19 augustus 2013
Galaten 1:10: Want predik ik nu de mensen of God? Of zoek ik mensen te behagen? Want indien ik nog mensen behaagde, zo ware ik geen dienstknecht van Christus.
INLEIDING
6 Ik verwonder mij dat gij zo haast wijkende van Dengene Die u in de genade van Christus geroepen heeft, overgebracht wordt tot een ander evangelie;
7 Daar er geen ander is; maar er zijn sommigen die u ontroeren en het Evangelie van Christus willen verkeren.
8 Doch al ware het ook dat wij, of een engel uit den hemel, u een evangelie verkondigde buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt.
9 Gelijk wij tevoren gezegd hebben, zo zeg ik ook nu wederom: Indien u iemand een evangelie verkondigt buiten hetgeen gij ontvangen hebt, die zij vervloekt.
10 Want predik ik nu de mensen of God? Of zoek ik mensen te behagen? Want indien ik nog mensen behaagde, zo ware ik geen dienstknecht van Christus.
Er is geen ander, er is maar één Evangelie
GALATEN 1:6-10
6 Ik verwonder mij dat gij zo haast wijkende van Dengene Die u in de genade van Christus geroepen heeft, overgebracht wordt tot een ander evangelie;
7 Daar er geen ander is; maar er zijn sommigen die u ontroeren en het Evangelie van Christus willen verkeren.
8 Doch al ware het ook dat wij, of een engel uit den hemel, u een evangelie verkondigde buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt.
9 Gelijk wij tevoren gezegd hebben, zo zeg ik ook nu wederom: Indien u iemand een evangelie verkondigt buiten hetgeen gij ontvangen hebt, die zij vervloekt.
10 Want predik ik nu de mensen of God? Of zoek ik mensen te behagen? Want indien ik nog mensen behaagde, zo ware ik geen dienstknecht van Christus.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Galaten 1:10
THEMA
Er is geen ander, er is maar één Evangelie
AANDACHTSPUNTEN
Het begint in andere brieven altijd zo mooi. Paulus begint God te danken voor de genade die Hij gegeven heeft aan de gemeente. Zoals bijvoorbeeld in de brief aan de Kolossenzen: Wij danken de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, altijd voor u biddende (Kolossenzen 1:3Wij danken den God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, altijd voor u biddende;).
Maar nu… De vorige keer zei ik ‘dreigend onweer’. Nu moet je, als het ware zeggen dat de bliksem door de lucht flitst! Je zou kunnen zeggen dat het onweer losbarst, als we lezen in Galaten 1 vanaf vers 6: Ik verwonder mij, dat u zo haast wijkende van degene die u in de genade van Christus geroepen heeft, overgebracht wordt tot een ander Evangelie. Daar er geen ander is. Maar er zijn sommigen die u ontroeren (die u in verwarring brengen) en het Evangelie van Christus willen verkeren. Doch al ware het ook dat wij, of een engel uit de hemel, u een Evangelie verkondigde buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt.
Is Paulus een ruziemaker? Wat gebeurt hier? Barst Paulus van woede uit tegen de gemeenteleden van Galatië? Mag dat, als dominee? Dat je zo boos wordt, dat je woest wordt op je gemeente? Nou, even heel goed luisteren en heel goed kijken naar wat er nu precies gebeurt in deze verzen. Het is wel een uitbarsting. De sfeer was al gespannen. Weet u nog van de vorige keer? Toen zei de Paulus heel stellig: Ik ben een apostel! En de aanhef van de brief was zo koel, zo kil en zakelijk: Aan de gemeenten in Galatië. En nu deze uitbarsting… Maar als je goed leest en het probeert te begrijpen, dan is het eigenlijk geen uitbarsting van woede, van wrok of van frustratie. Het is wel een uitbarsting, maar meer een pijnlijke uitbarsting. Alsof Paulus zegt: ‘Au!’ Het is meer een uitbarsting van verbazing. Hij is perplex. Hoe kan het, hoe is het toch mogelijk…? Het is (eerlijk gezegd) ook een uitbarsting van bestraffing: ‘Dit is niet goed! Dit kan niet! Dit mag niet, gemeenten in Galatië!’
Dus: is het nu wel of geen boosheid? Eigenlijk wel, maar niet gericht tegen de leden van de gemeenten, maar gericht tegen de mensen die onrust stoken, die ellende veroorzaken in de gemeenten van Galatië. Want dat zijn de boosdoeners!
