26 mei 2016
2 Koningen 2:14: En hij nam den mantel van Elía, die van hem afgevallen was, en sloeg het water, en zeide: Waar is de HEERE, de God van Elía? Ja, Dezelve? En hij sloeg het water, en het werd herwaarts en derwaarts verdeeld, en Elísa ging erdoor.
INLEIDING
Wanneer Elia in een vurige wagen naar de hemel wordt opgenomen, staat Elisa achter met zijn mantel — het teken van zijn opvolging. In 2 Koningen 2:14 roept hij niet uit naar zijn verdwenen vader, maar naar God zelf: Waar is de HEERE, de God van Elia? — een uitroep die ons leert dat dienaars gaan, maar de God die trouw is blijft, gisteren en heden dezelfde.
Waar is de HEERE, de God van Elia?
2 KONINGEN 2:1-18
1 HET geschiedde nu als de HEERE Elía met een onweder ten hemel opnemen zou, dat Elía met Elísa ging van Gilgal.
2 En Elía zeide tot Elísa: Blijf toch hier, want de HEERE heeft mij naar Bethel gezonden. Maar Elísa zeide: Zo waarachtig als de HEERE leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten. Alzo gingen zij af naar Bethel.
3 Toen gingen de zonen der profeten, die te Bethel waren, tot Elísa uit en zeiden tot hem: Weet gij dat de HEERE heden uw heer van uw hoofd wegnemen zal? En hij zeide: Ik weet het ook wel, zwijgt gij stil.
4 En Elía zeide tot hem: Elísa, blijf toch hier, want de HEERE heeft mij naar Jericho gezonden. Maar hij zeide: Zo waarachtig als de HEERE leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten. Alzo kwamen zij te Jericho.
5 Toen traden de zonen der profeten, die te Jericho waren, naar Elísa toe en zeiden tot hem: Weet gij dat de HEERE heden uw heer van uw hoofd wegnemen zal? En hij zeide: Ik weet het ook wel, zwijgt gij stil.
6 En Elía zeide tot hem: Blijf toch hier, want de HEERE heeft mij naar de Jordaan gezonden. Maar hij zeide: Zo waarachtig als de HEERE leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten. En zij beiden gingen heen.
7 En vijftig mannen van de zonen der profeten gingen heen en stonden tegenover van verre; en die beiden stonden aan de Jordaan.
8 Toen nam Elía zijn mantel, en wond hem samen en sloeg het water, en het werd herwaarts en derwaarts verdeeld; en zij beiden gingen erdoor op het droge.
9 Het geschiedde nu als zij overgekomen waren, dat Elía zeide tot Elísa: Begeer wat ik u doen zal, eer ik van bij u weggenomen word. En Elísa zeide: Dat toch twee delen van uw geest op mij zijn.
10 En hij zeide: Gij hebt een harde zaak begeerd; indien gij mij zult zien als ik van bij u weggenomen word, het zal u alzo geschieden; doch zo niet, het zal niet geschieden.
11 En het gebeurde als zij voortgingen, gaande en sprekende, zie, zo was er een vurige wagen met vurige paarden, die tussen hen beiden scheiding maakten. Alzo voer Elía met een onweder ten hemel.
12 En Elísa zag het en hij riep: Mijn vader, mijn vader, wagen Israëls en zijn ruiteren. En hij zag hem niet meer. En hij vatte zijn klederen en scheurde ze in twee stukken.
13 Hij hief ook Elía’s mantel op, die van hem afgevallen was, en keerde weder en stond aan den oever van de Jordaan.
14 En hij nam den mantel van Elía, die van hem afgevallen was, en sloeg het water, en zeide: Waar is de HEERE, de God van Elía? Ja, Dezelve? En hij sloeg het water, en het werd herwaarts en derwaarts verdeeld, en Elísa ging erdoor.
15 Als nu de kinderen der profeten, die tegenover te Jericho waren, hem zagen, zo zeiden zij: De geest van Elía rust op Elísa. En zij kwamen hem tegemoet en bogen zich voor hem neder ter aarde.
16 En zij zeiden tot hem: Zie nu, er zijn bij uw knechten vijftig dappere mannen; laat hen toch heengaan en uw heer zoeken, of niet misschien de Geest des HEEREN hem opgenomen en op een der bergen of in een der dalen hem geworpen heeft. Doch hij zeide: Zendt niet.
