PREEK · VRIJE STOFFEN

De koperen slang (deel 21) - Numeri 21

1 november 2026

Numeri 21:9: En Mozes maakte een koperen slang en stelde ze op een stang; en het geschiedde als een slang iemand beet, zo zag hij de koperen slang aan en hij bleef levend.

INLEIDING

Veertig jaar na de uittocht staat een nieuwe generatie voor Kanaän, maar ook zij klaagt over de weg en over het manna. De Heere zendt vurige slangen, en velen sterven. Als het volk belijdt en Mozes voor hen bidt, wijst de Heere een ander middel aan: een koperen slang op een stang. Wie haar in geloof aanziet, blijft levend. Zo wees zij vooruit naar Christus, verhoogd aan het kruis. Een opgericht teken voor stervenden: zie op Hem en wordt behouden.

THEMA

Een opgericht teken voor stervenden

KERNPUNTEN

  1. Overwinning en opstand
  2. Belijdenis en bede
  3. Blik en behoud

NUMERI 21:4-9

4 Toen reisden zij van den berg Hor, op den weg der Schelfzee, dat zij om het land der Edomieten heen togen; doch de ziel des volks werd verdrietig op dezen weg.
5 En het volk sprak tegen God en tegen Mozes: Waarom hebt gijlieden ons doen optrekken uit Egypte, opdat wij sterven zouden in deze woestijn? Want hier is geen brood, ook geen water, en onze ziel walgt over dit zeer lichte brood.
6 Toen zond de HEERE vurige slangen onder het volk; die beten het volk; en er stierf veel volk van Israël.
7 Daarom kwam het volk tot Mozes en zij zeiden: Wij hebben gezondigd, omdat wij tegen den HEERE en tegen u gesproken hebben; bid den HEERE dat Hij deze slangen van ons wegneme. Toen bad Mozes voor het volk.
8 En de HEERE zeide tot Mozes: Maak u een vurige slang en stel ze op een stang; en het zal geschieden dat al wie gebeten is, als hij haar aanziet, zo zal hij leven.
9 En Mozes maakte een koperen slang en stelde ze op een stang; en het geschiedde als een slang iemand beet, zo zag hij de koperen slang aan en hij bleef levend.

VOLLEDIGE TEKST

De koperen slang (deel 21) - Numeri 21

ds. J. IJsselstein - Numeri 21:9

THEMA

Een opgericht teken voor stervenden

LITURGIE

Psalm 123:1,2

Lezen Numeri 21:1-9 Johannes 3:14-21

Psalm 106:12,13,14

Psalm 107:10,11

Psalm 34:3

Gemeente, de vorige keer begon het volk aan een achtendertig jaar durende zwerftocht in de woestijn. Waarbij iedereen van twintig jaar oud of ouder zou gaan sterven. Van hen mocht niemand het land Kanaän binnen. En dat vanwege hun ongeloof.

In Numeri 21 zijn die achtendertig jaar inmiddels voorbij. Dit is het veertigste jaar na de uittocht uit Egypte. Weer staan ze op het punt om het land Kanaän binnen te trekken. Zou het nu anders gaan? Zou het nu beter gaan? Zou deze nieuwe generatie anders zijn dan de vorige generatie? Ja, aan de ene kant wel, maar aan de andere kant lijken ze als twee druppels water op hun ouders en grootouders. Maar de HEERE, hun Verbondsgod, is ook niet veranderd.

We gaan dat vanmorgen samen zien in Numeri 21:1-9. We hebben dit gedeelte gelezen. Ik lees als samenvatting het negende vers: En Mozes maakte een koperen slang, en stelde ze op een stang; en het geschiedde, als een slang iemand beet, zo zag hij de koperen slang aan, en hij bleef levend. Later komt de Heere Jezus daarop terug, in het gesprek met Nicodemus, als Hij zegt: En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden. Opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe (Joh. 3:14-15).

Het thema voor de preek van vanmorgen is: Een opgericht teken voor stervenden

Er zijn drie aandachtspunten. We letten als eerste, kijkend naar vers 1-6 op: overwinning en opstand. Daarna als tweede, kijkend naar vers 7 op: belijdenis en bede. En daarna als derde, kijkend naar vers 8 en 9 op: blik en behoud. Dus: Een opgericht teken voor stervenden: 1. Overwinning en opstand 2. Belijdenis en bede 3. Blik en behoud En ik zal het accent vanmorgen vooral leggen bij dat laatste: blik en behoud – zien en leven.

