PREEK · KERKELIJK JAAR

De farizeeër en de tollenaar – Lukas 18

Biddag - 22 augustus 2021

Lukas 18:13: En de tollenaar van verre staande, wilde ook zelfs de ogen niet opheffen naar den hemel, maar sloeg op zijn borst, zeggende: O God, zijt mij zondaar genadig.

INLEIDING

Twee mensen gaan naar de tempel om te bidden. De Farizeeër staat vooraan en dankt zichzelf: hij vast, geeft tienden, is beter dan anderen. De tollenaar staat van verre, durft niet omhoog te kijken, slaat op zijn borst en bidt slechts: o God, wees mij zondaar genadig. Niet het bidden zelf, maar hoe het hart bidt, beslist: wie zichzelf verhoogt, wordt vernederd; wie zich vernedert, wordt verhoogd. De tollenaar gaat gerechtvaardigd naar huis, alleen door genade.

THEMA

De farizeeër en de tollenaar

KERNPUNTEN

  1. De Farizeeër
  2. De tollenaar
  3. Toepassing

LUKAS 18:10-14

10 Twee mensen gingen op in den tempel om te bidden; de een was een farizeeër en de ander een tollenaar.
11 De farizeeër staande, bad dit bij zichzelven: O God, ik dank U dat ik niet ben gelijk de andere mensen: rovers, onrechtvaardigen, overspelers, of ook gelijk deze tollenaar;
12 Ik vast tweemaal per week; ik geef tienden van alles wat ik bezit.
13 En de tollenaar van verre staande, wilde ook zelfs de ogen niet opheffen naar den hemel, maar sloeg op zijn borst, zeggende: O God, zijt mij zondaar genadig.
14 Ik zeg ulieden: Deze ging af gerechtvaardigd in zijn huis, meer dan die; want eenieder die zichzelven verhoogt, zal vernederd worden, en die zichzelven vernedert, zal verhoogd worden.

VOLLEDIGE TEKST

De farizeeër en de tollenaar – Lukas 18

ds. J. IJsselstein - Lukas 18:13

THEMA

De farizeeër en de tollenaar

Jongens en meisjes, de preek van vanmorgen, op de morgen van deze biddag, is niet al te moeilijk, dus probeer goed te luisteren en je gedachten bij de preek te houden. En bid vooral of de Heere de preek, of de Heere Zijn woorden voor je hart zal zegenen. De preek gaat over het gebed van de Farizeeër en over het gebed van de tollenaar. We hebben er zojuist in de Bijbel over gelezen. In Lukas 18:9, waar staat: En Hij (dat is de Heere Jezus) zei ook tot sommigen, die bij zichzelf vertrouwden, dat zij rechtvaardig waren, en de anderen niets achtten, deze gelijkenis…

Er zijn dus mensen die op zichzelf vertrouwen. Zij vinden zichzelf goed. Zeker als ze zichzelf met andere mensen vergelijken. Dan denken ze: Ik ben goed. En als ze een beetje om zich heen kijken, dan denken ze misschien wel: Ik ben zelfs beter. Misschien denk jij dat ook weleens van jezelf. Probeer dan vanmorgen heel goed te luisteren naar wat de Heere tegen je gaat zeggen.

Vers 10 zegt: Twee mensen gingen op in de tempel om te bidden, de een was een Farizeeër, en de ander een tollenaar. Twee mensen gaan op weg, om te bidden in de tempel. Zo deden de mensen in Jeruzalem dat in de tijd van de Heere Jezus. Ze gaan op (zo noemt de Bijbel dat vaak), ze gaan omhoog (want de tempel staat op een heuvel en je moet ook trappen op, omhoog) om te bidden. Zoals wij, zoals jullie, vanmorgen ook naar de kerk zijn gekomen, om te bidden. Want het is vandaag een heel speciale dag. Het is biddag.

Hier in de gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar is het een gewone dag. Op een feestdag liep de tempel vol met mensen. Dan konden de Farizeeër en de tollenaar elkaar vast niet zo goed zien. Maar nu is het een rustige dag. Ze kunnen elkaar op een afstandje goed zien. We gaan vanmorgen in gedachten een beetje in een hoekje van het voorhof van de tempel staan, om stilletjes te kijken, naar deze twee mensen. We kijken eerst naar de Farizeeër. Dan gaan we zingen. En dan kijken we naar de tollenaar. En dan gaan we nog een keer zingen.

