9 februari 2014
[Hier volgt de volledig uitgeschreven Schriftlezing bij deze preek.]
INLEIDING
Micha 5:1 e.v.: En gij, Bethlehem Efratha! zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israël, en Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid.
MICHA 5
Volledige Bijbeltekst nog niet toegevoegd.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Micha 5
Gemeente, we overdenken vanmorgen/vanmiddag een hoofdstuk dat begint met een bekende adventstekst, een tekst, jongens en meisjes, die jullie misschien dit jaar wel moeten leren voor kerst. Of misschien ken je hem nog van vorig jaar. Ik bedoel deze tekst: En gij, Bethlehem Efratha! zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israël, en Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid. Hij staat aan het begin van het hoofdstuk dat we vanmorgen samen gaan overdenken, Micha 5. De hoofdstukken hiervoor, Micha 2 en 3 en 4, zijn hoofdstukken vol dreiging en oordeel. Sion zal geploegd worden. En Jeruzalem, de trots van Juda, zal tot een steenhoop gemaakt worden. Maar dan dringt er ineens door de kieren van de donkere gevangenis van de ballingschap een straal van licht, een straal van hoop en verwachting door. Voor de ballingen destijds, maar ook voor ons. We overdenken samen Micha 5. Het thema voor de preek van vanmorgen/vanmiddag is: De belofte van de komende Messias
We letten op drie aandachtspunten: 1. Zijn komst (dat ziet u in vers 1-5) 2. Zijn zegen (dat staat u in vers 6-8) 3. Zijn werk (dat leest u in 9-14) Als eerste dus:
1. Zijn komst. Maar…, (dat is eigenlijk een betere vertaling, en zo staat het ook in de King James vertaling), maar! Midden in de dreiging van het oordeel, dat Micha eerder voorzegd heeft en dat onafwendbaar komt, klinkt ineens een Goddelijk ‘maar’.
Maar gij, Jeruzalem…? Nee, want Jeruzalem is een steenhoop. God gaat terug naar Zijn eigen begin! Gij, Bethlehem Efratha. Efratha is een oud woord voor Bethlehem. Eigenlijk is het maar een onbetekenend stadje. Het wordt niet eens genoemd bij de honderden van Juda in Jozua 15.
Het is maar een klein dorp! Acht kilometer ten zuiden van Jeruzalem ligt het. Het is maar een gehucht! Alles wat de mensen hebben opgebouwd, die prachtige stad Jeruzalem, alle menselijke prestatie wordt afgebroken. Er blijft niets van over dan een grote puinhoop. Maar God gaat terug naar Zijn Eigen begin!
Gij, Bethlehem Efratha, uit u zal voor Mij voortkomen. Niet in de eerste plaats voor u, maar, zo zegt God: Bethlehem Efratha, uit u zal voor Mij voortkomen. Hier zien we, dat heel het werk van de zaligheid niet gericht is, in de eerste plaats op ons mensen, maar op God. Uit u zal voor Mij voortkomen. Het hoogste doel van de schepping was de heerlijkheid van God. En het hoogste doel van de zaligheid was en is de heerlijkheid van God Drie-enig.
Uit u zal voor Mij voortkomen, die een Heerser zal zijn in Israël (de twee delen zijn weer tot één geworden) Wiens uitgangen zijn van ouds, van dagen der eeuwigheid. Zijn uitgangen zijn, dat wil zeggen: Hij zal voortkomen uit de oorsprong van, uit de basis van, uit de bron van…? Twee dingen zegt Micha over die oorsprong, over die basis, over die bron:
a. Zijn oorsprong is, Zijn uitgangen zijn van ouds. En dan denken we in gedachten terug aan dat historische moment, eeuwen hiervoor, dat die vergeten, kleine David, in dat kleine gehucht dat Bethlehem heette, door Samuel tot koning werd gezalfd. God breekt al het grote af, en gaat terug naar Zijn Eigen, voor ons oog kleine begin. De kleine David is van ouds door God Zelf gezalfd tot koning over Zijn volk Israël. Het doet denken aan de woorden van Paulus die hij schrijft in 1 Korinthe 1: Het dwaze der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij de wijzen beschamen zou; en het zwakke der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij het sterke zou beschamen; En het onedele der wereld, en het verachte heeft God uitverkoren, en hetgeen niets is, opdat Hij hetgeen iets is, te niet zou maken, opdat geen vlees zou roemen voor Hem (1 Korinthe 1:27-29). God heeft die eenvoudige, onaanzienlijke en verachte jongen, David, uitverkoren, om het grote, het sterke, het machtige en het wijze te beschamen. Aan die verachte David heeft God toen Zijn belofte gedaan: Uw huis zal bestendig zijn, en uw koninkrijk tot in eeuwigheid, voor uw aangezicht; uw stoel (uw troon) zal vast zijn tot in eeuwigheid (2 Samuel 7:16).
