PREEK · KERKELIJK JAAR

Rijke dwaas, een gelijkenis - Lukas 12

Dankdag - 5 november 2014

Lukas 12:16: En Hij zeide tot hen een gelijkenis en sprak: Eens rijken mensen land had wel gedragen;

INLEIDING

Een rijke man krijgt een topoogst, maar denkt alleen aan zichzelf: mijn schuren, mijn goederen, mijn rust. Hij plant grotere schuren en droomt van jarenlang genieten. Maar God zegt: "Dwaas, deze nacht eist men uw ziel op." Al zijn plannen vervliegen, en zijn bezit blijkt van niemand. De les: wie schatten vergadert voor zichzelf maar niet rijk is in God, is dwaas. Ware rijkdom is arm in jezelf, maar rijk in Christus, Die om onzentwil arm werd.

THEMA

Altijd zoeken naar meer

KERNPUNTEN

  1. Zijn zegen
  2. Zijn plannen
  3. Zijn gedachten
  4. Zijn einde
  5. De les van deze gelijkenis

LUKAS 12:15-21

15 En Hij zeide tot hen: Ziet toe en wacht u van de gierigheid; want het is niet in den overvloed gelegen dat iemand leeft uit zijn goederen.
16 En Hij zeide tot hen een gelijkenis en sprak: Eens rijken mensen land had wel gedragen;
17 En hij overlegde bij zichzelven, zeggende: Wat zal ik doen? Want ik heb niet, waarin ik mijn vruchten zal verzamelen.
18 En hij zeide: Dit zal ik doen: ik zal mijn schuren afbreken en grotere bouwen en zal aldaar verzamelen al dit mijn gewas en deze mijn goederen;
19 En ik zal tot mijn ziel zeggen: Ziel, gij hebt vele goederen, die opgelegd zijn voor vele jaren; neem rust, eet, drink, zijt vrolijk.
20 Maar God zeide tot hem: Gij dwaas, in dezen nacht zal men uw ziel van u afeisen; en hetgeen gij bereid hebt, wiens zal het zijn?
21 Alzo is het met dien die zichzelven schatten vergadert, en niet rijk is in God.

VOLLEDIGE TEKST

Rijke dwaas, een gelijkenis - Lukas 12

ds. J. IJsselstein - Lukas 12:16

THEMA

Altijd zoeken naar meer

Gemeente, jongens en meisjes, het is vandaag dankdag. Vandaag danken we de Heere voor alles wat Hij ons gegeven heeft in het afgelopen seizoen. Thuis, op school, bij je studie, in uw werk of bedrijf… We danken de Heere. Althans dat is de bedoeling: de Heere danken en dat wat we gekregen hebben gebruiken tot eer van God, en ook delen met anderen die minder hebben.

Want je kunt, met wat je krijgt en gekregen hebt, ook iets heel anders doen. Dat zien we in de gelijkenis die ons is voorgelezen. De gelijkenis van de rijke dwaas, zoals die beschreven staat in Lukas 12:16-21. Ik lees u samenvattend nog de verzen 18,19 en 20: En hij zei: Dit zal ik doen; ik zal mijn schuren afbreken, en grotere bouwen, en zal aldaar verzamelen al dit mijn gewas, en deze mijn goederen; en ik zal tot mijn ziel zeggen: Ziel! gij hebt vele goederen, die opgelegd zijn voor vele jaren, neem rust, eet, drink, wees vrolijk. Maar God zei tot hem: Gij dwaas! in dezen nacht zal men uw ziel van u afeisen; en hetgeen gij bereid hebt, wiens zal het zijn?

Het thema voor de preek op deze dankdag is: Altijd zoeken naar meer.

Altijd zoeken naar meer. We overdenken samen de gelijkenis van de rijke dwaas en letten op 1. Zijn zegen (vers 16) 2. Zijn plannen (vers 17 en 18) 3. Zijn gedachten (vers 19) 4. Zijn einde (vers 20) 5. En we sluiten af met: De les van deze gelijkenis (vers 21)

Ineens komt er iemand op de Heere Jezus af. Hij zegt (in Vers 13): Rabbi, Meester, zeg tegen mijn broer dat hij de erfenis met mij deelt. Vader is gestorven, maar nu is er ruzie over het geld van vader. Die heeft er waarschijnlijk hard voor gewerkt, maar nu maken de kinderen er ruzie over. En dat gebeurt nog steeds.

