PREEK · VRIJE STOFFEN

Mozes als voorbidder voor het volk (deel 20) - Numeri 14

25 oktober 2026

Numeri 14:19: Vergeef toch de ongerechtigheid dezes volks, naar de grootte Uwer goedertierenheid, en gelijk als Gij ze aan dit volk van Egypteland af tot hiertoe vergeven hebt.

INLEIDING

Aan de grens van het beloofde land luistert Israël naar de tien ongelovige verspieders en niet naar Jozua en Kaleb. De nacht gaat voorbij in klagen, tot de heerlijkheid des HEEREN verschijnt. Dan staat Mozes als voorbidder in de bres, pleitend op Gods eer en Gods genade, een schaduw van de meerdere Mozes, de Heere Jezus Christus. De HEERE vergeeft en oordeelt: een geslacht sterft in de woestijn, maar Kaleb, Jozua en de kinderkens gaan binnen. Wie zoekt, vindt nog genade.

THEMA

Het mopperende volk aan de grens van het beloofde land

KERNPUNTEN

  1. Het ongeloof murmureert, maar het geloof getuigt
  2. De HEERE verschijnt, maar de middelaar pleit
  3. De HEERE vergeeft en oordeelt, maar de mens gaat door

NUMERI 14:13-20

13 En Mozes zeide tot den HEERE: Zo zullen het de Egyptenaars horen; want Gij hebt door Uw kracht dit volk uit het midden van hen doen optrekken;
14 En zij zullen zeggen tot de inwoners van dit land, die gehoord hebben dat Gij, HEERE, in het midden van dit volk zijt; dat Gij, HEERE, oog aan oog gezien wordt, dat Uw wolk over hen staat en Gij in een wolkkolom voor hun aangezicht gaat des daags en in een vuurkolom des nachts.
15 En zoudt Gij dit volk als een enigen man doden, zo zouden de heidenen die Uw gerucht gehoord hebben, spreken, zeggende:
16 Omdat de HEERE dit volk niet kon brengen in dat land hetwelk Hij hun gezworen had, zo heeft Hij hen geslacht in de woestijn.
17 Nu dan, laat toch de kracht des HEEREN groot worden, gelijk als Gij gesproken hebt, zeggende:
18 De HEERE is lankmoedig en groot van weldadigheid, vergevende de ongerechtigheid en overtreding, Die den schuldige geenszins onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid der vaderen aan de kinderen, in het derde en in het vierde lid.
19 Vergeef toch de ongerechtigheid dezes volks, naar de grootte Uwer goedertierenheid, en gelijk als Gij ze aan dit volk van Egypteland af tot hiertoe vergeven hebt.
20 En de HEERE zeide: Ik heb hun vergeven naar uw woord.

VOLLEDIGE TEKST

Mozes als voorbidder voor het volk (deel 20) - Numeri 14

ds. J. IJsselstein - Numeri 14:19

THEMA

Het mopperende volk aan de grens van het beloofde land

Met z’n twaalven hebben ze het land Kanaän verspied, veertig dagen lang. En nu kwamen ze terug. Beladen met de vruchten van het beloofde land: een enorme druiventros uit Eskol en vijgen en granaatappels. Iedereen is het erover eens: dit land vloeit over van melk en honing. Maar dan verandert de sfeer. Ineens staan ze tegenover elkaar: twee tegenover tien, Jozua en Kaleb tegenover de anderen. De tien verspieders zeggen: het is een mooi land, maar we gaan daar echt niet komen. Dat gaat ons niet lukken. Zij, met hun reuzen, zijn veel sterker dan wij. Maar Jozua en Kaleb zeggen: Laten we vrijmoedig het land Kanaän binnentrekken, want de Heere heeft ons dit land beloofd. En dus zal Hij het ons ook geven.

En naar wie luistert het volk Israël? Naar de tien ongelovige verspieders. En dus begint iedereen ineens te jammeren, te huilen en te klagen. En dat gaat letterlijk de hele nacht door. Want zo begint Numeri 14: Toen verhief zich de gehele vergadering, en zij hieven hun stem op, en het volk weende in dienzelve nacht (Num. 14:1). Over wat er toen en daarna gebeurde, daarover gaat de preek van vanmorgen.

