PREEK · KERKELIJK JAAR

Genezing van tien melaatsen - Lukas 17

Dankdag - 6 november 2013

Lukas 17:17: En Jezus antwoordende zeide: Zijn niet de tien gereinigd geworden? En waar zijn de negen?

INLEIDING

Tien melaatsen worden genezen, maar slechts één keert terug: de Samaritaan, die met luide stem God verheerlijkt en op zijn aangezicht valt. Dankbaar zijn is niet hetzelfde als danken: God vraagt niet alleen een warm gevoel, maar hoorbare, merkbare lof. Kenmerken van echte dank: persoonlijk, geestelijk, direct, intens, nederig en ootmoedig. Terwijl de negen naar de wet gaan, keert deze ene terug naar de Zaligmaker zelf. "Uw geloof heeft u behouden" – niet Zijn kracht, maar het geloof dat God Zelf werkte, komt terug met lof.

THEMA

Dankbaar zijn of danken

LUKAS 17:11-19

11 En het geschiedde als Hij naar Jeruzalem reisde, dat Hij door het midden van Samaría en Galiléa ging.
12 En als Hij in een zeker vlek kwam, ontmoetten Hem tien melaatse mannen, welke stonden van verre;
13 En zij verhieven hun stem, zeggende: Jezus, Meester, ontferm U onzer.
14 En als Hij hen zag, zeide Hij tot hen: Gaat heen en vertoont uzelven den priesters. En het geschiedde terwijl zij heengingen, dat zij gereinigd werden.
15 En één van hen, ziende dat hij genezen was, keerde weder, met grote stem God verheerlijkende.
16 En hij viel op het aangezicht voor Zijn voeten, Hem dankende; en dezelve was een Samaritaan.
17 En Jezus antwoordende zeide: Zijn niet de tien gereinigd geworden? En waar zijn de negen?
18 Zijn er geen gevonden die wederkeren om God eer te geven, dan deze vreemdeling?
19 En Hij zeide tot hem: Sta op en ga heen; uw geloof heeft u behouden.

VOLLEDIGE TEKST

Genezing van tien melaatsen - Lukas 17

ds. J. IJsselstein - Lukas 17:17

THEMA

Dankbaar zijn of danken

Gemeente, de preek op deze dankdag gaat over de geschiedenis van de tien melaatsen. Het gedeelte uit Lukas 17 is u voorgelezen, ik lees samenvattend alleen nog het 15e en 16e vers van het Schriftgedeelte, waar staat: En een van hen, ziende, dat hij genezen was, keerde wederom, met grote stem God verheerlijkende. En hij viel op het aangezicht voor Zijn voeten, Hem dankende; en dezelve was een Samaritaan.

Alle tien, jongens en meisjes, hebben ze die nare ziekte: melaatsheid. We weten eigenlijk niet zo goed wat dat precies voor een ziekte was, die melaatsheid. Je kunt erover lezen in het Oude Testament, vooral in Leviticus 13 en 14. Als je die hoofdstukken van het Leviticusboek nauwkeurig leest, dan blijkt dat het een hele groep, een heel scala aan huidziektes is geweest. Melaatsheid is dus een ziekte van je huid, van je vel. Het is een hele groep van verschillende huidziekten, die moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn. Sommigen waren besmettelijk, anderen waren niet besmettelijk. En alles bij elkaar werd dat melaatsheid genoemd. Als je iets had, wat deed denken aan die ziekte, een wit plekje aan je hand of waar dan ook, dan moest je naar de priester bij de tempel of de tabernakel. Hij kon precies bekijken en beoordelen: is dit nu melaatsheid of is het wat anders? En als het niet duidelijk was, dan moest je even wachten, we zouden nu zeggen: dan moest je in quarantaine. Dan moest je één of twee weken apart en dan werd het wel duidelijk: melaats of niet, rein of onrein.

Alle tien hebben ze die nare ziekte: melaatsheid. De ziekte die Naäman, de Syriër, ook ooit had. Je weet wel, die hele voorname man uit Syrië, die een dienstmeisje had uit Israël. Op een gegeven moment durfde ze het te zeggen, tegen de vrouw van Naäman: ‘Meneer zou naar Elisa, naar de profeet in Israël moeten gaan, want die kan melaatsheid genezen.’ En hij ging. Hij moest zich van Elisa wassen in de Jordaan, maar daar had hij geen zin in. Dat vond hij veel te smerig. Maar uiteindelijk heeft hij het toch gedaan en is hij genezen. Toen is hij rein geworden (2 Koningen 5).