En dan maken we de toepassing. Dan passen we dat wat we gehoord hebben uit de Bijbel toe op onszelf. Dat wil zeggen: dan gaan we kijken wat dat Woord van de Heere voor ons betekent, voor ons eigen hart. We gaan kijken wat de Heere daarmee tegen ons zegt. En welke boodschap er voor ons in ligt. We kijken dus eerst naar:

1. De Farizeeër.

Wat is dat eigenlijk voor iemand, een Farizeeër? Soms gebruiken we dat woord ‘Farizeeër’ als een heel negatief woord. We zeggen: een Farizeeër? Dat is iemand die bedriegt. Hij bedriegt andere mensen. Want hij lijkt wel heel goed aan de buitenkant, maar zijn hart is slecht. Dat is misschien wel waar, maar misschien moet ik het toch wat anders en beter zeggen. Een Farizeeër is een man die heel erg zijn best doet. Hij probeert ver van de zonde te blijven. Hij probeert alle geboden van de Heere te houden en te gehoorzamen. En daarbij doet hij ook nog heel veel dingen extra. Je zou kunnen zeggen: die man doet heel erg zijn best om goed te zijn, om in de ogen van de Heere heel goed te zijn. Maar, (het is niet zozeer dat hij andere mensen bedriegt, dat is ook helemaal niet zijn bedoeling), maar hij bedriegt zichzelf! Hij houdt zichzelf voor de gek. Hij vergist zich. Want hij denkt: als ik goed mijn best doe, dan komt alles goed. Hij vertrouwt niet op de Heere, hij vertrouwt niet op het werk van de Heere Jezus, maar hij vertrouwt op zichzelf.

Hij gaat op weg naar de tempel. Zoals het hoort. Dat doet hij vast wel drie keer per dag. Iedereen kent hem. De mensen gaan, als hij langskomt, eerbiedig opzij. Moeders van kleine kinderen wijzen op hem: kijk, die nette meneer! Hij is echt een heel nette man. Kijk maar in je Bijbeltje in vers 11 en 12: De Farizeeër, staande, bad dit bij zichzelven: O God! ik dank U, dat ik niet ben zoals de andere mensen, rovers, onrechtvaardigen, overspelers; of ook zoals deze tollenaar. Ik vast tweemaal per week; ik geef tienden van alles, wat ik bezit.

Het zijn twee verzen, twee zinnen, waar heel veel in staat. Ik zal proberen die dingen een voor een te noemen. 1. We lezen als eerste dat hij staat. Maar dat was voor Israëlieten gewoon. Als wij gaan bidden, dan vouwen wij eerbiedig onze handen, wij doen onze ogen dicht, zittend of knielend, maar de mensen in Israël bleven bij het bidden vaak staan. Hij staat. Dat is niet raar. Maar wat wel opvalt is waar hij staat. De tollenaar staat achterin. In vers 13 staat: de tollenaar staat van verre. Achterin en van verre, dus staat hij, de Farizeeër (ver bij de tollenaar vandaan) voorin. Als je even denkt aan het grote plein, aan het voorhof van de tempel, dan staat de Farizeeër dus vooraan. Hij is, zeg maar, helemaal naar voren gelopen, tot de plaats waar verder alleen nog maar de priesters mogen komen om te offeren. Hij staat vooraan.

2. Het tweede wat we lezen is dat hij bidt. Hij bidt bij zichzelf. Je kan lezen: hij bidt bij(!) zichzelf. Dan klinkt het alsof hij zachtjes, stilletjes, bij zichzelf bidt. Maar je kan ook lezen, en dat past beter: hij bad tot(!) zichzelf, hij bad tegen zichzelf. Hij noemt de naam van de Heere wel, maar het klinkt zo onecht, want hij praat eigenlijk tegen zichzelf. Als hij zegt:

3. En dat is het derde wat we lezen, hij zegt: o God, ik dank u, dat ik niet ben als… Hij gaat eerst zeggen wat hij niet is: dat ik niet ben zoals de andere mensen, rovers (gemene dieven), onrechtvaardigen (hele oneerlijke mensen), overspelers (mannen die met andere vrouwen naar bed gaan), of ook - je ziet hem schuin achteromkijken, kijk eens hoe minachtend hij kijkt -, of zoals deze tollenaar!