17 Maar zij hielden bij hem aan, tot schamens toe; en hij zeide: Zendt. En zij zonden vijftig mannen, die drie dagen zochten, doch hem niet vonden.
18 Toen kwamen zij weder tot hem, daar hij te Jericho gebleven was; en hij zeide tot hen: Heb ik tot ulieden niet gezegd: Gaat niet?
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - 2 Koningen 2:14
THEMA
Waar is de HEERE, de God van Elia?
Gemeente, de tekst voor de preek van vanmorgen kunt u vinden in 2 Koningen 2, daarvan de verzen 12,13 en 14. Daar lezen we het Woord van God als volgt: En Elisa zag het, en hij riep: Mijn vader, mijn vader, wagen Israëls en zijn ruiteren! En hij zag hem niet meer; en hij vatte zijn klederen en scheurde ze in twee stukken. Hij hief ook Elia's mantel op, die van hem afgevallen was, en keerde weder, en stond aan den oever van de Jordaan. En hij nam de mantel van Elia, die van hem afgevallen was, en sloeg het water, en zeide: Waar is de HEERE, de God van Elia? Ja, Dezelve? En hij sloeg het water, en het werd herwaarts en derwaarts verdeeld, en Elisa ging erdoor.
Het thema voor de preek is de uitroep van Elisa: Waar is de HEERE, de God van Elia? We letten samen op twee aandachtspunten. In de eerste plaats op de les van de heengaande dienaar (dat zien we in vers 12), en in de tweede plaats op de troost van de blijvende Zender (zoals dat staat in vers 13 en 14). Dus twee aandachtspunten: 1. De les van de heengaande dienaar 2. De troost van de blijvende Zender Als eerste dus:
We lezen in vers 12: En Elisa zag het, en hij riep: Mijn vader, mijn vader, wagen Israëls en zijn ruiteren! Met een vurige wagen, met vurige paarden ervoor is zijn meester, de profeet Elia, meegenomen van de aarde naar de hemel. In een wervelwind, in een onweer, vol van majesteit. Hij heeft het met eigen ogen gezien: daar gaat hij! ‘Vaarwel, lieve broeder!’ Hij ziet het, en hij roept hem na: Mijn vader, mijn vader, wagen Israëls en zijn ruiters!
Mijn vader! Was Elia echt de vader van Elisa? Nee toch? En toch is de band tussen die twee mannen de laatste tijd gaan voelen als een band tussen vader en zoon. Het is een band vol van respect en vol van liefde van de zijde van Elisa. In de afgelopen tijd, waarin Elisa de mantel mocht dragen van zijn leermeester, is Elia voor hem een geestelijke vader geworden.
Wat hij geleerd heeft van zijn vader? Van zijn geestelijke vader en leermeester Elia?
Zijn ijver voor God. De kracht van zijn verborgen gebed. Zijn afhankelijkheid van de Heere. Zijn moed en dapperheid.
Wat hij gezien heeft bij zijn vader? Bij zijn geestelijke vader en leermeester Elia? Gods goede zorg voor Zijn kind en knecht. De verhoring van zijn stille gebeden. De kracht van zijn geloof. Zo kortgeleden nog, kijk maar in vers 8, daar staat: Toen nam Elia zijn mantel en wond hem samen, en sloeg het water, en het werd herwaarts en derwaarts verdeeld. En nu gaat hij heen, naar de hemel. Mijn vader, mijn vader, wagen Israëls en zijn ruiters! Het is een uitdrukking van respect, van liefde, maar ook van grote rouw en diep verdriet. Juist die dubbele uitdrukking mijn vader, mijn vader drukt dat uit. Denk maar aan de rouw van vader David, die met bittere tranen uitriep: Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom! Och, dat ik, ik voor u gestorven ware, Absalom, mijn zoon, mijn zoon! (2 Samuel 18:33). Denk maar aan de rouwklacht van Jeremia, de profeet: O, land, land, land! Hoor des HEEREN woord (Jeremia 22:29O land, land, land! hoor des HEEREN woord!) Mijn vader, mijn vader! Het is een uitroep van diep, persoonlijk verdriet.