1. Overwinning en opstand

Numeri 21 begint met een overwinning. Dat is nieuw! De Kanaänieten vallen Israël aan en nemen een paar mannen mee als krijgsgevangenen. Maar dan brengen de Israëlieten hun nood bij de HEERE. Dat deden hun ouders en hun grootouders niet. En ze beloven de Heere (in vers 2): Als U dit volk geheel in onze handen geeft, dan zullen we hun steden verwoesten. En de HEERE hoort: de Kanaänieten worden verslagen. En hun steden worden verbannen.

En dan trekken ze verder. Het is wel lastig, want de Edomieten laten hen niet door. En dus moeten ze een heel eind omlopen. In de richting van de Rode Zee… Dat voelt alsof ze na 40 jaar weer teruggaan. Was alles dan toch voor niets? En dan blijkt dat ze toch ook weer precies hetzelfde zijn als hun ouders en grootouders. Want ineens zijn ze er helemaal klaar mee. Vers 4 zegt: Doch de ziel des volks werd verdrietig op dezen weg. Verdrietig, ontmoedigd, ongeduldig.

Ze gaan boos naar Mozes toe en zeggen (zegt vers 5) tegen God en Mozes: Waarom hebt gijlieden ons doen optrekken uit Egypte, opdat wij sterven zouden in de woestijn? Want hier is geen brood, ook geen water, en onze ziel walgt over dit zeer lichte brood. Wat is dit een onredelijk verwijt. Hier is geen brood? Terwijl er iedere morgen weer manna ligt om op te rapen, waar ze heerlijke broden van kunnen bakken. En hier is geen water? Er stroomt heerlijk fris water uit de rots (waarop Mozes ooit moest slaan bij Rafidim). En (zeggen ze): onze ziel walgt over dit zeer lichte brood. Waardeloos, niet te eten. Je hoort het ze zeggen, jongens en meisjes: Pff, is het hier warm, ik ben moe, dit lust ik niet. Ik heb geen zin meer in… En dat zeggen ze tegen de Heere, tegen Mozes. Dat heeft de Heere niet verdiend – want Hij heeft altijd goed voor ze gezorgd. Het probleem zit bij hen – bij hun steeds maar weer zonden doen tegen God. Wat een onredelijke verwijten. Zoals ook onze verwijten, als wij die maken voor God en mensen, altijd onredelijk zijn. Immers, als we leven bij wat Jeremia zegt (Klaagl. 3:22): Het zijn de goedertierenheden des HEEREN, dat wij niet vernield zijn, dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben. Dan hebben we niets te klagen. Vers 6: Toen zond de HEERE vurige slangen onder het volk, die beten het volk; en er stierf veel volks van Israël. (Num. 21:6) Ineens is er gegil en gehuil in het tentenkamp van de Israëlieten: Au, nee, au! Ik word gebeten: niet door een lelijke steekvlieg, niet door een wesp, maar door een slang! Er zijn ineens heel veel vurige slangen in het tentenkamp, die mensen bijten met dodelijk gif. En dus worden in korte tijd heel veel mensen ziek en sterven.

a. Vurige slangen… die hen herinneren aan Egypte (waar ze zo graag naar terug willen). Want in Egypte was de slang een symbool van macht, van soevereiniteit, van: ik ben de baas – ik bepaal zelf wat ik doe! Daarom hadden farao’s en ook veel Egyptische goden op hun kronen ook de afbeelding staan van een slang, een cobra. b. En waren die slangen ook geen directe herinnering aan de ultieme vijand, de grootste vijand van de mens? Die ooit de slang gebruikte om de mens te verleiden tot zonde? Is de satan niet de ‘oude slang’ (Openb. 12:9)? Door God vervloekt. En zijn we niet allemaal gebeten door deze slang en vergiftigd door zonden? Onze kleinste kinderen worden in zonden ontvangen, in zonden geboren. En wie van ons (volwassenen) is niet tot op het bot aangetast door het gif van zonden? En zijn we daardoor niet allemaal gekomen onder de vloek (Gal. 3:10)?

En veroorzaakt dat slangengif van zonden ook niet dagelijks heel veel pijn in ons leven? Pijn van onvervuld verlangen, van eenzaamheid en stil verdriet… Pijn die we vaak even proberen te verdoven met wat plezier. Maar het is maar voor even, dan is het er weer. Die pijn, die uiteindelijk uitmondt in een pijnlijk en bitter sterven.

