8 oktober 2023
2 Koningen 6:5-6: En het geschiedde als een het timmerhout velde, dat het ijzer in het water viel; en hij riep en zeide: Ach, mijn heer; want het was geleend. En de man Gods zeide: Waar is het gevallen? En toen hij hem de plaats gewezen had, sneed hij een hout af en wierp het daarheen en deed het ijzer bovenzwemmen.
INLEIDING
Bij de drijvende bijl in 2 Koningen 6:1-7 verschijnt Gods wonderbare zorg voor wie in nood roepen: 'Ach, mijn heer; want het was geleend' (2 Kon. 6:5). Dit wonder toont dat de Heere zelfs het kleinste verlies hoort en herstelt — een troost voor allen die hun geestelijke schat hebben verloren en Gods genade inroepen.
Het wonder van de drijvende bijl
2 KONINGEN 6:1-7
1 En de kinderen der profeten zeiden tot Elísa: Zie nu, de plaats waar wij wonen voor uw aangezicht, is voor ons te eng.
2 Laat ons toch tot aan de Jordaan gaan en elk vandaar een timmerhout halen, dat wij ons daar een plaats maken om er te wonen. En hij zeide: Gaat heen.
3 En er zeide een: Het believe u toch te gaan met uw knechten. En hij zeide: Ik zal gaan.
4 Zo ging hij met hen. Als zij nu aan de Jordaan gekomen waren, hieuwen zij hout af.
5 En het geschiedde als een het timmerhout velde, dat het ijzer in het water viel; en hij riep en zeide: Ach, mijn heer; want het was geleend.
6 En de man Gods zeide: Waar is het gevallen? En toen hij hem de plaats gewezen had, sneed hij een hout af en wierp het daarheen en deed het ijzer bovenzwemmen.
7 En hij zeide: Neem het tot u op. Toen stak hij zijn hand uit en nam het.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - 2 Koningen 6:5-6
THEMA
Het wonder van de drijvende bijl
AANDACHTSPUNTEN
Geliefde gemeente, de preek van vanmorgen gaat over 2 Koningen 6:1-7En de kinderen der profeten zeiden tot Elisa: Zie nu, de plaats, waar wij wonen voor uw aangezicht, is voor ons te eng. Laat ons toch tot aan de Jordaan gaan, en elk van daar een timmerhout halen, dat wij ons daar een plaats maken, om er te wonen. En hij zeide: Gaat heen. En er zeide een: Het believe u toch te gaan met uw knechten. En hij zeide: Ik zal gaan. Zo ging hij met hen. Als zij nu aan de Jordaan gekomen waren, hieuwen zij hout af. En het geschiedde, als een het timmerhout velde, dat het ijzer in het water viel; en hij riep, en zeide: Ach, mijn heer, want het was geleend. En de man Gods zeide: Waar is het gevallen? En toen hij hem de plaats gewezen had, sneed hij een hout af, en wierp het daarhenen, en deed het ijzer boven zwemmen. En hij zeide: Neem het tot u op. Toen stak hij zijn hand uit, en nam het,. Het is een kort Bijbelgedeelte, daarom zal ik het nog een keer in zijn geheel voorlezen. 2 Koningen 6:1-7: En de kinderen der profeten zeiden tot Elísa: Zie nu, de plaats waar wij wonen voor uw aangezicht, is voor ons te eng. Laat ons toch tot aan de Jordaan gaan en elk vandaar een timmerhout halen, dat wij ons daar een plaats maken om er te wonen. En hij zeide: Gaat heen. En er zeide een: Het believe u toch te gaan met uw knechten. En hij zeide: Ik zal gaan. Zo ging hij met hen. Als zij nu aan de Jordaan gekomen waren, hieuwen zij hout af. En het geschiedde als een het timmerhout velde, dat het ijzer in het water viel; en hij riep en zeide: Ach, mijn heer; want het was geleend. En de man Gods zeide: Waar is het gevallen? En toen hij hem de plaats gewezen had, sneed hij een hout af en wierp het daarheen en deed het ijzer boven zwemmen. En hij zeide: Neem het tot u op. Toen stak hij zijn hand uit en nam het.