Maar nu, eeuwen later, is dat Davidshuis, dat koningshuis totaal vervallen. Maar Gods belofte, Gods Woord houdt stand. Dwars door alle menselijke onmogelijkheid en dwars door alle menselijke schuld en afval heen, staat het Woord van Gods belofte recht overeind. En het wankelt niet tot in eeuwigheid. Het staat vast op het onwankelbare fundament van Gods eeuwige verkiezing.
Zijn uitgangen zijn van ouds (eeuwen geleden in Bethlehem), maar Zijn oorsprong ligt eigenlijk nog veel verder terug. Want Micha zegt als tweede:
b. Zijn uitgangen zij ook van de dagen der eeuwigheid. In de stilte van de nooit begonnen eeuwigheid heeft God Drie-enig in Zijn verkiezend welbehagen een weg uitgedacht voor verloren mensen. Christus is daar naar voren getreden en door de Vader aangesteld om Zich als Borg te geven voor al de Zijnen. De oorsprong van advent en kerst, de oorsprong van Bethlehem en Golgotha ligt in de eeuwigheid, in het verkiezende welbehagen van de drie-enige God.
Wat toen in de eeuwigheid is besloten, is in de tijd in de belofte gegeven. Zoals ook hier in de tijd van Micha. En… Hij, die Zijn oorsprong had in de eeuwigheid, Hij is gekomen, Jezus Christus. De Leeuw uit de stam van Juda, die Lam wilde worden. Het scheutje uit de wortel van David, die de Boom des levens werd! En Hij, Christus Jezus, is de enige met Wie u, net als de ballingen destijds, door het oordeel heen behouden kunt worden. Zelf ontkomen is uitgesloten. Zo is Micha begonnen in Micha 1: God zal komen, in Zijn oordeel, om de overtreding van Jakob. De bergen zullen onder Hem versmelten, en de dalen gekloofd worden, gelijk was voor het vuur, gelijk wateren, die uitgestort worden in de laagte (Micha 1:4-5). Geen ontkomen mogelijk, als God komt in Zijn toorn. Destijds, maar ook nu. Als God komt in Zijn toorn, om hun zonden, om onze zonden. Maar er is een weg. Een weg bij God vandaan. Uitgedacht in Zijn eeuwige raadsplan. Een weg door God gegeven, een enige weg. Gewerkt in een weg van bekering, van bukken, van buigen en breken. Gewerkt door God Zelf. Door Hem die tegelijkertijd, ondanks al onze schuld zo hartelijk nodigt en blijft nodigen: Keer toch terug, afkerige, weglopende kinderen. Kom toch met smeking en geween. Kom toch, buk toch, buig toch en belijd Mij toch uw zonden.
Uit u, Bethlehem Efratha, zo klein en veracht, zal voor Mij voortkomen, als vrucht van Mijn eeuwige raad en welbehagen: Israëls gezalfde Koning, Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid.