Leef daar bij, lieve mensen: ook wij zijn dodelijk gebeten. We hebben het gif van de zonde in onze aderen en kunnen (net als zij) ieder moment sterven. We zijn stervende mensen. Voelt u die pijn eigenlijk wel? Ziet u wel dat u gebeten bent? Beseft u wel dat u, die nog onbekeerd bent, in dodelijk gevaar bent?

Ineens, jongens en meisjes, zijn er vurige slangen in het tentenkamp die overal om zich heen bijten. Wat moeten ze doen, denk je? Precies, naar de Heere toegaan. En dat doen ze ook.

Dat gaan we zien in ons tweede aandachtspunt:

2. Belijdenis en bede

Belijdenis en bede. Ik bedoel: voorbede. Kijk maar in vers 7: Daarom kwam het volk tot Mozes, en zij zeiden: Wij hebben gezondigd, omdat wij tegen den HEERE en tegen u gesproken hebben; bid de HEERE, dat Hij deze slangen van ons wegneme. Toen bad Mozes voor het volk.

Ze hebben berouw over wat ze gedaan hebben. Ze zeggen: Wij hebben gezondigd, omdat wij tegen de HEERE en tegen u gesproken hebben. Mozes, wilt u vergeving voor ons vragen? Dus Mozes is voor hen iemand, die staat tussen God en hen. Een Middelaar, Die tussen hen en God in staat, een Voorbidder. Als beeld, als type van de Heere Jezus, de echte Middelaar. Die ook bad. Voor? Voor lieve mensen? Nee. Ja, Hij hield wél heel veel van ze. Maar de Bijbel zegt: Hij heeft voor overtreders gebeden (Jes. 53:12).

Later noemt Johannes Hem: de Voorspraak bij de Vader, Die bidt voor Zijn volk, terwijl Hij wijst op wat Hij voor zondaars gedaan heeft (1 Joh. 2:1). Dus, jongens en meisjes, als je met pijn in het hart voelt dat je zonden gedaan hebt, ga dan biddend naar de Heere toe, en vraag Hem om Jezus’ wil om vergeving. Dan zal de Heere je zonden ook vergeven. Want zo is de Heere: Hij hoort het gebed (Ps. 65:3). Psalm 34 zegt: Zij hebben op Hem gezien, ja, Hem als een waterstroom aangelopen; en hun aangezichten zijn niet schaamrood geworden (Ps. 34:6). Dus, mensen, als je bidt, bid dan met hoop. Want de Heere is een Hoorder van gebeden.

En hoe hoort en hoe verhoort de Heere dan? En dat is nog steeds zo: boven bidden en denken (Ef. 3:20). Hij geeft veel meer en veel betere dingen dan wij aan Hem vragen. Want wat vraagt het volk? Vers 7 zegt: Dat de Heere deze slangen van ons zal wegnemen. Dat zou bijzonder zijn, als de Heere dat zou doen. Maar… wat dan met alle mensen die al gebeten zijn? Die zullen dan alsnog sterven. En, vergeet niet, dan zouden wij ook het Evangelieteken in deze geschiedenis niet gezien hebben!

Trouwens, wat denk je, jongens en meisjes, zouden de Israëlieten zelf ook nog iets geprobeerd hebben om die pijnlijke slangenbeten (aan hun voet of been of hand) te genezen? Wat zou jij met zo’n slangenbeet doen? Misschien zou je proberen die zere plek heel strak te verbinden. Misschien zou je naar de dokter rennen (die hadden zij toen vast ook wel) om een drankje of een pilletje. Misschien zou je wegkruipen in een hoekje en huilend denken: dit komt nooit meer goed. Zou dat helpen?

Zulke dingen kan je ook proberen te bedenken, als je denkt aan je zondige hart. Je kan proberen heel ijverig je best te gaan doen, om geen zonden meer te doen. Je kan heel erg netjes gaan leven. Je kan ook denken: ik moet er gewoon niet meer aan denken, dan heb ik er ook geen last van. Laat ik proberen wat meer leuke dingen te gaan doen. Of… je kan ook in een hoekje gaan zitten huilen. Om? Dat weet je zelf eigenlijk ook niet. Zou dat helpen? Wordt jouw hart daar beter van?