Het thema voor de preek van vanmorgen is: Het wonder van de drijvende bijl
We letten samen op vier aandachtspunten. Namelijk op: 1. Ontvangen zegen (vers 1-2) 2. Dringend verzoek (vers 2-3) 3. Grote nood (vers 4-5) 4. Reddende zorg (vers 6-7) Als eerste dus:
En de kinderen — of eigenlijk: de zonen — der profeten zeiden tot Elisa: Zie nu, de plaats, waar wij wonen voor uw aangezicht, is voor ons te eng. Laat ons toch tot aan de Jordaan gaan, en elk van daar een timmerhout halen, dat wij ons daar een plaats maken, om er te wonen.
Het is geen gemakkelijke tijd, de tijd van Achab, Izebel en Joram. Hoewel er na de dood van koning Achab misschien wel wat meer rust gekomen is. Joram is koning. Maar Izebel is op de achtergrond nog steeds springlevend.
Maar ondanks deze moeilijke tijd is er toch in deze gemeente van Godvrezende Joden een zekere bloei te zien. De plaats waar zij wonen en studeren, de plaats waar zij met hun gezinnen samenkomen, is te klein geworden. De profetenschool bloeit. Er zijn steeds meer studenten op het seminarie, op de theologische school. Dat is een teken van bloei van de kerk. Het is een teken en een bewijs dat de Heere doorgaat met Zijn werk.
En God heeft hun ook Elisa gegeven, een man Gods. Er is dus sprake van een dubbele zegen. Het is nog niet zo lang geleden dat Elia zuchtend onder de jeneverboom zat en zei: Heere, neem mijn ziel maar weg. Ik ben alleen overgebleven. En nu zien we dit: de plaats waar zij studeren en samenkomen is te klein geworden! God is een God van wonderen. Hij houdt Zijn kerk in stand. Hun plaats van samenkomst is te klein, dus zeggen zij: Laat ons toch tot aan de Jordaan gaan en elk vandaar een timmerhout halen, dat wij ons daar een plaats maken om er te wonen.
Dat zeggen zij tegen Elisa, de man die hun het Woord en de wil van de Heere vertelt. Zij leggen hun plannen, hun bouwplannen, aan Elisa voor. En daarmee leggen zij ze aan de Heere voor. Zoals ook wij onze plannen altijd aan de Heere moeten voorleggen. Doe jullie dat ook, jongens en meisjes? Als je weer eens een goed idee denkt te hebben. Vraag je dan: ‘Heere, wat vindt U hiervan?’ Jullie, jongelui? Vraag je dan (niet alleen als je het zelf niet meer weet, maar ook en vooral, als je het zelf wel denkt te weten), vraag je dan: ‘Heere, wat is Uw wil? Wat wilt U dat ik doen zal?’ Ken Hem in al je wegen, dan zal Hij je paden recht maken (Spr. 3:6Ken Hem in al uw wegen, en Hij zal uw paden recht maken.).
En u, volwassenen, ouderen? Wordt ons leven gedragen door de eenvoudige regel van Psalm 25: Heere, ai, maak mij Uw wegen door Uw woord en Geest bekend? Eigen wegen zijn zo vaak dwaalwegen. Beter als een blinde geleid worden op een weg die ik zelf niet gekend heb, dan als een muilezel mijn eigen weg gaan.
Geldt dit ook niet in het kerkelijke leven? Moeten we ook daar niet áltijd onze plannen aan de Heere voorleggen?
En hoe doen zij dat? Er vallen in ieder geval een paar dingen op aan deze mannen. En daarmee zijn zij in hun levenswandel een voorbeeld voor ons als gemeente, en ook voor ons als ambtsdragers.
a. Zij zijn (als eerste) arm. Zij hebben geen geld om een aannemer in te huren. En dus onderbreken zij een tijdje hun studie om zelf te gaan bouwen. Gereedschap, dat moeten ze huren. Maar gebrek aan geld zal de voortgang van het Woord
niet hinderen, als wij met weinig tevreden zijn. Niet ons gebrek aan geld, maar ons gebrek aan gebed is dodelijk voor ons kerkelijke leven. Het gaat niet goed als wij onze noden en zorgen, als wij onze gedachten en plannen, niet meer aan God voorleggen.
b. Zij zijn (als tweede) ook nederig. Deze studenten zijn niet te beroerd om iets te vragen. Dit zijn geen betweters. Zij hebben ook geen hoge ambities voor het uiterlijk van hun theologische school. Zij hakken hout en zij bewerken het met geleend materiaal.
c. Ze zijn (als derde) ook ijverig. Zij steken de handen uit hun mouwen.
d. Ze hebben (als vierde) ook grote eerbied voor Elisa. Voor de man die God hun gegeven heeft. En daarin zijn ze een voorbeeld, gemeente, voor hoe wij om moeten gaan met onze ambtsdragers. Die ook aan ons door God gegeven zijn. Om ons door Zijn Woord te onderwijzen, te leiden en te leren. Wij, als ambtsdragers, zijn hier niet om volgens een mooie traditie op een bankje voorin de kerk te zitten. We zijn hier om u vanuit Gods Woord en geleid door Zijn Geest, met liefde en bewogenheid de raad en wil van God mee te delen.