Ja, want melaatse mensen zijn onrein. Daarom mogen ze ook niet onder de gewone mensen komen. Ze zouden vandaag ook niet in de kerk mogen komen. Ze moeten op

afstand blijven, ver bij de gezonde mensen vandaan. En als je ze tegenkwam, dan moesten ze van veraf al laten weten dat ze eraan kwamen. Sommigen hadden daarom een bel of een ratel. Ze moesten roepen: ‘Onrein! Onrein!’ Het gevolg was, dat melaatse mensen eenzaam moesten leven: gescheiden, weg van andere mensen. En, zoals ik zei, ze mochten ook niet naar de synagoge, ze mochten niet naar de tempel, ze mochten niet naar de kerk.

Melaatsheid, onreinheid is in de Bijbel steeds een beeld van onze zonde, van de zonde die begon in het paradijs en van de zonden die we doen en laten. Door die onreinheid, door die zonden leven ook wij (zoals we geboren zijn) gescheiden, ver weg van God. Zoals de Bijbel dat zegt: zonder God in de wereld (Efeze 2:12). Van die geestelijke onreinheid, daar moet ons hart van gewassen worden.

Alle tien hebben ze die nare ziekte: melaatsheid. Maar gelukkig, zou je zeggen, hebben ze elkaar opgezocht, ze zijn met z’n tienen bij elkaar. Ze wonen ergens, als je op de kaart kijkt, in het grensgebied tussen Galiléa in het noorden en Samaría in het midden (dat is de plek waar je de Jordaan kunt overgaan om verder naar het zuiden te gaan). Daar in die buurt wonen ze in een dorpje. Opvallend is dat de groep gemengd is: Joden en Samaritanen. Kennelijk is het zo (wat ook nu nog steeds zo is) dat lijden verbroedert.

Maar vandaag, zo hebben de mannen gehoord, komt er bezoek in hun dorp: Jezus van Nazareth. De Man van wie ze gehoord hebben dat Hij zieken geneest, komt op bezoek. En zij zullen een soort van welkomstcomité zijn.

De Heere Jezus is op doorreis. Hij komt uit Galiléa, Hij steekt de Jordaan over naar het zuiden en gaat uiteindelijk in de richting van Judéa, van Jeruzalem, om daar te lijden en te sterven. In Jeruzalem, waar nu de priesters nog druk bezig zijn met hun offers, niet wetend en niet gelovend dat de grote Hogepriester, dat het grote Offer komt en onderweg is.

Ze (die tien mannen) verwachten Jezus. Ja, daar komt Hij! En dan roepen ze alle tien tegelijk. In vers 13 staat: En zij verhieven hun stem, zeggende: Jezus, Meester! ontferm U onzer! ‘Meester, Rabbi, wees ons barmhartig! Ontferm U over ons!’

Eigenlijk is het een heel algemene vraag. Ze zeggen niet: ‘Heere, genees ons! Verlos ons van onze melaatsheid!’, maar het is heel algemeen een vraag om barmhartigheid, om ontferming: ‘Help ons!’

Maar de Heere Jezus stelt hen op de proef. Eerst staan ze op afstand. Zo moet het ook. Maar als ze wat dichterbij komen in vers 14, en als Jezus hen ziet, zegt Hij tot hen: Ga heen en vertoon uzelf (dat wil zeggen: laat uzelf zien) aan de priesters. Je zegt: ‘De Heere Jezus slaat een stap over!’ Hij zegt niet: ‘Wees genezen. Je bent bevrijd van je melaatsheid. Wordt gereinigd.’

Nee, Hij zegt: ‘Ga heen.’ Ze doen het. Ze gaan, gehoorzaam. En als ze nog maar net onderweg zijn (terwijl zij heengingen, zo staat er in vers 14) dan worden ze gereinigd. Ineens zegt er één: ‘Jongens, moet je eens kijken, het is weg! Mijn melaatsheid is weg. Geweldig, ik ben genezen!’ De anderen zien het ook. Blij dat ze zijn…!

‘Snel, jongens, snel naar de priester, we moeten het zo snel mogelijk laten zien, want dan kunnen we naar huis.’ ‘Nee’, zegt er één, ‘Stop. Stop! Niet naar Jeruzalem, we moeten terug naar rabbi Jezus.’ Hij probeert ze nog vast te houden, maar nee hor, ze lopen door. En dan is er nog maar één over… Hij gaat terug, naar de Heere Jezus. Eén van hen, ziende, dat hij genezen was (hij ziet het), keerde wederom. Hij keert zich om en gaat terug. En wat doet hij? Met grote stem God verheerlijken.

