PREEK · VRIJE STOFFEN

David en Bathseba – 2 Samuël 7

27 april 2008

2 Samuel 7:9: Waarom hebt gij dan het woord des HEEREN veracht, doende wat kwaad is in Zijn ogen? Gij hebt Uría, den Hethiet, met het zwaard verslagen en zijn huisvrouw hebt gij u ter vrouw genomen, en hem hebt gij met het zwaard der kinderen Ammons doodgeslagen.

INLEIDING

In deze preek over 2 Samuël 12 staat de geschiedenis van David en Bathseba centraal. De profeet Nathan confronteert David met zijn verborgen zonde, waarna David zijn schuld belijdt: ‘Ik heb gezondigd tegen de HEERE.’ De preek laat zien hoe zonde wordt ontdekt en bestraft, maar ook hoe God schuld vergeeft. Daarbij wordt gewezen op Christus, het Lam van God, door Wie zondaren genade en vergeving ontvangen.

THEMA

Zonde en genade

KERNPUNTEN

  1. Verborgen en bestraft
  2. Beleden en vergeven

2 SAMUEL 7:1-14

1 En de HEERE zond Nathan tot David. Als die tot hem inkwam, zeide hij tot hem: Er waren twee mannen in een stad, de een rijk en de ander arm.
2 De rijke had zeer vele schapen en runderen.
3 Maar de arme had gans niets dan één enig klein ooilam, dat hij gekocht had en had het gevoed, dat het groot geworden was bij hem en bij zijn kinderen tegelijk; het at van zijn bete en dronk van zijn beker en sliep in zijn schoot, en het was hem als een dochter.
4 Toen nu den rijken man een wandelaar overkwam, verschoonde hij te nemen van zijn schapen en van zijn runderen, om voor den reizenden man die tot hem gekomen was, wat te bereiden; en hij nam des armen mans ooilam en bereidde dat voor den man die tot hem gekomen was.
5 Toen ontstak Davids toorn zeer tegen dien man, en hij zeide tot Nathan: Zo waarachtig als de HEERE leeft, de man die dat gedaan heeft, is een kind des doods.
6 En dat ooilam zal hij viervoudig wedergeven, daarom dat hij deze zaak gedaan en omdat hij niet verschoond heeft.
7 Toen zeide Nathan tot David: Gij zijt die man. Zo zegt de HEERE, de God Israëls: Ik heb u ten koning gezalfd over Israël en Ik heb u uit Sauls hand gered;
8 En Ik heb u uws heren huis gegeven, daartoe uws heren vrouwen in uw schoot, ja, Ik heb u het huis van Israël en Juda gegeven; en indien het weinig is, Ik zou u alzulks en alzulks daartoe doen.
9 Waarom hebt gij dan het woord des HEEREN veracht, doende wat kwaad is in Zijn ogen? Gij hebt Uría, den Hethiet, met het zwaard verslagen en zijn huisvrouw hebt gij u ter vrouw genomen, en hem hebt gij met het zwaard der kinderen Ammons doodgeslagen.
10 Nu dan, het zwaard zal van uw huis niet afwijken tot in eeuwigheid, daarom dat gij Mij veracht hebt en de huisvrouw van Uría, den Hethiet, genomen hebt, dat zij u ter vrouw zij.
11 Zo zegt de HEERE: Zie, Ik zal kwaad over u verwekken uit uw huis, en zal uw vrouwen nemen voor uw ogen en zal haar aan uw naaste geven; die zal bij uw vrouwen liggen voor de ogen dezer zon.
12 Want gij hebt het in het verborgen gedaan; maar Ik zal deze zaak doen voor gans Israël, en voor de zon.
13 Toen zeide David tot Nathan: Ik heb gezondigd tegen den HEERE. En Nathan zeide tot David: De HEERE heeft ook uw zonde weggenomen; gij zult niet sterven.
14 Nochtans, dewijl gij door deze zaak de vijanden des HEEREN grotelijks hebt doen lasteren, zal ook de zoon die u geboren is, den dood sterven.

VOLLEDIGE TEKST

David en Bathseba – 2 Samuël 7

ds. J. IJsselstein - 2 Samuel 7:9

THEMA

Zonde en genade

Gemeente, we overdenken vanmorgen met Gods hulp twee verzen uit het u voorgelezen Bijbelgedeelte, 2 Samuël 12 vers 7a en ook vers 13a. De tekst voor de preek van vanmorgen vindt u in 2 Samuël 12:7a en 13a, waar we Gods Woord als volgt lezen: Vers 7a: Toen zeide Nathan tot David: Gij zijt die man! En vers 13a: Toen zeide David tot Nathan: Ik heb gezondigd tegen den HEERE! En Nathan zeide tot David: De HEERE heeft ook uw zonde weggenomen, gij zult niet sterven.

Het thema voor de preek van vanmorgen is: Zonde en genade

Zonde en genade. We letten samen op twee aandachtspunten: 1. Verborgen en bestraft 2. Beleden en vergeven Als eerste dus:

1. Verborgen en bestraft

Misschien heb jij wel eens stiekem iets gepakt. Een koekje uit de trommel, terwijl mamma had gezegd: nu is het genoeg. Een rol snoep. Of misschien heb je van je zendingsgeld wel eens een zak patat gekocht. Misschien heb jij wel eens een briefje van 10 uit de portemonnee van je moeder gestolen. Ze merkt er toch niks van… Maar ondertussen knaagt het toch wel aan je. Het voelt niet goed. Iedere keer onder het eten denk je, zou ze het nou weten of niet. En, voor je het weet, heb je jezelf verraden. ‘Is er iets? Je doet zo zenuwachtig?’