Wetgeleerden mochten in Israël recht spreken en als scheidsrechter optreden in dergelijke kwesties, maar Jezus weigert resoluut. Hij doorziet direct dat deze ruzie komt door liefde tot geld.

Daarom zegt hij ook in vers 15: Zie toe, wacht u voor de gierigheid. Houdt u daar ver van. Van gierigheid. Bij het woordje gierigheid denken wij direct aan vrekkig zijn, aan iemand die nooit iets wil delen met een ander of iets wil betalen voor een ander. Maar de betekenis van het woord is ruimer. Gierigheid betekent: altijd meer willen hebben. Altijd zoeken naar meer. En de dwaze man uit deze gelijkenis is een voorbeeld, een illustratie van dat: altijd zoeken naar meer. Wie drinkt van het levende water, die vindt echter verzadiging, die zal nooit meer dorsten. Maar wie drinkt van het zoute zeewater van de dingen van nu, die dorst steeds weer en steeds meer. Die wil steeds meer hebben, zonder dat hij ooit echte rust en vrede vindt.

Want, zegt de Heere Jezus in vers 15: het is niet in de overvloed gelegen, dat iemand leeft uit zijn goederen. Een moeilijke zin, maar eigenlijk betekent het: echt leven, echt leven wat er toe doet, bestaat niet in overvloed van bezit. Echt leven is niet uit te drukken in geld, goederen of kennis… Echt leven is iets anders. En om dat duidelijk te maken, vertelt de Heere Jezus de gelijkenis van de dwaze man.

1. Zijn zegen.

In Vers 16 staat: het land van een zekere rijke man had wel gedragen. De man is rijk. Dat is op zichzelf niet verkeerd. Abraham, Salomo, Job, Jozef van Arimathea, ze waren allemaal rijk. Zijn land staat er geweldig bij. Het is een topjaar. Het wordt een geweldige oogst. Dat was een zegen van de Heere. Want het is God, die de wasdom, die de groei op het land geeft. Er is trouwens ook geen enkele reden om te denken dat deze man oneerlijk zaken doet. Hij is een harde werker en God geeft hem zegen. Zoals dat ook nu op deze dankdag kan zijn. Je kijkt terug naar het afgelopen seizoen. Je hebt hard gewerkt. Het was niet altijd gemakkelijk, maar je mag terugkijken op de zegen en de zorg van de Heere. Hij is een gezegend mens.

Onze eerste gedachte: zijn zegen. Nu onze tweede gedachte:

2. Zijn plannen.

In vers 17 staat: hij overlegde bij zichzelf, zeggende: wat zal ik doen, want ik heb niet waarin ik mijn vruchten zal verzamelen. Hij is een hardwerkende man, hij is ook een slimme en nadenkende man. Een pientere kerel, een goed zakenman. De man ook van durf, van initiatief, een man die knopen doorhakt als het nodig is.

De oogst staat nog steeds op het land. Maar het is duidelijk: dit wordt echt een absoluut topjaar. Dit gaat niet passen in mijn schuren. De verlegenheid van een goede boer, de verlegenheid van een goed zakenman. Groot succes, maar… wat nu? Wat moet ik doen?

De tijd van toen was anders dan de tijd van nu. Alles wat je teveel hebt verkopen, dat was toen niet zo gemakkelijk. In de handel werd veel geruild. En als je veel hebt, en je ruilt veel, dan krijg je ook weer veel terug. Dus dan heb je nog steeds ruimtegebrek. Exporteren dan? Dat was eigenlijk ook geen optie. De wegen waren slecht en havens lagen niet naast de deur. Dus, wat zal ik doen? Weet je wat? Hij heeft een plan. Hij zegt in vers 18: dit zal ik doen; ik zal mijn schuren afbreken en grotere bouwen, en zal aldaar verzamelen al dit mijn gewas en deze mijn goederen. Plannen maken, is niet verkeerd. Maar er valt wel iets op. Na zoveel zegen van de Heere, gaat het zoveel over hemzelf. Je hoort steeds het woordje mijn. Het gaat in vers 17 over mijn vruchten, en in vers 18 over mijn schuren, mijn gewas, mijn goederen. Het doet een beetje terugdenken aan het volk Israël in de tijd van de profeet Hosea. Toen had het volk het ook steeds over: mijn koren, mijn wijn, mijn wol. Maar toen zei de Heere: Ik zal komen en het wegnemen. Wat? Mijn koren! Jullie denken wel dat het van jullie is, maar het is van Mij. Ik zal komen en het wegnemen: Mijn koren, Mijn wol en Mijn wijn…