Wagen Israëls en zijn ruiters! Mijn vader was een man in een strijdwagen. Een strijder voor de eer van God en voor de terugkeer van het volk Israël tot de dienst van de Heere. Maar nu… is zijn strijd gestreden, nu gaat hij heen. Nu gaat hij in, in de rust: om te rusten van zijn arbeid, en zijn werken volgen met hem (Openbaring 14:13En ik hoorde een stem uit den hemel, die tot mij zeide: Schrijf, zalig zijn de doden, die in den Heere sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, opdat zij rusten mogen van hun arbeid; en hun werken volgen met hen.).
Mijn vader was een man in een strijdwagen. Achab heeft tal van die wagens, Achab heeft paarden in overvloed. Elia had maar één wagen. Denkt u maar aan wat de apostel Jakobus schrijft: Elias was een mens van gelijke bewegingen als wij; en hij bad een gebed, dat het niet zou regenen; en het regende niet op de aarde in drie jaren en zes maanden. En hij bad wederom, en de hemel gaf regen, en de aarde bracht haar vrucht voort (5:17-18). Hij had maar één wagen, getrokken door paarden, door engelen die zijn woorden brachten tot voor de hemelse troon. Een wagen van gebed, machtiger dan alle wagens en paarden van koning Achab.
En (zo staat in vers 12): Hij zag hem niet meer. De (zo hebben we ons eerste aandachtspunt genoemd) les van de heengaande dienaar. Elia is niet meer. Hij heeft veel gedaan, hij heeft veel betekend, ook voor Elisa. Hij was de grote profeet van het Oude Testament. Maar hij is niet meer. Gods dienaars, Gods knechten gaan voorbij. We zijn op de reis naar de grote eeuwigheid slechts kleine voorbijgangers. Wij, ook wij moeten sterven. Wij zijn hier slechts voor een tijd. Ons werk is door de Heere vastgesteld en onze tijd is bepaald. Ons genadeloon wordt gemeten met termen van eeuwigheid, zeker. Maar onze arbeid, ons werk wordt gemeten in termen van tijd.
Een vastgestelde tijd, waarin de Heere ons bevoegdheid gegeven heeft om in Zijn Naam, namens Hem te onderhandelen met zondaars. Om hen, om u te bewegen tot geloof. Zoals de apostel Paulus zegt: Wij dan, wetende den schrik des Heeren, bewegen de mensen tot het geloof, en zijn Gode openbaar geworden; doch ik hoop ook in uw gewetens geopenbaard te zijn (2 Korinthe 5:11Wij dan, wetende den schrik des Heeren, bewegen de mensen tot het geloof, en zijn Gode openbaar geworden; doch ik hoop ook in uw gewetens geopenbaard te zijn.). We zijn gezonden om u te bewegen tot geloof. Opdat u gebracht zou worden tot verzoening met God. Misschien zult u in die tijd, in die beperkte, tevoren vastgestelde tijdsperiode, luisteren en tot bekering gebracht worden. Misschien ook niet…
Maar na die vastgestelde tijd (die in het licht van de grote eeuwigheid slechts een heel korte tijd is) worden al Gods knechten, net als Elia teruggeroepen voor de troon. Om verantwoording af te leggen van wat we gedaan en gezegd hebben. Daarom laten we onze oren ook niet hangen naar wat mensen zeggen. Die ons oordeelt, is de Heere God (1 Korinthe 4:4Want ik ben mijzelven van geen ding bewust; doch ik ben daardoor niet gerechtvaardigd; maar Die mij oordeelt, is de Heere.). Na een korte tijd worden we teruggeroepen voor de troon om verslag te brengen, niet alleen van de boodschap die we gebracht hebben, maar ook van hoe die boodschap onthaald is, hoe die boodschap ontvangen is.
Voor Elia, voor Gods knechten, voor allen die dienen mogen in Gods Koninkrijk, is er straks na dit leven genadeloon. We weten ons hier op aarde, in alle omstandigheden (ook in moeite, zorg en verachting), geliefd en bemoedigd door Christus, onze Heere en Zender. En hierna is er, straks is er, zegt Paulus, de kroon der rechtvaardigheid, die de Heere, de rechtvaardige Rechter ons geven zal (2 Timotheüs 4:8Voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke mij de Heere, de rechtvaardige Rechter, in dien dag geven zal; en niet alleen mij, maar ook allen, die Zijn verschijning liefgehad hebben.). En wij kunnen die kroon alleen maar ontvangen door heen te gaan, door te vertrekken van de aarde naar de hemel. Elia is weggenomen van de aarde. Zijn diensttijd als soldaat, als strijder in het leger van de Heere, zit er op. Hij gaat heen en is heengegaan om loon te ontvangen en te rusten.