Het thema van de preek is: Het mopperende volk aan de grens van het beloofde land

Er zijn drie aandachtspunten. We letten als eerste op: het ongeloof murmureert, maar het geloof getuigt. Dat lezen we in vers 1-12. Dan letten we als tweede op: de HEERE verschijnt, maar de middelaar pleit. Dat staat in vers 13-19. En daarna letten we als derde op: de HEERE vergeeft en oordeelt, maar de mens gaat door. Dat zien we in vers 20-45.

Dus: Het mopperende volk aan de grens van het beloofde land 1. Het ongeloof murmureert, maar het geloof getuigt 2. De HEERE verschijnt, maar de middelaar pleit 3. De HEERE vergeeft en oordeelt, maar de mens gaat door Als eerste dus:

1. Het ongeloof murmureert, maar het geloof getuigt

Op die bewuste morgen…, na die lange nacht van klagen… Als het langzaam licht wordt, als de dauw opgetrokken is, dan liggen er – ondanks wat er gisteren gebeurd is – buiten

het tentenkamp weer ontelbaar veel kleine witte korreltjes (Ex. 16:35). Het heeft weer manna geregend uit de hemel, waarvan de mensen weer heerlijk brood kunnen maken. En er stroomt nog steeds heerlijk water, om van te drinken. De goedheid en de zorg van de Heere over Zijn volk is iedere morgen nieuw (Klaagl. 3:23). Misschien ben jij gisteren ook wel mopperend naar bed gegaan. In je hart mopperend op de Heere. Toch ging de zon vanmorgen weer op en lag er weer brood op je bord.

Maar het gemopper van het volk Israël is nog steeds niet over. Het wordt alleen maar erger. Ze zeggen tegen Mozes en Aäron, maar eigenlijk ook tegen de HEERE in vers 2 en 3: Och, of wij in Egypteland gestorven waren! of, och, of wij in deze woestijn gestorven waren! Was dat maar gebeurd. En waarom brengt ons de HEERE naar dat land, dat wij door het zwaard vallen, en onze vrouwen, en onze kinderkens ten roof worden? Zou het ons niet goed zijn naar Egypte weder te keren? (Num. 14:2-3)

Wat een onterecht verwijt. Zij geloven niet dat de Heere hen in Kanaän kan brengen. En nu geven ze de Heere de schuld. Nu zeggen ze dat Hij uit zou zijn op hun ondergang. Ze zeggen: Laten we een andere leider zoeken en teruggaan naar Egypte (vers 4).

Zouden Mozes en Aäron, en de twee verspieders Kaleb en Jozua nog iets terug durven zeggen tegen al die boze mensen? Kijk maar naar wat er staat in vers 5: Toen vielen Mozes en Aäron op hun aangezichten, voor het aangezicht van de ganse gemeente der vergadering van de kinderen Israëls (Num. 14:5). Mozes en Aäron vallen op de grond. Verbaasd en heel erg geschrokken van zoveel opstand tegen de Heere. Maar ook biddend of het volk hun verkeerde ideeën zal willen loslaten. En of de Heere hun zonden zal vergeven.

En Jozua en Kaleb, die twee verspieders, scheuren hun kleed als teken van verdriet en verslagenheid. Dit vinden ze zo erg! En ze zeggen nóg een keer (in vers 7 en 8), wat ze eerder ook al zeiden: Mensen, het land, door hetwelk wij getrokken zijn, om hetzelve te verspieden, is een uitermate goed land. Indien de HEERE een welgevallen aan ons heeft, zo zal Hij ons in dat land brengen, en zal ons dat geven; een land, hetwelk van melk en honig is vloeiende (Num. 14:7-8). Maar, vers 9: Alleen wees tegen de HEERE niet wederspannig. Sta nu niet zo op tegen de Heere. En vreest u niet het volk dezes lands; want zij zijn ons brood (we zullen ze opeten), hun schaduw (hun bescherming, van hun goden die machteloos zijn) is van hen geweken, en de HEERE is met ons; vreest hen niet (Num. 14:9).

Hoor je ze smeken? Hoor je ze vertellen hoe goed de Heere is? Laten we hun voorbeeld volgen, kinderen van God! Ze zeggen: Mensen, geloof toch wat de Heere zegt! Hij is betrouwbaar! Zoals ook iedere zondag jou en u, vanaf deze plaats gesmeekt wordt. Mensen, luister toch naar dit Woord, en geloof toch wat de Heere belooft. Stop met je opstand tegen God. Breek met je verzet en lever je wapens in en buig. En laat je met God verzoenen. Wat heb jij daar tot nu toe eigenlijk mee gedaan? Weet je wat zij ermee doen?