Tot die ene zaterdag, toen je moeder boodschappen wilde gaan doen, en ineens tegen jou en je broertjes en zusjes zei: ‘He, ik mis alweer 10 euro. Is er soms iemand die…’ Ze keek de kring eens rond. Je voelde je rood worden. Je was door de mand gevallen. Je kreeg straf, maar… ondertussen haalde je ook wel een beetje opgelucht adem. Want al die weken knaagde het steeds zo vanbinnen…

Dat geld was zo aantrekkelijk, want ineens kon je dingen doen, die je anders niet kon. Maar toch, je wist dat het niet mocht. Het was fout, je moest het verbergen, je moest het geheim houden, en het dat knagende gevoel, dat liet je maar niet los. En toen, toen heb je het eerlijk gezegd: ‘Mamma, ik heb het gedaan. Vijf keer in totaal.’ En toen je moeder even later nog eens rustig onder vier ogen met je wilde praten, toen zei ze, tot je stomme verbazing: ‘Ik ben blij dat je het eerlijk hebt gezegd. Ik wist het wel, dat jij het deed. Ik ken je goed genoeg. Je krijgt wel straf, maar omdat je het eerlijk heb gezegd, wil ik het je vergeven. Je kunt het niet terugbetalen, want geld heb je niet. Die schuld van 50 euro, die scheld ik je kwijt.’ Na dat gesprek kon je wel tranen huilen. Tranen, om wat je gedaan had. En, tranen om die lieve moeder van je, die je wilde vergeven. En nu, nu kijk je er achteraf op terug, en nu vraag je je af: ‘Hoe kon het toch gebeuren? Waarom deed ik het toch?’

Dat vraagt u zich misschien ook wel eens af, als het gaat om de zonde van Adam en Eva. Hoe kon het gebeuren? Eigenlijk is dat achteroverdrukken van die 10 eurobriefjes in zekere zin een herhaling van wat er toen gebeurde. Je zag dat die ander meer geld had dan jij, je werd een beetje jaloers. Had ik dat ook maar… En toen dacht je: Nou, één keer dan. Je keek voorzichtig in mamma’s portemonnee, maar nee, je durfde het echt niet. Een week later, toen je dacht dat niemand het zag, keek je nog een keer, en later nog een keer. En toen, toen die ene keer dacht je: toe, dit is mijn kans, een keer en nooit weer. Maar toen je dat tientje had, was die eerder op dan je dacht, en toen dacht je: nog één keer dan, en zo ging het door.

‘Adam, je zult als God zijn, als je maar één keer van die boom eet.’ Wat klonk dat verleidelijk… Nee, niet doen, Adam! Adam keek. Niet kijken, Adam! Wat zag die boom er begeerlijk uit. Wat was die begeerlijk om verstandig te maken. Eén keer proberen? Doe het niet, Adam. Maar hij nam en hij at. En hij gaf zijn vrouw en zij at. Ziet u hoe ons hart verleid wordt tot zonde? Heel langzaam, heel voorzichtig, maar toch meegesleurd door de verleiding van de zonde. Kijken, begeren, jezelf geruststellen, en… doen! Denk maar aan wat Jakobus zegt: Maar een iegelijk wordt verzocht, als hij van zijn eigen begeerlijkheid afgetrokken en verlokt(!) wordt. Daarna de begeerlijkheid ontvangen hebbende baart zonde; en de zonde voleindigd zijnde baart den dood. Van het één komt het ander.

Het voorjaar is weer aangebroken. David stuurt zijn mannen onder leiding van Joab naar Rabba, de hoofdstad van de Ammonieten. Ze wonen aan de overkant van de Jordaan, je zou kunnen zeggen in het tegenwoordige Jordanië.

Het volk trekt massaal ten strijde, maar David blijft thuis. Slecht voorbeeld. Iedereen is op het slagveld, maar meneer zit thuis! Op het warmst van de dag heeft hij een dutje gedaan, en daarna wandelt hij op het dak van zijn huis. Vanuit het wat hoger gelegen gedeelte van de stad, waar zijn paleis staat, kijkt hij naar beneden. En dan? Nee, niet kijken David! Weet dat de zonde begint met kijken! Maar hij kijkt toch, en ziet een beeldschone vrouw, die bezig is zich te baden bij de waterbron in de tuin achter haar huis. Hij kijkt. En blijft kijken. En in zijn hart welt de begeerte op!

Gemeente, zo begint de zonde. Met onze ogen. Met kijken. Iedere diefstal begint met kijken. Overspel begint met kijken. We vervelen ons (net als David, die eigenlijk zijn leger had moeten aanvoeren), het begint met een verkeerd plaatje op internet, en dan is het niet meer te stoppen. Dan blijkt ons hart een niet te stoppen fontein van zonde! Het begint met een keer kijken bij het pompstation naar verkeerde dvd’s, het begint met een verkeerde ontmoeting, maar dan blijkt de zonde niet te stoppen. Dan blijkt dat we in de greep zijn van de zonde, slaven van onze eigen zonde, dan openbaart zich de diepste bron van ons hart: zonde, dood in zonden en misdaden.