Het staat in vers 7: Er zijn sommige mensen (personen, individuen) die u ontroeren, die u verwarren, die u als het ware door elkaar schudden, die u onrustig maken en het Evangelie van Christus verkeren, verdraaien. Paulus zegt later in hoofdstuk 5:10: Die u ontroert (die u in de war maakt; die onruststokers) zal zijn oordeel dragen.
Dus, jongens en meisjes, is Paulus boos? Ja, hij is boos op de mensen die onrust zaaien in de gemeenten van Galatië. Luther, hij heeft een heel dik boek geschreven over deze brief aan de Galaten, zegt: ‘De gemeente is eigenlijk een (klein) kind, dat aangevallen wordt door een hele grote hond.’ Dat kind is helemaal in verwarring en dat snikt. En wat doet Paulus? Die gaat verschrikkelijk tekeer tegen die hond, maar pakt het kind bij de schouder om het te troosten. Dat blijkt later uit de brief in hoofdstuk 5:10, als Paulus tegen de gemeenteleden zegt: Ik vertrouw van u in de Heere, dat u niet anders zult gevoelen. Met andere woorden: dat u werkelijk het Evangelie navolgt.
Laten we in deze dienst, gemeente, eens goed met elkaar kijken (terwijl we dit gedeelte overdenken) wat er nu precies aan de hand is in die gemeenten van Galatië. Waarover gaat nu die onrust, waarover gaat die verwarring in de gemeenten? Je zou het kunnen samenvatten in één zin. Dat zal ik doen en dat is tegelijk ook het thema van de preek. Dit: Er is geen ander, er is maar één Evangelie
Er zijn drie aandachtspunten: 1. Het afwijken ervan is verbazingwekkend 2. Het afwijken ervan brengt Gods vloek 3. Het brengen ervan behaagt God Als eerste dus:
Wat is er precies aan de hand? Kijk maar in vers 6: Ik verwonder mij (Paulus zegt: ik ben verbaasd, ik ben helemaal perplex), dat gij zo haast (zo snel) wijkende van degene, die u in de genade van Christus geroepen heeft, overgebracht wordt tot een ander Evangelie. Zo haast wijkende. Je voelt: de mensen zijn in beweging, ze zijn bezig te veranderen. Er zijn gemeenteleden die aan het veranderen zijn. Ze waren, zegt Paulus, geroepen in de genade. Ze waren geroepen door God als zondaren, gered uit de boze, tegenwoordige wereld. Ze zijn in de genade geroepen, ze zijn erin gebracht door God. En nu, zegt Paulus, moet je eens kijken: ze worden overgebracht naar wat anders. Ze waren soldaat in het leger van Jezus Christus, het waren christenen en nu… ze deserteren naar een andere partij. Naar welke partij? Nou, naar die partij die zegt: het geloof in de Heere Jezus Christus is niet genoeg. Naar de partij van de werkezels. Naar de partij, die zegt: ‘Er is meer nodig. Het is èn-èn. Genade alleen? Ja, dat zou mooi zijn. Maar helaas… dat is echt tekort. Het gaat om geloof èn om goede werken. Het gaat om Jezus, en ik werk ook. Jezus doet iets en ik doe iets!’ Doe-het-zelf-godsdienst.
Wat doe je dan zelf? Voor, of terwijl je bidt om genade en vraagt om vergeving, en voor je je oog mag slaan op de Heere Jezus Christus (zeggen zulke mensen), moet je zelf ook iets doen. Je moet werken aan jezelf. Je moet eerst iets presteren, anders ben je niet geschikt voor het Evangelie. Anders ben je niet geschikt voor de zaligheid en niet geschikt voor de Zaligmaker. Want je kunt natuurlijk niet met vuile handen naar Jezus toe gaan. Laat staan met een vuil, smerig en dood hart. Daar, zeggen die mensen, moet je eerst zelf iets aan doen. Je gaat naar de verjaardag van opa of oma, en mama zegt: ‘Ja, zo kan je natuurlijk niet gaan. Je moet eerst je handen wassen, ga maar even onder de douche en trek schone kleren aan. Je moet je een beetje opknappen…, dan mag je naar oma.’