Laat ik het concreet maken. Zo concreet als het is in deze geschiedenis. Als je belangrijke levensvragen hebt, als je op een kruispunt van je leven niet weet wat je moet doen, maar vooral als je vastzit in geestelijke vragen en nood… Wat doe je dan? Jongelui, wat is je plan van aanpak? ‘Bijbellezen.’ Goed. Biddend zoeken in je Bijbel: Heere, laat U het mij zien, laat U het mij lezen: wat moet ik doen? Bijbel lezen, bidden… En verder?
Je kunt óók een ambtsdrager, een kind van God, vragen. Eén van deze broeders (die samen de kerkenraad uitmaken), die God daarvoor aangesteld heeft. Zij zullen je niet hun eigen mening geven, maar samen met je biddend zoeken in het Woord van de Heere. En biddend je probleem aan de Heere voorleggen.
En denk dan niet: ‘Nou, dit is eigenlijk veel te klein, veel te onbelangrijk. Daar zal ik de Heere, daar zal ik de broeders maar niet mee lastigvallen.’ Want niets is voor de Heere te klein of te onbetekenend. Net als hier: geen bouwplan, en straks zelfs geen bijl.
Komt er dan altijd het antwoord dat je eigenlijk graag wilt horen? Nee, maar ik verzeker je: je krijgt wel altijd het béste antwoord. Want Gods ‘nee’ is soms, is vaak veel beter voor mij dan mijn ‘ja’. Maar het gaat er vooral om: wat is tot eer van de Heere, en dus ook voor mijn ziel uiteindelijk het allerbeste.
Maar één ding is in de Bijbel glashelder: bidders om vergeving van zonde, die laat God nóóit staan. Als het gaat om de schuld van je hart, om je onbekeerd leven, om je vergeten van God, dan geldt de belofte: Wie Mij vroeg en ijverig zoekt, zal Mij vinden.
God biedt wat dit betreft zekerheid, je krijgt — om zo te zeggen — garantie. Want de Heere zegt: Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden (Luk. 11:9En Ik zeg ulieden: Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden.).
Voor Elisa is het helder: dit, wat de studenten van de profetenschool vragen, dat is een goed plan. Hij geeft zijn goedkeuring. Hij zegt: Gaat heen. Maar kennelijk zijn de mannen daar niet helemaal tevreden mee. Zoals we zien in ons tweede punt.
Want we lezen in vers 2 en 3: En hij (Elisa) zeide: Gaat heen. En er zeide één (van de profetenzonen): Het believe u toch te gaan met uw knechten. En hij zeide: Ik zal gaan.
Deze man wil niet zonder Elisa aan het werk. Hij is zich er diep van bewust: dit is iets wat ik, wat wij, in eigen kracht niet kunnen. Elisa móet mee. De drager van het Woord van God. De vertegenwoordiger van God. En dus, dat is de achtergrond van zijn verzoek: De God van Elisa Zelf moet mee. Anders loopt het op niets uit.
Dit doet denken aan het moment waarop de Heere tegen Mozes zegt: Ik zal een engel voor uw aangezicht zenden. Niet Ikzelf, maar een engel. Want Israël had gezondigd. Ze hadden zich gebogen voor het gouden kalf. En wat zegt Mozes dan? Nu dan, ik bidde, indien ik genade gevonden heb in Uw ogen, zo laat mij nu Uw weg weten (…). Indien Uw aangezicht niet medegaan zal, doe ons van hier niet optrekken (Exod. 33:13Nu dan, ik bidde, indien ik genade gevonden heb in Uw ogen, zo laat mij nu Uw weg weten, en ik zal U kennen, opdat ik genade vinde in Uw ogen; en zie aan, dat deze natie Uw volk is!, 15). Laat Uw aangezicht toch met ons meegaan. Dat wil zeggen: gaat U toch Zelf met ons mee. Want ik, Mozes, en wij, het volk Israël, kunnen niet zonder U.