Je ziet het in gedachten voor je: boze gezichten, mensen die hun hoofd wegdraaien, die niet willen luisteren. En uiteindelijk: ‘Hier! Weet je wat je kan krijgen? Stenen!’ Ze willen hen, zegt vers 10a, met stenen stenigen. Ze willen hen doden.

Misschien herken je dat wel? Nee, je gaat niet met stenen gooien. Maar dat ‘niet willen luisteren’ herken je misschien wel. Weet je wat de Heere Jezus later zegt, tegen zulke mensen? U die de profeten doodt, en stenigt die tot u gezonden zijn, hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeen vergaderen, zoals een hen haar kuikens bijeen vergadert onder de vleugelen, [maar]…. u hebt niet gewild (Matt. 23:37). Dus: boze gezichten, bijna door de lucht vliegende stenen, worden beantwoord (ook nu) met…? Met een traan en een liefdevolle wenk. ‘Kom, mensen, breek met je verzet, lever je wapens in en buig. En laat je met God verzoenen.’

We gaan verder met ons tweede aandachtspunt:

2. De HEERE verschijnt, maar de middelaar pleit

Kijk maar naar vers 10: Toen zeide de ganse vergadering, dat men hen met stenen stenigen zoude. Maar… de heerlijkheid des HEEREN verscheen in de tent der samenkomst voor al de kinderen Israëls (Num. 14:10). Plotseling verschijnt de HEERE. Waarschijnlijk in een wolk of in de wolk- en vuurkolom. De heerlijkheid, de glans, de majesteit van God verschijnt. Ineens laat de HEERE zien en voelen dat Hij daar is, tot bescherming van Mozes en Aäron, en van Jozua en Kaleb, en tot afschrikking voor de mensen die hen belagen.

De Heere komt en gaat spreken tot Mozes (in vers 11). De Heere stelt aan Mozes vragen. Vragen die misschien ook wel over u en jou gesteld kunnen worden… Hoelang zal Mij dat volk tergen? Dat wil zeggen: versmaden, verachten en verwerpen? En hoelang zullen zij Mij niet geloven? Ondanks alle tekenen die Ik in het midden van hen gedaan heb?

Zouden dat, nu op dit moment, ook de vragen kunnen zijn over u of over jou? Hoelang zal hij, hoe lang zal zij Mij nog tergen? En hoelang zal hij, hoe lang zal zij Mij niet geloven? Ondanks alle tekenen die Ik in het leven van hen gedaan heb? Voel je niet dat je dan in gevaar bent? Ja, je zit hier wel rustig, maar misschien balanceer je wel op het randje van je ondergang.

Kijk maar naar vers 12, daar zegt de Heere tegen Mozes: Mozes, Ik zal het [volk] met pestilentie slaan en Ik zal het verstoten (letterlijk: onterven), en Ik zal u (Mozes) tot een groter en sterker volk maken dan dit is. Wat een dodelijk gevaar voor die ongelovige Israëlieten. Wat een dodelijk gevaar voor ongelovige kerkgangers…

Maar het is tegelijk wonderlijk, dat de Heere niet direct doet wat Hij zegt. Hij dreigt het wel te zullen doen. Maar Hij zegt dat tegen Mozes, om hem te dringen tot gebed, om te bidden voor het volk. Hier schittert een Goddelijk mysterie, dat ook hier in de kerk aanwezig is. De eeuwige, soevereine, grote God, Die Zijn oordeel dreigt uit te voeren, nodigt een mens uit om te bidden. En Mozes doet het. Hij gaat bidden voor het volk. En zijn gebed is een profetische vooruitblik op het gebed van de Heere Jezus aan het kruis: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen (Luk. 23:34).