Maar ondertussen is dat heengaan van Elia voor Israël, voor Achab, voor Izebel, en voor zoveel anderen die hem veracht en vervolgd hebben, een straf, een straf voor hun ondankbaarheid en ongehoorzaamheid. We horen hier als het ware de latere klacht van de Heere Jezus: Jeruzalem, Jeruzalem! u, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn! hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeen vergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeen vergadert onder de vleugels; en ulieden hebt niet gewild (Mattheüs 23:37Jeruzalem, Jeruzalem! gij, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn! hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugels; en gijlieden hebt niet gewild., zie ook 1 Korinthe 4:13). U hebt niet gewild! En nu neem Ik hem tot Mij.
Gemeente, dat wegnemen door de Heere van de profeet Elia laat ons ook en vooral zien dat de dag van genade hoogst onzeker is. Het zijn bij Elia maar enkele jaren geweest, dat hij de boodschap van het Woord van God gebracht heeft. Het zijn vaak maar enkele jaren… Soms is het een periode, een seizoen, soms maar een dag, dat het Woord des Heeren tot ons komt. De Heere zegt niet voor niets in Genesis 6:3Toen zeide de HEERE: Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met den mens, dewijl hij ook vlees is; doch zijn dagen zullen zijn honderd en twintig jaren.: Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met de mens, dewijl hij ook vlees is.
Er is, gemeente, een dag van genade, een Evangeliedag. Een dag waarin Christus tot u komt, met een aanbod van genade, van vrede en verzoening met God. Het is maar een dag... Het duurt geen eeuwigheid. En als kaf gaat die dag voorbij. En... die dag is vandaag. De kalender van het Evangelie kent maar één dag. De kalender van de duivel kent ook maar één dag: morgen! Dat is de dag van de duivelse kalender: morgen! Altijd maar weer: morgen…, morgen…! Maar de kalender van het Evangelie zegt: Heden, zo u Zijn stem hoort. Morgen is het misschien wel te laat. Och, of u ook bekende, ook nog in deze uw dag, hetgeen tot uw vrede dient! (Lukas 19:42Zeggende: Och, of gij ook bekendet, ook nog in dezen uw dag, hetgeen tot uw vrede dient! Maar nu is het verborgen voor uw ogen.)
En die dag, die dag van het Evangelie is nu. De preek is nu. Het aanbod is nu. Voor u. Morgen kan mijn Zender het aanbod intrekken. Luister dan toch nu naar Zijn heil- en troostrijk woord. Verhard u niet, maar laat u leiden (Psalm 95:4In Wiens hand de diepste plaatsen der aarde zijn, en de hoogten der bergen zijn Zijne;, ber.) Reken niet altijd met ‘morgen’. Uw toekomst is hoogst onzeker. Hoor, alsof u nooit meer horen zult! Want u weet niet hoe lang u nog horen zult...
Dit aanbod van genade, deze aanbieding van het Evangelie, geld nu, vandaag! En dit is het aanbod van genade: Wendt U naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde! Want Ik ben God, en niemand meer (Jesaja 45:22Wendt U naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde! want Ik ben God, en niemand meer.). Verlies uw kostbare tijd niet. Laat uw geestelijke gelegenheid toch niet voorbijgaan. Laat u toch nu, op deze dag met God verzoenen. Elia is weg. Zijn tijd is voorbij. Zijn mond zwijgt op de aarde. Zijn stem wordt niet meer gehoord.
Er staat in vers 12 van Elisa: En hij (Elisa) zag hem (vader Elia) niet meer; en hij vatte zijn klederen en scheurde ze in twee stukken. Elisa scheurt zijn mantel. Als een teken van diep verdriet. Maar ook als een teken, als een symbool van een definitief afscheid nemen van zijn oude leven en van zijn oude beroep. Dat leven, dat oude leven van die rijke boerenzoon is nu voorbij. Een nieuwe periode ligt voor hem. Net als bij zijn vader, een tijd van moeite, zorg en verdriet. Maar, zij die mogen dienen in het koninkrijk van God krijgen vaak voor die moeite eerst troost. Zo was het toch ook bij de discipelen, vlak voor de hemelvaart van de Heere Jezus? We lezen in Mattheus 28: En Jezus, bij hen komende, sprak tot hen, zeggende (eerst een belofte, eerst een toezegging vol van troost): Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde! En toen, na die troostvolle belofte, toen kwam de opdracht: Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in den Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb (28:18-19). En dan is er weer troost en bemoediging (wat hebben we toch een goede Heere en Meester!): En ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld (28:20).