Is dat ook de taal van ons hart? Broeders, profetenzonen, ambtsdragers, als wij samen nadenken, als wij besluiten moeten nemen over de toekomst van kerk en gemeente? ‘Het believe U, Heere, toch te gaan met Uw knechten.’ Als we op diaconaal bezoek gaan, als we op huisbezoek gaan: ‘Het believe U, Heere, toch te gaan met Uw knechten. Wij kunnen, wij zullen niet gaan, voordat U zegt, voordat U belooft: Ik zal voorzeker met u zijn…?’
Is dat ook de taal van uw hart, van jullie hart? Gemeente, ouderen en jongeren, bij alles wat u doet? ‘Heere, wijs mij toch Uw weg?’ Maar meer nog: ‘Heere, het is een zegen dat U mij de weg wijst, om dit of dat te doen, maar alstublieft niet zonder Uzélf. Heere, alstublieft, gaat U toch met ons mee. Want wij hebben niet in de eerste plaats Uw zegen nodig. Wij hebben U nodig!’
Is dat ook niet zo in het geestelijke leven? In tijden van moeite, van ongeloof en strijd, van twijfel en aanvechting? We kunnen zo naar onszelf toe bidden om rust, om licht, om vrede. Maar laten we maar bidden om God. Om Christus. Want als Hij verschijnt, als de Heere komt, dan brengt Hij alles mee.
Vindt u dit trouwens geen bijzondere blijk van Gods voorzienigheid? Hoe vaak kijken we niet met verwondering terug, op dingen die de Heere van tevoren al klaargelegd had? Al geregeld had om voor ons te zorgen in tijden van zorg en verdriet? God is hier al bezig, voordat zij weten dat zij straks een probleem zullen hebben. Voordat zij roepen, antwoordt de Heere. Door Zelf met hen mee te gaan.
Ons derde punt:
Vers 4 en 5: Zo ging hij met hen. Als zij nu aan de Jordaan gekomen waren, hieuwen zij hout af. En het geschiedde als een het timmerhout velde, dat het ijzer in het water viel; en hij riep en zeide: Ach, mijn heer; want het was geleend.
Zij gaan mét Elisa, zij gaan mét God. Is dat een garantie voor een rustig, ongestoord leven? Nee. De mensen die zonder God gaan, zegt Asaf, hebben vaak geen banden tot hun dood toe (Ps. 73:4Want er zijn geen banden tot hun dood toe, en hun kracht is fris.). Maar degenen die God vrezen, zegt Paulus, moeten door veel verdrukkingen ingaan in het Koninkrijk Gods (Hand. 14:22Versterkende de zielen der discipelen, en vermanende, dat zij zouden blijven in het geloof, en dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk Gods.). En dat is ook nodig. Want die de Heere liefheeft, kastijdt Hij (Hebr. 12:6Want dien de Heere liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt een iegelijken zoon, die Hij aanneemt.).
Hoe? Dat is bij iedereen verschillend. Dat kan zijn door ziekte, door een ongeluk, door problemen, door verdriet, of door zoveel andere dingen meer. Maar, jongens en meisjes, als je een kind van de Heere mag zijn, weet je dat die moeilijke dingen je toekomen uit de hand van een liefhebbende Vader. De Heidelbergse Catechismus zegt in Zondag 10 dat ziekte en gezondheid, regen en droogte, voorspoed en tegenspoed, dat komt alles uit Gods Vaderlijke hand.
Is dat moeilijk, zeg je? Ja. Dat kan moeilijk zijn. Maar als de Heere er maar bij is. En als je maar weet dat je op weg bent naar Hem. Als Mozes aan het einde van zijn leven is, vertelt hij terugkijkend aan het volk Israël waarom de Heere zoveel moeilijkheden op hun weg door de woestijn geplaatst heeft. Hij zegt tegen het volk Israël: En u zult gedenken (u zult terugdenken) aan al de weg die u de HEERE uw God deze veertig jaar in de woestijn geleid heeft; opdat Hij u verootmoedigde, om u te verzoeken, om te weten wat in uw hart was, of gij Zijn geboden zoudt houden of niet. Dus, waarom al die moeilijke wegen? Om het volk Israël, om ons te leren wat er in ons hart is.