Mozes bidt, Mozes pleit, niet voor zichzelf maar voor het volk. Hij wordt hun voorbidder. En dat woord moet je, jongens en meisjes, goed proberen te onthouden. Ik zal proberen je uit te leggen wat dat woord voorbidder betekent. Stel, jongens en meisjes, je vader en moeder zijn heel erg boos op je broertje. Ja, en die zit op zijn beurt op zijn kamer te mopperen op je vader en moeder. Die wil gewoon niet vragen om vergeving. Maar jij vindt dat niet fijn. Jij wil dat het opgelost wordt. Wat je doet? Je gaat naar papa en mama toe en zegt: ‘Papa en mama, wilt u hem alstublieft vergeven?’ Jij vraagt vergeving vóór je broertje. Niet voor jezelf, maar voor hem. Voor een ander dus. Dat doet een voorbidder. Die bidt, die vraagt om vergeving voor anderen.

Mozes is hier voorbidder voor het ongelovige, mopperende volk. En luister eens, naar hóe hij bidt. Als je goed luistert, hoor je dat hij twee dingen doet. Hij wijst naar de eer van de Heere. En hij wijst naar hoe de Heere is. a. Dus: hij wijst naar de eer van de Heere. In vers 13-16 zegt hij eigenlijk: ‘Heere, als U dat doet, als U Uw volk loslaat, dan zullen de Egyptenaars en alle andere volken zeggen, dat U hen niet in Kanaän kón brengen. Dat U dat wel aan hen beloofd had, maar dat U het niet kón. Kortom, dan gaan de heidense volken Uw Naam lasteren. Dan gaan ze zeggen dat U niet de grote God bent, maar een kleine. En een God Die wel iets belooft, maar Die het uiteindelijk niet doet, omdat Hij het niet kan.’ Mozes wijst al biddend naar de eer van de Heere.

b. En hij wijst ook naar hoe de Heere is. In vers 17 zegt hij: Laat toch Uw kracht groot worden! Wilt U juist nu laten zien Wie U bent? Door Uw volk niet weg te doen? Want U bent toch (vers 18) lankmoedig (dat wil zeggen: geduldig) en groot van weldadigheid (van liefde en trouw), vergevende de ongerechtigheid en overtreding? Terwijl U de schuldige zeker ook niet voor onschuldig houdt. Dat hebt U toch Zelf gezegd, Heere? Met andere woorden: Ja, Heere, U bent rechtvaardig. Wij zouden moeten omkomen. Maar, Heere, U bent toch ook barmhartig en genadig? Mozes bidt om vergeving, om genade en verzoening. Maar vooral en als eerste om Gods eer.

Zo moet je ook bidden, jongens en meisjes. ‘Heere, ik wil U zo graag dienen en liefhebben. Ik wil zo graag ook een nieuw hart hebben.’ En dan die twee dingen (probeer die te onthouden): ‘Want als U dat doet, Heere, krijgt U toch heel veel eer? En zo bent U toch, Heere: U bent toch een God Die vergeeft. Heere, vergeef dan toch ook al mijn zonden.’

Bidden wij ook zo, gemeente, voor onszelf, voor onze kinderen en kleinkinderen, voor de gemeente, voor de kerk, voor de wereld? a. Pleitend op de eer van Gods Naam: Wat zult U anders toch doen, Heere, met Uw grote Naam (Joz. 7:9)? b. En ook in het diepe besef van wie God is? Lankmoedig en groot van weldadigheid, vergevende de ongerechtigheid en overtreding, Die den schuldige geenszins onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid der vaderen aan de kinderen, in het derde en in het vierde lid (Ex. 34:6-7). De Heere is vol genade en ontferming. Maar Hij is ook vol van brandende en compromisloze gerechtigheid. Hij heeft het recht om ons voor eens en altijd te veroordelen. Maar Hij heeft ook beloofd genadig te zijn voor iedereen die door de weg van de Voorbidder, de Heere Jezus Christus, tot Hem komt.

Die God, ouders, heeft beloofd onze God te zullen zijn en de God van onze kinderen en kleinkinderen na ons. En voor die God mogen we (net als Mozes) biddend neervallen en zeggen: ‘Heere, om de eer van Uw Naam. U hebt het beloofd, toen ik gedoopt werd, toen mijn kinderen gedoopt werden. Sindsdien ben ik (en zijn zij) wel alleen maar slechter geworden. Maar U, Heere, bent toch Dezelfde gebleven: genadig, barmhartig en vol van ontferming?’ ‘Heere, laat Uw Naam niet gelasterd worden. Laat straks niemand spottend zeggen: U beloofde het wel, maar U kon het niet. Laat mijn bekering en de bekering van mijn kinderen, van mijn familie, vrienden en bekenden, laat Uw werk in de gemeente, toch zijn tot de eer van Uw Naam. O daarom, om de eer van Uw Naam, o Heere, buig en breek ons verzet. En wees ons zondaars genadig.’

