Lijdenstijd - 1 maart 2015
Leviticus 1:4: En hij zal zijn hand op het hoofd des brandoffers leggen, opdat het voor hem aangenaam zij om hem te verzoenen.
INLEIDING
Wie voor God wil verschijnen, moet het volmaakte offerdier uitkiezen en zijn handen op zijn hoofd leggen: een viervoudige belijdenis van zonde, van de noodzaak van bedekking door bloed, van eigen onmacht, en van "ik heb de dood verdiend." Dan wordt het dier geslacht in de plaats van de schuldige. Zo wijst dit heen naar Christus, het volmaakte Lam Gods, geslacht op Golgotha. Gebrokenen van hart mogen hun schuldige handen leggen op Zijn hoofd: hun dood wordt Zijn dood, Zijn leven hun leven.
Het plaatsvervangende offerdier
LEVITICUS 1:1-8
1 EN de HEERE riep Mozes, en sprak tot hem uit de tent der samenkomst, zeggende:
2 Spreek tot de kinderen Israëls en zeg tot hen: Als een mens uit u den HEERE een offerande zal offeren, gij zult uw offeranden offeren van het vee, van runderen en van schapen.
3 Indien zijn offerande een brandoffer van runderen is, zo zal hij een volkomen mannetje offeren; aan de deur van de tent der samenkomst zal hij dat offeren, naar zijn welgevallen, voor het aangezicht des HEEREN.
4 En hij zal zijn hand op het hoofd des brandoffers leggen, opdat het voor hem aangenaam zij om hem te verzoenen.
5 Daarna zal hij het jonge rund slachten voor het aangezicht des HEEREN; en de zonen van Aäron, de priesters, zullen het bloed offeren en dat bloed sprengen rondom dat altaar hetwelk voor de deur van de tent der samenkomst is.
6 Dan zal hij het brandoffer de huid aftrekken en het in zijn stukken delen.
7 En de zonen van Aäron, den priester, zullen vuur maken op het altaar, en zullen het hout op het vuur schikken.
8 Ook zullen de zonen van Aäron, de priesters, de stukken, het hoofd en het smeer schikken op het hout dat op het vuur is, hetwelk op het altaar is.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Leviticus 1:4
THEMA
Het plaatsvervangende offerdier
AANDACHTSPUNTEN
Gemeente, toen Israël uit Egypte trok, sloeg de verderfengel alle eerstgeborenen van Egypte. Maar bij het volk Israël in het land Gosen werd iedereen gered. Waarom was dat? Dat was omdat het bloed van het paaslam gestreken was aan de bovendorpel en aan de posten van de deur van het huis. En de Heere had gezegd (in Exodus 12:13En dat bloed zal ulieden tot een teken zijn aan de huizen, waarin gij zijt; wanneer Ik het bloed zie, zal Ik ulieden voorbijgaan; en er zal geen plaag onder ulieden ten verderve zijn, wanneer Ik Egypteland slaan zal.): wanneer Ik het bloed zie (niet als u het ziet, maar als Ik het zie), dan zal Ik u voorbijgaan.
Dat laatste zouden we ook boven het Bijbelgedeelte kunnen schrijven dat wij vanmorgen met elkaar overdenken. De tekst die we op deze (eerste of andere) lijdenszondag met elkaar overdenken kunt u vinden in Leviticus 1, daarvan de verzen 4 en 5a, waar we het woord des Heeren als volgt lezen: En hij zal zijn hand op het hoofd des brandoffers leggen, opdat het voor hem aangenaam zij, om hem te verzoenen. Daarna zal hij het jonge rund slachten voor het aangezicht des HEEREN.
Het thema voor de preek van vanmorgen is: Het plaatsvervangende offerdier, of: Het bloed der verzoening.
Er zijn vier aandachtspunten. We letten in de eerste plaats op de keus van het offerdier, in de tweede plaats op de schuld van het offerdier, in de derde plaats op de dood van het offerdier, en in de vierde plaats zal ik proberen een aantal gewetensvragen of hartevragen die er bij u kunnen leven te beantwoorden.