Nee, er was maar één ding, waar zij beter van werden (en dan ook echt en helemaal). En als ze dat niet deden, dan moesten ze sterven. En dat was: in geloof kijken naar de koperen slang. En verder? Moesten ze verder nog iets doen? Nee, dat alleen! In geloof kijken naar de koperen slang, die Mozes aan een hele hoge paal zou gaan hangen. En die vooruit zou wijzen naar de Heere Jezus Christus. Die eeuwen later aan een andere paal gehangen zou worden, aan het kruis. Om zondige mensen met God te verzoenen.

Dat gaan we zien in ons derde punt: Blik (dat wil zeggen: de blik van je ogen, kijken dus), blik en leven. Maar we gaan eerst zingen uit Psalm 107:10 en 11: Doch riepen z' in d' ellenden Den HEER’ ootmoedig aan, Hij deed hun angsten enden, En hen 't gevaar ontgaan;

Laat zulken eer bewijzen Aan 's HEEREN gunst en macht, En al Zijn wond'ren prijzen Voor 't menselijk geslacht. - - - - -

Gemeente, het gaat in de preek van vanmorgen over: Een opgericht teken voor stervenden. We hebben als eerste gelet op: overwinning en opstand. Daarna op: belijdenis en voorbede. En nu gaan we verder met ons derde aandachtspunt:

3. Blik en behoud

Blik (kijken dus) en leven. Want in vers 8 en 9 staat: En de HEERE zeide tot Mozes: Maak u een vurige slang, en stel ze op een stang; en het zal geschieden, dat al wie gebeten is, als hij haar aanziet, zo zal hij leven. En Mozes maakte een koperen slang, en stelde ze op een stang; en het geschiedde, als een slang iemand beet, zo zag hij de koperen slang aan, en hij bleef levend.

Dus, wat zegt de Heere tegen Mozes? De mensen moeten het niet zelf gaan proberen. Ze moeten niet zelf allerlei pilletjes of drankjes gaan nemen. Ze moeten…? Alleen maar één ding: kijken! Kijken naar die koperen slang.

Zie je het voor je gebeuren? Mozes, hij krijgt vast hulp van een paar andere mannen, hij zet een lange paal omhoog en daaraan hangt een van koper gemaakte slang. En hij zegt: ‘Mensen, kijk en geloof. Dit is het middel dat God ons geeft om, als je gebeten bent, niet te hoeven sterven. En geloof me, een ander middel is er niet. Dit is wat God ons geeft. Kijk en geloof!’

Je kan je voorstellen, dat sommige mensen hard gelachen hebben: Natuurlijk gaat dat niet helpen. Anderen hebben er misschien wel heel goed over nagedacht: Zou dit kunnen? Anderen waren misschien kritisch: Had die slang niet beter van goud kunnen zijn in plaats van van koper? Is dit niet veel te gewoon? Maar er waren óók andere mensen. Die keken naar hun arm, naar hun hand, of naar hun voet of been, en dachten bij zichzelf: die wond, die twee gaatjes van de giftanden van die slang, dat wordt mijn dood. En ze voelden de pijn ook gloeien in hun lichaam.

Sommigen waren dicht bij de koperen slang, anderen heel ver weg. Sommigen waren jong, anderen al oud. Maar zegt de Bijbel: Het geschiedde, als een slang iemand(!) beet (wie het ook was!), zo zag hij de koperen slang aan (hij keek er aandachtig naar) en: hij bleef levend.

En die koperen slang, gemeente, was een beeld van Christus. De Heere Jezus zei het Zelf tegen Nicodemus: En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden (aan het kruis). Opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe (Joh. 3:14-15).

Die koperen slang (niet van goud maar van koper!) was een beeld van Christus. Die in de ogen van mensen ook veel te gewoon was. Daarom werd Hij veracht. Jesaja zegt: Hij had geen gedaante, noch heerlijkheid; als wij Hem aanzagen, zo was er geen gestalte, dat wij Hem zouden begeerd hebben (Jes. 53:2). We zagen niets in Hem. Waarvoor zouden we Hem nodig hebben? Maar hoewel Hij door veel mensen – en ook door ons – veracht werd, toch was het Gods bedoeling, Gods liefde en wijsheid, dat deze verachte Jezus de Redder zou worden van verloren zondaars.

