere Zijn wijze bedoelingen. Hij wil ons aan Zijn voeten brengen, daar waar wij uit onszelf niet willen komen. De Heere wil, jongens en meisjes, dat we biddend voor Hem buigen, dat we biddend onszelf veroordelen en zeggen: Wie ben ik, Heere? En wie zijn wij? Zo slecht, zo zondig, zo verloren en zo opstandig….

Met de bedoeling…? Wat wil de Heere daarmee bereiken? a. In de eerste plaats dat wij ons heel klein gaan voelen, om onze zonden, om onze misdaden en om onze ontrouw. En dat de Heere tegelijkertijd in onze ogen heel groot wordt. Zoals staat in vers 22, waar David zegt: Daarom bent U groot, HEERE God! Want er is niemand gelijk U, en er is geen god dan alleen U!! De Heere wil dat wij ons heel klein gaan voelen, en dat Hij in onze ogen heel groot wordt.

b. Hij wil in de tweede plaats ook dat wij meer oog gaan krijgen Gods liefde en genade, juist in zwartheid van tegenspoed en crisis. En vooral ook dat we oog gaan krijgen voor Zijn Christus, Die alles verloor, maar toch stil bleef voor God. Als ik dat zie, dan gaan mijn gedachten wijken voor Gods gedachten.

Dan gaan mijn plannen wijken voor Zijn plannen. Dan gaat mijn voorstel wijken voor Gods belofte: niet u voor Mij, maar Ik voor u. Denk maar aan wat Paulus schrijft in Romeinen 8: 32: Ik (de Vader) heb Mijn Eigen Zoon niet gespaard, maar Hem voor u overgegeven. Ik zal u met Hem ook alle dingen schenken, die u nodig hebt. Het is de bedoeling van de Heere dat we ons klein gaan voelen voor God, dat we meer oog gaan krijgen voor Gods liefde en genade, voor dat grote ‘Ik voor u’ en…, Hij wil in de derde plaats ook:

c. Dat we zo de zonde meer gaan haten, en de Heere meer willen gaan dienen. Zo geve de Heere ons op deze dankdag iets van de rust van Psalm 4: Ik zal (hoe U mij ook leidt) in vrede tezamen nederliggen en slapen, want u, o HEERE! alleen zult mij doen zeker wonen.

Gemeente, een moeilijk seizoen ligt achter ons. Wat misschien voor u of voor jou wel heel moeilijk is geweest. Omdat alles anders ging dan met biddag gebeden en gehoopt. En toch vraag ik u: Buigt u net als David, desondanks in verwondering voor God? Wie ben ik, Heere HEERE, en wat is mijn huis dat U (hoe groot bent U!), mij (hoe klein ben ik!) tot hiertoe gebracht hebt?

Hoe kan je middelijkerwijs je hart daar brengen? Om zo voor God te buigen? a. In de eerste plaats door eerlijk en in stilte voor uzelf na te denken over Wie God is, en over wie u bent voor God. b. In de tweede plaats door eerlijk terug te denken aan al uw zonden, aan al het kwaad dat u tegen de Heere hebt gedaan. c. In de derde plaats door eerlijk en met ernst terug te denken aan Gods wegen met u. Hoe heeft de Heere dag in dag uit voor u gezorgd? d. In de vierde plaats door eerlijk onder ogen te zien, dat de moeilijkste tijden in uw leven bedoeld waren om u voor God te verootmoedigen en u te brengen op deze plek, waar u zeggen zou: Heere wie ben ik? En: Hoe groot bent U! Denk maar aan het volk Israël. Hoeveel zegen was er in de woestijn, maar ook hoeveel moeite en verdriet. En wat zegt Mozes uiteindelijk? Dat was allemaal om u te verootmoedigen en om u te verzoeken, opdat de Heere u ten laatste weldeed. Diep in Gods Vaderhart was er in al die moeilijke wegen een goed doel (Deut. 8:16).

Hoe kan je middelijkerwijs je hart daar brengen? Om zo voor God te buigen? e. In de vijfde plaats door te erkennen, hoe God u steeds weer verlost heeft in tijden van moeite en zorg. Niet door u altijd te geven wat u vroeg. Maar wel door u te verzekeren dat Hij bij u wilde zijn, dat Hij om Immanuël, om Jezus’ wil, met u wilde zijn en blijven.

Wilt u daar in dit moeilijke leven blijvend houvast aan hebben? Buig dan voor God. Voor Zijn vrijheid, voor Zijn soevereiniteit. Buig dan voor Zijn oneindige wijsheid.

Doet u dat maar, juist als u God niet begrijpt. En wie zou Hem wel begrijpen? Buig dan voor Hem en aanbid Hem. Want de HEERE, onze God, is heilig (Ps. 99:9).

Want menigwerf (heel vaak) heeft Hij onze druk veranderd in geluk. Hoop dan op Hem! Sla biddend het oog naar boven. En zeg in de stilte van uw hart voor God: Wie ben ik, Heere HEERE, Ik zal u, o grote God, mijn God, toch loven.

Amen.

Slotzang Psalm 42:7:

O mijn ziel, wat buigt g' u neder? Waartoe zijt g' in mij ontrust? Voed het oud vertrouwen weder; Zoek in 's Hoogsten lof uw lust; Menigwerf heeft Hij uw druk Doen veranderen in geluk; Hoop op Hem, sla 't oog naar boven; Ik zal God, mijn God, nog loven.