Nee, zegt deze rijke man, het is van mij: mijn vruchten, mijn schuren, mijn gewas, mijn goederen. Het is allemaal van mij en het is allemaal voor mij. Maar…, zijn er dan geen armen, zijn er geen levieten, zijn er geen weduwen en wezen die gebrek hebben? Daar denkt hij niet aan. Het gaat allemaal om hemzelf. Zoals het straks ook staat in vers 21: hij vergadert schatten voor zichzelf. Hij is voortdurend op zoek naar meer, maar het is alleen maar voor hemzelf. En hoe meer hij heeft, hoe meer hij zoekt, hoe meer hij angstvallig vasthoudt voor… hemzelf.

Kan dat nog steeds zo? Kan dat ook in deze tijd? Jazeker. Misschien herkennen we ons wel in dat eindeloze nadruk leggen op mijn. Mijn speelgoed, mijn spullen, mijn mooie fiets. Mijn studie, mijn werk, mijn zaak, mijn gezin, mijn carrière, mijn bankrekening, mijn beleggingsportefeuille, mijn huis… Het is allemaal van mij. En het is ook allemaal voor mij. Dankdag? Gericht op God en de naaste? Ja, natuurlijk wel even, maar verder…? Gericht op mij! Want het zijn mijn dingen. Iedereen heeft toch zo zijn eigen dingen? En trouwens: Ben ik mijn broeders hoeder? Laat een ander gewoon voor zichzelf zorgen! Ik moet er toch ook hard voor werken!

Veel bezit, veel zegen, veel succes…, maar plaats voor de naaste is er niet, en voor God is er al helemaal geen plaats. En Hem zoeken doen we ook al niet. We zoeken alleen naar meer… meer… meer….

Ons tweede punt: zijn plannen. Nu ons derde aandachtspunt:

3. Zijn gedachten

Want, zo staat er in vers 19, hij zegt tegen zijn ziel: ziel (dat wil zeggen: mens), u hebt veel goederen, die opgelegd zijn voor veel jaren, neem rust, eet, drink, wees vrolijk. Als de nieuwe schuren klaar zijn… dan. Nee, nog even hard ertegenaan, maar… Als de nieuwe oogst binnen is, dan….

Bekende gedachte. Nog even hard werken, nog een paar jaar er flink tegenaan… En dan…, eindelijk: m’n pensioen … Ziel, mens, je hebt er jaren hard voor gewerkt, en nu heb je veel goederen, opeengestapeld voor nog heel veel andere jaren: neem rust, relax, ontspan, eet, drink en geniet ervan… voor jezelf.

Je ziet het al voor je. In gedachten droom je ervan. Hij ook, hij ziet het al voor zich. Nog even, en dan… Slimme man, pientere kerel. Geen prutser, maar een man met verstand van zaken. Een meerjarenplan. Eerst dit nog doen, dan dat, dan zus, dan zo, en dan… Eindelijk rust, eindelijk genieten en ontspannen. Maar nu nog even hard doorgaan: werken, zoeken, naar meer! Groeien moet dat vermogen, stijgen moet die prijs van mijn onroerend goed. Een mooie toekomst is gegarandeerd…

Zeg, ziel, mens, neem nu eens even rust. Leg die boeken en die meerjarenplannen eens opzij. Denk eens even na over de toekomst. Overdenk je laatste reis… Bereid je voor op de eeuwigheid en de grote ontmoeting met God… Nee (zegt u). Nu moet ik werken! Dat komt straks allemaal. Straks heb ik rust om te genieten, en misschien ook nog om rustig na te denken. Maar nu moet ik studeren, dan mijn diploma halen, en dan is er mijn baan, dan mijn gezin, dan mijn huis, dan mij nog grotere huis, en dan uiteindelijk mijn goede pensioen… en dan… en dan… Totdat, plotseling… In het knipperen van een oog… U wakker zult worden uit die droom. Totdat, plotseling die droom als een illusie zal vervliegen en u horen zult: Kom, geef rekenschap van uw rentmeesterschap. De droom voorbij…

Voordat we verder gaan met ons vierde punt gaan we nu samen eerst zingen.