‘Wat ben ik blij dat ik zo niet ben!’ Je voelt zijn trots. Je proeft zijn hoogmoed. Je merkt hoe blij hij is met zichzelf! Je voelt ook zijn minachting. Je proeft hoe hij zijn neus ophaalt voor andere mensen. ‘Dank u, Heere, ik ben gelukkig een goede uitzondering op al die slechte mensen.’ ‘Ik ben pas echt goed. Zeker als ik om me heen kijk. Dan voel ik me beter dan iedereen, en vooral beter dan hij!’

Hij, de Farizeeër, zegt eerst hoe hij niet is. Dan zegt hij, hoe hij wel is. Hij zegt: Ik vast tweemaal per week; ik geef tienden van alles, wat ik bezit.

1. Vasten, dat is weinig of niet eten en drinken, niet zomaar, maar om bezig te zijn met de dingen van de Heere, om Bijbel te lezen, om te bidden. Eén keer per jaar, op de Grote Verzoendag, was het verplicht om te vasten. Er waren ook mensen die het een keer per week deden. Dat was al bijzonder. Maar hij zegt: ‘Ik doe het twee keer per week. Ik ben beter!’

2. En: tienden geven, het tiende deel geven van de tarwe of van de beesten, dat deed iemand uit dankbaarheid aan de Heere, voor wat de Heere aan hem gegeven had. Je gaf bijvoorbeeld het tiende deel van de nieuwe oogst of van de nieuwgeboren dieren. Als iemand bijvoorbeeld tien lammetjes had gekregen, dan zocht hij het beste lammetje daarvan uit, een van de tien, en die was dan als dank voor de Heere bestemd. Maar hij zegt: ‘Ik ben veel beter. Ik geef tienden van alles, zelfs van de kruiden uit mijn tuin. En ik geef niet alleen tienden van wat ik van de Heere erbij gekregen heb, maar ook van alles wat ik al heb, van alles wat ik al bezit!’ Met andere woorden: Ik ben beter dan goed. Ik ben de beste.

Of hij het nu hardop zegt of zacht. Of hij nu tegen de Heere zegt of tegen zichzelf. Maar, vind je dit niet heel erg trots, niet heel erg hoogmoedig, niet heel arrogant? Hij zegt: ‘Ik ben beter dan gewoon goed. Ik ben misschien wel de beste!’

Dat kan je ook denken (misschien had je daar nog niet aan gedacht, maar), dat kan je ook denken als je niet zoals daar in de tempel staat, maar ook als je zoals hier in de kerk zit. Het is biddag. Het is vandaag een dag om te bidden en te vragen.

‘Maar, ja, waar zou ik eigenlijk om vragen? Ik ben toch al goed? Andere kinderen stelen en vloeken. Ik niet. Andere kinderen zijn lui. Ik niet, ik doe heel erg mijn best. Andere kinderen lezen niet uit de Bijbel en bidden niet. Ik wel. Vaker dan de meeste kinderen. Andere kinderen gaan niet naar de kerk. Ik wel. Ik ga zelfs naar de beste kerk van [woonplaats]. Ik dank u, Heere God, dat ik zo ben, en niet zoals die, of die…’

Zeg, heb je ook nog iets om te vragen? Heb je ook nog iets om te bidden op deze biddag? Of niet? ’t Is biddag hor, vandaag, geen dankdag toch? Heb je niets om te bidden of om te vragen? Heb je thuis gebeden, voordat je naar de kerk ging? Bid je nu, terwijl je zittend in je bank luistert naar het Woord van de Heere? De Farizeeër had helemaal niets om te bidden. Hij dankt alleen. En jij? En u? Welk gebed was er eigenlijk in jouw hart, toen je naar de kerk kwam? In uw hart?