Dus vier aandachtspunten: 1. De keus van het offerdier 2. De schuld van het offerdier 3. De dood van het offerdier 4. Enkele gewetensvragen of hartevragen beantwoord Dus in de eerste plaats:
Stel, jongens en meisjes, je bent Israëliet. Je bent vader van een gezin en je wilt een brandoffer gaan brengen. Hoe moet je dat dan doen? Je zegt: ‘Je moet eerst een dier uitkiezen.’
Dat klopt. Welke zullen we doen? Je zegt: ‘Doe die ene maar met je scheve poot, of die met dat lelijke litteken. Of doe dat kleine kalfje maar, daar hebben we er zoveel van.
Gelukkig maar, dat de Heere aan de Israëlieten had verteld hoe zij zo’n offerdier moesten uitkiezen. Het moest (dat staat in vers 2) een rund zijn of een schaap of (dat staat in vers 10) een geit, en… het moest (dat staat in vers 3) een volkomen mannetje zijn. Dus (terwijl je een dier uitzoekt) heel goed kijken, heel goed opletten. En zoeken naar een heel goed dier: niet te oud, niet te jong, niet te groot, niet te klein, niet die met die kromme poot, niet die andere met dat lelijke litteken, maar het offerdier moet perfect zijn, helemaal gaaf. De mooiste van alle beesten in de stal. Je voelt bij jezelf: daar ga je al. Het beste aan de Heere geven? Je voelt hoe moeilijk dat is. Dat is niet zomaar iets. Dat kost alles. De beste stier, de beste ram, de mooiste bok…
Kijk in gedachten eens even terug naar het paaslam, bij het volk Israël in het land Gosen. Dat paaslam moest ook zo perfect, zo goed, zo volmaakt zijn. En kijk in gedachten ook eens vooruit. Want alle offers wezen vooruit, naar het komende, grote offer van de Heere Jezus Christus. Hij was het Lam Gods. Kijk maar eens goed: Was ook Hij niet volmaakt? Nooit heeft Hij zonde gedaan. Nooit heeft Hij zonde willen doen. Nooit heeft Hij de wet overtreden. Hij had ook geen erfzonde. Hij was met recht een volkomen Lam.
En als je dat dier dan uitgekozen hebt, zo staat in vers 3: kom dan, omdat te brengen ‘aan de deur van de tent der samenkomst’. Om dat dier te offeren, zo staat er: ‘naar zijn welgevallen, voor het aangezicht des HEEREN’. Dus dat dier moet geofferd worden bij de tabernakel. Die man mag dat dier niet offeren naast zijn eigen tent, maar hij moet ermee naar de Heere toekomen. Hij moet gaan verschijnen voor Gods heilig aangezicht. Hij moet voor God verschijnen.
En dan staan daar die paar moeilijke woorden: naar zijn welgevallen. Het kan betekenen: naar zijn eigen vrije wil, vrijwillig. Met andere woorden: sta vrijwillig dat volmaakte, dat perfecte offerdier af. Want de Vader heeft ook vrijwillig en met liefde het Beste, ja het Enige wat Hij had gegeven. Maar je zou ook kunnen lezen: naar zijn welgevallen, dat is: opdat God een welgevallen aan hem zou hebben. En dan gaat het dus om de vraag: gaat God dit offer, dit offerdier, de man die dit offer brengt aannemen? Wordt de rook van dit offer (zoals staat in vers 10,13 en 17) een liefelijke reuk voor de Heere in de hemel? En dan mag je in gedachten weer vooruitdenken. Dat mag trouwens steeds. Je mag steeds als het ware heen en weer denken, vooruit en achteruit. Hier mag je weer even vooruitdenken aan wat Paulus later zegt in Efeze 5:2En wandelt in de liefde, gelijkerwijs ook Christus ons liefgehad heeft, en Zichzelven voor ons heeft overgegeven tot een offerande en een slachtoffer, Gode tot een welriekenden reuk.: Christus heeft ons liefgehad en Zichzelf voor ons overgegeven tot een offerande en slachtoffer (en dan komt het) Gode tot een welriekende reuk. Tot iets wat heerlijk ruikt. Iets wat heel lekker ruikt, daar ben je blij, daar ben je tevreden mee. Als mamma iets heerlijks gebakken of gebraden heeft, dan zeg je: ‘O, wat ruikt dat lekker, heerlijk!’