Nou jongens en meisjes, als je goed nadenkt en luistert, dan zie je dat die tien mannen eigenlijk heel erg op elkaar lijken. Ze hebben allemaal dezelfde ziekte, ze zijn allemaal melaats. Ze zijn onrein, en dus verstoten en buitengesloten. Ze willen allemaal graag beter worden. Ze hebben allemaal gehoord van de macht van Jezus van Nazareth. Ze geloven allemaal, zou je kunnen zeggen, dat Hij machtig is, dat Hij genoeg kracht heeft om hen te genezen, of op z’n minst dat Hij zo vriendelijk zal zijn om Zijn medelijden te tonen. Ze erkennen Hem ook allemaal als rabbi (want dat roepen ze). Ze zijn allemaal gehoorzaam, want ze gaan allemaal richting de priester. En: ze worden allemaal genezen van hun melaatsheid.

Maar er is één verschil. Ze lijken heel erg op elkaar, maar er is één verschil. En daar gaat het in deze dienst over. Het verschil is dat, hoewel ze ongetwijfeld allemaal dankbaar zijn in hun hart, er maar één is die oprecht dankt.

En dat is het thema voor de preek: Dankbaar zijn of danken.

Want het is, jongens en meisjes, vandaag geen dankbaarheidsdag, maar het is dankdag. En er is, gemeente, heel veel reden om te danken. Om te danken voor tijdelijke dingen. Jongens en meisjes, er is heel veel reden om de Heere te danken. Voor dat Hij je geholpen heeft op school.

Voor dat Hij je altijd weer bewaarde onderweg op je fiets of met de auto naar school en weer terug naar huis. Voor dat Hij de meesters en de jufs geholpen heeft.

Er is reden om de Heere te danken, ongetwijfeld in uw en in onze gezinnen. Voor…? Misschien wel voor de geboorte van een kindje. Voor de gezondheid van andere kinderen. Voor genezing van ziekte. Voor hulp en kracht bij een chronische kwaal. U zegt: ‘Ik ben geopereerd en de operatie is gelukt.’ Anderen kregen ernstige ziekten en moesten behandeld worden en bij sommigen sloeg de therapie aan, reden om te danken. En zelfs als dat niet gebeurde, kan er in je hart alle reden zijn om de Heere te danken. Voor hulp ook bij de lichamelijke en geestelijke beperkingen die je ervaart in je leven. Voor liefde, rust en zegen in je huwelijk, in een tijd dat er zoveel huwelijken dreigen te breken en te stranden. Voor de zegen van werk. Voor hulp in werkeloosheid. Voor de doorgang van je eigen zaak of onderneming. Voor hulp van God in je faillissement. Voor de zegen in je boerenbedrijf. Voor (als u zo even de balans voor uzelf opmaakt van de afgelopen maande) hulp in alle zorgen. Voor de hulp die de Heere gaf in tijdelijke dingen.

Er is ook heel veel reden om de Heere te danken voor de zegen in geestelijke zaken. Misschien moet en mag u vandaag wel zeggen: ‘De Heere heeft me in de afgelopen maanden stilgezet op mijn levensweg. Ik heb onderwijs, ik heb licht gekregen van de Heere in mijn hart, licht en zicht op wie ik ben, op Wie God is, en op Wie de Heere Jezus Christus is, de Zaligmaker van verloren zondaren. Voor vertroosting van uw hart, voor een eerste Avondmaalsgang (misschien na jaren van strijd en twijfel).

Er is reden om de Heere te danken voor tijdelijke zegeningen, voor geestelijke zegeningen, maar ook voor zegeningen in de ambtelijke dienst, broeders. Voor de zegen van de Heere bij alle werk in de gemeente, op de verenigingen, op de catechisaties. Voor de vrucht die de Heere gaf op de leesdiensten van de broeders en voor de zegen onder de dienst van het Woord. Er is reden om dankdag te houden. ‘Want’, zegt u, ‘we zijn echt dankbaar.’

Ja, maar wacht even. Dat is niet wat God van ons vraagt. God zegt niet: ‘Wees dankbaar in alles. Heb nu maar dat fijne en warme gevoel van dankbaarheid in je eigen hart.’ Nee, de Heere zegt: Dankt God in alles. Dat wil zeggen: kom met die zegeningen terug naar Mij, net als deze Samaritaan, net als deze allochtoon: hij kwam met grote stem, God verheerlijkende.

Wees dankbaar in je hart? ‘Nee’, zegt Jesaja, Dankt de HEERE, roept Zijn Naam aan, maakt Zijn daden bekend onder de volken! vermeldt, dat Zijn Naam verhoogd is (Jesaja 12:4).