U zegt: ‘Ja, zo zijn de mensen bij…’ en dan komt er een naam van een of ander kerkgenootschap of groep. Maar wacht even… Paulus zegt, dat dit denken niet van buiten komt, maar dit denken komt van binnen! Dit komt uit de Gereformeerde Gemeenten van Ikonium, Lystre, Derbe en Antiochië. U bent geroepen in de genade. U was eertijds verloren mensen en vijanden van God. U kende Christus niet (staat in hoofdstuk 4:8), maar u bent geroepen, u bent getrokken en toen bent u gekomen… zoals u was. Daar hebt u toen zelf helemaal niets aan gedaan! God kwam in uw leven. Christus heeft u vrijgemaakt (hoofdstuk 5:1). Hij heeft u verlost van de vloek van de wet (hoofdstuk 3:13). U hebt de Geest ontvangen (hoofdstuk 3:2). U bent kinderen van God gemaakt (hoofdstuk 4:6). Daar hebt u zelf allemaal helemaal niets aan gedaan! Waar hebt u het over, Galaten, als u het hebt over zelf doen, als u het hebt over meewerken? Hoe is het mogelijk? Paulus zegt: ‘Ik ben perplex, ik ben verbaasd, dat u zo snel gaat afwijken naar die andere partij, naar de partij van de doe-het-zelvers, naar de partij van de werkezels.’
U bent door God in het hart gegrepen. En nu, een paar jaar, later kijkt u neer op anderen en denkt en zegt u misschien wel: ‘Je moet wel eerst je leven beteren, hoor! Je moet eerst wat netter worden, anders is er geen genade.’ En u denkt bij uzelf: ‘Is die nou ook al aan het Avondmaal geweest? Hoe is dat toch mogelijk…?’ Bent u vergeten dat u een goddeloze was? Het is nog niet zo lang geleden, dat de Heere in uw leven kwam. En nu zegt u: ‘Ja, maar zo gemakkelijk gaat het niet! Er komt heel wat bij kijken, hoor.’ O ja? Wat hebt u er dan zelf aan gedaan? Moest u ook niet als een vijand door God overmeesterd worden? ‘Het is nog niet zo lang geleden’, zegt u, ‘een paar jaar geleden: God kwam in mijn leven.’ Maar nu zegt u: ‘Ja, maar je moet wel willen; je moet wel je wapens van verzet willen inleveren.’ Ja? Hebt u dat ook gedaan? Is het niet God geweest, Die u de wapens van uw verzet uit handen gerukt heeft, terwijl u niet wilde buigen? Was het niet allemaal genade? Genade en niks anders dan dat? Omdat u en ik, omdat wij te slecht zijn, om zelf ooit iets goeds toe te voegen.
God kwam in uw leven. En nu bouwt u op allerlei wetjes en regeltjes, van dit doen en dat laten, en u zegt het ook tegen anderen: ‘Dat is nodig, hor! Zoals jij bent, zo kan je niet tot God gaan.’ Bent u vergeten wat genade is? God de Vader, Wiens wil en welbehagen u zou moeten roemen, moet tegenwoordig delen met onze goede wil. En Jezus, Die Zichzelf overgaf voor vijanden, heeft ineens te maken met vrienden…
Hoe is het mogelijk, zegt Paulus? Vers 7: Daar er geen ander Evangelie is; maar er zijn sommigen die u ontroeren en het Evangelie van Christus willen verkeren. Er zijn sommigen, die brengen u in verwarring, die schudden u door elkaar, die maken u onrustig. Het woord ontroeren wordt ook gebruikt als de discipelen de opgestane Heere Jezus Christus zien. Ze denken dat het een geest is en het ontroert hen, ze raken er helemaal van in de war. Doch (vers 8) al was het ook dat wij (ik, Paulus) of een engel uit de hemel u een Evangelie verkondigde buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt. Dat zien we in onze tweede gedachte:
Er is geen ander Evangelie. Als je iets in het Evangelie verandert (je voegt er iets aan toe, je laat er iets uit), dan is het eigenlijk helemaal geen Evangelie meer, zo is de boodschap van Paulus. Als je wijn hebt en je giet er water bij (je doet water bij de wijn) en je geeft het aan iemand, dan zegt zo iemand: ‘Dit is geen wijn.’ Als je in het vacuüm van het Evangelie prikt en je laat er iets van de lucht van onze ijdele werken bij, dan is het gewoon geen vacuüm meer. Er is, dat is de boodschap van Paulus, maar één weg. Al het andere is niets anders dan een perversie, dan een omkering van het Evangelie van vrije genade. Er is maar één weg naar de hemel. Welke? Dat heeft Paulus geschreven (en dat hebben we de vorige keer gezien) in vers 3 en 4: genade. Weet je nog wat dat betekent? Je krijgt, wat je niet verdiend hebt. Genade, onverdiende goedheid van God. Vrede met God. Omdat Christus Zichzelf gegeven heeft, omdat Hij Zichzelf op Golgotha geofferd heeft als het Lam Gods voor onze zonden. En de Heilige Geest heeft dat toegepast, door ons te trekken uit deze duistere, boze, tegenwoordige wereld. En dat alles is niet naar onze wil, maar naar de wil van God. Dat, zegt Paulus, is het Evangelie.