Laten we nu eerst, voordat we verder gaan met ons tweede aandachtspunt samen zingen uit Psalm 22:2. 'k Erken nochtans, Gij, Gij zijt heilig, HEER, En hebt Uw huis, den zetel Uwer eer, Bij Isrel, daar Uw lof klinkt keer op keer, In gunst doen bouwen. Op U stond vast der vaderen betrouwen; Gij zaagt hen aan; Gij hebt, wanneer z' in noden Tot U om hulp, vertrouwend, zijn gevloden Hen bijgestaan.
We hebben, gemeente, samen gelet op de les van de heengaande dienaar. Nu ons tweede aandachtspunt:
Daar staat Elisa, in zichzelf klein, in zichzelf een onvermogend mannetje. Staande voor de grote taak, voor de grote opdracht om zijn meester op te volgen. Maar dan, ineens… kijk eens, op de grond naast hem ligt… de mantel van Elia. De mantel, die hem ooit was toegeworpen, toen de Heere hem riep tot profeet. Hij had ootmoedig gevraagd om een deel van de geest die rustte op zijn geestelijke vader. En nu, daar ligt hij: zijn profetenmantel! Teken van zijn gezag, teken van zijn ambt. Terwijl Elia naar de hemel ging, is zijn mantel van hem afgevallen. Hij is niet door Elia naar beneden gegooid, maar door Gods hand is hij van Elia afgevallen en hem, Elisa toegeworpen. Teken en bewijs dus, dat de Heere het gebed van Elisa heeft verhoord. Die mantel is van nu af aan blijvend voor hem.
Eerst is er de troost, dan straks het werk. De toekomst kent hij niet, maar hij weet zich voor de toekomst verzekerd van blijvende troost en persoonlijke toerusting. Hij mag zich verzekerd weten van de zegen van de Heere, die en persoonlijk en ambtelijk op hem rusten zal. Want die afgevallen mantel is een hemels gebaar, een knik van de Heere, een teken en bewijs dat de Heere Zelf het profetenambt aan hem gegeven heeft.
En dan? Dan staat Elisa ineens voor een gesloten weg. Er staat in vers 13: Hij hief ook Elia's mantel op, die van hem afgevallen was (hij pakte hem op van de grond), en keerde weder (hij liep terug), en stond aan den oever van de Jordaan. Hij staat aan de oever van de Jordaan. Het water belemmert zijn pad. Zoals Gods kinderen, zoals Gods knechten vaker in hun leven voor gesloten wegen kunnen staan. Tijdenlang kunnen Gods kinderen zo gewoon doorleven, rustig en gerust, dwalend en verdwalend. Totdat de Heilige Geest (het komt van Hem, niet van ons) ons hart beroert,
en het weer nood wordt in ons leven. Zonder God kan ik niet leven… O, mijn zonden…, mijn schuld…, mijn dwalen…, mijn verdwalen…, hoe moet het toch verder…? Mijn pad belemmerd door water, mijn weg geblokkeerd… Opnieuw gebracht in de nood, in de nood gewerkt door de Heilige Geest, waar Hij leert roepen: Heere, waar is de weg? Om ons dan, juist in de onmogelijke wegen, te leren wat de dichter zingt van Psalm 142: Toen mijn geest in mij bezweek, en overstelpt was door ellende ('k wou vluchten, maar kon nergens heen…, ik riep tot U, ik zei: o HEERE, U bent toch mijn toevlucht en sterkte), toen… toen hebt U, o HEERE, mijn pad gekend.