Die koperen slang (zei ik) was een beeld van Christus. Want zoals Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, zo moest ook de Zoon des mensen verhoogd worden. Aan een houten paal, aan het kruis (Joh. 12:33-34). Maar, kon aan die paal dan niet beter een mooier dier hangen? Een leeuw? Of een lam? Maar geen slang, toch? Ja, juist wel slang. Om te wijzen naar de vloek, die de Heere Jezus zou gaan dragen om Zijn volk te verlossen van hun vloek. Want Dien Die geen zonde gekend heeft (schrijft Paulus), heeft Hij (God) zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem (2 Kor. 5:21). Christus heeft (zegt Paulus in Galaten 3:13) ons verlost van den vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons; want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk die aan het hout hangt (Gal. 3:13). En ons Avondmaalsformulier zegt: Hij heeft Zijn gezegend lichaam aan het kruis laten nagelen, opdat Hij het handschrift onzer zonden daaraan zou hechten; en heeft alzo de vervloeking van ons op Zich geladen, opdat Hij ons met Zijn zegening vervullen zou. Vandaar aan die paal: een vervloekte slang. Onze vloek…

Die koperen slang wees vooruit naar de toen nog komende Christus. Maar het was maar een beeld, een schaduw van Hem, Die in alles ver uitblonk boven die koperen slang. Want de verschillen tussen dit beeld en de werkelijkheid zijn groot. Die koperen slang was maar een stuk koper. Maar Christus is de Auteur, de Bewerker van de zaligheid zelf. Christus was en is de eeuwige God. En die koperen slang was alleen voor Israëlieten, maar Christus is gegeven tot een Licht van de wereld, tot een Banier voor de volken (Jes. 11:10, Joh. 9:5).

En die koperen slang verloste alleen van de tijdelijke dood, maar Christus verlost van de geestelijke en eeuwige dood. Hij zegt Zelf in Johannes 11: En een iegelijk die leeft en in Mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid (Joh. 11:26).

Dus Wie u voorgehouden wordt in de prediking overtreft in alle opzichten deze koperen slang. Wij steken in de prediking van het Evangelie de banier van Christus hoog op. Om Hem, ook nu hier, vanmorgen te verhogen! En wij zeggen: Wie dodelijk gebeten is door de slang en het gif van de zonde, en in geloof op Jezus ziet, hopend, vertrouwend, gelovend in Zijn wil en macht, die in Hem gelooft, die zal leven! Wij houden Christus in het Evangelie hoog voor u. Of zoals Paulus zegt in Galaten 3: Wij schilderen Hem voor uw ogen, als de Gekruisigde (Gal. 3:1). Als het enige, door God gegeven middel, tegen uw dodelijke zondekwaal. Wie dat middel destijds ongebruikt liet en verachtte, die stierf. En zo is het ook nu. Wie geen gebruik maakt van Christus, zal vroeg of laat voor eeuwig omkomen. En dus roep ik u vanmorgen in alle ernst op om aandachtig, met verlangen en vertrouwen, in geloof uw blik op Hem te slaan.

Laten we nu samen proberen te gaan kijken naar wat dat zien op Jezus inhoudt. Dat zien op Jezus, dat redt van de dood en dat leven geeft.

a. Het veronderstelt als eerste dat je je nood ziet, het dodelijk gevaar van je leven. Dat maakt het Evangelie niet voorwaardelijk. Immers, de Heere Jezus Zelf zegt: Die gezond zijn, hebben de medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn. Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering (Mark. 2:17). De Zaligmaker is beschikbaar voor iedereen. En iedereen is vrij om te komen en om te nemen van het water des levens om niet. Maar wie niet voelt dat hij dodelijk gebeten is door de zonde, die heeft geen behoefte om te kijken naar de koperen slang. Die heeft geen behoefte om te kijken naar Hem, van Wie Jesaja zegt: Zijn gezicht was verdorven, meer dan van iemand, en Zijn gedaante, meer dan van andere mensenkinderen (Jes. 52:15).