Daarom (ik lees verder in vers 2) zal Hij hen overgeven, tot de tijd toe, dat zij, die baren zal, gebaard hebbe; dan zullen de overigen van Zijn broeders zich bekeren met de kinderen Israëls. Aan Zijn komst, aan de komst van de Messias, gaat een tijd vooraf, een tijd van verdrukking en ballingschap: Hij (het is Gods hand) zal hen (Israël) overgeven. God geeft Juda en Israël over aan vijand. Voor een tijd. Om ze tot inkeer te brengen. Opdat (dat is Gods goede doel!) ze zouden gaan bukken en buigen voor de hoge God. Zoals staat van koning Manasse: En als Hij (God) hem benauwde, bad hij het aangezicht des HEEREN zijns Gods ernstig aan, en vernederde zich zeer voor het aangezicht van de God zijner vaderen, en bad Hem. En Hij liet Zich van hem verbidden en hoorde zijn smeking, en Hij bracht hem weder te Jeruzalem in zijn koninkrijk. Toen kende (toen erkende) Manasse, dat de HEERE God is (2 Kronieken 33:12-13En als hij hem benauwde, bad hij het aangezicht des HEEREN, zijns Gods, ernstelijk aan, en vernederde zich zeer voor het aangezicht van den God zijner vaderen, En bad Hem; en Hij liet Zich van hem verbidden, en hoorde zijn smeking, en Hij bracht hem weder te Jeruzalem, in zijn koninkrijk. Toen erkende Manasse, dat de HEERE God is.) Toen erkende Manasse: Het is goed voor mij verdrukt te zijn geweest. Want in die weg heb ik leren buigen voor God.
God zal Israël overgeven, tot de tijd toe. Dat wil zeggen: Er komt een einde aan die donkere, uitzichtloze ballingschap! Vrees niet, gij wormpje Jakobs, gij volkje Israëls! Ik help u, spreekt de HEERE, en uw Verlosser is de Heilige Israëls (Jesaja 41:14Vrees niet, gij wormpje Jakobs, gij volkje Israëls! Ik help u, spreekt de HEERE, en uw Verlosser is de Heilige Israëls!)! Want Ik(!) heb u overgegeven. Dat was Mijn werk. Maar dit is ook Mijn werk, het werk van uw Verlosser, de Heilige Israëls (kijk maar in vers 2): Zij zal baren. Zij zal een Zoon krijgen. En men zal zeggen: Een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven. En Zijn Naam zal zijn Jezus, Zaligmaker van zondaars.
Zij zal baren, en: dan zullen de overigen van Zijn broeders zich bekeren met de kinderen Israëls. De rest Juda en Israël (het zal weer één volk zijn), zij zullen zich bekeren tot de Man, die uit het midden van hun broeders voortkwam. Het is een belofte voor Israël in ballingschap, maar ook voor gebrokenen van hart nu: Hij schaamt Zich niet om hen broeders te noemen.
En (vers 3) Hij zal staan, en zal weiden in de kracht des HEEREN, in de hoogheid van de Naam des HEEREN, Zijns Gods, en zij zullen wonen, want nu zal Hij groot zijn tot aan de einden der aarde. Als Hij komt, op Gods tijd… Als God Zijn licht door laat breken in de donkere nacht van de ballingschap… Als God de verstotenen en hinkenden gaat verzamelen… Als God (Wie is aan onze God gelijk?) de armen gaat oprichten uit het slijk… Dan zal Hij dat doen met grote kracht: staande, in kracht des HEEREN, in de hoogheid van de Naam des HEEREN, Zijn God! Dan zal Hij dat doen met al de liefde van Zijn hart: Hij zal hen weiden, als een Herder!
Als een trouwe Herder, zal Hij ze nooit meer loslaten. Hij zal ze blijvend onderwijzen, troosten, regeren en leiden. Als een Herder, met wijsheid, liefde en zorg. Hij zal voor hen heen gaan als de Goede Herder.
En Hij groot zijn tot aan de einden der aarde. Dat is een belofte voor…? Voor hier! Voor [plaatsnaam]. Wij wonen aan de einden van de aarde! En dit is een belofte ook voor alle zendingswerk, vanuit ons perspectief gezien aan de einden van de aarde. Want (het ligt vast in Gods raad) God heeft gezegd: Christus zal groot zijn tot aan einden aarde!