David gaat door. Hij laat haar halen. Het blijkt Bathseba te zijn, de vrouw van een godvrezende Hethiet. Wonderlijk is dat eigenlijk. Midden in deze geschiedenis over de zonde van David, ontmoeten we ineens de naam van een godvrezende man van heidense afkomst. Als Mattheüs later de stamboom van de Heere Jezus opschrijft, dan zegt hij het er nadrukkelijk bij: En Jessai gewon David, de koning. En David, de koning, gewon Salomon bij degene, die Uria's vrouw was geweest (Mattheüs 1:6).

Daarna de begeerlijkheid ontvangen hebbende baart zonde. David en Bathseba hebben seksuele gemeenschap met elkaar. En nadien gaat ze weer naar huis. Alsof er niets gebeurt is.

Gemeente, leg uw hart daar eens naast. Zo zondigden Adam en Eva. Zien, begeren, zondigen en… doen alsof er niets aan de hand is. Zo zondigden David en Bathseba. En zo zondigen wij. Wij zien, begeren, zondigen en… doen alsof er niets aan de hand is. We zitten hier in de kerk, voor het oog vrij van zonde, maar het is alleen maar de buitenkant. De binnenkant proberen we te verbergen. Op allerlei manieren proberen we onze zonde voor de buitenwereld te verbergen. Kijk maar eens hoe David dat doet. Hij is voor ons een spiegel.

David laat Uria halen. Waarschijnlijk was hij een van Davids voorname soldaten, die bij de koninklijke garde of lijfwacht behoorde.

David informeert naar de welstand van het leger en probeert Uria op allerlei manier thuis bij zijn vrouw te krijgen. Eerst vriendelijk, maar als dat niet lukt voert hij hem dronken. Immers, als Uria thuis geweest is, zal iedereen later denken: dat kind is een kind van Uria en Bathseba. Maar, Uria doet niet wat David wil. Hij blijft aan de poort van het paleis. En, zijn argument is helder. De oorlogen des Heeren worden gevoerd, en zou ik naar huis gaan? Het is een aanklacht tegen David! David, voel het nu toch, die beschuldiging! Maar hij voelt het niet of hij wil het niet voelen. Uria strijdt voor de Heere, maar David is thuis. En als het dan uiteindelijk niet lukt, dan stuurt David Uria tenslotte met zijn eigen doodsbrief op zak terug naar het leger. Hij vraagt Joab om hem vooraan te zetten, tegenover de dapperste mannen van de tegenstander. Doelbewust moet Uria dicht bij de muur van de vijand komen, en dan zal men de hulp uit de achterste gelederen terugtrekken, zodat hij weerloos is tegenover de mannen op de muur, die hun pijlen naar beneden schieten, op… Uria. Dat wordt het einde van Uria. Bathseba rouwt van verdriet, zeven dagen lang, en dan trouwt ze met David. De baby wordt geboren, en David doet alsof er niets aan de hand is. Maar deze zaak, die David gedaan had, was kwaad in de ogen des HEEREN (11:27).

Wilt u, wil jij, je hart eens leggen naast het hart van David. Misschien zegt u: nou dan ben ik snel klaar, want ik ben niet zo iemand. Ik ben een net kerkmens, ik heb nooit overspel gepleegd, ik ben geen dief, ik ben geen leugenaar. Het is waar: dat waren de zonden van David. Hij doodde Uria, hij stal zijn vrouw, hij pleegde overspel en over dat alles loog hij tegen God en mensen. Maar, wilt u eens dieper in uw hart kijken? Want u bent wel degelijk een dief. Immers u hebt uzelf (net als ik) vergrepen aan het beeld van God. U was goed geschapen, maar u hebt uw hand uitgestrekt naar de troon van God. Want u wilde als God zijn. U wilde op de troon, en God eraf. En uw hart is (net als het mijne) vol van overspel. Want in plaats van God lief te hebben, dwaalt ons hart naar alles wat zonder God en tegen God is. We hebben de wereld lief, de begeerlijkheid der ogen en de begeerlijkheid des vleses. En als ultieme bevestiging van onze haat en vijandschap tegen God zijn we medeplichtig aan de dood van Zijn Zoon. Petrus zegt het op de Pinksterdag zonder aarzeling en heel rechtstreeks: Dezen (Jezus), door de bepaalde raad en voorkennis Gods overgegeven zijnde, hebt gij genomen, en door de handen der onrechtvaardigen aan het kruis gehecht en gedood. Als u hier al jaren in de kerk zit, en u altijd hebt verzet tegen het Woord van God, dat u wilde ontdekken aan uw zonde en vijandschap tegen God, dan is dat de ultieme bevestiging van het feit dat u daadwerkelijk een vijand van Hem bent. U bent van nature, net als ik, een vijand van God en van het kruis van Christus.

Maar weet u wat het punt is? We weten onze zonden zo goed te verbergen. Adam en Eva maakten zich schorten en verborgen zich in het paradijs. Voor wie? Voor de alwetende God, Die alles weet en ziet. Dwaas eigenlijk, vindt u niet?

En David en Bathseba doen hetzelfde. Ze verbergen hun zonden. Ze doen alsof er niets aan de hand is. En wij? David haalt Uria thuis om met de vinger naar hem te kunnen wijzen. Wij wijzen met de vinger naar anderen, en denken zo buiten beeld te blijven. ‘Moet je hem eens zien. Heb je het ook al gehoord van haar…?’ En zo kijken we niet naar onszelf. Als Bathseba met David gemeenschap heeft gehad, dan (zo staat er) zuivert ze zich van haar onreinheid. Ze houdt zich stipt aan één inzetting van Mozes. Maar haar overspel, ze doet alsof het niet bestaat. Wij houden ons stipt aan sommige inzettingen. We zitten hier iedere zondag, we vloeken niet, we zitten niet op de tribune van het voetbalstadion, maar ons hart…? We doen alsof het niet bestaat.