b. Dat zien op Jezus is als tweede een zien in geloof. Het is (dat begrijpt u) meer dan zien met je ogen, als met je zintuigen alleen. Het is een zien van de dingen die het natuurlijke oog niet ziet. Het is een zien met geestelijke ogen, verlicht door het krachtige werk van de Heilige Geest. Waardoor we niet als de voorbijgangers naar het kruis kijken en onze hoofden schudden (Mark. 15:29). Maar het is een zien op Jezus, zoals de Bijbelheiligen in het Oude Testament al deden, hoewel de Messias nog niet gekomen was. De apostel schrijft erover in Hebreeën 11: Deze allen zijn in het geloof gestorven, de beloften niet verkregen hebbende, maar hebben dezelve van verre gezien(!), en geloofd(!), en omhelsd, en hebben beleden, dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren (Hebr. 11:13). Dit zien op Jezus is niet een zien met je zintuigen, maar een zien in geloof.

c. En dus is dat zien als derde niet een zien met een vluchtige blik, maar het is een aandachtig kijken. Waarbij je ziel met heel haar wezen overdenkt en overweegt de unieke, de uitnemende waarde van dit door God gegeven middel. Met heel je bestaan geboeid door Wie je ziet: zoveel schoonheid, zoveel heerlijkheid heb je nog nooit gezien! Waardoor je hart uitroept met de bruid uit Hooglied 5: Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk. Zulk een is mijn Liefste, ja, zulk een is mijn Vriend, gij dochteren van Jeruzalem (Hoogl. 5:16). Zo onmisbaar, zo kostbaar, zo heerlijk, zo boven alles uitstijgend. Niet alleen voor anderen, maar ook voor mij! Zo heerlijk, waardoor je met Paulus zegt: Ja gewisselijk, ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus, mijn Heere; om Wiens wil ik al die dingen schade gerekend heb, en acht die drek te zijn, opdat ik Christus moge gewinnen (Filip. 3:8). De Parel van grote waarde.

d. Dat zien op Jezus is als vierde dus ook een zien met toepassing voor je eigen hart en leven. Waarbij je geen algemene waarheden overdenkt en toestemt, maar waarbij je hart – overtuigd door de Heilige Geest – in Hem het leven ziet voor je eigen ziel. En alles wat je nodig hebt voor je eigen ellendige en verloren hart.

e. Dat zien op Jezus is als vijfde dus ook een zien met verlangen en ook met vertrouwen. Je proeft het in het gebed van koning Jósafat, als hij bidt in grote nood: Want in ons is geen kracht tegen deze grote menigte, die tegen ons komt; en wij weten niet, wat wij doen zullen, maar onze ogen zijn op U (2 Kron. 20:12). Je proeft dat verlangen en vertrouwen ook in Psalm 123: Zie, gelijk de ogen der knechten zijn op de hand van hun heren, gelijk de ogen der dienstmaagd zijn op de hand van haar vrouw, alzo zijn onze ogen op de HEERE onze God, totdat Hij ons genadig zij (Ps. 123:2).

Maar wat moeten er tegelijkertijd in je hart veel weerstanden overwonnen worden. Je moet alles van jezelf schade en drek leren achten (Fil. 3:8). Je moet al je pogingen om jezelf te genezen opgeven (Luk. 8:43). Je moet al je hoop en al je vertrouwen loslaten, op alles wat geen Christus is. Je verzet moet gebroken worden. Je wil moet gebogen worden. Om uiteindelijk (gedrongen door het innerlijke werk van de Heilige Geest) van harte in te stemmen met wat zo vernederend is voor je eigen ik. Om van harte in te stemmen met Gods plan om mensen zalig te maken. Door een verachte Jezus, Die aan een kruis verhoogd werd om zondaars zalig te maken. Om zondaars zalig te maken! Wie tot dat niveau niet vernederd is, die wil niet zien op Jezus.

Maar zalig hij, zalig zij, die zo, diep buigend, door Gods genade leert om te zien op Jezus. Met verlangen, met vertrouwen en met geloof ziend op de Zaligmaker van zondaars. Zalig hij, zalig zij, die Hem zo mag aanbidden, mag omhelzen en zo mag aannemen – de verhoogde, gekruisigde Christus – en die mag zeggen: U bent ook mijn Heere, U bent ook mijn God (Joh. 20:28).

Geliefde gemeente, kijk eens eerlijk in uw hart. 1. Zijn ooit uw ogen geopend voor uw dodelijke kwaal? Bent u ooit door het Evangelie geprikt in uw hart? Wat u liet uitroepen: wat moet ik doen om zalig te worden? (Hand. 2:37) 2. Bent u ooit daarom (om de ellende van uw hart en leven) heerlijkheid en schoonheid gaan zien in Jezus? 3. Hebt u ooit geleerd om uw hoop op alles buiten Hem op te geven? 4. Is uw hart ooit gewillig gemaakt om als rechteloze zondaar tot Hem te vluchten? In vertrouwen, met verlangen, in geloof? Uitroepend: Heere, help mij! Zoon van David, ontferm U ook over mij!