Wees dankbaar in je hart? ‘Nee’, zegt Paulus tegen de Thessalonicenzen, Dankt God in alles; want dit is de wil van God in Christus Jezus over u (1 Thess. 5:18). Dankdag houden is niet dankbaar zijn hier van binnen in je hart, maar dankdag houden is danken.

Jongens en meisjes, dit is het verschil: stel, je hebt heel lang en heel vaak voor iets gebeden. En uiteindelijk heb je het gekregen van de Heere. Wat ben je blij en gelukkig! ‘Weet je wat’, zeg je, ‘ik ga heel stilletjes naar mijn kamer en ga ik stilletjes even de Heere danken voor wat ik gekregen heb en dan zeg ik tegen alle mensen: ‘Ik voel me zo dankbaar!’ Maar wacht, dat is niet hetzelfde als danken! Wat je ook zou kunnen doen, is tegen die andere mensen niet alleen vertellen dat je dankbaar bent en dat je hart vanbinnen zo fijn voelt van dankbaarheid, maar je zou ook tegen die andere mensen kunnen zeggen hoe goed de Heere voor jou is geweest en dat je van nu af aan met alle liefde van je hart de Heere wilt volgen en dienen, met heel je hart en in heel je leven.

Dus danken betekent dat het hoorbaar, merkbaar en zichtbaar wordt, in hoe je leeft. Dus niet dankbaar zijn en ‘dank U wel’ zeggen voor alles wat je krijgt en vervolgens toch weer verder gaan op je eigen weg. Dat is de grootst mogelijke ondankbaarheid.

Misschien is dat wel het manco van veel christenen in deze tijd, van veel kinderen van God, van onszelf. We bidden wel (hoop ik), we krijgen van de Heere wat we vragen en zeggen: ‘We zijn dankbaar’ en… we houden het voor onszelf. We zijn dankbaar, maar danken niet…!

We bidden als we ziek zijn. De Heere verhoort ons en we worden beter. En we zijn dankbaar en we zeggen dat ook: ‘Ik ben dankbaar! ‘Maar danken is niet hetzelfde als zeggen dat je zo dankbaar bent. Je bidt de Heere voor je schoolwerk, voor je studie. De Heere verhoort. Het gaat goed en het is fijn op school. Je haalt je tentamens en je examens. Je zegt: ‘Ik ben dankbaar. Dat voel ik in m’n hart.’ Maar dat is toch niet hetzelfde als echte dank. We bidden of de Heere ons wil bekeren en of Hij ons genade wil geven, of Hij ons meer licht wil geven in de donkerheid van ons hart, of Hij tot ons wil spreken door Zijn Woord. De Heere verhoort en we zeggen: ‘Ik voel me dankbaar, ik voel het vanbinnen in mijn hart.’ Maar dat is niet wat God van ons vraagt!

Danken is God verheerlijken, God eer en lof toebrengen, Zijn Naam hoog optillen, Hem grootmaken.

De Catechismus zegt, dat het ware danken (dus niet het voelen) is dat we met ons hele leven Gode dank bewijzen (laten zien, laten horen) voor al Zijn weldaden en dat Hij door ons geprezen worde. Zoals deze allochtoon deed: God verheerlijken, Hem prijzen. En, zo staat erbij in zondag 32: dat onze naaste door onze godzalige wandel voor Christus gewonnen worde (Zondag 32, aw. 86).

Is het, gemeente, ook niet zo donker geworden in de kerk, in onze kerk, omdat wij die God belijden (ik begin bij mezelf, maar kijk ook eens in uw eigen hart) niet Gode leven, zoals Paulus zegt, gericht op God en Hem dank bewijzen? Komt het ook niet vooral omdat ons leven geen levend getuigenis meer is in woorden en daden? Omdat we niet meer uitstralen naar anderen, dat het zo goed is om de Heere te vrezen en dat Hij voor ons zo’n goede Meester is? Dat we nooit spijt hebben gekregen van het feit dat we voor Zijn voeten zijn neergevallen en dat Hij alle lof en hulde waard is?

Heel veel kinderen van God brengen hun leven door met één ding: het onderzoeken van hun huid of ze wel echt genezen zijn, en ieder pukkeltje doet hen vrezen. Ik zeg u niet dat het verkeerd is om, als je melaats bent geweest, je huid te laten onderzoeken door het Woord van God. Maar is dat in onszelf gekeerde leven (altijd maar bezig zijn met jezelf), geen leven naar de wet in plaats van Gode leven en Hem dank bewijzen voor al Zijn weldaden? Want je kunt ook na ontvangen genade, nadat je hier in de kerk genade hebt ontvangen, naar huis gaan en alles houden voor jezelf, alles koesteren voor jezelf, en verder leven voor jezelf. Maar dat is niet goed, gemeente! Dat brengt ons geen zegen.