Maar daar, daar in uw hart huist boosheid, opstand en vijandschap tegen God. Uw hart is dood door zonden en misdaden. Vol van vijandschap. Uit uw hart komen voort (net als uit het mijne): boze bedenkingen, doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valse getuigenissen, lasteringen. En de alwetende God kijkt dwars door uw nette buitenkant heen en kijkt diep in uw hart. Maar wij doen alsof er niets aan de hand is...

David zoekt zich te verschuilen achter allerlei excuses. Hij doet alsof de dood van Uria toevallig is. Maar in werkelijkheid is het opzet, moord met voorbedachten rade. Gemeente, u en ik, wij zijn geen toevallige zondaars. We zijn doortrapte misdadigers, die ons achter van alles en nog wat willen verbergen, om goed te lijken, terwijl we door en door verdorven zijn. We verbergen ons achter toeval. Achter: ik kon er ook niets aan doen. Achter: het was maar één keer. En ga zo maar door. We verbergen ons achter, ja, zelfs achter Gods raad en wil. ‘Als het God zou behagen in mij te gaan werken en mij te ontdekken, dan zou ik mijn zonden onder ogen zien, en laten.’ Hoe doortrapt is dat excuus. Ten diepste geven we daarmee God de schuld. Hij had het maar moeten voorkomen! Wat zou u tegen uw dochter zeggen, als die zou zeggen: ‘Maar mamma, u had me tegen moeten houden om die 10 euro uit uw portemonnee te halen?’ Wat zou u denken van David, als hij gezegd had: ‘Heere, U had me tegen moeten houden, waarom deed U dat niet?’ O, verstop u niet achter het eeuwige welbehagen en de vrije wil van God, maar buig onder Zijn veroordeling, als Hij u wijst naar het binnenste van uw hart, en u aanwijst als een van de grootste van de zondaars! En bid om Gods ontdekkende genade. Om genade die uw hart openlegt voor God, zodat u wel moet belijden: Ik wil mijn misdaden die U tergen niet verbergen, daar U alles ziet en weet.

Als God door Zijn Heilige Geest die ontdekkende genade gaat werken in ons hart, dan lukt het niet meer om onze zonden te verbergen. Wij kunnen wel tegenwerken, maar de Heilige Geest werkt onwederstandelijk. En Hij gaat de zonde aanwijzen, heel direct en heel persoonlijk.

Het kan zijn dat God ons als eerste wijst op een heel concrete zonde. Maar de Heilige Geest dringt verder door, tot het diepste van het hart. Hij breekt ons hart open. Hij stelt ons binnenste voor de spiegel van Gods heilige wet. En dan is er, ondanks al ons verzet, geen andere mogelijkheid dan te erkennen: Ik heb, niet alleen tegen één gebod, maar tegen al Uw geboden zwaar en menigmaal overtreden.

De wet, die Christus in Zijn zaligmakende overtuiging laat binnendringen in ons hart, maakt de zonde levend. Die laat zien dat de begeerte zonde is. Zonde tegen God! Paulus schrijft het in Romeinen 7: Maar de zonde, oorzaak genomen hebbende door het gebod, heeft in mij alle begeerlijkheid gewrocht; want zonder de wet is de zonde dood. En zonder de wet, zo leefde ik eertijds; maar als het gebod gekomen is, zo is de zonde weder levend geworden, doch ik ben gestorven (7:8-9).

In ons ijskoude en dode hart is de zonde vergelijkbaar met een mesthoop. Jullie weten wel, meisjes en jongens, zo’n vreselijk stinkende hoop troep. In de winter ruik je niks, dan is die mesthoop bevroren. Maar als de zon gaat schijnen en het wordt wat warmer, dan komt me er toch een stank vanaf! Zo is het ook als God ons door Zijn Heilige Geest stelt voor de spiegel van Zijn heilige wet. Dan gaan we onze neus dichtknijpen voor de stank van onze zonden. Ezechiël zegt: Zij zullen een walging aan zichzelven hebben over de boosheden, die zij in al hun gruwelen gedaan hebben (6:9). Dan hebben we geen mooie praatjes meer over de ellende van de mens. Dan hebben we geen woorden meer over de zonden van anderen. Dan gaan we zelf buigen voor God. Dan gaan we zwijgen. Dan wordt het ervaren: Ik heb de dood verdiend, ik heb er niets tegen in te brengen. Nee, dan we gaan niet graag verloren. God maakt geen mensen die graag verloren gaan. God maakt wel mensen die niets meer van zichzelf overhouden, dan de roep (niet van een vroom kerkmens), maar van een arme zondaar, van een opstandeling, van een misdadiger: Wees mij zondaar genadig. Is er nog een middel om die welverdiende straf te ontgaan en wederom tot genade te komen?

David was een kind van God. Kinderen van God kunnen diep vallen. Laten we maar nooit hoogmoedig zijn, maar vrezen. Wie meent te staan, zie toe, dat hij niet valle (1 Korinthe 10:12). Als de Heere ons een ogenblik loslaat, (weet u het niet uit eigen ervaring?), dan sleuren we onszelf mee in de begeerten van ons zondige hart.