Want het helpt u niet, als u verlost wilt worden van uw dodelijke zondekwaal, om te praten over Jezus, zonder Hem te kennen als de Zaligmaker, ook van deze zondaar. Het helpt u niet, om met uw verstand een beslissing te nemen, om naar deze hemelse Dokter te gaan met de mededeling: ik geloof in U. De vraag is: Bent u ook Zijn patiënt geworden? Het helpt u niet om een zekere mate van interesse in en van bewondering voor Jezus te hebben. U hebt Hem persoonlijk nodig als Zaligmaker voor uw stervende ziel.

Laat ik me tot slot nog tot een paar soorten mensen richten. a. Als eerste, kinderen van God, geliefde medechristenen, ooit hebben we voor het eerst (in de nood van ons leven) in geloof gekeken naar de koperen slang, onze hoop op Christus gesteld. Laten we niet vergeten dat we iedere dag weer gebeten worden door de zonde. En dat we ons dus dagelijks voor God moeten verootmoedigen. En dat we dus dagelijks op Christus moeten zien.

b. Als tweede, mensen met gebroken harten (die zijn er), luister: het zien, het voelen van uw schuld is reden genoeg om op Jezus te zien. U zegt (met de stokbewaarder): Wat moet ik doen? Ik zeg: Geloof in de Heere Jezus Christus, en u zult zalig worden, u en uw huis (Hand. 16:31). Zo zegt de HEERE: Wendt U naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde! want Ik ben God, en niemand meer (Jes. 45:22).

c. Er zijn als derde ongetwijfeld ook mensen onder ons, die misschien al jarenlang bezig zijn om een ander geneesmiddel uit te vinden, in plaats van dat wat de Heere ons gegeven heeft. Stop daar maar mee. Dat andere middel gaat u niet vinden, dat gaat u nooit vinden. Want: De zaligheid is in geen ander; want er is ook onder de hemel geen andere naam, die onder de mensen gegeven is, door welken wij moeten zalig worden (Hand. 4:12). Zie, het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt (Joh. 1:29).

d. Er zijn als vierde in de kerk ongetwijfeld ook mensen, die nooit een blik op Christus hebben geslagen, zoals hier bedoeld wordt. Die nooit een blik op Hem hebben willen slaan.

U hebt over Hem gehoord, u hebt veel over Hem gehoord. Soms raakte het u, maar dat ging weer voorbij. Lieve mensen, hoewel ik weet dat niemand van zichzelf waarde zal zien in de gekruisigde Jezus, toch hef ik met vrijmoedigheid en met vertrouwen op Gods almacht de banier van het Evangelie en van Christus daarin voor u omhoog. En zeg: Zie op Hem! Ook u! Zie op Hem en wordt behouden!

Wat zie je, met een onbekeerd, verhard en onwillig hart, in de koperen slang? In de gekruisigde Christus. Kijk goed! Een beeld van je dodelijke zondebeet. Daarom moest Christus de toorn van God dragen en de dood sterven. Een beeld van je dodelijke zondebeet. En een beeld van het Egypte van de zonde, waar je je nog steeds thuis voelt. Want die slang (zei ik in het begin) is ook symbool van: ik bepaal zelf wel wat ik doe!

Laat je ontdekken, mensen, aan je dodelijke zondekwaal. Bid om het werk van de Heilige Geest in je hart. Kom tot inkeer, bekeer je en vlucht ermee tot Christus. En sla je blik, in de nood van je leven, met verlangen, met vertrouwen en in geloof op Hem. Op de gekruisigde Zaligmaker. Dan zult ook u, ook jij, in Hem iets gaan zien van Zijn heerlijkheid, vol van genade en waarheid voor stervende zondaars.

Amen.

Slotzang Psalm 34:3

Zij sloegen 't oog op God; Zij liepen als een stroom Hem aan. Hij liet hen nimmer schaamrood staan, En wendde straks hun lot. Hij die door smart op smart Gedrukt werd, zond tot God zijn beê; Terstond verdween 't ondraagbaar wee, Uit zijn benepen hart.