Zo tevreden moest de Heere zijn met dit brandoffer. Zo tevreden was Hij met het offer van Zijn Zoon.
En dan? Wat moet je dan verder doen? Dat dier is uitgekozen, dat dier is gebracht bij de tabernakel. En dan? Dat brengt ons in de tweede plaats bij:
Je zegt: ‘Hoezo? Heeft dat dier dan schuld? Wat heeft het dan gedaan?’ Niets. Dat dier komt heel onschuldig naar de tabernakel toe. Dat heeft helemaal niets gedaan. Zo en meer onschuldig was de Heere Jezus, toen Hij in de wereld kwam.
Dat dier is onschuldig. Maar bij de tabernakel gebeurt er iets. Dat staat in vers 4, lees maar even mee, daar staat: En hij zal zijn hand op het hoofd van het brandoffer leggen, opdat het voor hem aangenaam zij, om hem te verzoenen. Dat was het volgende wat gebeuren moest: leg je hand, je rechterhand of beide handen, op het hoofd van de jonge stier. Niet op zijn nek of op zijn rug, maar op zijn hoofd en duw dat hoofd, die kop naar beneden. Laat dat dier buigen. Je vrouw of je kinderen mogen het ook wel doen…? Nee, je moet het zelf doen. Het is een heel persoonlijke zaak: leg je eigen hand of je eigen handen op het hoofd van het offerdier.
Wat betekent dat eigenlijk? Kan je dat dier niet gewoon afgeven bij de tabernakel als een soort van geschenk, als een soort van cadeau voor de Heere God? Zo van: hier, het beste van mij dat is voor U? Nee, want dat dier was (zo staat in vers 4) om hem te verzoenen. Letterlijk staat er zoiets als: het was om hem te bedekken. Bedekken dat is ergens iets overheen leggen. Dus er was iets wat de Heere niet kon aanzien, iets verschrikkelijks, dat bedekt moest worden. Wat (zoals het staat in Psalm 32:1Een onderwijzing van David. Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is.) voor het heilig oog des Heeren moest bedekt worden.
Wat was dat dan? Wat was datgene dat bedekt moest worden? Waar iets overheen gelegd moest worden? Dat was de zonde. De zonde tegen God. De man die het offer bracht, de offeraar was een man met zonde. En hij stond bij de tabernakel voor het heilig aangezicht van God. En hij kon met zijn zonde voor die heilige God niet bestaan. Dat wil zeggen: God kon en wilde hem niet aankijken. Zo heilig is God. De zonde? Die zondaar? Dat kan niet, dat moet weg! Die mens, die zondaar moet weg!
Zo kan het ook werkelijk zijn in je hart. Als de Heere je ogen geopend heeft. En je ziet het: God is heilig, en ik moet weg. Want ik ben zondig. Ik kan voor Hem niet bestaan. Kan het weer goed komen? Is er nog een weg terug? Ja, wat de Bijbel zegt: als je een nieuw hart krijgt, dan stort de Heere liefde uit in je hart, en dus wil je graag terug naar God toe.
Ik wil zo graag terug naar die God, tegen Wie ik gezondigd heb. Maar ik kan niet terug. Want er zit zoveel zonde, zoveel kwaad, zoveel schuld tussen.