Keer terug! Toon uzelf de grote Hogepriester en geef Gode lof en dank! In de binnenkamer. Op de knieën voor God. Zeg eens eerlijk: doet u dat weleens? Al uw liefde en lof en dank voor de Heere uitspreken, geknield voor Hem? ‘Ik zal U, Heere, al mijn liefde waardig schatten omdat U mijn rechterhand wilde vatten. Ik heb U nooit gezocht, maar U bent al mijn liefde waard omdat U mij opgezocht hebt en getrokken hebt met koorden van liefde.’ Doet u dat wel eens? Niet alleen bidden en smeken, maar ook de lof des Heeren zingen, in de binnenkamer?

Maar ook (en dat kan niet los van elkaar!) voor Hem leven in het openbaar. Dat is tot Zijn eer. En weet u, daar rust de zegen van de Heere op. Daar komt de Heere in mee. Want (en daar gaat het om) de Heilige Geest werkt in het hart van mensen met een doel: niet om ons een gevoel van rust, vrede en blijdschap te geven, maar het doel is: de lof, eer en heerlijkheid van God de Vader en van Christus Jezus.

Zeker, er zijn misschien wel oorzaken aan te wijzen waarom dat niet zo gebeurt. Er is in deze tijd veel oppervlakkig gejuich en inhoudsloze lofprijzing. Maar misschien (ik leg het maar aan u voor terwijl u dit Schriftgedeelte leest en het overdenkt) heeft dat ons als reactie hierop wel veel te aarzelend, ingehouden en beschaamd gemaakt. Want dat anderen het anders doen, is voor ons geen reden om te zwijgen van de goedheid, liefde en trouw van onze Meester. Dat is geen reden om het niet te zeggen; we moeten het wel zeggen: Komt, maakt God met mij groot en verbreidt en verhoogt Zijn Naam!

We gaan dat samen zingen uit Psalm 34, het 2e vers.

Komt, maakt God met mij groot; Verbreidt, verhoogt, met hart en stem, Den nooit volprezen naam van Hem, Die ons behoedt in nood. Ik zocht in mijn gebed Den HEER, ootmoedig met geween; Hij heeft mij in angstvalligheên Geantwoord, mij gered.

Het gaat op dankdag niet om dat innerlijke, warme en fijne gevoel van dankbaarheid voor jezelf, maar om oprechte dank. Wat zijn nu, als we naar deze geschiedenis kijken, kenmerken van echte, oprechte dank?

In de eerste plaats: echte dank is persoonlijk. Deze man gaat heel persoonlijk terug naar Jezus. Een mens zondigt in gezelschap en gaat in gezelschap naar de hel, maar bekering is een persoonlijke zaak. We buigen persoonlijk voor God, in het verborgen. We bukken persoonlijk en belijden persoonlijk onze schuld en vijandschap tegen God, alleen voor God. We worden persoonlijk gelokt en gebracht aan de voeten van Christus. En we bukken persoonlijk voor ons eigen hart en leven aan Zijn voeten. Natuurlijk, het zou kunnen dat andere mensen onze dank aanvullen, maar zo niet: dan zullen we Hem persoonlijk lof zingen. Persoonlijk, hoewel stemmen in de gemeente zich onder elkaar kunnen vermengen. Als de een tegen de ander zegt: Kom, maak God met mij groot! Als we tegen elkaar zeggen en als ik tegen jullie, jongens en meisjes: zeg toch tegen anderen, dat het goed is om de Heere te dienen. Dat we zo’n goede Meester hebben. Dat wij, die de Heere dienen, vroeger zo’n slechte meester hadden, die ons altijd als een slaaf vooruit dreef en ving in zijn strikken, maar we hebben nu zo’n goede Meester. Het is zo goed om Hem te dienen!

Het is zo goed om je leven (totaal, alles ervan) aan de Heere te wijden. En daarom zeggen we ook tegen jullie: Kom, ga met ons en doe als wij. Als wij bidden in ons bidvertrek, in onze binnenkamer, dan denken we ondertussen ook aan jullie. Kom, ga met ons en doen jullie dat ook (thuis): de Heere bidden in het verborgen, de Heere vrezen, de Heere dienen. Het is persoonlijk, maar tegelijkertijd: de liefde van het hart en de liefde van Christus dringen ons om anderen mee te nemen.