Dus dat is het Evangelie van vier dingen: a. Het is het Evangelie van onze menselijke verlorenheid, van onze geestelijke dood, van onze onwil en onze onmacht. b. Het is het Evangelie van het enige volmaakte offer van Jezus Christus aan het kruis, in de plaats van zondaren. c. Het is het Evangelie van de toepassing van dat offer door het werk van de Heilige Geest, Die trekt, en Die redt uit deze boze, tegenwoordige wereld.
d. En het is Evangelie van de wil en het welbehagen van God de Vader. Dat is de diepste bron van het Evangelie: niet onze wil, niet onze keus of ons initiatief, maar de wil en het welbehagen van God de Vader.
En wie dat te weinig vindt, die zegt ‘daar moet nog iets bij, daar moet iets bij… van mij?’ Paulus zegt, heel streng: Anathema, die zij vervloekt! Die is een voorwerp van Gods toorn, die is buitengesloten.
U zegt: ‘Zo… dat is stevige taal van Paulus.’ Ja. En alsof dat nog niet genoeg is, zegt hij in vers 8 alleen nog maar een inleiding, een soort hypothetische inleiding: als het zo zou zijn dat er een engel uit de hemel zou komen of dat ik een ander evangelie zou verkondigen, die zij vervloekt. Maar vers 9 is nog stelliger: Gelijk wij tevoren gezegd hebben, zo zeg ik ook nu wederom: indien u iemand een Evangelie verkondigt, buiten hetgeen gij ontvangen hebt, die zij vervloekt. Met andere woorden: wie het echt doet (het Evangelie vervalsen, verdraaien, aanvullen, er iets af halen), die zij vervloekt! ‘En’, zegt Paulus, ‘Galaten, jullie hadden dat eigenlijk kunnen weten: ik heb het u tevoren gezegd. Ik heb je ervoor gewaarschuwd: straks komen er dat soort van mensen (wolven in schaapskleren) die dwalingen gaan inbrengen in de gemeenten.’
Die zij vervloekt. U zegt: ‘Mag het wat milder? Er zijn misschien toch ook wel meer wegen naar de hemel?’ Nee. Er is, als het gaat om deze kernzaken, maar één weg. Vrije genade, naar de wil van God, niet naar onze wil en onze keuze, maar door het bloed van Jezus Christus voor zondaren alleen. U zegt: ‘Het is genoeg. Sla de bladzijde maar snel om, we gaan verder. Het is niet van deze tijd, om mensen te vervloeken.’ Maar dit is geen individuele actie van de apostel Paulus. Hij zegt het (en dat heeft hij eerder aangegeven) als apostel. Hij is (weet u nog?) ambassadeur van de Koning der koningen. Wat Paulus hier zegt, is het Woord van God! God zegt: als er iemand iets toevoegt aan het Evangelie, als iemand er iets afhaalt, als iemand er iets aan verandert, dan wordt die iemand overgegeven aan de eeuwige straf, aan de verwoesting. Luther zegt over dat toevoegen, over dat mengen van je eigen dingen met het Evangelie: ‘Dat is duivels.’ Hij noemt het een witte duivel.
Want als je het Evangelie verandert, dan doe je eigenlijk twee dingen. Het eerste is: je blokkeert voor jezelf en voor anderen de weg naar de zaligheid. Want je bent bezig om te dromen over een weg die helemaal niet bestaat. Want de Bijbel zegt dat er maar één Naam onder de hemel gegeven is, waardoor wij zalig moeten worden. En dat is de Naam van Jezus Christus. En als tweede: je rooft, je steelt eer van God en van Christus. Want als je zegt en denkt dat bekering óók een kwestie is van eigen wil, van eigen keus en van eigen initiatief, dan roof je eigenlijk eer van God, de Vader. En als je denkt dat bekering iets is, wat je zelf ook verdient, dan roof je eer van Christus. Eigenlijk zeg je dan met andere woorden: ‘Het
is jammer, Heere Jezus, maar zo groot had Uw offer niet hoeven zijn, want ik had er ook wel iets aan kunnen bijdragen.’