En zij, die verbroken waren, zij die geslagen waren, gewond, weggevoerd, roepend in hun verdrukking, schreeuwend van pijn (zoals staat in Micha 4:10Lijd smart en arbeid om voort te brengen, o dochter Sions! als een barende vrouw; want nu zult gij wel uit de stad henen uitgaan, en op het veld wonen, en tot in Babel komen, maar aldaar zult gij gered worden; aldaar zal u de HEERE verlossen uit de hand uwer vijanden.: als een bevallende vrouw), zij zullen zeker wonen. Letterlijk staat er: zij zullen zitten. Als teken van veiligheid en rust. Zij zullen veilig en gerust wonen. Hij zal staan, als hun Beschermer en Herder, en zij zullen zitten, zij zullen wonen!
Want, zo staat in vers 4: Deze zal Vrede zijn! Deze Messias, deze Herder, als Hij komen zal en nu Hij gekomen is, zal vrede maken. Vrede met de hemel! Dat wat u zo nodig hebt, waar u misschien ook zo naar verlangt. Zal het ooit nog goedkomen? Als balling, ver weg door eigen schuld. Als verloren zondaar, ver van God, door eigen schuld. U zucht: ‘Zal ooit nog goed komen tussen God en mijn schuldige hart? Hoe moet toch verder?’
En nu klinkt er, vanuit het Woord, uit de hemel, een boodschap van vrede. Van vrede voor ballingen, van vrede voor alles verbeurd hebbende zondaars. Een boodschap van vrede voor ballingen in Babel en Assyrië, maar ook een boodschap van vrede voor mensen nu, voor mensen die gebonden zijn de gevangenis van de Wet, die hen veroordeelt. En die daarbij moeten zeggen: ‘Heere, dit heb ik verdiend. Uw doen is rein, ik ben dit oordeel waard.’ Luister, juist voor u klinkt midden in uw uitzichtloze gevangenschap deze stem uit de hemel: Deze! Deze zal vrede zijn! Er is vrede met de hemel te verkrijgen, met God, voor u, door Hem! Door Hem, die wij niet geacht hebben. We hebben Hem veracht. Hij was het Liefste wat Vader had. Maar God gaf Hem over in de ballingschap, ver van God gescheiden, in uiterste God-verlating, waar Hij uitriep: Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten!
Waarom? Het behaagde de HEERE (dat kwam uit de oorsprong van Zijn eeuwige raad) Hem te verbrijzelen voor verloren ballingen! Jesaja zegt: Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg; doch de HEERE heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen. Toen die ongerechtigheden geëist werden, toen werd Hij verdrukt (Jesaja 53:6-7Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg; doch de HEERE heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen. Als dezelve geëist werd, toen werd Hij verdrukt; doch Hij deed Zijn mond niet open; als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open.). De Herder is verdrukt en geslagen in de plaats van de schapen.
En daarom, om Hem, is er nu vrede, door het bloed van Zijn kruis. Daarom zegt Paulus: Hij is onze vrede (Efeze 2:14Want Hij is onze vrede, Die deze beiden een gemaakt heeft, en den middelmuur des afscheidsels gebroken hebbende,). Door Hem is de hitte van Gods gramschap geblust. De vrede is met een kus van het recht gegroet! Door Hem worden ballingen terecht gebracht, weer gebracht in de vrede met God. Zijn hier vanmorgen van die ballingen, van die gevangenen? Gebogen ballingen, gebroken harten, verslagen zielen, zoekend naar vrede met God? Hoor, het Woord van de HEERE! Zo zegt de HEERE: Deze zal Vrede zijn! De Heere heeft Hem gezalfd, om een blijde boodschap te brengen de zachtmoedigen. Ik verkondig u(!) na alle dreiging grote blijdschap: God heeft Hem gezonden om te verbinden de gebrokenen van harte, om den gevangenen vrijheid uit te roepen, en de gebondenen opening der gevangenis!