Echte dank is persoonlijk, en in de tweede plaats: echte dank is geestelijk. Want die andere negen die doorgelopen zijn naar de priester volgen de regel van de wet. De wet op zichzelf is niet verkeerd, de wet is heilig. Maar je kunt in het volgen van de regels van de wet nooit de zaligheid vinden. De wettische geest van die negen zegt: ‘Nee,

man, we gaan niet terug. We gaan eerst naar de priester, we moeten ons stipt houden aan de wet en daarna…’ Daarna terug naar Jezus? ‘Nee, daarna gaan we naar huis natuurlijk!’ Maar een geestelijk hart zegt: ‘Nee, ik moet met mijn dank niet naar de wet, maar ik moet naar de Zaligmaker en daar moet ik (die het allemaal niet verdiend heb) aan Zijn voeten vallen. En als het dan zo is, als ik met een verslagen geest en verbroken hart buk aan de voeten van de Heere Christus, dan komt de dank op uit een andere bron: uit de wederliefde van mijn hart en uit de innerlijke drang om God groot te maken.

Echte dank is persoonlijk, geestelijk, en in de derde plaats: echte dank is direct. Die ene man zegt niet: ‘Wacht even, ik ben genezen, maar ik moet eerst even dit en dat en straks kom ik wel terug...’ Nee. Hij komt direct terug naar Christus. Echte dank is heel direct. Het is het eerste en het allerbelangrijkste om terug te keren en God te danken.

Echte dank is persoonlijk, geestelijk, direct, en in de vierde plaats: echte dank is intens. Kijk maar, vers 16: met grote stem, met luide stem, verheerlijkt hij God. Ik las laatst in de krant een stukje over God loven, over God verheerlijken. Het ging eigenlijk over de vraag: wat is dat nu God loven, God verheerlijken? God is toch al oneindig groot en heerlijk? De schrijver van dat stukje schreef: je moet eigenlijk denken aan een voetbalwedstrijd (vergeef me het voorbeeld). Eindelijk, na negentig minuten wordt het beslissende doelpunt gemaakt. Iedereen vindt het geweldig, de menigte is uitzinnig. Wat doen de spelers? Die pakken de man die het beslissende doelpunt maakte, tillen hem op en dragen hem rond terwijl ze hem hoog optillen. U zegt: ‘Dat voorbeeld is niet zo goed voor de preekstoel.’ Dat snap ik, maar Paulus gebruikte ook weleens voorbeelden uit sportwedstrijden. Niet meedoen, jongelui en ouderen, met de verafgoding van mensen, van topsporters, maar je snap wel wat ik bedoel te zeggen. En nu, heel eerbiedig: God groot maken, dat is Zijn Naam omhoog houden, omhoog heffen en juichend ronddragen. Waar? In je kamertje? Nee. Thuis, hier in de kerk en buiten in de wereld. Terwijl je (en dat maakt het verschil, en daarom klopt het voorbeeld niet), terwijl je tegelijkertijd zelf plat op de grond ligt voor God. Want dat maakt deze dank zo verschrikkelijk veel anders dan het voorbeeld dat ik noemde en dat maakt deze dank en dit loven van deze Samaritaan zo bijzonder. Want wat staat er? Hij viel op het aangezicht voor Zijn voeten. Plat op de grond voor Christus.

Echte dank is persoonlijk, geestelijk, direct, intens, en in de vijfde plaats: echte dank is nederig. Echte dank begint aan de voeten van Christus: ‘Heere, ik ben en heb niets, ik verdien niets.’ Echte dank (en de rest is namaak) komt uit een diep vernederd hart dat zegt: ‘Heere, ik ben niets voor U, maar U bent alles voor mij.’ Echte dank (en de rest is namaak) verloochent zichzelf. Want het is voor deze Samaritaan geen pré (geen voordeel) om zich te voegen bij die verachte Jezus van Nazareth. Voor je

goede naam kun je beter naar Jeruzalem en je aansluiten bij de groep van de Sadduceeën en de Farizeeën. Goed van Jezus profiteren, maar ondertussen gewoon je eigen weg gaan en niet bij Hem willen horen. Maar het gaat ons niet om onze naam en we schamen ons niet om de Naam van Jezus Christus! Deze Samaritaan verloochent zichzelf en voegt zich bij de verachte Jezus van Nazareth. Oprechte dank (en de rest is namaak) komt op uit een verslagen hart en verbroken geest.