Willen delen met God, dat zit diep in ons hart. God een beetje en ik ook een beetje. En dat is Godslasterlijk. Daarom gebruikt Paulus dit scherpe woord: die zij vervloekt! Eer willen delen met God is Godslasterlijk. Dat komt uit het paradijs: stelen van God, eer roven van God. Onze catechismus vraagt in zondag 11: Geloven dan die ook aan de enige Zaligmaker Jezus, die hun zaligheid en welvaart bij de heiligen (en dan komt het) bij zichzelf of ergens elders zoeken? Het antwoord is: Nee zij; maar zij verloochenen met de daad de enige Zaligmaker Jezus, ofschoon zij met de mond in Hem roemen (dat kan dus!); want het is van tweeën één: óf Jezus moet geen volkomen Zaligmaker zijn óf die deze Zaligmaker met een waar geloof aannemen, moeten alles (niet iets, maar alles!) in Hem hebben, dat tot hun zaligheid nodig is. Dus je kunt met je mond in Jezus roemen en… Hem metterdaad verloochenen. Hoe? Als je het ook zoekt bij jezelf. We gaan daar zo meteen mee verder, maar we gaan eerst samen zingen uit Psalm 27, het vijfde vers: Mijn hart zegt mij, o HEER´ van Uwentwege: Zoek door gebeên met ernst Mijn aangezicht! Dat wil, dat zal ik doen; ik zoek den zegen alleen bij U, o Bron van troost en licht! Verberg toch niet Uw oog van mij, o HEERE, ik ben Uw knecht, zie niet in toorne neer! Gij waart mijn hulp in al mijn zielsverdriet. O God mijns heils, begeef, verlaat mij niet!
Gemeente, je kan dus met je mond in Jezus roemen en Hem metterdaad (in de praktijk van het leven) met je hart verloochenen. Hoe dan? Nou zo: je geeft misschien met je mond wel toe, dat het genade is (‘natuurlijk, het is alleen genade’), maar diep in je hart zoek je het toch bij jezelf. Dat begint in je gedachten vaak niet met ‘Nee’, maar subtieler, met: ‘Ja maar…’
Het is vrije genade. Ja, maar… Je moet toch wel…? Je moet toch ook…? Je moet wel…! Het moet wel…! Het is beter dat…! Ja, maar… Kijk in uw gedachten eens in uw hart. U zoekt de Heere en u denkt: het is waar, ik verdien helemaal niks. ‘Ja, maar…, de Heere zal mijn plichten, mijn gebeden, mijn berouw, mijn tranen toch maar niet zomaar allemaal in de prullenbak gooien? Hij zal er toch wel mee… rekenen?’ Met andere woorden: ‘Het telt toch wel mee, hoop ik?’ Stiekem in je hart steun je op je eigen godsdienst, je eigen netheid of je kerkelijke betrokkenheid. En je denkt en je zegt: ‘Het is waar, ik verdien er helemaal niets mee, maar het is wel goed, dat ik zo ben. De Heere ziet dat heus wel...’
Je bent altijd netjes, je bent niet onverschillig, je hebt altijd de Heere gezocht en je hart is ook wel eens aangeraakt door het Woord van God. U denkt: ‘Ik heb Gods kinderen lief, ik heb ooit beloofd mijn leven te beteren en heb dat ook gedaan… Het is waar, ik verdien er niets mee.’ Ja, denk je bij jezelf, ‘maar de Heere ziet het heus wel en het maakt heus wel verschil hoe je leeft.’ Je steunt op je eigen geloof, op je eigen keuze voor God… alsof je iets toevoegt, alsof je ook een eigen prestatie toevoegt. Je zegt: ‘Ja, ik verdien er helemaal niets mee’, maar je denkt bij jezelf: ‘Ja, maar dit is toch wel, wat de Heere van me vraagt. Nou, dat doe ik. Wie weet…’
U zegt: ‘Ik doe het niet zonder Christus, ik doe het met Hem. Ik met Hem. Wij samen.’ Maar dat betekent, dat u Christus verloochent! Want u mengt de beker van de gezondmakende drank van het Evangelie met één druppeltje van het gif van uzelf en… het wordt een dodelijke mix! Want, zegt de catechismus, u moet alles in Christus hebben wat tot uw zaligheid nodig is en nergens anders (ook niet bij uzelf!) de zaligheid zoeken.