Leeft u misschien in de zonde? U hebt de Heere leren kennen, maar toch dwaalt u in de zonde? In het verborgen, in het openbaar? Als u God kent, dan weet u er iets van, hoe bitter de zonde is. Kort vermaak, maar daarna knagend verdriet in het hart. Want ik heb tegen God gezondigd, tegen een goeddoend en genadig God. O, hoe beledigen we God, hoe slaan we Christus in het gezicht, die Zijn leven gaf voor de zonden van de Zijnen, als wij vallen in de zonde. Hoe schaden we de zaak van God. Het schijngeloof begrijpt er niets van. Het zegt: ‘Moet je nou eens horen, dat moet doorgaan voor een kind van God!’

Maar het oprechte geloof buigt het hoofd. Het bidt voor de ander die in zonde viel en zegt: Ik weet, dat in mij, dat is in mijn vlees geen goed woont. Als ik het goede wil doen, ligt het kwade mij bij.

Bent u in zonde gevallen, verberg dan uw zonden niet. Ga niet door. Ik weet het, uit onszelf stoppen we niet, uit onszelf gaan we door. Als God Nathan niet had gestuurd, was David gewoon doorgegaan, alsof er niets aan de hand was. Maar God heeft vandaag een boodschap voor u, dwalend kind van God, dwalend in de zonde. U bidt wel, maar de hemel is gesloten. U bidt, omdat het gewoonte is, maar u zucht niet meer, u roept niet meer. Er zit iets tussen, tussen de Heere en uw hart. Weet u wat ertussen zit? Uw zonde! Maar u verbergt uw zonde en uw schuld. U brengt die niet voor het aangezicht des Heeren.

Zo was het ook in het leven van David. Tenminste een jaar is er gepasseerd sinds de zonde met Bathseba. En David zwijgt. Hij gaat op naar de tempel, hij viert de grote feesten mee, hij eet van het paaslam, maar hij zwijgt. Misschien is dat ook wel zo in uw leven, kind van God. U gaat mee naar de kerk, u bidt, u leest in de Bijbel, u neemt deel aan het Heilig Avondmaal, maar uw hart zwijgt voor God. Luister maar hoe hij zingt in Psalm 32: Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd, in mijn brullen de ganse dag. Want Uw hand was dag en nacht zwaar op mij; mijn sap werd veranderd in zomerdroogten. Sela.

Is het zo dor in uw leven? Uw sap veranderd in zomerdroogten? Is het omdat u zwijgt? Er is iets dat u niet zeggen wilt, niet zeggen durft, niet zeggen kan tegen de Heere. We bidden onze gebeden, misschien wel onze ambtelijke gebeden, maar we zwijgen. We zwijgen voor God. Want we hebben iets te verbergen… Alles lijkt zijn gewone gang te gaan, uiterlijk is er niets op te merken. Maar innerlijk. Zwijgen... Maar toch ook weer geen zwijgen, want het is zwijgen in mijn gebrul. Innerlijk is er nood, de ziel wordt gemarteld. Zwijgen en brullen. Ik word opgejaagd door schuld, maar ik wil niet bukken, ik wil niet belijden. We worden gekweld door ons geweten, gepijnigd door schuld, maar hebben geen verbroken hart. Geef uw verzet toch op. Verneder uw hart toch voor de Heere en belijd Hem uw zonde en schuld. Doe maar David deed. Dat is de weg tot verlossing uit de nood: Mijn zonde maakt ik U bekend en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet.

Als God door het onwederstandelijke werk van Zijn Heilige Geest die ontdekkende genade gaat werken in ons hart, dan lukt het niet meer om ons zonden te bedekken, om die te verbergen. Wij werken tegen, maar de Zijn werk is onwederstandelijk. Hij gaat de zonde aanwijzen, heel direct, heel persoonlijk. Dat bleek al in het Paradijs. Luister, hoe doelgericht en persoonlijk het spreken van God is tegen de weggevluchte Adam en Eva. U verbergt u wel, maar: ‘Waar bent u? Hoe weet u dat u naakt bent? Wie heeft dat tegen u gezegd?’

God spreekt Adam aan, zodat hij zichzelf uiteindelijk wel moet veroordelen. Hij gaat zichzelf veroordelen, overtuigd van zijn zonde. Er blijft bij Adam geen andere weg over dan te erkennen wat hij gedaan heeft, hoewel hij met zijn vinger nog blijft wijzen naar Eva... Zo ook nu, bij David. God gaat Zijn zonde heel concreet aanwijzen. Zo scherp, dat hij het oordeel uiteindelijk over zichzelf moet uitspreken.

Want, zo lezen we aan het begin van 2 Samuël 12: En de HEERE zond Nathan (de profeet) tot David. Als die tot hem inkwam, zeide hij tot hem: Er waren twee mannen in een stad, de een rijk en de ander arm. De rijke had zeer veel schapen en runderen. Maar de arme had gans niet dan een enig klein ooilam, dat hij gekocht had, en had het gevoed, dat het groot geworden was bij hem, en bij zijn kinderen tegelijk; het at van zijn bete, en dronk van zijn beker, en sliep in zijn schoot, en het was hem als een dochter. Toen nu de rijke man een wandelaar overkwam, verschoonde hij te nemen van zijn schapen en van zijn runderen, om voor de reizende man, die tot hem gekomen was, wat te bereiden; en hij nam des armen mans ooilam, en bereidde dat voor de man, die tot hem gekomen was.