Gods kinderen en knechten kunnen, ook als het gaat om de leiding van de Heere in hun leven en hun liefde tot Zijn dienst, ook zo voor gesloten wegen komen te staan. Met zorg, maar (als ze omhoogzien, als ze op het Woord van de Heere zien) misschien toch ook, als de Heere het geeft, zonder paniek. Ziende op en gelovend het Woord van de Heere Zelf, die gezegd heeft bij monde van de profeet Jesaja: Ik zal voor uw aangezicht gaan, en Ik zal de kromme wegen recht maken; de koperen deuren zal Ik verbreken, en de ijzeren grendelen zal Ik in stukken slaan (45:2). Zoals de Heere destijds ook tegen Mozes zei, die ook stond voor zo’n gesloten weg, staande voor het water van de Rode Zee: Doch Mozes zeide tot het volk: Vreest niet, staat vast, en ziet het heil des HEEREN, dat Hij heden aan ulieden doen zal, want de Egyptenaars, die gij heden gezien hebt, zult gij niet weder zien in eeuwigheid. De HEERE zal voor ulieden strijden, en gij zult stil zijn (Exodus 14:13-14Doch Mozes zeide tot het volk: Vreest niet, staat vast, en ziet het heil des HEEREN, dat Hij heden aan ulieden doen zal, want de Egyptenaars, die gij heden gezien hebt, zult gij niet weder zien in eeuwigheid. De HEERE zal voor ulieden strijden, en gij zult stil zijn.).
En hij (zo lezen we in vers 14) nam de mantel van Elia, die van hem afgevallen was, en sloeg het water, en zeide: Waar is de HEERE, de God van Elia? Ja, Dezelve? En hij sloeg het water, en het werd herwaarts en derwaarts verdeeld, en Elisa ging erdoor. Waar is Elia? Nee! Maak van dienaars van God geen idolen. Het zijn sterfelijke mensen. Het is geen vraag naar zijn heengegane vader. Hij gaat ook niet zitten huilen vanwege dit grote verlies. Want Elia is wel heengegaan, maar de God van Elia leeft! Je kunt veel verliezen in je leven: dierbare geliefden, ambtsdragers, geestelijke vrienden (omdat ze vertrekken van het lagerhuis van deze aarde naar het hogerhuis van de hemel), je kunt werk en gezondheid verliezen, maar: God blijft. Hij is gisteren en heden dezelfde en tot in der eeuwigheid (Hebreeën 13:8Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid.).
En met die God staat Elisa nu voor een gesloten weg. Als uw weg gesloten is, als u staat voor een brede rivier, als u staat zoals Mozes voor het water van de Rode Zee, waar uzelf niet door kan, wees dan gerust als God uw God mag zijn. Zoek geen bootje om zelf over te varen. Vertrouw niet op mensen. Maar geloof! Geloof in de belovende God. Want: al wat Hij ooit beloofd heeft, zal bestaan.
Want, wat gaat hier blijken aan de rivier de Jordaan? a. Dit in de eerste plaats: 550 jaar geleden ging het volk van Israël hier ook door de Jordaan onder leiding van Jozua (Jozua 3). En nu eeuwen later blijkt de God van Jozua,
blijkt de God van Elia, blijkt de God van de hemel en de aarde nog steeds Dezelfde te zijn. Er waren in die tijd vast mensen die zeiden: ‘Het is zo donker. Nu is alles veel erger dan toen. Vroeger was alles zoveel beter. Nu is er zoveel afgodendienst, zoveel verval, zoveel politieke spanning ook.’ Zoals wij ook in deze tijd zo kunnen klagen en zeggen: ‘Vroeger, toen was er dit, en dat, maar nu?’ Weet u, vroeger was God er, en: Hij is er nog steeds. Gisteren en heden Dezelfde en tot in der eeuwigheid!
b. Er blijkt hier (in de tweede plaats) aan de Jordaan nog iets. Dit: die God, die onveranderlijke God, is niet afhankelijk van welk instrument dan ook. Want, zo zeggen de zonen van de profeten in vers 15: de geest van Elia rust nu op Elisa. Dus, stop met het bewonderen van, stop met het aanbidden van dominees, van vroeger of van nu. Houd op met het uitmeten van hun gaven of talenten. Zij waren en wij zijn slechts slijk aan Gods vingers. Tijdelijk en voorbijgaand. Maar de hand die krachtige daden deed en doet, die was en is van Hem! Het gaat erom, en daar gaat het echt en alleen maar om: of de God van Elia met ons is. Schrijft Jeremia niet: Gezegend is de man, die op de HEERE vertrouwt, en wiens vertrouwen de HEERE is! (Jeremia 17:7Gezegend daarentegen is de man, die op den HEERE vertrouwt, en wiens vertrouwen de HEERE is!)
En Elisa (zo staat in vers 12b) sloeg het water, en zei: waar is de HEERE, de God van Elia? Ja, Dezelve? Het is geen vraag, maar het is een gebed vol van geloofsvertrouwen. Gegrond op…? Gegrond op de trouw van God, die zijn gebed verhoord heeft en de belofte zal vervullen. Het is God Zelf die deze boerenzoon genade, gaven en talenten geeft en hem bekwaam maakt tot Zijn dienst.