En doe zo, al biddend, een beroep op de grote Voorbidder in de hemel, de Heere Jezus Christus. Want in Mozes schittert profetisch de grote Voorbidder, de Heere Jezus Christus. Van Wie de apostel Johannes later schrijft: Mijn kinderkens, ik schrijf u deze dingen, opdat gij niet zondigt. En indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige. En Hij is een verzoening voor onze zonden; en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden der gehele wereld (1 Joh. 2:1-2).

Wat is dat troostvol en bemoedigend! Immers, kan ik met mijn verzondigde en opnieuw verzondigde leven wel voor God verschijnen? En mijn onvolmaakte gebeden, daar kan ik toch niet mee voor de dag komen? Alles is zo zondig, gebrekkig, onvolmaakt. Ja, dat is waar. En dus zegt artikel 26 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis: Wij geloven, dat wij geen toegang hebben tot God, dan alleen door de enige Middelaar en Voorspraak, Jezus Christus, de Rechtvaardige. Er moet iemand tussen ons en de Heere in

gaan staan. De Middelaar, de Voorspraak, de Voorbidder. Om Wie ik mijn zonde, nood en dood en die van anderen, en ook mijn gebrekkige bidden bij de Heere mag neerleggen. Zonder recht, maar wel in stil vertrouwen. Biddend: om Jezus’ wil. Die onvolmaakte gebeden van zondaars wil overnemen en wil maken tot Zijn volmaakte gebed.

Hier ligt ook veel troost voor al Gods kinderen. In Christus hebben wij een geopende toegang tot de Vader. De meerdere Mozes, de Voorbidder, Jezus Christus in de hemel, Die voor ons bidt. Als wij niet weten hoe we bidden moeten, als wij niet kunnen bidden, als wij niet willen bidden… Dan mogen we denken aan wat de Heere zegt in Lukas 22:32: Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude. Dan mogen we denken aan wat Paulus schrijft in Romeinen 8:34: Christus is het, Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt. Dan mogen we denken aan wat de apostel schrijft in Hebreeën 7:25: Waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden. Wij hebben een Voorspraak bij den Vader, Jezus Christus, den Rechtvaardige. En Hij is een verzoening voor onze zonden; en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden der gehele wereld.

We gaan naar ons derde punt, maar gaan eerst zingen uit Psalm 141 vers 1 en 2: 'k Roep, HEER’, in angst tot U gevloden, Ai, haast U tot mijn hulp en red; Hoor naar de stem van mijn gebed, Daar ik U aanroep in mijn noden.

Mijn beê, met opgeheven handen, Klimm' voor Uw heilig aangezicht, Als reukwerk, voor U toegericht, Als offers, die des avonds branden.

----

Gemeente, het gaat vanmorgen over: Het mopperende volk aan de grens van het beloofde land. We hebben als eerste gelet op: Het ongeloof murmureert, maar het geloof getuigt. Daarna als tweede op: De HEERE verschijnt, maar de middelaar pleit.

En nu ons derde aandachtspunt:

3. De HEERE vergeeft en oordeelt, maar de mens gaat door

Wat zou de Heere gaan doen, denk je, jongens en meisjes, met dit opstandige volk? Je moet het even vergelijken met iets dat bij jou ook kan gebeuren. Je gooit bij oma een hele mooie vaas om. Die is stuk. Dat is niet slim. Dat is naar. Dat is heel vervelend.

Maar oma vergeeft het je. Dat is heel bijzonder. Maar… de vaas blijft wel stuk. En je blijft er altijd toch een beetje aan terugdenken. Het is wel echt vergeven, maar…

Zo is het hier ook. De Heere doet het volk niet naar hun zonden (Ps. 103:10). Kijk maar naar vers 20 en 21: En de HEERE zeide: Ik heb hun vergeven naar uw woord. Doch zekerlijk, zo waarachtig als Ik leef, zo zal de ganse aarde met de heerlijkheid des HEEREN vervuld worden. Dat wil zeggen: Ik zal ze niet wegdoen, Ik zal ze niet verstoten. Er is nog gelegenheid voor hen om zich te bekeren. En heel veel mensen zullen dat ook nog gaan doen. En, dat wil de Heere eigenlijk zeggen: Ik zal er Zelf voor zorgen dat de hele wereld ziet dat Ik de zonde haat, en dat Ik tegelijkertijd traag ben tot toorn, genadig en barmhartig voor opstandelingen zoals zij.