Echte dank is persoonlijk, geestelijk, direct, intens, nederig, en in de zesde plaats: echte dank is ootmoedig. Kijk maar in vers 17. En Jezus antwoordende zei: Zijn niet de tien gereinigd geworden en waar zijn de negen? Wat zegt dan die Samaritaanse man? ‘Heere, die zijn…’ Nee. Hij zegt helemaal niets. Met andere woorden: hij verwijt zijn broeders, hij verwijt zijn vrienden niet. Genade maakt (kijk maar in uw hart of dat zo is) dankbaar, vol van oprechte dank, maar ook mild en gunnend en niet verwijtend.

Gemeente, de Heere is in het afgelopen seizoen in ruime mate tot ons gekomen met Zijn zegeningen. Hij kwam met zegeningen in uw huis en in uw gezin. Iedere zondag was Hij hier. Iedere dag was Hij bij jullie, jongens en meisjes, op school. Gods milde goedheid en barmhartigheid voorzag ons van…. van alles.

Maar de grote vraag op deze dankdag is: waar bent u nú? Kijk eens eerlijk in uw hart. Waar bent u nu met al die zegeningen nu terechtgekomen? Bent u net als deze Samaritaan aan Zijn voeten gevallen, met een ootmoedig en nederig hart, met een gebroken hart en een verslagen geest? Bent u aan Zijn voeten gevallen en hebt u Hem Gode lof gegeven? Hebt u Zijn Naam omhooggetild, hebt u Hem lof toegezongen? Of… (wees eerlijk als u kijkt in uw hart) of… bent u na alles wat u gekregen hebt er stilletjes met de gaven en een dankbaar hart vandoor gegaan? Eigenlijk en ten diepste alleen maar gericht op uzelf?

Het gaat op dankdag niet om dankbaar zijn, maar om danken. Persoonlijk, in uw eigen levensomstandigheden: dank geven aan God.

Matthew Henry schrijft: Tijdelijke zegeningen worden verdubbeld en liefelijk voor ons gemaakt en het geldt ook geestelijke zegeningen als ze worden ontvangen op het gebed van het geloof en als er dank voor wordt gegeven door de lof van het geloof. En die twee dingen, het gebed van het geloof en de lof van het geloof, horen bij elkaar! En daarom zegt de schrijver van de Hebreeënbrief: Laat ons dan door Hem (door Zijn kracht en genade) altijd Gode opofferen een offerande van … van dankbaarheid? Nee. Een offerande des lofs, dat is de vrucht der lippen die Zijn Naam belijden (Hebreeën 13:15).

Een leven van dank is een leven gericht op God, op de eer van God, op de Naam des Heeren.

Zoals de Heere Jezus in alles, altijd gericht is geweest op de eer van Zijn Vader. Dat ziet u in het achttiende vers. Daar staat: En zijn er geen gevonden, die wederkeren, om Gode eer te geven, dan deze vreemdeling? Het valt op dat de Heere Jezus niet zegt: ‘om Mij de eer te geven.’ Het ging ook Hem in alles om de eer van Zijn Vader.

Wat doen we, kinderen van God, de Heere diep verdriet als we Hem in ons leven (hoe dan ook) geen eer geven. Als we weten en geloven mogen dat Christus Zichzelf voor ons gegeven heeft tot een slachtoffer voor onze zonden en wij zijn niet bereid en weigeren (met welke uitvlucht dan ook) om Hem een offerande van lof en dank toe te brengen. We houden Zijn gaven voor onszelf, we genieten van de geschonken rust, van de vreugde en vrede in ons hart, maar er is helemaal niets terug naar God toe. Dat houdt ons, kinderen van God, ook in het donker.

Dat is funest voor de opwas in de genade (opwas, jongens en meisjes, betekent groei; de opwas in de genade is de groei in de genade, het meer kennis te krijgen van God, van jezelf en van de Heere Jezus). Het is funest voor de opwas in de genade als je je mond houdt en geen dank bewijst aan de Heere in heel je doen en laten.

Het is ook funest voor de toekomst van de kerk. Er zijn in de geschiedenis kerken aan ten onder gegaan. Maar vooral: het schaadt de eer van God en van Christus, als je wel Zijn gaven wilt ontvangen, maar niet wilt leven met en voor God, als je niet wilt wandelen met God. Wel vroom in je hart (in de goede zin van het woord) maar niet hoorbaar, merkbaar en zichtbaar. Ik zou bijna zeggen (en misschien moet ik het wel zeggen): zonder hoorbare levensadem.