Dus: Een rijk man heeft om het bezoek van zo maar een wandelaar het enige lammetje van een arme man (het lammetje, dat hij in zijn huis aan tafel vertroetelde) afgepakt. Het huisdier dat voor hem als zijn dochter was (voelt u de verwijzing naar Bathseba) heeft hij gestolen, en geslacht en aan die bezoeker te eten gegeven. Het is alsof Nathan zegt (het is een soort van gelijkenis): ‘Er is iemand die uiterst gemeen, slinks, en zonder enig respect een arm mens heeft bestolen!’

David, onrustig in zijn geweten over zijn eigen zonde, stelt zich op als een rasechte verdediger van de waarheid en zegt: Die man, is een kind des doods! Bent u ook zo’n rasechte verdediger van de wet en van de waarheid? Oog voor de waarheid, oog voor de wet, maar… geen oog voor uzelf?

Dan klinkt ook tot u het scherpe woord van Nathan: U bent die de man! U bent die vrouw! U bent het, die overtreder, die zondaar, die vijand van God en van zijn naaste! Kijk niet opzij naar anderen, want u bent het! U hebt tegen God gezondigd!

Weet je nog jongelui, van die gestolen tientjes. Zoals je moeder kan zeggen: ‘Jij, hebt het gedaan, ik zie het aan je gezicht.’ Zo zegt God vandaag tegen jou: ‘Je kunt er niet omheen! Jij hebt het gedaan! Jij hebt tegen Mij gezondigd!’ U bent die man! U bent die vrouw! Jij bent die jongen! Jij bent dat meisje!

En dan, volgt dan het vonnis? Er was maar één vonnis denkbaar. Op overspel stond de doodstraf, voor beiden. David de hoofdschuldige, maar Bathseba had ook niet echt tegengewerkt. U bent die man! U bent die vrouw! Wat wordt het vonnis?

Wat valt u op, gemeente? Lees eens goed. David spreekt het vonnis over, over die rijke man, maar eigenlijk over zichzelf uit: De man die dat gedaan heeft is een kind des doods.

God zegt, bij monde van Nathan: U bent die man. En dan is het stil…! Daar volgt geen doodvonnis! Daar volgt straf en veroordeling. Het zwaard zal van zijn huis niet wijken. Er zal geweld komen in zijn gezin. Zijn vrouwen zullen door anderen genomen worden, niet stiekem, maar voor de ogen van deze zon! Maar, geen doodvonnis…! Laten we voordat we verder gaan met ons tweede aandachtspunt eerst zingen uit Psalm 32, het derde vers: 'k Bekend', o HEER’, aan U oprecht mijn zonden; 'k Verborg geen kwaad, dat in mij werd gevonden; Maar ik beleed na ernstig overleg, Mijn boze daân; Gij naamt die gunstig weg. Dies zal tot U een ieder van de vromen, In vindenstijd, met ootmoed smekend, komen; Een zee van ramp moog' met haar golven slaan, Hoe hoog zij ga, zij raakt hem zelfs niet aan.

Ons tweede aandachtspunt:

2. Beleden en vergeven

Toen ik zweeg (zo schrijft David in Psalm 32), werden mijn beenderen verouderd, in mijn brullen den gansen dag. Want Uw hand was dag en nacht zwaar op mij; mijn sap werd veranderd in zomerdroogten. Sela. Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zeide: Ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen voor den HEERE; en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde. Sela.

God dienen en de zonde blijven verzwijgen, dat gaat niet. Als God Zijn kinderen wijst op de zonde en zegt: ‘U bent die man, u bent die vrouw’, dan kan het niet anders, dan moeten we gaan buigen en zeggen: ‘Ja, dat ben ik!’ Als God werkt in ons zondige leven en zegt: ‘U bent die man, u bent die vrouw’, dan kan het niet anders, dan gaan we buigen en zeggen: ‘Ja, dat ben ik!’ Dan blijven er geen grote woorden over. Ja, het is waar: farizeeërs hebben aan veel woorden nog steeds niet genoeg, maar een tollenaar, een arme zondaar, roept het vanuit de nood van zijn hart uit: o Heere, wees mij zondaar genadig!

David zegt: Ik heb gezondigd tegen de HEERE. Zes woorden zijn het in het Nederlands, twee woorden in het Hebreeuws. Maar het is genoeg. Zijn woorden zijn hartelijk en oprecht. Hij bukt, hij buigt, hij belijdt. Hij zegt niet: ‘o, sorry, foutje!’ Hij zegt niet: ‘het was een black-out!’ Hij zegt niet: ‘het was een pijnlijke vergissing!’ Hij zegt ook niet: ‘zij, Bathseba, heeft me verleid.’

Hij zegt niet: ‘het was eens maar nooit meer!’ Nee!! Hij zegt: Ik heb gezondigd.