Maar wat zit die neiging diep in ons hart: doe-het-zelf. Zelf doen. Jongens en meisjes, dat zit diep in ons hart. Iemand anders doet het voor mij? Nee, dat wil ik niet. Ik wil het zelf doen. ‘Mama, ik wil hagelslag op mijn brood. Maar…, ik wil het wel zelf doen. Want als ik het zelf doe, komt er in ieder geval genoeg op mijn boterham.’ Ik wil het niet overlaten aan iemand anders. Dat zit heel diep in m’n hart: zelf doen.
En dat is al heel oud. Dat komt uit het paradijs. Toen kregen we de opdracht van de Heere om te doen: doe dat, wees gehoorzaam, en u zult leven. Maar daarna kwam de zondeval en werd alles anders. Maar aan die zondeval willen we niet denken, we doen alsof we nog steeds in het paradijs leven: doe dat en u zult leven. Doe je best, doe wat je kunt. Doe je best… en God doet de rest.
Maar het Evangelie is zo anders. Het Evangelie is niet een weg van zelf-doen, niet van presteren, maar van capituleren. Een weg van buigen en zeggen: O God, doet U alles maar. Niet een weg van werken, van zelf doen, van verdienen, maar een weg van rusten en vertrouwen op het volbrachte werk van de Heere Jezus Christus. Later gaat Paulus daar in de Galatenbrief veel dieper op in, als hij tegen de Galaten zegt: er moet een streep door je eigen werk, door je neiging om te werken en bij te dragen aan het plan van de zaligheid. Je moet sterven aan de wet. Aan dat wettische, aan dat werkheilige, aan dat werkezel zijn. Je moet wanhopen aan jezelf. Want alles in jezelf is tekort. Alles in jezelf is ten diepste schuld voor God. Je hebt, wij hebben helemaal niets. Het is alleen genade. En als u een andere boodschap hebt, zegt Paulus, dan: anathema, dan bent u vervloekt. Want er is maar één weg: vrije genade. Voor vijanden. Naar de wil van God. En niets, niets van de mens!
Maar ondertussen blijkt wel hoe gemakkelijk dat afwijken, dat veranderen van gedachten kan opkomen in de gemeenten, zoals ook destijds in de gemeenten van Galatië. Maar zeker ook in onze tijd, in onze emotiecultuur. Het accent ligt overal op voelen, op beleven. De liefde in mijn hart, de blijdschap op mijn lippen, de tranen in mijn ogen. Ook onze bevindelijk-gereformeerde cultuur legt veel accent op beleven, op voelen en ervaren. En hoe goed dat ook kan zijn: dat is niet de toets! Niet wat de mens ervaart, niet wat wij voelen, maar wat de Schrift zegt. En de Schrift, het Woord van God, zegt dat dit het hart van het Evangelie is: vrije genade voor de allerslechtsten. Niet voor vrienden en betrokken mensen, maar voor vijanden. Niet naar onze wil en naar onze keus, maar naar de wil van God de Vader. Niet door samen te werken met Christus, maar alleen om het offer van Jezus. Niet door onze keuze, maar door het werk van de Heilige Geest, Die zondaren trekt en redt uit deze tegenwoordige, boze wereld.
Paulus zegt verder in vers 10 (het is alsof hij in gesprek is met de Galaten): Predik ik nu de mensen of God? Of zoek ik mensen te behagen? Want indien ik nog mensen behaagde, zo ware ik geen dienstknecht van Christus. We zien het tot slot in onze derde gedachte:
Er staat niet dat je als dienaar van God, God behaagt doordat je zoveel mogelijk mensen op de tenen trapt en zoveel mogelijk afgeeft op tradities en gewoonten. God vraagt van ons (en het is goed, dat we dat ook hardop tegen elkaar zeggen) om in de kring van de gemeenten die ons lief zijn en die ook eigen tradities hebben, om daarin vrede en eenheid te zoeken en met wijsheid te spreken en te handelen, met voorzichtigheid, met tact, met woorden die met zout besprengd zijn. Maar als het gaat om het Evangelie van vrije genade, dan staan we onverbiddelijk op het vaste fundament, op de bodem van de Schrift: genade alleen, en niets van de mens. En wie delen wil? Die zij vervloekt!