De tollenaar, die bad wel echt. Dat we gaan zo meteen zien, maar laten we samen eerst gaan zingen, zoals de tollenaar bad, met de woorden van Psalm 51:5. We zingen samen Psalm 51:5, en dan gaan we verder met: de tollenaar.

Verberg Uw oog van mijn bedreven kwaad, Waardoor mijn ziel gevoelt de diepste wonden; Delg, delg toch uit mijn schuld en al mijn zonden, En spreek mij vrij van mijne gruweldaad. Herschep mijn hart, en reinig Gij, o HEER, Die vuile bron van al mijn wanbedrijven; Vernieuw in mij een vasten geest, en leer Mij aan Uw dienst oprecht verbonden blijven.

Er gaat nog een man naar de tempel om te bidden:

2. De tollenaar.

Hij wordt niet zo vriendelijk aangekeken door de mensen. De mensen houden niet van hem. Hij is een tollenaar. Hij is iemand die voor de Romeinen, hij is iemand die voor de vijand geld, belastinggeld vraagt. Hij was waarschijnlijk wel een Israëliet. En daarom mag hij ook in het voorhof van de tempel komen. Als de Farizeeër langskomt, kijken de mensen hem vol bewondering aan. Maar als de tollenaar langskomt, dan draaien de mensen met minachting hun nek naar hem toe.

Maar toch, toch komt hij naar de tempel! Vandaag heeft hij geen last van al die boze gezichten. Wat de mensen van hem vinden, vindt hij niet meer zo erg. Maar wel wat de Heere van hem vindt. Kijk maar in vers 13. Daar staat: En de tollenaar, van verre staande, wilde ook zelfs de ogen niet opheffen naar den hemel, maar sloeg op zijn borst, zeggende: O God! wees mij zondaar genadig!

Hij komt wel naar de tempel. Thuisblijven kan hij niet. De tempel trekt aan zijn hart. Niet omdat de tempel zo’n mooi gebouw is, of omdat er zo mooi gezongen wordt. Maar, omdat… Nou, je zult het wel zien, kijk maar mee… Want, als we naar de tollenaar kijken, dan zien we ook een paar dingen:

1. We zien als eerste dit: de Farizeeër stond vooraan. Maar de tollenaar staat van verre. Hij staat achteraan. Een beetje verstopt onder de galerijen van het voorhof. Want? Waarom staat hij daar? Hierom: vooraan sta je vlak bij het heiligste deel van de tempel, vlak bij de plaats waar de Heere woont. Daar durft hij niet te gaan staan. Hij durft zo dichtbij niet te komen. Want? Met zijn zondige hart kan hij voor de Heere niet bestaan. Met zijn zondige hart kan en durft hij zo dicht bij de Heere niet te komen. Zijn hart wordt geplaagd door het weten, door het voelen van zijn schuld en van zijn zonden voor de Heere. Wordt jouw hart ook geplaagd door je zonden, die je tegen de Heere hebt gedaan? Dat wil zeggen: heb je daar ook zoveel last van, zoveel verdriet over? De tollenaar wel. En daarom weet hij, dat hij het niet waard is om naar voren te komen, om zo dichtbij te komen. En dus blijft hij onopvallend in een hoekje en van verre staan.

2. Het tweede wat we zien is: hij wil ook zijn ogen niet naar de hemel richten. Hij durft het niet. Want hij schaamt zich, heel diep, om wie hij is voor de Heere in de hemel. Het is net als bij een huilend kindje, dat straf verdiend heeft, maar toch niet van papa of mama wegrent. Nee, je komt voorzichtig naar papa en mama toe. Verdrietig, je schaamt je, je kijkt naar beneden, je durft niet omhoog te kijken.