Dat hebben we vaker gehoord. Het was de wanhoopsroep van Judas: Ik heb gezondigd, verraden onschuldig bloed. Ik heb gezondigd…! Nee, zegt David: Ik heb gezondigd tegen de HEERE! Tegen de Verbondsgod. Ik heb gezondigd tegen een goeddoend God. U hebt recht om me te straffen. Ik heb gedaan dat kwaad is in Uw oog, ik ben Uw gramschap dubbel waardig. Het zien van de zonde in het licht van God heilige wet doet de mens heel diep buigen voor God en zwijgen. Daar wordt onze mond gestopt, daar hebben we niets meer in te brengen. Maar het zien van de zonde in het licht van Gods onbegrijpelijke goedheid, het zien van onze zonde als opstand tegen een goeddoend God verbreekt het hart meer dan ooit. Daar breekt het hart voor God, en wordt tegelijkertijd de roep krachtig: Heere, wees mij genadig. Hoor maar het gebed van David in Psalm 51, gedicht in de tijd toen Nathan tot hem kwam: Wees mij genadig, o God! naar Uw goedertierenheid; delg mijn overtreding uit, naar de grootheid Uwer barmhartigheden. Was mij wel van mijn ongerechtigheid, en reinig mij van mijn zonde. Want ik ken mijn overtredingen, en mijn zonde is steeds voor mij. Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan, dat kwaad is in Uw ogen; opdat Gij rechtvaardig zijt in Uw spreken, en rein zijt in Uw richten. Daar verberg ik mijn zonden niet meer, ik erken ze van harte. God is rechtvaardig en ik heb de dood verdiend. Maar tegelijkertijd is er de roep om Gods genade en barmhartigheid. Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen. Ontzondig mij met hysop, en ik zal rein zijn; was mij, en ik zal witter zijn dan sneeuw. Verberg Uw aangezicht van mijn zonden, en delg uit al mijn ongerechtigheden. Schep mij een rein hart, o God! en vernieuw in het binnenste van mij een vasten geest.

En weet u wat nu het wonder is? God kan (met eerbied gezegd) zo’n gebed niet aanhoren… zonder het te verhoren. Er staat immers niet dat David zo weken, maanden of jaren heeft moeten roepen. Nee, als u zo bidt, uit de nood van uw leven, als u zo aan Zijn voeten valt, zal Hij u verhoren. Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig dat Hij ons de zonden vergeve. Wie Hem nederig valt te voet, zal van Hem Zijn wegen leren.

Waarom valt u hem niet te voet? U die leeft in de zonde, ver bij God vandaan? Waarom ontkent u uw zonden? Waarom verbergt u uw zonden? Waarom doet u alsof u als net lid van de gemeente zo’n groot zondaar niet bent? Waarom gelooft u God niet, als Hij uw leven veroordeelt en vanmorgen tegen u zegt (ongeacht wat u zegt): ‘U bent die man! U bent die vrouw! U bent het!’

U gelooft Zijn woorden niet. U gelooft zijn beschuldiging niet. U gelooft Zijn bedreigingen niet. En u gelooft Zijn beloften niet. U zit hier in de kerk, maar ten diepste gelooft u niet in God. O, kom toch, val toch aan Zijn voeten en beken hem de waarheid van uw leven. Beken Hem uw vijandschap, uw opstand en uw misdaden. Kom toch, op Gods bevel en op de nodiging van Christus die tot u allen komt: Breek met uw zonden. Doe de ongerechtigheden weg uit uw leven. En kom! Wast u, reinigt u, doet de boosheid uwer handelingen van voor Mijn ogen weg, laat af van kwaad te doen. Leert goed doen, zoekt het recht, helpt den verdrukte, doet den wees recht, handelt de twistzaak der weduwe. Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt de HEERE; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol (Jesaja 1:16-18)

Kind van God, u die in de zonde leeft (en geldt dat ons ten diepste niet allemaal en steeds weer?), waarom valt u niet aan de voeten des Heeren, met de belijdenis op de lippen: ik heb gezondigd? Tegen U, HEERE! U weet toch dat Hij Zich ontfermt, meer dan een vader over de kinderen. Als u dan gelooft dat die moeder, waar ik u net over sprak, bereid is om die schuld van 50 euro kwijt te schelden, waarom wantrouwt u de Heere dan? Kom dan toch aan Zijn voeten. Dat niet belijden verandert uw sap in zomerdroogten.

Laten we toch steeds weer met schaamte belijdenis doen van onze zonden, aan Zijn voeten. Dan zullen we ervaren, wat David zingt in Psalm 32: Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zeide: Ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen voor den HEERE. En… U vergaf de ongerechtigheid mijner zonde. Sela (32:5,6)

Kijk maar naar vers 13. En Nathan zeide tot David: De HEERE heeft ook uw zonde weggenomen, u zult niet sterven. Letterlijk staat er niet weggenomen, maar ‘voorbij gegaan’. De zonden zijn uit de weg geruimd. Ik heb ze laten passeren.

Je moeder let voorlopig wel op met die portemonnee. En als er weer geld weg is, kijkt ze het eerst naar jou… Maar God vergeeft volkomen, helemaal. Hij neemt de zonde weg. Zover het west verwijderd is van het oosten, zo ver doe Hij onze overtredingen van ons. Hij werpt onze zonden, de zonden van degenen die zo aan Zijn voeten vallen, achter Zijn rug. Hij kijkt er nooit meer naar om.

Hoe kan dat eigenlijk? Waarom kan God, die nooit van Zijn recht kan en wil afstappen, zo de zonde vergeven? Hij kan de zonde toch niet door de vingers zien! Dat tientje dat gestolen was kwam nooit weer terug, dat was je moeder kwijt. Maar Gods recht eist terugbetaling! Om met David te spreken: viervoudig!

Wat wij van God hebben gestolen, kunnen we dat terugbetalen? Hoe komt dat weer terug? Hoe komt dat goed? Hoe, in welke weg kan de rechtvaardige God de zonde voorbijgaan?

Gemeente, het woord voorbijgaan, het woord passeren, dat hier wordt gebruikt, doet denken aan het Pascha. Bij de instelling van het Pascha moesten de Israëlieten bloed strijken aan de posten en bovendorpel van hun huizen. Dat was bloed van het paaslam. Het was de garantie dat de Engel des Heeren zou voorbijgaan en niemand zou doden. God zegt in Exodus 12:13: Dat bloed zal ulieden tot een teken zijn aan de huizen, waarin gij zijt; wanneer Ik het bloed zie, zal Ik ulieden voorbijgaan. Als Ik dat bloed zal zien, dan zal Ik voorbijgaan. Niet als wij het bloed zien, maar als God het bloed van het paaslam ziet, dan zal Hij voorbijgaan.