Want, eerlijk is eerlijk, ondanks dat ze al de wonderen gezien hebben, die Ik heb gedaan, is dit nu al de tiende keer dat zij Mij tergen. Kijk maar naar vers 22: Want al de mannen die gezien hebben Mijn heerlijkheid en Mijn tekenen die Ik in Egypte en in de woestijn gedaan heb, en Mij nu tienmaal verzocht hebben en Mijn stem niet zijn gehoorzaam geweest. En dus, dit is de straf die Ik wel op hen zal leggen. Een tijdelijke straf, die hen juist wil aansporen om zich te bekeren, om straks niet voor eeuwig gestraft te worden. Want Ik ben en blijf genadig en barmhartig voor opstandelingen.

Dit is de tijdelijke straf: Zij zullen het beloofde land niet zien. In vers 23 zegt de Heere: Zo zij het land hetwelk Ik hun vaderen gezworen heb, zien zullen! Ja, geen van die Mij getergd hebben, zullen dat zien. Zoals later ook staat in Psalm 95: Ik zweer in Mijn toorn, dat zij Mijn rust (het land Kanaän) niet zullen ingaan (Ps. 95:11). Ze moeten morgen direct teruggaan, de woestijn in, want de Amalekieten liggen in het dal op de loer om hen aan te vallen. En iedereen die nu 20 jaar of ouder is, zal de komende jaren in de woestijn sterven (vers 29). U wenste dat u in de woestijn zou sterven? Dan zeg Ik, de HEERE, ‘Amen’ op uw eigen verzoek (vers 28). U zult nooit in Kanaän komen, u zult sterven in de woestijn.

Behalve Jozua en Kaleb, omdat er in hen een andere geest geweest is. En ook alle kinderen en jongeren die nu onder de 20 zijn, en de Levieten, zij allemaal zullen het beloofde land wel binnengaan. Voor iedere dag dat de verspieders op pad waren (veertig dagen lang), moet u één jaar dwalen door de woestijn. Veertig jaar lang dus. En terwijl u dat in al die jaren doet, zult u (die nu 20 jaar en ouder bent) allemaal sterven.

Wat een pijnlijk, wat een verdrietig, maar terecht oordeel. Zij hebben God op het hoogste misdaan. Dit hebben zij verdiend. Wat hebben wij eigenlijk verdiend? Als je de balans opmaakt van al de jaren achter je, en van al de kerkdiensten dat je hier zat, en van alles wat je gehoord hebt over de Heere en over Zijn goede dienst; en je kijkt naar je reactie daarop?

Hoe vaak heb jij de Heere dan getergd? Wat heb jij dan verdiend? Moet je dan niet met David zeggen: Heere, Uw doen is rein, Uw vonnis is rechtvaardig (Ps. 51:2, ber.)?

Maar dán, hè! Want dat zeggen is één ding. En dat over je heen laten komen is een ander ding. Maar wie valt er daar in de woestijn op zijn knieën en zegt: ‘O God, U hebt gelijk! Genâ, o God, genâ. Verhoor mij toch naar Uw barmhartigheid. Want U bent toch een barmhartig God? En delg uit mijn schuld, en vergeef mijn overtreden. Want U bent toch een genadig God? O Heere, red toch en vergeef toch, tot roem van Uw grote goedheid?’