Wanneer (zo lees ik verder in vers 4) wanneer Assur in ons land zal komen, en wanneer hij in onze paleizen zal treden, zo zullen wij tegen hem stellen zeven herders, en acht vorsten uit de mensen. Het is dichterlijke taal. Het wil zoveel; zeggen als: Er zullen genoeg mensen aan onze kant staan in de strijd tegen onze vijanden. En die (vers 5) zullen het land van Assur afweiden met het zwaard(!), en het land van Nimrod in zijn ingangen (in zijn poorten, in zijn grenzen). Alzo zal Hij ons redden van Assur, wanneer dezelve in ons land zal komen, en wanneer hij in onze landpale zal treden. Hij, de Vredevors, Christus zal ons redden van Assur. Hij zal Zijn ellendig en arm volk bewaren! ’t Ellendig volk wordt dan uit lijden, door Zijnen arm gerukt. Hij zal nooddruftigen bevrijden, verbrijzelen wie verdrukt.
Assur, Assyrië, zal geen voet aan de grond krijgen. Sterker nog, omgekeerd: wij zullen Assur aanvallen, wij zullen hem weiden (als een herder) met het zwaard. Hoewel…? Nee, niet wij! Er staat: Hij zal ons redden!
Jezus Christus, de Messias, de Bewaarder Zijn volk Israël, Hij zal. Al gaat het nog zo hoog! We zullen niets kunnen in eigen kracht, maar Hij zal ons redden! Want onze Koning is van Israëls God gegeven! Hij, de Heere alleen, Hij is Verwinnaar in de strijd en geeft Zijn volk de zegen! We gaan er samen van zingen uit Psalm 3:4
Sta op, verlos mij, HEER! Gij hebt, o God, weleer Getoond voor mij te waken, Mijn haters onderdrukt; En mij 't gevaar ontrukt; Gij sloeg hen op de kaken, Verbrekend onverwacht Hun tanden door Uw macht; 'k Heb d' overhand verkregen. Gij, HEER, alleen, Gij zijt Verwinnaar in den strijd, En geeft Uw volk den zegen.
Ons tweede aandachtspunt:
2. Zijn zegen Micha gaat het werk van de Messias verder tekenen met twee beelden. Met het beeld van de dauw en met het beeld van de leeuw.
a. We lezen in vers 6: En Jakobs overblijfsel zal zijn in het midden van vele volken, als een dauw van den HEERE, als droppelen op het kruid, dat naar geen man wacht, noch mensenkinderen verbeidt. Jakobs overblijfsel, het overblijfsel van Jakob, het is een blijvende herinnering aan wie hij was: Jakob, bedrieger…
Zijn overblijfsel: wat van hem over is. Net als een auto die total-loss is. Alles is verloren. Wat er over is, is een wrak. Zo keken de mensen in Babel en Assyrië destijds ongetwijfeld neer op het volk van Juda en Israël. Zo zagen ze ongetwijfeld zichzelf ook: total-loss, alles kwijt, verloren!
Die mensen, zulke mensen (zegt God), die zullen in het midden van de volken, in het midden van de wereld, zijn als de dauw van de HEERE, als druppels op het kruid, op het groen van de aarde.
Ja, want de HEERE heeft hen niet verlost voor henzelf. Weet u nog? Heel het werk van de zaligheid is op God gericht, op de eer van Zijn Naam! In vers 1 zegt Micha: Bethlehem, uit U zal voor Mij voortkomen! Voor Mij! En nu, nu is nog maar net het licht van de Vredevorst opgegaan, of HEERE zegt: U zult (ook voor Mij!) zijn als de dauw, als die hele fijne druppeltjes, die ’s morgens vroeg op het gras neerdalen. U zult zijn als de dauw, die dor en droog gras groen, gezond en fris zal maken. Met andere woorden: Gods kinderen zullen tot zegen zijn voor anderen, in het midden van de volken. Ook hier, in [plaatsnaam]. Stil tot zegen zijn. Niet door plonzen en bakken water. Maar door stille dauwdruppels. Door ons leven, door onze woorden en gebeden… Als dauw, als motregen op de droge aarde van onze man of vrouw, onze kinderen en kleinkinderen, broers en zussen, buren en medeburgers van de stad.