Dat bloed zag heen naar het Lam van God dat komen zou, naar de Heere Jezus Christus. Het volmaakte Lam, dat geslacht is. Als Ik bloed zal zien, dan zal ik voorbijgaan… En God heeft dat bloed gezien. Het bloed van de Heere Jezus, Die stierf op Golgotha. Volmaakt en heilig was Hij. Maar Hij, Die geen zonde gekend of gedaan heeft, heeft God zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem. Wat aan onze kant onmogelijk was, heeft God gedaan. Hij heeft Zijn Zoon gezonden in de gelijkheid van zondig vlees. Hij had geen zonde, maar heeft een zondeloze menselijke natuur aangenomen. Het heeft zich vernederd, Hij heeft zich vernietigd, de gestalte van een dienstknecht aangenomen. O, verbaas u toch over dit onbegrijpelijke plan van Gods wijsheid, waardoor u allemaal nog zalig kunt worden. Christus is gekomen om zondaren zalig te maken.

En om u allemaal te bewijzen dat Hij Zich juist wil inlaten met de allerslechtsen, heeft Hij in Zijn familieregisters zelfs de naam laten opnemen van deze David, een man die de doodstraf zondermeer verdiend had. Luister naar het Evangelie van vrije genade voor zondaars. Mattheüs begint met het schrijven van zijn Evangelie en zegt: Het boek des geslachts van JEZUS CHRISTUS, de Zoon van David(!), den zoon van Abraham (1:1). Zo begint zijn stamboom. De Zoon van David. En luister eens verder naar het zesde vers van Mattheüs 1: En Jessai gewon David, de koning; en David, de koning, gewon Salomon bij degene, die Uria's vrouw was geweest.

Daarom, bent u zo’n zondaar als David, bent u zo’n schuldige als Bathseba, bent u zo’n heiden als Uria? Zie hier: God wil Zich om Zijn Zoon Christus Jezus inlaten met de allerslechtsten. Al hebt u de dood dubbel en dwars verdiend, en dat hebt u, Hij is bereid om u te wassen in Zijn bloed. En Hij roept u, wie u ook bent: Doe de zonden weg uit uw leven! En kom dan en laat ons samen rechten, zegt de HEERE; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol. Komt tot Mij, hoor en uw ziel zal leven.

U wordt allen, wie u ook bent, door het Evangelie genodigd om tot Christus te komen. Niet om te zeggen: Mijn keus is voor u! Niet om te zeggen: Ik geef met al de liefde van mijn hart mijn hart aan U! Maar om te zeggen: Heere, hier ben ik. Hier is mijn vijandschap, hier is mijn opstand, hier is mijn zonde, hier is mijn schuld, hier mijn overtreden. Hier ben ik. Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan, dat kwaad is in Uw ogen; opdat Gij rechtvaardig zijt in Uw spreken, en rein zijt in Uw richten. Wees mij zondaar genadig. Een ieder die de Naam des Heeren zo zal aanroepen, zal zalig worden.

Als u dat niet belijdt, als u doorgaat, als u uw zonden blijft ontkennen en blijft verbergen, dan geldt u het woord van Johannes: Die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven, maar die de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem (3:36). Dan zal de toorn op u blijven. Dan zal er geen bloed zijn, dan zal de Heere niet voorbijgaan. Dan worden uw zonden niet achter Zijn rug weggedaan. Als u niet bent geborgen achter het bloed van Christus en leeft voor eigen rekening, dan bent u in dodelijk gevaar. Uw oordeel is uitgesproken. En het is een doodvonnis. De ziel die zondigt zal sterven. En: u bent die man, u bent die vrouw, als u geen deel hebt aan het werk van Christus. Daarom, veracht de dag der genade niet. Haast u ter wille van uw leven! Nog is het het heden der genade, de dag der zaligheid. U hebt geen recht, maar God heeft uit enkel genade gezegd: Een iegelijk die de Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden. Buk dan toch voor het aangezicht van de Heere.

Mag ik u als laatste nog wijzen op Psalm 32, de psalm waaruit we zongen, de psalm die David juist rond deze tijd van zijn leven dichtte. Tweemaal komt in die psalm het woord bedekken voor. David zingt: Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zeide: Ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen voor den HEERE. Ik bedekte mijn zonden niet, ik legde ze open voor de Heere. En diezelfde Psalm begint zo: Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is.

Zijn hier van die roepende Davids, die zwijgen en brullen voor God in de nood van hun leven? Naarmate u door genade uw schuld voor de Heere openlegt, zal Hij uw schuld bedekken met Zijn gerechtigheid. Als u niet bedekt, als u niet verbergt, dan zal Hij wel bedekken. Belijd Hem dan uw overtredingen, bedek ze niet, en Hij zal ze voor altijd achter Zijn rug werpen.

Amen.

Slotzang Psalm 103:6:

Zo hoog Zijn troon moog' boven d' aarde wezen, Zo groot is ook voor allen die Hem vrezen, De gunst waarmee Hij hen wil gadeslaan. Zo ver het west verwijderd is van 't oosten, Zo ver heeft Hij, om onze ziel te troosten, Van ons de schuld en zonden weggedaan.