Gods genade is niet alleen levenwekkend (genade die mensen levend maakt vanuit hun geestelijke dood) maar het kan niet anders: Gods genade is ook levensvernieuwend. Zeker, wij struikelen in velen. En het doopformulier zegt dat we uit zwakheid in zonden kunnen vallen. Maar het kan niet zo zijn dat je zegt: ‘Ik ben een kind van God, maar ik houd het allemaal voor mezelf alleen.’ Geef toch de Vader de eer, dat Hij Zijn Zoon aan u gaf en dat Zijn Geest u wilde trekken uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht! Door een leven van dank, toegewijd aan God. Gode leven. Want, zegt Paulus in 1 Thessalonicenzen 4: God heeft ons geroepen tot heiligmaking.

En Jezus zei, vers 19: Sta op, ga heen uw geloof heeft u behouden. Uw geloof heeft u gered, heeft u heel gemaakt en genezen. Uit de vrucht van het geloof van deze Samaritaan blijkt dat hij geen wondergeloof had. Die andere negen hebben geloofd in de macht van de Heere Jezus en zijn daarna gewoon hun eigen weg gegaan.

Maar uit de vrucht van het leven van deze allochtoon blijkt, dat er een genadig werk van God in zijn hart is geweest.

Want wat is de vrucht van het werk in zijn hart? Hij buigt diep, plat op de grond, voor God en Christus en geeft Gode lof. De boom, heeft Jezus gezegd, wordt aan de vrucht gekend. Niet aan wat je zegt, niet aan wat je te vertellen hebt, maar aan de vrucht. Aan de vrucht, zegt de Catechismus, die ook zo troostvol is voor de gelovige zelf, als een ieder bij zichzelf uit de vruchten van zijn geloof verzekerd wordt (Zondag 32, aw. 86). De vrucht die we in diepe afhankelijkheid van de Heere door genade mogen voortbrengen is tegelijk tot versterking, verzekering en meer vastheid in het geloof.

Het geloof zonder de werken, zegt Jakobus, is dood (Jakobus 2:17, 26). En een geloof zonder dank is dood. De oprechte dank, die we door Gods genade mogen voortbrengen is dus in de eerste plaats Gode tot eer. In de tweede plaats trekt het anderen middellijkerwijs tot de dienst van Heere, als we zeggen: Kom, maak God met mij groot! Kom, ga met ons en doe als wij. En het geeft in de derde plaats voor de gelovige zelf in het geestelijke leven een gezegende vrucht van meer vastheid en meer zekerheid.

Uw geloof heeft u behouden. Uw geloof. Geloof is een vrije gift van Gods genade. Het valt op dat de Heere Jezus niet zegt: ‘Mijn kracht, Mijn liefde heeft u behouden’ (wat natuurlijk wel de wortel, de diepste oorzaak is van zijn genezing), maar Hij noemt iets wat we nooit zonder Hem kunnen bezitten en ook nooit zonder Hem kunnen uitoefenen of in praktijk kunnen brengen: het geloof. Dat geloof heeft Hij Zelf gelegd in het hart van deze Samaritaan.

Het geloof, dat door Gods vrije genade en trekkende liefde tot Christus komt. En als we dan komen tot Hem, wat hebben we dan bij ons? Niets. Alleen maar melaatsheid, onreinheid, onvermogen en buitengesloten zijn. Dat is alles (Jesaja 1:6). Het geloof, dat de Heilige Geest plant in het hart, komt met niets. En het ontvangt om niet, uit enkel genade, om het offer van Christus, leven en zaligheid. Maar datzelfde geloof komt na genezing ook terug. Het komt met die ontvangen genezing terug. Hoe? Met kleinheid, ootmoed en nederigheid. Terwijl het aan de voeten van de Heere buigt en zegt: ‘Heere, ik ben het niet waard.’ Maar tegelijkertijd roept het uit, met woorden van lof en dank: Kom, maak God met mij groot!

Amen.

Slotzang Psalm 33: 1 en 11:

Zingt vrolijk, heft de stem naar boven, Rechtvaardigen, verheft den HEER. Het past oprechten, God te loven; Zingt Zijnen groten naam ter eer. Prijst Hem in uw psalmen, Met de schoonste galmen; Roept Zijn weldaan uit; Laat de keel zich paren Met den klank der snaren; Looft Hem met de luit.

Laat ons alom Zijn lof ontvouwen: In Hem verblijdt zich ons gemoed, Omdat wij op Zijn naam vertrouwen, Dien Naam, zo heilig, groot en goed. Goedertieren Vader, Milde zegenader, Stel Uw vriend'lijk hart, Op Wiens gunst wij hopen, Eeuwig voor ons open; Weer steeds alle smart.