3. En het derde wat we van de tollenaar lezen is dit: hij slaat op zijn borst. Hij slaat zich niet voor zijn hoofd, zo van: wat ben ik toch dom geweest, ik had beter op moeten letten. Nee, hij slaat zich op zijn borst. Hij slaat zich op zijn hart. Van verdriet. Want op je borst slaan, dat deed je als je heel veel verdriet had, bijvoorbeeld als er iemand gestorven was. Op je borst slaan, dat is een teken van het allerergste verdriet! Waarover dan? Dat hoor je, als je let op het vierde wat we van deze tollenaar lezen:

4. Hij zegt: o God! Wees mij zondaar genadig! Hij zegt niet: ‘dank u, Heere, dat ik zo goed ben!’ Nee, hij zegt: ‘Heere ik ben zondaar. Ik ben niet de beste, maar ik ben de slechtste! Ik heb tegen U gezondigd. Ik heb zoveel zonden gedaan. Ik heb gedaan dat kwaad is in Uw oog. Daarom sla ik op mijn borst. Daarom heb ik zoveel verdriet. Weest U mij toch genadig?’ Eigenlijk betekent dat: verzoent U me toch met U? Dat wil zeggen: maakt U het toch weer goed tussen U en mijn hart?

Je zegt: ‘Nou, maar hij durft dus nog best wel iets te vragen.’ Ja, dat is waar. Want hij heeft het in zijn hart heel moeilijk met zijn zonden.

Wij zeggen: er is nood in zijn hart. En die nood moet opgelost worden. Hij kan zo niet verder leven!

Omhoogkijken durft hij niet. Rechtstreeks voor de Heere staan, daar vooraan, dat kan hij niet. Vragen, dat durft hij wel. Zomaar, met een paar woorden. Terwijl hij misschien wel met rode wangen en betraande ogen vooruitkijkt. Want, ja, ik zei dat wel, maar het staat niet in de Bijbel dat hij naar beneden keek. Wel dat hij niet omhoog durfde te kijken. De tollenaar kijkt niet omhoog, hij kijkt niet naar beneden, hij kijkt vast en zeker vooruit.

Want daar, voorin de tempel, daar…, wat is daar? Wat staat daar? Wie lopen daar? De priesters! Ze zijn bezig bij het altaar. En bij een altaar hoort…? Een offer, een offerdier dat geslacht wordt. En bij een geslacht dier hoort…? Bloed, het offerbloed.

Waar was dat eigenlijk voor nodig? Waarom deden de priesters dat? Dat weet je: die offers wezen vooruit, naar het grote Offer dat komen zou, naar het Lam van God, de Heere Jezus Christus. Hij (het is de Heere Jezus Zelf, die nu deze gelijkenis vertelt), Hij zal geslacht worden, aan het kruis op Golgotha. En Zijn bloed (zo noemt de Bijbel dat) zal de zonden van verloren zondaars gaan bedekken. Wij zouden zeggen: dat bloed wordt erop gelegd, dat bloed wordt er overheen gelegd. En, dan zijn die zonden weg, dan zijn die zonden helemaal vergeven, dan zijn al die zonden helemaal weg (Psalm 32:1).

Daar verlangt de tollenaar naar. Daar kijkt hij naar uit. Daar hoopt hij op. Verlang jij daar ook naar? Kijk jij daar ook naar uit? U, gemeente? Naar vergeving, naar verzoening met de Heere in de hemel? Naar verzoening, dat wil zeggen: naar dat het weer goed gemaakt wordt, door de Heere, tussen de Heere en je hart. Om dat bloed. Om dat offer van het Lam. Omdat de Heere Zelf dat bloed van het Lam, van de Heere Jezus over al die zonden heen legt. Daar verlangt de tollenaar naar. Dat is zijn enige hoop. En dus bidt hij het mooiste gebed wat er is. Het is niet lang. Lange gebeden komen vaak niet uit het hart. Korte gebeden, zoals dit gebed, vaak wel: O Heere, wees mij(!), mij zondaar(!) genadig! Laten we, voordat we verder gaan, samen eerst gaan zingen van dat bloed, dat zonde en schuld bedekt, uit Psalm 32:1:

Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven; Die van de straf voor eeuwig is ontheven; Wiens wanbedrijf, waardoor hij was bevlekt, Voor 't heilig oog des HEEREN is bedekt. Welzalig is de mens, wien 't mag gebeuren, Dat God naar recht hem niet wil schuldig keuren, En die in 't vroom en ongeveinsd gemoed, Geen snood bedrog, maar blank' oprechtheid voedt