Hij gaat verder en zegt: En Hij (dat is de Heere Zelf) verootmoedigde u en liet u hongeren, en spijsde u met het Man, dat u niet kende, noch uw vaderen gekend hadden; opdat Hij u bekendmaakte, dat de mens niet alleen van het brood leeft, maar dat de mens leeft van alles wat uit des HEEREN mond uitgaat. Dus, waarom die moeilijke wegen? Om hen, om ons te brengen bij het Woord.
Uw kleding (zo gaat Mozes verder) is aan u niet verouderd, en uw voet is niet gezwollen, deze veertig jaar. Bekent dan in uw hart, dat de HEERE, uw God, u kastijdt, gelijk als een man zijn zoon kastijdt (Deut. 8:2-5En gij zult gedenken aan al den weg, dien u den HEERE, uw God, deze veertig jaren in de woestijn geleid heeft; opdat Hij u verootmoedige, om u te verzoeken, om te weten, wat in uw hart was, of gij Zijn geboden zoudt houden, of niet. En Hij verootmoedigde u, en liet u hongeren, en spijsde u met het Man, dat gij niet kendet, noch uw vaderen gekend hadden; opdat Hij u bekend maakte, dat de mens niet alleen van het brood leeft, maar dat de mens leeft van alles, wat uit des HEEREN mond uitgaat. Uw kleding is aan u niet verouderd, en uw voet is niet gezwollen, deze veertig jaren. Bekent dan in uw hart, dat de HEERE, uw God, u kastijdt, gelijk als een man zijn zoon kastijdt.). Dus, waarom die moeilijke wegen? Om hen, om ons Gods Vaderlijke liefde in die kastijding te laten voelen. Tot ons nut, opdat wij Zijn heiligheid deelachtig zouden worden.
Dus door die moeilijke wegen wil God dat wij onszelf leren kennen. Dat we gaan zien wat er werkelijk leeft in ons hart. Maar ook dat we God gaan leren kennen. En dat wij Zijn Christus gaan kennen, de enige Redder in nood.
Tot nu toe is alles prima verlopen. Elisa is meegegaan. De mannen zijn hard aan het werk gegaan. Maar…, ineens ontstaat er grote verlegenheid. Terwijl een van de mannen bezig is om met zijn bijl een boom om te hakken, vliegt plotseling het ijzer van de houten steel… Zijn ogen volgen met schrik het kostbare metaal… Plons! In het water van de Jordaan. Weg… Kwijt… Het water stroomt weer door. De bijl is verdwenen.
Je zou zeggen: Man, ga gewoon naar de Praxis en haal een nieuwe. Maar ijzer was in die tijd heel erg kostbaar. En bovendien, dit is niet zijn eigen bijl. Hij heeft hem geleend. Hij zal hem na gebruik weer terug moeten geven. Maar nu moet hij hem dus terugbetalen… Maar, jongens en meisjes, hij heeft geen geld. Anders had hij ook niet hoeven te werken met een geleende bijl. En dus zit hij vanaf nu diep in de problemen, diep in de schulden.
En we weten uit een paar hoofdstukken hiervoor, hoe de schuldeisers in die tijd waren. Zij eisen terugbetaling, en desnoods nemen ze je kinderen mee als slaven, om voor je te werken.
Groot was de zegen. Zij hebben het aan de Heere gevraagd. De man Gods is meegegaan. Ze zijn aan het werk gegaan, in dienst van God. Maar ineens vliegt er een bijl door de lucht en ligt de bouw stil.
Ineens is je weg geblokkeerd. Het ging zo goed. Het ging zo voorspoedig. Maar ineens is het voorbij. Ineens raak je iets kwijt. Je was er dankbaar voor. Je was er misschien ook wel een beetje trots op: je gezondheid, je huwelijk, je huis, je auto, je carrière, je ambt. Maar ineens breekt het. Ineens is het voorbij. En ineens flitst het door je heen: het was geleend.
Als een indringende waarschuwing! Alles wat je hebt, is geleend. En de tijd komt, dat je niet alleen dit, maar alles moet teruggeven.
Gemeente, beschouw dat wat je hebt, niet als een permanent bezit. Leef in het besef dat je op weg bent naar de eeuwigheid. En dat je vroeg of laat alles uit handen moet geven. Straks is ineens je genadetijd, die ook geleend is, voorbij.