En hij sloeg het water, en het werd herwaarts en derwaarts verdeeld, en Elisa ging erdoor. Dit is niet alleen een feitelijke vertelling, maar in dit wonder blijkt het antwoord van de Heere. De Heere kan antwoorden door Zijn Woord. Maar soms of vaker doet Hij het ook door wat Hij doet, door Zijn daden. Dat het water van de Jordaan links en rechts weggaat, dat er een pad gebaand wordt, dat klinkt als: ‘Elisa, zie hier ben Ik! Vrees niet, Ik ben met u!’
Door de loop van decennia, door de loop van eeuwen is God, de God van Elia dezelfde gebleven, ook bij ons, ook in onze kerk. Sommige mensen gebruiken het denken aan vroeger alleen om te klagen. Ze spreken groot over Gods werk in het verleden, maar de vraag is: worstelt u nog wel om Gods daden in het heden? De Heere Jezus zei ooit: Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeeën, gij geveinsden, want gij bouwt de graven der profeten op, en versiert de graftekenen der rechtvaardigen (Mattheüs 23:29). U bent alleen maar bezig met het verleden, maar waar zijn uw gebedsworstelingen in het heden?
Laat het werk van de Heere in verleden dagen, ook ons, dringen om de Heere, de God van onze vaderen te zoeken. Laat het ons dringen om te bidden met Habakuk: HEERE! als ik Uw rede gehoord heb, heb ik gevreesd; Uw werk, o HEERE! behoud dat in het leven in het midden der jaren, maak het bekend in het midden der jaren; in de toorn gedenk des ontfermens (Habakuk 3:2HEERE! als ik Uw rede gehoord heb, heb ik gevreesd; Uw werk, o HEERE! behoud dat in het leven in het midden der jaren, maak het bekend in het midden der jaren; in den toorn gedenk des ontfermens.).
Laat ons de Heere zoeken: ‘Waar is de God van Elia?’ Door de Heere achterna te klagen, zoals in de dagen van Samuël, toen het ganse huis van Israël de Heere achterna klaagde (1 Samuël 7:2En het geschiedde, van dien dag af, dat de ark des Heeren te Kirjath-jearim bleef, en de dagen werden twintig jaren; en het ganse huis van Israël klaagde den HEERE achterna.). Laat ons de Heere zoeken, door Hem achterna te klagen. En ook door een leven in godzaligheid, liefde, eensgezindheid, ootmoed, heiligheid en goede werken.
Tot slot, gemeente, kent u de Heere, de God van Elia? Als een God die helpt in nood, als een God die redt uit ellende, die de schuld vergeeft en de ongerechtigheid verzoent? Dan gaat u een goede toekomst tegemoet. Dan komt er voor u een dag, dat u met vreugde en blijdschap zult zeggen: ‘Waar is de God van Elia? Daar, is de God van Elia!’
Kent u Hem niet? Dan zult u in de dag van dat gericht uitroepen, met grote schrik en ontzetting: ‘O, daar is de God van Elia! Daar is de God met Wie ik gebroken heb, daar is Hij die ik verworpen heb!’
Geliefde gemeente, deze Evangeliedag kan voorwaar voor u de laatste zijn. Wend u naar God toe en word behouden!
Amen.
Slotzang Psalm 56:4,5
Gij weet, o God, hoe 'k zwerven moet op aard'; Mijn tranen hebt G' in Uwe fles vergaard; Is hun getal niet in Uw boek bewaard, Niet op Uw rol geschreven? Gewis, dan zal mijn wrevele vijand beven, En, als ik roep, straks rugwaarts zijn gedreven. Dit weet ik vast: God zal mij nooit begeven; Niets maakt mijn ziel vervaard.
Ik roem in God; ik prijs 't onfeilbaar woord; Ik heb het zelf uit Zijnen mond gehoord; 'k Vertrouw op God, door gene vrees gestoord; Wat sterveling zou mij schenden? Ik heb beloofd, wanneer G' in mijn ellenden Mij bijstand bood, en 't onheil af zoudt wenden, Tot U, o God, mijn lofzang op te zenden, Door ijver aangespoord.
Andere preken over 2 Koningen
Andere preken voor Elia