Twee verschillende mensen gingen naar de tempel om te bidden. Dat hebben ze nu gedaan, en nu gaan ze weer naar huis. Ook verschillend. Ze gingen niet op dezelfde manier naar huis. Ze gingen verschillend heen, naar de tempel, en ze gingen ook weer verschillend terug, naar huis. We lezen in vers 14: De tollenaar ging af gerechtvaardigd in zijn huis, meer dan farizeeër. Die dus niet! De tollenaar heeft zijn zonden en schuld eerlijk aan de Heere beleden, hij heeft alles eerlijk aan de Heere verteld. Eigenlijk heeft hij gezegd: ‘Heere, U alleen kunt het oplossen, door mijn zonden en schuld te bedekken met het bloed van de Heere Jezus. Dan zijn ze echt vergeven, dan zijn ze echt weg.’

En, als je zo bidt, doet de Heere dat dan echt? Jazeker! Dat had de Heere al beloofd in het Oude Testament, in Jesaja 66, toen Hij liet opschrijven door de profeet Jesaja: Op dezen zal Ik zien (naar die zal Ik luisteren), op de arme en verslagene van geest en die voor Mijn woord (en dus voor Mij) beeft (Jes. 66:2). Zo was de tollenaar toch in zijn hart? Arm en verslagen. Dat zag je aan het slaan op zijn borst, dat zag je aan zijn bevend niet omhoog durven kijken. Zijn hart was heel nederig en klein.

En nu zegt de Heere, aan het einde van deze gelijkenis: Een ieder die zichzelf verhoogt (zoals de Farizeeër), die zal vernederd worden. En die zichzelf vernedert (zoals de tollenaar), die zal verhoogd worden (vers 13-14).

Dus, waar komt er nu op aan? Wat is nu het allerbelangrijkste? Of je vandaag bidt? Nee, want dat deden de Farizeeër en de tollenaar allebei. Het komt erop aan hoe je bidt. Het komt erop aan hoe je hart is onder dat bidden.

Bid jij als de Farizeeër? Dank u, Heere, ik ben zo goed! Of bid jij als de tollenaar? Heere, vergeeft U toch al mijn zonden, want ik ben zo slecht!

Laten we als laatste onszelf eens vergelijken met de Farizeeër en met die tollenaar. We gaan de door de Heere Jezus vertelde gelijkenis op onszelf toepassen. In de toepassing kijken we eerlijk op wie van deze twee mensen wij in ons hart het meest lijken.

3. Toepassing

Het kan zijn dat je zegt: ‘Ik lijk het meest op de tollenaar.’ Ja, dat begrijp ik, dat je graag op hem wilt lijken, want met de tollenaar liep het goed af! Je zegt: ‘Ik ben de tollenaar.’ Maar, als je je tegelijkertijd in je hart beter voelt dan andere kinderen en dan andere mensen, en als je tegelijkertijd doorgaat met het doen van verkeerde dingen, met het doen van je zonden, ben je dan wel echt als de tollenaar?

Het kan zijn dat je zegt: ‘Ik ben net als de tollenaar, want mijn hart is ook slecht, en zo voel ik het ook.’ Je zegt: ‘Ik ben de tollenaar.’ Maar, als je tegelijkertijd denkt, dat het goed komt tussen de Heere en je hart zonder bekering, zonder berouw, zonder tranen in je hart, zonder klein gemaakt te zijn, zonder voor de Heere te buigen, zonder een nederig en verbroken hart, zonder de schreeuw in je hart naar de Heere toe: ‘Heere, wees mij zondaar genadig’, ben je dan wel echt als de tollenaar?

Het kan zijn dat je zegt: ‘Ik ben net als de tollenaar, want ik ben slecht en ik vraag om vergeving, net als hij.’ Je zegt: ‘Ik ben de tollenaar.’ Maar, als je tegelijkertijd toch doorgaat met je verkeerde leven, zonder als een arme zondaar met de Heere te leven, zonder te leven van de genade van de Heere, en als je niet gehoorzaam wordt en gaat leven volgens de geboden van de Heere, ben je dan wel echt de tollenaar of zeg je het alleen maar?