Ineens besef je het. Je ogen gaan open. God doet je ogen open: je bent iets kwijt. En het was geleend. Je moest er zuinig op zijn, je moest het bewaren. Maar dat heb je niet gedaan. Je droeg het beeld van God. Maar je bent het kwijt, je hebt het verloren. Je bent zelf verloren…
Ineens realiseer je je, ook na ontvangen genade: ik had zoveel gekregen, maar nu… Nu God Zijn aangezicht verbergt, ben ik verschrikt. Ik ben God kwijt.
‘Probeer het op te lossen! Man, spring in het water! Zwemmen en zoeken die bijl! Graaf in de modder op de bodem van de Jordaan! Je zult hem vinden!’ Zoals u dat misschien ook al tijden probeert te doen: zwemmen, zoeken, in de modder van je verloren leven, naar wat je kwijtgeraakt bent. Pas op, je kunt verdrinken… Volg het voorbeeld van deze man. De nood treft zijn hart, en… hij roept. Hij roept tot de man Gods, en daarmee roept hij tot God Zelf. Kijk maar in vers 5b: En hij riep, en zeide: Ach, mijn heer, want het was geleend.
Hij roept. Hij vlucht met zijn nood tot Elisa, en dus tot de God van Elisa. Zoals de dichter dat ook doet in Psalm 141, de psalm die we samen gaan zingen: Psalm 141:4: 'k Roep, HEER’, in angst tot U gevloden, Ai, haast U tot mijn hulp en red; Hoor naar de stem van mijn gebed, Daar ik U aanroep in mijn noden.
- - - - -
Het ijzer van de bijl suist door de lucht, en plonst in het water. Weg. Kwijt. Verwarring…, verdriet…, zorg… Want hij was geleend. En nu ben ik hem kwijt. Ik kan hem niet terugbetalen…
Als je ziet dat het geleende goed van dit leven je ontvalt… Als het vuur van je ijver in de dienst van de Heere, zoals bij deze profetenzoon, plotseling breekt door een wegvliegende bijl… Als je ziet dat je geleende genadetijd je dreigt te ontvallen… Als je ogen geopend worden, en je ziet dat je het glinsterende edelmetaal, het beeld van God, verloren hebt. Omdat je dat hebt laten wegzinken in de diepte van de modder van de zonde… Doe dan wat deze man doet! Hij roept: Ach, mijn heer, want het was geleend.
Hij roept tot Elisa. Wat een wonder van Gods voorzienigheid trouwens, dat Elisa ter plaatse is. Maar door Elisa heen, roept hij tot God. Die altijd ter plaatse is.
Gemeente, dit mag u ook: roepen. Niet alleen als het gaat om heel grote dingen. Dat is juist het wonderlijke van deze geschiedenis. De geschiedenissen hiervoor en hierna gaan over Gods zorg in het grote van de wereldpolitiek. In 2 Koningen 5 gaat het om de redding van de machtige Naäman. En hierna gaat het om de redding uit een geweldig militair conflict met Syrië. En daartussen bemoeit God Zich met het ijzer van een bijl… Zo ook met onze kleine, persoonlijke zorgen. Gods grootheid is realiteit en blijkt in Zijn zorg voor het kleine.
Jongens en meisjes, je mag bij alles wat je moeilijk vindt, bidden, roepen: ‘Ach, Heere, help mij toch. Ik heb ruzie, ik weet niet hoe ik het moet oplossen. Mijn rekenen gaat niet goed, mijn schrijven lukt niet. Ach, Heere, help me toch!’
Jongelui, er is geen ding waarvoor je niet stil mag roepen: ‘Ach, Heere!’ En de Heere hoort. Zo ook u, ouderen: de Heere hoort zelfs het geroep van de jonge raven, dan zeker ook het geroep van ouderen.
Ach, mijn… Heere. Want de Heere is toch geen vreemde, onbekende God? Geen onbereikbare Boeddha, geen afwezige Brahma of Shiva? Wij hebben Hem wel verlaten. Maar Hij zegt in Zijn trouw nog steeds: ‘Ik ben de Heere, uw God.’ En dus mag u roepen: ‘Mijn Heere, mijn Schepper, ik heb U verlaten. Ik ben U kwijtgeraakt. Ik ben door eigen schuld Uw beeld verloren. Maar nu, nu zie ik de grootheid van mijn zorg, van mijn schuld. Heere, red mij!’
En zelfs als je je nood niet ziet, dan mag je toch roepen. En zal je antwoord krijgen. Als je roept: ‘Heere, ik weet niet, ik zie niet wat ik kwijt ben, maar help mij!’ Op uw noodgeschrei, zegt de Heere, doe Ik grote wonderen. Zo is God.