"O HEER, ontdek mijn levenseind aan mij; Mijn dagen zijn bij U geteld; Ai, leer mij, hoe vergankelijk ik zij; Een handbreed is mijn tijd gesteld; Ja, die is niets; want, schoon de mens zich vleit, De sterkst' is enkel ijdelheid."

Ons vierde aandachtspunt:

4. Zijn einde.

Want, zo staat er in vers 20: maar God zei tot hem: gij dwaas! In deze nacht zal men uw ziel van u afeisen, en wat u bereid hebt, van wie zal het zijn? Er ligt een meerjarenplan op zijn bureau. Een plan voor meerdere jaren… Maar wat een contrast, wat een drama. Goederen, geld, vermogen voor heel veel jaren… En dan ineens: in deze enkele nacht.

Onaangekondigd. Diep in slaap. Doodmoe van het werk. Dromend van later, maar nu nog even hard tegenaan, en dan… Dan spreekt God. Dwaas! Dwaas! Dat wil zeggen: mens zonder God. Want (zo zegt Psalm 14) de dwaas zegt in zijn hart: er is geen God. God bestaat niet. Met God hoef je echt geen rekening te houden! En het is de dichter Asaf die zegt: dwazen, goddelozen hebben vrede en voorspoed. Totdat zij wakker worden uit hun droom, die in een oogwenk vervliegen zal.

In dezen nacht zal men uw ziel van u afeisen. Afeisen. Het is dwingend, het is een dwangbevel: geef hier, uw ziel! ‘Nee, ik wil verder. Ik heb nog een leven voor mij. Ik heb nog zoveel plannen. En ik heb nog genoeg om jaren heerlijk van te kunnen leven’. Nee. Geef hier! Uw ziel! En kom en sta voor God! En daar ligt alles: landerijen, schuren, goud, vermogen, beleggingen… Daar staat je prachtige huis, je dure auto nog voor de deur… Daar buigt zich de notaris over je bankrekeningen… En wat je als zwetend en zwoegend hebt verdiend wordt verdeeld. Het is voorbij. Het is weg… Ik dacht dat mijn huis eeuwig zou staan, maar nu… Nu denkt men niet meer aan mijn verleden staat, al mijn glans is vergaan. Het is voorbij. Het is weg. Dwaas!

Wat is er dan zo dwaas? Ik doe een beroep op uw gezonde verstand. Is het niet dwaas om de vruchten van het land onze vruchten te noemen, de weelde onze wilde, de rijkdom onze rijkdom, en het geld ons geld? Terwijl we weten dat we alleen maar rentmeester zijn en alles tijdelijk in bruikleen gekregen hebben. Terwijl God alleen de rechtmatige Bezitter en Eigenaar van dat alles is… En is het niet dwaas om van tevoren te jagen naar en in gedachten te genieten van dingen die zogenaamd gaan komen, terwijl je helemaal niet weet of ze komen? En is het niet dwaas om alles voor jezelf te houden? Zijn er dan geen armen, geen weduwen, geen wezen? En is het niet dwaas om te denken dat je met groter groeien uiteindelijk meer rust krijgt? Terwijl je weet dat door meer schuren ook meer zorgen komen, en door meer geld ook

meer onrust ontstaat… En is het niet dwaas om plannen te maken zonder het voorbehoud van Jakobus: zo de Heere wil en wij nog leven? En is het niet dwaas om zo hard te zweten en te zwoegen, om zo te dorsten naar het zoute zeewater van meer, en nog meer, en nog meer? Terwijl u weet dat over tien, veertig, zestig jaar een onbekende ermee verder gaat? Immers, zo zegt de Bijbel: wij weten niet van wie het zijn zal? En is het niet dwaas om alles, alles van tevoren zakelijk te berekenen en te overdenken, maar nooit met ernst na te denken over de vraag: hoe moet het, als ik voor God sta? Mijn ziel, doorziet u wel uw lot, hoe zult u rechtvaardig verschijnen voor God?