Dat moet je zelf doen? Nee, dat staat er niet. Die dauw is van de HEERE. God zegt: dat zal Ik doen! Ik zal dat doen, door u! Dus, denk niet dat u een hoge positie moet hebben. Niet iedereen kan dominee, ouderling, diaken, evangelist of zendeling zijn. Maar, denkt u dan tot uw troost en bemoediging aan wat hier staat: Op de plek die ik U gegeven heb, als vader, als moeder, als collega, als medeleerling, daar zal Ik u als de dauw maken voor de droge sprietjes naast u. Ik zal het doen! Als de dauwdruppeltjes, stil vallend, maar ook talrijk, heel veel druppeltjes, heel veel zegen, zuiver als water. Wat gezegend wordt in je gezin, in de gemeente, op de vereniging of op school, dat is
Gods werk, dat is de dauw van de HEERE. En dus moet dat werk gedaan worden in biddende afhankelijkheid van Hem. Maar als Hij zal nederdalen als een regen op het nagras, als de druppelen, die de aarde bevochtigen (Psalm 72:6Hij zal nederdalen als een regen op het nagras, als de druppelen, die de aarde bevochtigen.), dan worden Gods kinderen ook zelf, naar Zijn beeld, een dauw voor de mensen om heen. Als dauw, die het dorre gras groen maakt.
b. Ja, zo lezen we in vers 7 en 8 (dat is het tweede beeld): Het overblijfsel van Jakob zal zijn onder de heidenen, in het midden van vele volken, als een leeuw onder de beesten des wouds, als een jonge leeuw onder de schaapskudden; dewelke, wanneer hij doorgaat, zo vertreedt en verscheurt hij, dat niemand redde. Uw hand zal verhoogd zijn boven uw wederpartijders, en al uw vijanden zullen uitgeroeid worden.
De rest, het overblijfsel van Jakob, zal zijn als een zegenrijke dauw, en… als een leeuw, die doorgaat, die vertrapt en verscheurt. Zoals ook Christus was als een zegenrijke Dauw. Toen Hij zei: Laat de kinderen tot Mij komen. Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt. En, toen Hij aan het kruis hing: Vader, vergeef het hun. Maar Hij was ook als een verscheurende Leeuw. Toen Hij zei: Wee u, Schriftgeleerden en Farizeeën, geveinsden, want u bent de wit gepleisterde graven gelijk, die van buiten wel mooi schijnen, maar van binnen zijn zij vol doodsbeenderen en alle onreinigheid.
Zo ook zal Christus Zijn overblijfsel maken tot een dauw, tot een stille regen van zegen, en tot leeuw! Als je die kleine, stille getuige van Gods goedheid, in je gezin, bij je thuis aan tafel veracht… Als je die stille gebeden van je vader of moeder, of van je kind veracht… Als je schouderophalend lacht om al die voorzichtige waarschuwingen… Dan heb je een groot probleem! Want het Lam van Golgotha is ook de Leeuw uit Juda’s stam.
En Zijn schapen zijn weliswaar ook als een dauw, die je met je hand denkt weg te kunnen vegen, maar zij kunnen in leeuwen veranderen! Zij zullen in de dag van het gericht getuige tegen je zijn, je vader, je moeder, je man, je vrouw, je kind… Staande naast de Leeuw uit de stam van Juda! ‘Heere, Meester, ik hield zo veel van ze…, maar nu hebt U gelijk! Zij, hij wilde niet!’ Lieve mensen, veracht de dauwdruppeltjes niet, die vallen op dorre hart. Veeg ze niet weg met je hand, maar bid of God ze zegenen zal, voordat je een leeuw op je weg ontmoet!