En wie valt er hier op zijn knieën en zegt: ‘O God, U hebt gelijk! Ik heb naar Uw rechtvaardig oordeel tijdelijke en eeuwige straffen verdiend (Zondag 5). Maar vergeef mij toch al mijn zonden, die Uwe hoogheid schonden?’ Want (die twee dingen, jongens en meisjes!): ‘Heere, Uw eer! Doe het toch om Uw grote Naam. En U bent toch genadig en barmhartig, een God Die de ongerechtigheid vergeeft en zonden verzoent? En doe dat, Heere, niet om mij, maar om Uw lieve Zoon, de meerdere Mozes, de grote Middelaar, de Heere Jezus Christus.’ ‘Want om Hem, om alles wat Hij deed en leed, en omdat Hij stierf aan het kruis, voor mensen zoals ik, bent U toch (U hebt het toch Zelf gezegd): lankmoedig en groot van weldadigheid, vergevende de ongerechtigheid en overtreding? (Ex. 34:6) U vergeeft toch menigvuldig (Jes. 55:7)?’ Mensen, als je zo aan de voeten van de Heere valt, zal de Heere je genadig zijn. Om de eer van Zijn Naam. En zo is Hij!

Zij zullen, zegt de Heere, in het land Kanaän niet komen: geen van die Mij getergd hebben, zullen dat zien (vers 23). Maar… Er is midden in alle dreiging (ook nu) een Goddelijk ‘maar’. Een dubbel ‘maar’.

a. Kijk als eerste maar in vers 24: Maar Mijn knecht Kaleb, omdat een andere geest met hem geweest is en hij volhard heeft Mij na te volgen, zo zal Ik hem brengen tot het land in hetwelk hij gekomen was, en zijn zaad zal het erfelijk bezitten. Later, achtendertig jaar later, wordt het door Mozes herhaald in Numeri 32: Kaleb, de zoon van Jefunne, de Keniziet, en Jozua, de zoon van Nun; (…) zij hebben volhard de HEERE na te volgen (Num. 32:12). En nog weer later, als ze al in Kanaän zijn, kijkt Kaleb zelf terug en zegt: Maar mijn broederen die met mij opgegaan waren, deden het hart des volks smelten; maar ik volhardde de HEERE mijn God na te volgen (Joz. 14:8,9). Ik volgde de Heere volledig na, met heel mijn hart en leven. Dus de Heere zegt het, Mozes zegt het en Kaleb zelf zegt het ook: de meesten deden dat niet, maar hij en Jozua deden het wel, zij volgden de HEERE na.

Mensen, daar hangt ook onze toekomst vanaf: of we de HEERE volgen met heel ons hart en leven. Ook al doen anderen dat niet. Ook al doen je vader of moeder, je opa of oma, dat niet. Wie de Heere navolgt, wie Hem op Zijn Woord gelooft, die zal op Gods tijd aankomen in het beloofde land, in het hemelse Kanaän.

b. En dat blijkt ook uit het tweede ‘maar’ in deze geschiedenis. Is het je ook opgevallen, jongens en meisjes, dat er midden in het oordeel iets bijzonders staat? Bedoeld voor de kinderen van toen. En dus ook (want de Heere is Dezelfde gebleven) voor jullie nu? Het volk Israël zei (in vers 3): Onze kinderen zullen ten roof worden. Die zullen weggeroofd worden door de vijand. Maar de Heere zegt, midden in het oordeel (in vers 31): Uw kinderkens (uw kleine kinderen), waarvan u zei: Zij zullen ten roof worden, die zal Ik daarin brengen en die zullen bekennen dat land hetwelk u smadelijk verworpen hebt. Met andere woorden: Zij zullen wél aankomen in het beloofde land.

Jongens en meisjes, als je vader en moeder de Heere niet dienen en niet liefhebben – misschien hoor je thuis wel veel gemopper op de Heere en op Zijn dienst – het zal de Heere niet in de weg staan om jou in genade aan te nemen. Denkend aan Zijn verbond, waarvan het teken op je voorhoofd staat: het teken van de Heilige Doop! Ik zal u tot een God zijn, ouders. Wil je het niet? En uw zaad, uw nageslacht na u! Wees dan welkom, kinderen, om de Heere wel te dienen. Zoek de Heere veel, zoek de Heere vroeg, jongens en meisjes, ook als je thuis geen goed voorbeeld ziet. Als je vader of moeder het niet zeggen, dan zal ik het zeggen (dat deden Kaleb en Jozua ook): De dienst van de Heere is zo’n goede dienst. Daar wordt je zó gelukkig van. Als de Heere je zonden vergeeft om de Heere Jezus’ wil, en weer vrede maakt in je hart met God.