Ja, ik zeg u, het is dwaas om geen rekening met God te houden! Het is dwaas om zo te leven: alleen maar gericht op jezelf en op je aardse bezit, terwijl je weet dat daar nooit echt geluk te vinden is. En het is dwaas om te denken dat dat geld, dat bezit, dat vermogen en die kennis je rust zal geven in deze wereld vol van onrust en verdriet. En het is nog dwazer om te denken dat dat bezit je veiligheid en bescherming geeft voor de toekomst die onherroepelijk komt. En dat terwijl je weet dat je ooit (misschien in een van die tevreden nachten, waar u hoopvol droomt van later) het dwangbevel zal worden uitgereikt: ‘Dwaas, uw ziel, geef hier!’

Wat is er dan zo dwaas? Laat me, niet alleen met de redelijkheid, maar vooral ook vanuit de Bijbel u overtuigen, dat uw huidige levensstijl (altijd zoekend naar meer) dwaas is.

Het is (in de 1e plaats) dwaas om niet met God te rekenen. Dat zegt Psalm 14: de dwaas zegt in zijn hart: er is geen God. Met God hoef je geen rekening te houden! Het is (in de 2e plaats) dwaas om alleen maar bezig te zijn met de dingen van nu, om eindeloos hier op de aarde te woelen en te wroeten. Terwijl alles van hier voorbij gaat! Zegt Psalm 39 niet: immers wandelt de mens als in een beeld, immers woelen zij ijdel; men brengt bijeen, en men weet niet wie het naar zich nemen zal? En Psalm 49 zegt: wie u ook bent, alle mensen moeten sterven en laten uiteindelijk al hun goederen aan anderen na. Hoewel (maar hoe dwaas is dat!) onze binnenste gedachte is, dat onze huizen zullen zijn tot in eeuwigheid en onze woningen van geslacht tot geslacht. Maar, zo zegt de psalmdichter: de mens, die in waarde is, blijft niet. Hij wordt gelijk als de beesten, die vergaan. Daarom zegt Psalm 49: vrees niet, wanneer een man rijk wordt, wanneer de eer van zijn huis groot wordt. Want hij zal in zijn sterven niet met al meenemen, zijn eer zal hem niet nadalen.

Kortom, uw bezit, uw vermogen, uw kennis, succes en carrière, alles gaat voorbij! En dat dwangbevel zal ook u, zal ook mij niet ontgaan: ‘Geef nu, uw ziel!’ En dan zal blijken, wie het goede deel gezocht heeft. En wie er echt rijk was… in God.

Want dat is tot slot in de vijfde plaats:

5. De les van deze gelijkenis.

Want, zo staat er in vers 21: alzo is het met die, die voor zichzelf schatten vergadert en niet rijk is in God.

Niet degene die zijn vertrouwen zette op rijkdom en voorspoed hier, die altijd zocht naar meer… Niet degene die in liefdeloosheid weigerde om te delen met zijn naaste, wie altijd zocht naar meer voor zichzelf… Maar hij of zij die rijkdom vond in God, die is echt rijk.

En het Woord van God wijst ons op deze dankdag de weg om die rijkdom te krijgen. En het is de Heilige Geest Zelf die mensen uiteindelijk daar brengt. Laat dat op deze dankdag dan ook ons gebed zijn. Dit is de weg, die ons gewezen wordt. Het Woord van God roept ons op onze armoede en verlorenheid te erkennen. Het Woord roept ons op om niet alleen maar bezig te zijn met het optellen van onze bezittingen. Het roept ons te meer op om niet bezig te zijn met het optellen van onze vermeende geestelijke bezittingen, maar om in plaats daarvan onze schulden te erkennen. De schulden van onze zonden tegen God.

Maar…, dat wil geen mens. Dat doet ook geen mens uit zichzelf. Daar hebben we echt de Heilige Geest voor nodig. Om die nieuwe levensrichting in ons te werken, om die aan ons te geven. Een heel nieuw hart, met nieuwe begeertes, met een nieuw verlangen, met een ander zoeken en met een andere richting in dat zoeken. Niet meer zoekend naar meer en meer van nu, maar zoekend naar het koninkrijk van God.