Want, de dingen die de farizeeërs deden, waren van zichzelf niet verkeerd. Alleen hun hart was onbekeerd! Maar tegelijkertijd moet ik ook zeggen: een bekeerd, en nieuw hart, doet natuurlijk wel uit dank voor de Heere goede werken. Een nieuw hart gaat natuurlijk luisteren naar de Heere en Hem gehoorzaam zijn.

Je zegt: ‘Pfff… Maar wanneer lijk ik dan wel op de tollenaar? Wanneer? Als je met verdriet in je hart om je zonden bidt en blijft bidden, steeds maar weer en altijd datzelfde gebed: o God, wees mij zondaar genadig. Je vindt het nooit een probleem om ‘zondaar’, om ‘slecht’ genoemd te worden, zoals de tollenaar. Je vindt het nooit een probleem om op één hoop gegooid te worden met alle verkeerde, slechte en zondige mensen. En je hart verlangt naar en bidt om vergeving door het werk en het bloed van de Heere Jezus Christus. En je wil geen zonde meer doen. De zonde doet je verdriet, omdat het zonde tegen de Heere is. En je leven wordt ook anders, je leven wordt nieuw, uit dankbaarheid, nieuw gemaakt door de kracht van de Heere Zelf.

Als je zo bent, als je zo bidt, als je zo naar huis gaat, dan komt dat niet door jezelf. Dan zeg je ook niet: ‘Ik ben goed.’ Nee, dan zeg je: ‘De Heere is goed!’ Want dan komt dat niet van jezelf. Dan is dat het werk van de Heere, die dat allemaal doet.

Want het is de Heere, die harten van mensen levend maakt. Het is de Heere Zelf, die mensen hun zonden laat zien.

En als je die dan ziet, dan komt er verdriet in je hart, je schaamt je, je slaat als het ware op je borst, en je gaat bidden wat de tollenaar bad: O God, wees mij zondaar genadig. En? De Heere verhoort zulke gebeden. Want dan is het ook de Heere Zelf, die die schuld vergeeft, door die te bedekken, door daar als het ware het bloed, het werk van de Heere Jezus overheen te leggen. En zo neemt de Heere alle zonden van zulke tollenaars weg. Het is de Heere Zelf, die nieuw harten geeft, harten die Hem ook graag wil dienen en Hem ook graag gehoorzaam willen zijn in een nieuw leven.

Als je zo bent, jongens en meisjes, als je zo bidt, als je zo naar huis gaat, dan lijk je echt op de tollenaar. De tollenaar ging gerechtvaardigd naar huis. Dan ga je anders naar huis. Misschien nog wel met tranen in je ogen, met tranen in je hart. Maar toch anders, omdat de Heere het anders heeft gemaakt. De tollenaar gaat gerechtvaardigd naar huis, dat wil zeggen: het is door de Heere Zelf weer goed gemaakt tussen zijn hart en de Heere. Misschien voelde hij de vergeving van zijn zonden nog niet. Die was er wel, maar dat wil niet zeggen dat hij het op dat moment ook zo gevoeld heeft. De Bijbel zegt daar verder niets over.

Maar op Zijn tijd zal de Heere het hem zeker ook laten voelen. Dan zal hij blij en verwonderd zingen: ‘De Heere Jezus, Hij heeft mij gered. Hij heeft mijn ziel gered, mijn tranen gedroogd. En nu is het goed tussen de Heere en mij. Goed door het bloed. Goed door het bloed van de Heere Jezus.’

Bid veel, jongens en meisjes, en blijf altijd, ook na deze biddag, bidden. Zoals je iedere avond bidt: Mijn zonden zijn zo groot en zo veel, o Heere, maak toch om Jezus’ wil mij rein? Zoals de tollenaar bad: O God, wees mij zondaar genadig.

Amen.

Slotzang Psalm 116:2,3,9,11

Ik lag gekneld in banden van den dood, Daar d' angst der hel mij allen troost deed missen; Ik was benauwd, omringd door droefenissen; Maar riep den HEER dus aan in al mijn nood:

"Och HEER, och, wierd mijn ziel door U gered!" Toen hoorde God; Hij is mijn liefde waardig; De HEER is groot, genadig en rechtvaardig, En onze God ontfermt zich op 't gebed.