Elisa is een man vol betrokkenheid en medelijden. Maar Christus (en in Hem zien we Wie en hoe God Zelf is), Hij is zoveel meer: betrokken, bewogen en vol van diep medelijden. Hij kan en wil en zal in nood, zelfs bij het naderen van de dood, volkomen uitkomst geven.
En de weg waarin, en het middel waardoor wij die uitkomst kunnen krijgen, is de weg van dit roepen: Ach, mijn Heere! Op die roep zal God wonderen doen, ook in jouw of uw leven. Als u uw nood maar bij Hem brengt. Dat laatste zien we in het vierde punt:
Ik lees vers 6 en 7: En de man Gods zeide: Waar is het gevallen? En toen hij hem de plaats gewezen had, sneed hij een hout af, en wierp het daarhenen, en deed het ijzer boven zwemmen. En hij zeide: Neem het tot u op. Toen stak hij zijn hand uit, en nam het.
Elisa, de man Gods, zegt: Waar is het gevallen? En hij wees hem de plaats. De vraag is dus: waar ben je het verloren? Waar ben je je tijdelijke zegen verloren? Zeg het maar tegen de Heere. Waar bent u uw geestelijke schat verloren? Voor het eerst, of opnieuw? Laten we die plek maar eerlijk aanwijzen.
Voor het eerst: ‘Heere, ik heb U verlaten. Ik heb nooit anders gedaan dan zondigen. Ik heb altijd alleen mijn eigen eer voor ogen gehad.’ Of opnieuw: ‘Hier, Heere, ben ik U kwijtgeraakt. Mijn ziel kleefde aan het stof. Ik ging op in de dingen van de wereld. Ik las niet meer, ik bad niet meer. En toen ben ik mijn schat verloren. Toen ben ik U kwijtgeraakt.’
Gemeente, de plaats waar wij eerlijk onze zonden belijden, wordt door Gods genade en op Gods tijd: de plaats van het wonder. Jongelui, op de plaats waar je eerlijk je zonden voor de Heere belijdt, zal de Heere op Zijn tijd een wonder doen. Het wonder van Zijn vergevende genade. God hoort je gebed!
En toen (vers 6b en 7) hij hem de plaats gewezen had, sneed hij een hout af en wierp het daarheen en deed het ijzer boven zwemmen. En hij zeide: Neem het tot u op. Toen stak hij zijn hand uit en nam het. Dit is echt een heel groot wonder. Het is niet zo, dat Elisa een lange stok maakt en de bijl uit het water vist. Nee, hier is een wonder van God! Niet zonder middel overigens. Elisa snijdt een stuk hout af, werpt het in de Jordaan. Precies op de plek waar de bijl gevallen is. En de bijl komt boven zwemmen. En Elisa zegt: ‘Je mag hem pakken.’ En hij pakt hem.
Onze God is een God van wonderen. Wij hóeven niet te hengelen met onze eigen stokken.
a. De Heere zegt: op uw noodgeschrei (op dat: Ach, mijn Heere), doe Ik grote wonderen. Als het gaat om tijdelijke nood. Wie nederig, klein, afhankelijk en onwaardig bidt, vraagt en roept, die vindt in God een Helper in de nood. Wie Hem aanroept in nood, die vindt Zijn gunst oneindig groot. En die leert tegelijkertijd zingen in tegenspoed: ‘Heilig zijn, o God, Uw wegen…!’ Wat is dat een rijk leven: klein en afhankelijk, onze weg aan Hem vertellend. En Hij zorgt. Dat is zo’n gelukkig leven. Al ben je arm, zoals deze man. Al gaat je weg anders dan gedacht. Wie met God leeft, ook in de kleine dingen, met die gaat het goed.
Die heeft geen reden om bezorgd te zijn. De haren van ons hoofd zijn allemaal geteld.
Maar als je zo niet leeft, dan ben je kwetsbaar, dan ben je in gevaar. Je kunt veel hebben, veel goederen bedoeld voor veel jaren. Maar misschien wordt deze nacht al het geleende goed met schuld teruggeëist.
b. De Heere zegt: op uw noodgeschrei (op dat: Ach, mijn Heere), doe Ik grote wonderen. Vooral ook als het gaat om geestelijke nood. Als je ziet en ervaart dat het edelmetaal, het beeld van de Schepper, door je eigen schuld in de modder van de zonde is beland. Het was geleend, maar je bent het kwijt.