Het is de Heilige Geest die ons dat wij leren. Die ons geestelijk arm wil maken, zodat we onze rijkdom ergens anders gaan zoeken. Zodat we de rijkdom buiten onszelf zoeken. Bij de kribbe in Bethlehem, waar we Hem door genade mogen zien, die rijk was, maar arm wilde worden. Christus, Hij was schatrijk. Hij had alles: eer en heerlijkheid, majesteit en glorie. Maar Hij liet gewillig Zijn hemelse rijkdom achter. Hij kwam vanuit de hemel in de diepte van ons verloren bestaan, hoewel zonder zonde. Hij was rijk, maar Hij werd arm. Hij werd veracht, bespot, vernederd. Hij leed honger en dorst. Uiteindelijk werd zelfs Zijn kleding van Hem afgerukt. En in het diepste van Zijn lijden werd Hij (in de ervaring van Zijn hart) zelfs verlaten door de liefde van Zijn Vader. En toen… had Hij niets meer. Om in die weg van lijden en sterven uiteindelijk armen met Zijn goederen te kunnen vervullen. En als je dan, als een arme in jezelf, iets ziet en mag ervaren van Zijn rijkdom, van de onnaspeurlijke rijkdom van de liefde van Jezus Christus, dan zeg je…

Weg wereld, weg schatten Je kunt niet bevatten hoe rijk of ik ben ‘k heb alles verloren, maar Jezus verkoren Wiens eigen ik ben…?

Een andere levensrichting. Weer gericht op God. Wat zich ook vertaalt en wat ook zichtbaar wordt in het gewone leven van iedere dag. Dan kan je nog zo arm zijn wat betreft geld, nog zo gering wat betreft kennis, maar toch rijk in God. Rijk in geloof, zoals Jakobus (2:5) schrijft: Hoort, mijn geliefde broeders, heeft God niet uitverkoren de armen dezer wereld, om rijk te zijn in het geloof, en erfgenamen des Koninkrijks, hetwelk Hij belooft dengenen, die Hem liefhebben? Rijk in God, midden in dit moeilijke leven op de aarde. Zoals Johannes schrijft in Openbaring 2:9: Ik weet uw werken, en verdrukking, en armoede, maar u bent rijk. Rijk ook in vruchten van geloof, gericht op God en ook op de naaste. Zoals Paulus aan Timotheüs schrijft (1 Tim. 6:18-19): Dat zij weldadig zijn, rijk worden in goede werken, gaarne mededelende zijn, en gemeenzaam; leggende zichzelven weg tot een schat een goed fondament tegen het toekomende, opdat zij het eeuwige leven verkrijgen mogen.

Nogmaals, dat is geen eigen werk, dat is geen eigen prestatie. Daar heb je niet zelf voor gezwoegd en gezweet. Dat heeft Christus bloed, zweet en tranen gekost. Zoals Paulus schrijft in 2 Korinthe 8:9: Want u weet de genade van onze Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat u door Zijn armoede zou rijk worden.

Gemeente, het zijn de armen van geest (die net als Abraham ook best rijk kunnen zijn in de wereld), die vandaag met blijdschap naar huis mogen gaan. U bent rijk in God. U mag zingen op deze dankdag: Loof de Heere en vergeet geen van Zijn weldaden.

Maar u die alleen rijk bent voor nu, voor uzelf, u die alleen maar bezig zijn met uw eigen gedroomde toekomst zonder God, voor u geldt, wat Jakobus schrijft: Welaan u, u rijken, weent en huilt over uw ellendigheden, die over u komen. Uw rijkdom is verrot, en uw klederen zijn door de motten gegeten. Uw goud en zilver is verroest en hun roest zal u tot een getuigenis zijn, en zal uw vlees als een vuur verteren. U hebt schatten vergaderd (voor uzelf…) In de laatste dagen.

Want zo is het met hem of haar, en zo zal het u vergaan, die wel schatten vergadert op de aarde, maar niet rijk is in God.

Vroeg of laat zal men in één nacht uw ziel van u afeisen. Doorzie toch uw lot, hoe zult u rechtvaardig verschijnen voor God?

Amen.

Slotzang Psalm 62: 1 en 7:

Mijn ziel is immers stil tot God; Van Hem wacht ik een heilrijk lot; Hij immers zal mijn rotssteen wezen, Mijn heil, mijn hulp in mijn gebrek, Mijn toevlucht en mijn hoog vertrek: Ik zal geen grote wank'ling vrezen.

Vertrouwt, wat uw begeert' ook zij, Nooit op geweld of roverij, En wordt niet ijdel, als 't vermogen Gedurig aanwast; waakt en let. Dat gij het hart er nooit op zet; Zo wordt ge door geen schijn bedrogen.