Word je daarmee een vriend van mensen? ‘Ach’, Paulus zegt: ‘dat doet er eigenlijk helemaal niet toe. Ik ben een dienstknecht (letterlijk: een slaaf) van de goede Meester Jezus Christus. Ik zoek helemaal niet het gevlei van mensen. Ik vraag helemaal niet aan de mensen, of ze mijn boodschap wel mooi vinden.’ Want Paulus weet (en ik weet dat ook en u ook) dat het Evangelie in die zin helemaal niet mooi is. Het Evangelie roept protest en verzet op. Het strijkt dwars tegen onze haren in. Het geeft de doodsteek aan wie wij zijn. Het ontneemt ons alles, het pakt alles van ons af. Het spreekt wel naar het hart van Jeruzalem, maar niet naar de mond van Jeruzalem.
Het Evangelie is niet naar de mens. Want de mens wil werken, zelf doen, doe-het-zelver zijn. Paulus zegt: ‘Ik ben een slaaf van de goede Meester, Jezus Christus. En ik zoek en wij zoeken Zijn voorbeeld na te volgen in al Zijn gestrengheid tegen iedere vorm van schijnvroomheid.’
Want Hij heeft gezegd: Wee u, gij Farizeeën en Sadduceeën, gij geveinsden want u bent witgepleisterde graven gelijk, die van buiten wel schoon lijken (mooi, in al uw uiterlijke godsdienst) maar van binnen bent u vol van doodsbeenderen en onreinheid (Mat. 23:27). En op een ander moment huilde deze goede Meester, Jezus Christus, tranen over Zijn hoorders: Jeruzalem! Jeruzalem! U die de profeten doodt en stenigt, hoe menigmaal heb Ik uw kinderen bijeen willen vergaderen gelijk een hen haar kuikens, maar gij hebt niet gewild (Mattheüs 23:37Jeruzalem, Jeruzalem! gij, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn! hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugels; en gijlieden hebt niet gewild.).
En op een ander moment sprak Hij: Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven (Mattheüs 11:28Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.). Wij schilderen u voor ogen wat de Evangelist geschreven heeft: En alle tollenaars en zondaars(!) naderden tot Jezus, om Hem te horen (Lukas 15:1En al de tollenaars en de zondaars naderden tot Hem, om Hem te horen.). Wij zeggen ook tegen u: Kom! Er is genade. Voor…? Voor vrienden? Nee. Er is genade voor vijanden, er is genade voor zondaars. Paulus zegt: ik ben een dienstknecht van Jezus Christus en ik volg Hem na. Ik spreek de woorden van mijn Meester.
U zegt: ‘Ja, maar er moet toch nog iets bij. Want dan voelt het van binnen een beetje compleet, een beetje logisch, een beetje kloppend.’ Zeg dat dan maar tegen die goede Meester. Hij, als de Alwetende, zal uw doe-het-zelf- neiging doorzien, de neiging om u toch te verschuilen en toch te verstoppen, door iets meer te willen, door iets toe te voegen. Maar hoe mooi het ook is of lijkt, maar wat u ook koestert het, maakt u niet geschikt voor Jezus. U bent en blijft (en dat is de boodschap van vandaag, en gaat u daarmee naar huis en leg dat, op de knieën, voor de Heere neer), u bent en blijft totaal ongeschikt voor God en Christus. Maar zie dan tegelijkertijd, beste vrienden, hoe bevrijdend dit Evangelie is, dat zegt: Het is genade alleen, voor een verloren zondaar, voor een vijand van God, voor een geboren verliezer.
Laat toch alles los van uzelf! Laat toch de hoop op uw eigen bijdrage en op uw eigen werken varen! Laat u toch zalig maken! Laat u toch met God verzoenen!
Want u bent en wordt nooit geschikt voor Jezus, maar Jezus is zo uitermate geschikt voor vijanden, voor verloren mensen. Want Hij is gekomen om te zoeken en zalig te maken, wat verloren was (Lukas 19:10Want de Zoon des mensen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was.).
Amen.
Steun Leespreken.nl Dank u voor het lezen van deze preek. Wilt u overwegen bij te dragen aan onze kosten? Scan de QR-code hiernaast, of ga naar leespreken.nl/steun Hartelijk bedankt!
Andere preken over Galaten