Of als je opnieuw ziet en ervaart: het goud van de genade die de Heere mij gaf — het was geleend — ligt door mijn schuld weer onder de modder van mijn ontrouw. Het was geleend. Maar in de ervaring van mijn hart ben ik het kwijt.
Roep dan toch: ‘Ach, mijn Heere. Ik ben het niet waard om U mijn Heere te noemen. Maar ik zeg het met een beroep op Uw trouw. Ach, mijn Heere! Genâ, o God, genâ, hoor mijn gebed.’ Het voelt zo onmogelijk. De oplossing lijkt zo ver weg. En zo is het ook aan onze kant. Want ijzer kan van zichzelf niet drijven! Ik zal dat wat ik kwijtgeraakt ben uit mezelf nooit weer terugvinden.
Bij de mensen is het onmogelijk, maar niet bij God; want alle dingen zijn mogelijk bij God (Mark. 10:27Doch Jezus, hen aanziende, zeide: Bij de mensen is het onmogelijk, maar niet bij God; want alle dingen zijn mogelijk bij God.). Het verlossende hout van het kruis brengt verloren schatten terug! Elisa snijdt een hout af en werpt het in het water van de Jordaan. Dat doet denken aan wat Daniël schrijft over de komende Messias, de Heere Jezus Christus: Hij zal afgehouwen worden, Hij zal uitgeroeid worden (Dan. 9:26En na die twee en zestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hem zelven zijn; en een volk des vorsten, hetwelk komen zal, zal de stad en het heiligdom verderven, en zijn einde zal zijn met een overstromenden vloed, en tot het einde toe zal er krijg zijn, en vastelijk besloten verwoestingen.).
Afgesneden, zoals Jesaja zegt, uit het land der levenden (Jes. 53:8Hij is uit den angst en uit het gericht weggenomen; en wie zal Zijn leeftijd uitspreken? Want Hij is afgesneden uit het land der levenden; om de overtreding Mijns volks is de plage op Hem geweest.). En geworpen in de diepte van het kolkende water, in de vloed van Gods toorn. Hij is het enige, door God uitgedachte en door God gegeven middel, waardoor een verloren ziel opgebracht en gered kan worden uit het water van de dood. Het kruis! De Heere Jezus Christus, en Die gekruisigd!
Staat u, sta jij, met betraande ogen aan de rand van de rivier? Was het geleend? Is het verloren? Blijf niet kijken naar het kolkende water. Ga zeker niet zelf proberen te zoeken en te zwemmen in het kolkende water. Het kan je dood worden.
Er is een enige Redder en Zaligmaker. Die alles wat je verloren hebt, door een wonder aan je wil teruggeven: gerechtigheid, heiligheid, vrede met God en een eeuwig leven. Roep dan toch: ‘Ach, Heere, help! Het was geleend. Ik heb het verloren. Ik bén verloren!’ Wilt u Zijn antwoord weten? Zie op Mij, en word behouden.
Vlucht toch met de nood van uw leven tot Christus. Kijk naar de verhoogde koperen slang. Eén blik is genoeg. Om alles wat verloren was terug te krijgen.
Zet ondertussen uw hoop niet op andere zaken. Maar verwacht alles alleen van Hem. Die zo van harte bereid is, om uw verloren ziel te redden en om uw afgedwaalde ziel weer terecht te brengen. Ja, om uw nog altijd dode ziel levend te maken. Zie op Hem!
Je hart, jongens en meisjes, is voor onze grote Heere niet te klein. Uw hart is voor onze Almachtige God niet te slecht en niet te ontrouw. Je leven, jongelui, is voor God niet te verloren. Roep Hem aan in de dag van de benauwdheid, Hij zal u eruit helpen (Ps. 50:15En roept Mij aan in den dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eren.). Wie Hem aanroept in nood, vindt Zijn gunst oneindig groot.
Deze enige redding, deze enige Redder, wordt u aangeboden met een uitgestrekte hand. Neem Hem dan aan, met een lege hand van geloof en vertrouwen, om te ontvangen wat God in Christus u aanbiedt. Als u Hem weigert, blijft uw zaak verloren. Maar als u door Zijn genade uw verlorenheid legt op het hoofd van het gekruisigde Lam van God, dan zal uw leven behouden zijn, en uw ziel gered.
Amen.
Slotzang Psalm 145:5,6,7
Andere preken over 2 Koningen
Andere preken voor Elisa