Tegelijkertijd is hier veel troost voor het overblijfsel van Jakob! God is aan onze zijde. De Leeuw uit de stam van Juda. Dat, en dat alleen, kan ons kracht geven in onze strijd! Dit: Gij Heere, alleen, Gij zijt Verwinnaar in de strijd! Dus mogen we, terwijl ons oog op Hem ziet, strijden met Zijn kracht. Wie in eigen kracht vecht tegen de zonde en de macht van de hel, die verliest! Paulus zegt ook in 2 Korinthe 10 dat de wapens van onze krijg niet vleselijk zijn, maar krachtig door God, tot nederwerping der sterkten (2 Korinthe 10:4).
En daarbij ook: wie verantwoording aflegt van de hoop die in hem is in een wereld zonder God en tegen God, die heeft als hij ziet op zichzelf ook geen moed en kracht. Maar God zegt: Ik zal u mond en wijsheid geven, welke niet zullen kunnen tegenspreken, noch wederstaan allen, die zich tegen u zetten (Lukas 21:15Want Ik zal u mond en wijsheid geven, welke niet zullen kunnen tegenspreken, noch wederstaan allen, die zich tegen u zetten.). En dus schrijft Micha in vers 8: Uw hand zal verhoogd zijn boven uw wederpartijders, en al uw vijanden zullen uitgeroeid worden.
Tot slot nog kort onze derde gedachte:
3. Zijn werk Je zou denken: na vers 4 is het klaar! Deze zal vrede zijn. Als je vrede met God hebt, dan heb je toch alles? Of anders, na vers 8, is het dan toch echt klaar! Uw hand zal verhoogd zijn boven uw wederpartijders, en al uw vijanden zullen uitgeroeid worden. De overwinning is binnen! Klaar toch?
Nee, toch niet! Je zou bijna schrikken bij de verzen die volgen. Maar dat is niet terecht. Calvijn zegt: dit klinkt hard, maar dit is een vermaning die ons eigenlijk zou moeten verblijden! God wil iedere belemmering wegnemen die ons zou kunnen afhouden om tot Hem te komen. Hij wil ons gehoorzaam maken met heel ons hart, om God te verkiezen als ons enig goed, onze enige vreugde en glorie.
Want wat gaat HEERE doen…? We lezen in vers 9: En het zal te dien dage geschieden, spreekt de HEERE, dat Ik uw paarden uit het midden van u zal uitroeien, en Ik zal uw wagens verdoen. Uw militaire zekerheden, uw paarden, uw wagens, uw helikopters, uw drones zal Ik verdoen. Die zal ik afsnijden, die zal ik wegdoen. En (vers 10) Ik zal de steden uws lands uitroeien, en Ik zal al uw vestingen afbreken. Paarden en wagens zijn om aan te vallen. Muren en steden zijn om je te verdedigen. Die zal Ik, zegt God, ook afbreken!
Dezen vermelden van wagens, en die van paarden; maar (dat is Gods goede doel!) wij zullen vermelden van de Naam des HEEREN, onzes Gods Ik zal maken, rest van Jakob, dat u alleen op Mij vertrouwen zal, en niet meer op uzelf.
En (vers 11) Ik zal de toverijen uit uw hand uitroeien, en u zult geen guichelaars hebben. Met toveren probeer je grip te krijgen op je toekomst. Met guichelen, met toekomst voorspellen, probeer je winst te behalen uit duistere machten. Maar daar moet u niet meer en nooit meer op vertrouwen. Dus zal Ik, God, ook die van u afnemen.
En (vers 12 en 13) Ik zal uw gesneden beelden en uw opgerichte beelden uit het midden van u uitroeien, dat u zich niet meer zult neerbuigen voor het werk van uw handen. Voorts zal Ik uw bossen uit het midden van u uitroeien, en Ik zal uw steden verdelgen.
Met de beelden van Baäl en Asherah probeer je je leven vruchtbaar te maken. Maar het is allemaal zonde. En het is allemaal zonder Mij!
Eigenlijk kern is de kern van deze verzen: U vertrouwt op wat u allemaal zelf doet, maar niet op Mij, op Mijn voorzienigheid en Vaderlijke zorg. Daarom zal Ik u alles afnemen wat van uzelf is, opdat U alleen op Mij zult vertrouwen. Pijnlijk, tegen vlees en bloed in, maar wat een zegen. Om alles kwijt te raken en God alleen over te houden. God zegt: Ik zal het doen.