Wat moet je dan doen? Hoe kan je dan teruggekomen bij God? Weet je wat? Zoek het mooiste wat je hebt en geef het aan de Heere. Het mooiste offerdier: de mooiste stier, de mooiste ram, de beste bok, breng die naar de tabernakel en geef die als een cadeau, als een geschenk aan de Heere. Want er moet toch voor de zonde, voor de schuld betaald worden? Ja, maar onze mooiste dingen, welke het ook zijn, zijn allemaal niet genoeg om de prijs van onze ziel, om de prijs van onze schuld te betalen.
Er moet, zegt de Bijbel, iets tussen komen. Iets tussen God, de heilige God, en je hart, je zondige hart. Iets waardoor God die zonde niet meer ziet. Iets wat je zonden bedekt, iets wat er als het ware een kleed overheen legt. Net zoals er in het land Gosen iets was tussen die dodelijke verderfengel en de mensen achter de deur van het huis. Wat zat daar dan tussen? Bloed. Bloed, gestreken aan de bovendorpel en aan de deurposten. En de Heere had gezegd: als Ik het bloed zie, dan zal Ik u voorbijgaan. Dan zal Ik u niet straffen.
Dus, meneer met je offerdier, wat je doen moet, dat staat in vers 4: En hij zal zijn hand op het hoofd van het brandoffer leggen, opdat het voor hem aangenaam zij, om hem te verzoenen. Om je zonden en schuld te verzoenen, om het goed te maken tussen God en je zondige hart, om je schuld voor God te bedekken, moet je iets doen: je hand (of je handen) leggen op het hoofd van het offerdier.
Maar, wat betekent dat dan? Dat betekent als het goed is vier dingen. Het is een viervoudige belijdenis. a. Dat leggen van de handen op het hoofd van het offerdier is in de eerste plaats een belijdenis van zonde. Zo meteen moet dit onschuldige dier sterven en dat komt door mijn zonden. Dat is mijn schuld. Er zijn mensen die denken dat het goed komt met God zonder belijdenis van zonden. Ik geef de Heere een cadeau: ‘Hier is het, Heere, heel mijn leven is voor U. Ik kies voor U, en U mag alles van me hebben.’ Maar dat is hoogmoedig. Dat is niet zoals de Heere het wil. Zo komt het nooit goed. Het leggen van de handen op het hoofd van het offerdier is in de eerste plaats een belijdenis van zonde.
b. Het is in de tweede plaats een belijdenis dat zonde iets is, wat God alleen weg kan nemen. Het is een belijdenis dat er verzoening met God nodig is, dat mijn zonden bedekt moeten worden op een manier zoals God die wil. Namelijk door de weg van het bloed, door de weg van sterven. Zo was het toch ook gezegd tegen Adam in het paradijs: ‘Als u daarvan eet, dan zult u de dood sterven.’ Dat was en is de eis van Gods heilige recht. Het moest en moet, het kon en kan niet anders.
c. En dus is dat leggen van de handen op het hoofd van het offerdier in de derde plaats ook een belijdenis dat het niet op een andere manier kan, maar alleen door de dood van het offerdier. Hoeveel moois je ook denkt te hebben en te kunnen geven. Misschien zijn het wel mooie gebeden, of heel veel liefde en tranen in je hart. Maar het is allemaal niet genoeg. Daarmee kan de prijs van je ziel, van je zonden, van je schuld niet betaald worden.
Dat leggen van de handen op het hoofd van het offerdier is dus een belijdenis van zonde. Van zonde die alleen door God weggenomen kan worden. En die alleen kan weggenomen worden in de weg van sterven.
d. Dus is het, in de vierde plaats, vooral ook een persoonlijke belijdenis, waarmee de offeraar als het ware zegt: Ik heb die straf verdiend. Dat is eerlijk, dat is rechtvaardig. Die offeraar duwt de kop van zijn offerdier naar beneden, hij laat dat dier buigen, omdat ook hij diep in zijn schuldige hart buigt voor het heilige recht van de Heere en belijdt dat hij voor God niet kan bestaan. Ik heb gedaan wat kwaad is in Uw oog, daarom ben ik, Heere, Uw gramschap dubbel waard.