Maar…, niet vergeten (denkend aan deze geschiedenis): als je vader en moeder geen voorbidders zijn voor jou, word jij dan maar voorbidder voor hen. Biddend voor je vader en moeder, voor je broers en zussen, voor je vrienden en vriendinnen. De Heere luistert echt naar je bidden, ook als je bidt voor anderen. Want je moet er toch niet aan denken dat ze verloren zullen gaan. Ouders, als je kinderen de Heere vrezen, volg dan toch alstublieft hun voorbeeld na!

Laten we toch allemaal de Heere zoeken terwijl Hij nog te vinden is en Hem aanroepen terwijl Hij dichtbij is (Jes. 55:6). En voor elkaar bidden, pleitend op de eer van God en wijzend naar de trouw van Zijn verbond en woorden.

En dan is er plotseling nog een grote schrik in het tentenkamp. In vers 37 staat: Die mannen die een kwaad gerucht van dat land voortgebracht hadden, stierven door een plaag (plotseling dus) voor het aangezicht des HEEREN. Dat laatste staat er niet voor niets: voor het aangezicht des HEEREN. Wie sterft onder de bediening van de verzoening, in ongeloof en met een blik van verachting op het beloofde land, die sterft: voor het aangezicht des HEEREN. Bespaar u dit einde, lieve mensen, dat u straks horen zult (voor het aangezicht van de HEERE), wat de Heere Jezus zei aan het slot van de gelijkenis van de tien ponden:

Doch deze mijn vijanden, die niet hebben gewild dat ik over hen koning zou zijn, brengt ze hier en slaat ze hier vóór Mij dood (Luk. 19:27). Voor het aangezicht van de HEERE. Laat mij vanmorgen, wetende de schrik des Heeren, u dan toch bewegen tot het geloof (2 Kor. 5:11).

Nog een paar verzen zijn er over. Vers 39: En Mozes sprak deze woorden tot al de kinderen Israëls. Toen treurde het volk zeer (Num. 14:39). Ja, dat kan je je voorstellen. Er staat helaas niet: En zij riepen tot de Heere… Hoe is dat met u, onbekeerde vrienden: treurt u alleen maar, of roept u ook? Er is, dramatisch genoeg, helemaal niets van vernedering en verootmoediging bij het volk te bespeuren. Vers 40 zegt zelfs: En zij stonden des morgens vroeg op en klommen op de hoogte van de berg, zeggende: Ziet, hier zijn wij, en wij zullen optrekken tot de plaats die de HEERE gezegd heeft; want wij hebben gezondigd (Num. 14:40). De Heere gaat ons er niet brengen? Nou, dan gaan wij het zelf doen.

Mozes waarschuwt ze nog stellig: Niet doen, mannen, dat ga je alleen niet redden. Maar ze doen het wel, en ze worden (zegt vers 45) door de vijand versmeten (zoals je iets wegsmijt) tot aan Horma toe (een stad van de Kanaänieten in de Negev woestijn).

En al deze dingen (zegt Paulus in 1 Kor. 10:11): zijn hun overkomen tot voorbeelden, en zijn beschreven tot waarschuwing van ons(!), op dewelke de einden der eeuwen gekomen zijn. Wat is uw reactie vanmorgen op dit Woord? Wat gaat u nu verder doen? Gaat u net als Kaleb en Jozua de Heere volgen met heel uw hart? Gevaarlijk? Ja, u gaat reuzen tegenkomen. Maar het is veel gevaarlijker om de Heere niet te volgen en Hem te tergen. Dan gaat u sterven in de woestijn.

Als u de Heere tot nu toe niet volgt, zeg dan toch biddend in uw hart wat de Heidelbergse Catechismus zegt in vraag 12 van Zondag 5: Heere, aangezien ik naar Uw rechtvaardig oordeel tijdelijke en eeuwige straf verdiend heb, is er enig middel, waardoor ik deze straf zou kunnen ontgaan en tot genade komen? Ik antwoord u, in Gods Naam: Ja, want Christus is gekomen om te zoeken en zalig te maken wat verloren was. Om mensen die Hem getergd hebben, met God te verzoenen.

Amen.

Slotzang Psalm 103:2,5:

Loof Hem, die u, al wat gij hebt misdreven, Hoeveel het zij, genadig wil vergeven;

Hij zal Zijn volk niet eindeloos kastijden, Noch eeuwiglijk Zijn gramschap ons doen lijden.