Dit is eigenlijk de kern van deze verzen. God zegt: Ik zal u aannemen als Mijn kinderen, Ik zal vrede met u maken, maar dat vertrouwen op uzelf…? Genade gekregen hebben, vrede met God gekregen hebben, Zijn zegen mogen opmerken in je omgeving… Het is zijn allemaal bijzondere zegeningen van Mij. Maar daarmee is Mijn werk in u niet af. Dat gaat door en moet doorgaan, tot uw laatste snik toe!
Vechten tegen de zonde en tegen verkeerde verlangens van je hart? De zonde uitroeien? Wat kan je daar moe en moedeloos van worden! Je slaat één wesp dood, maar via het open raam vliegen er weer vijf nieuwe wespen binnen! De Wet van Gods geboden volkomen houden? Ook na ontvangen genade kunnen Gods kinderen de Wet uit dankbaarheid niet houden in eigen kracht. Dat verliezen we! We verliezen de strijd tegen de zonde, de strijd tegen ons eigen, zondige hart, in eigen kracht!
Hoe moet het dan? Gode leven? Leven in heiligmaking, tot eer God? Die snik van berouw over de zonde: ‘O God gezondigd, wees mij zondaar genadig’, aangevuld met die tweede snik: ‘Heere, de zonde uitroeien uit mijn leven, het lukt me niet! Ik ellendig mens!? Zoals Paulus schrijft: Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik. Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? (Romeinen 7:19-24Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik. Indien ik hetgene doe, dat ik niet wil, zo doe ik nu hetzelve niet meer, maar de zonde, die in mij woont. Zo vind ik dan deze wet in mij; als ik het goede wil doen, dat het kwade mij bijligt. Want ik heb een vermaak in de wet Gods, naar den inwendigen mens; Maar ik zie een andere wet in mijn leden, welke strijdt tegen de wet mijns gemoeds, en mij gevangen neemt onder de wet der zonde, die in mijn leden is. Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?). Wie zal mij verlossen? God! God zegt: Ik zal het doen!
Het werk van berouw en bekering, dat is Mijn werk! Dat het licht doorbreekt in uw donkere nacht, dat is Mijn werk! En de vernieuwing van uw hart, het werk van de heiligmaking, dat is ook Mijn werk! Ik zal doen!
Dit is de enige hoop, het enige houvast voor tobbers, voor knoeiers, voor kinderen van God die steeds weer vastlopen met de zonden van hun hart, namelijk dat God zegt: Ik zal het doen! Ik zal rein water op u sprengen, en u zult rein worden; van al uw onreinigheden en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen. En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwen geest geven in het binnenste van u (Ezechiël 36:25-27Dan zal Ik rein water op u sprengen, en gij zult rein worden; van al uw onreinigheden en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen. En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwen geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlesen hart geven. En Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u; en Ik zal maken, dat gij in Mijn inzettingen zult wandelen, en Mijn rechten zult bewaren en doen.).
Tot slot, het laatste, het 14de vers: En Ik zal in toorn en in grimmigheid wraak doen aan de heidenen (ook in [plaatsnaam]), die niet horen.
Wees gewaarschuwd! God zal nooddruftigen bevrijden, maar ook: verbrijzelen wie verdrukt!
Amen.
Slotzang Psalm 72: 1 en 2:
Geef, HEER, den Koning Uwe rechten, En Uw gerechtigheid Aan 's Konings zoon om Uwe knechten Te richten met beleid. Dan zal Hij al Uw volk beheren, Rechtvaardig, wijs en zacht; En Uw ellendigen regeren; Hun recht doen op hun klacht. De bergen zullen vrede dragen, De heuvels heilig recht; Hij zal hun vrolijk op doen dagen, Het heil, hun toegezegd. 't Ellendig volk wordt dan uit lijden Door Zijnen arm gerukt; Hij zal nooddruftigen bevrijden; Verbrijzelen, wie verdrukt.
Andere preken over Micha