Is dat hetzelfde als: ik wil graag straf ontvangen? Laat mij maar gestraft worden door het helse vuur? Nee. Het is niet menselijk om dat te vragen. Maar het is wel de hartelijke belijdenis: Het is eerlijk, ik heb de dood verdiend. Ik ben schuldig! Ik ben Uw gramschap dubbel waardig!
Wel, zegt u het maar… U bent ondertussen meegelopen naar de tabernakel… Wat zegt u? Ik ga het mooiste van mezelf aan de Heere geven, als een cadeau, als een geschenk? Dan zal Hij mij wel aardig vinden. Nee, dat is onmogelijk! Of legt u zo de handen op dit offerdier, met de hartelijke belijdenis in uw binnenste: ‘Ik heb gezondigd, ik kan het op mijn manier nooit meer goedmaken. Ik heb de dood verdiend. Het is terecht als U de straf uitvoert en mij werkelijk doodt. U alleen, Heere, kunt mijn zonden wegnemen.’
Is dat de taal van uw hart? Is dat de worsteling van uw leven? Nee, dat is geen automatisme. Dat is niet eventjes zeggen: ‘Het is zo fijn, het is zo mooi, ik ben zo blij, want het is ook voor mij!’ Want achter die handen die gelegd worden op het hoofd van het offerdier, daar achter zit als het goed is een hart, een hart dat een gebroken hart is. Zoals Psalm 51 zingt: de offeranden Gods zijn een gebroken geest. Vergeving en verzoening worden verkregen in de weg van verbroken zijn, van vernederd zijn, in een weg van bekering en berouw. In een weg van belijdenis doen, van hartelijke verootmoediging en hartelijk buigen: Ik heb gedaan wat kwaad was in Uw oog, dies ben ik Heere Uw gramschap dubbel waardig.
Laten we dat samen eerst zingen uit Psalm 51: 2 en 9:
Want ik gevoel de grootheid van mijn kwaad; Mijn zonde zie 'k mij steeds voor ogen zweven. 'k Heb tegen U, ja U alleen, misdreven; Uw wil en wet, hoe heilig, stout versmaad, Ik heb gedaan, wat kwaad was in Uw oog; Dies ben ik, HEER, Uw gramschap dubbel waardig, 'k Erken mijn schuld, die U tot straf bewoog; Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig.
Gods offers zijn een gans verbroken geest, Door schuldbesef getroffen en verslagen; Dit offer kan Uw heilig oog behagen; 't Is nooit, o God, van U veracht geweest. Doe Sion wel, laat om mijn zwaren val Uw goedheid niet van zijne burg'ren wijken; Bouw Salem op, laat nooit zijn muur en wal, Door Uwe straf, voor 's vijands macht bezwijken.
Onze derde gedachte:
Was het echt? Was het werkelijkheid wat u zong, was het uit de grond van uw hart toen u zong: ‘Ik heb gedaan dat kwaad was in Uw oog, dies ben ik Heere Uw gramschap dubbel waardig?’ Als dat echt de taal was van uw hart, kom dan. U hoeft geen offerdier mee te nemen. Want God heeft Zichzelf een Lam ten brandoffer voorzien. Een Lam dat Zichzelf volkomen geofferd heeft, Gode tot een welriekende reuk. Kom dan, met niets van uzelf, niets dan zonde en schuld, en leg dan vanmorgen ook uw handen maar op het hoofd van dit offerdier. En kijk in gedachten vooruit… En de Heere Zelf geve u ogen om te zien en een hart om te geloven, als u denkt aan wat Jesaja gezegd heeft: De straf die ons de vrede aanbrengt was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden. Als u denkt aan Golgotha: daar hangt het onschuldige Lam! Als een doodschuldige veroordeeld in de plaats van goddelozen.
U mag uw handen leggen (dat is geen aanmatiging vanuit uzelf, het Evangelie geeft u Goddelijke toestemming om uw handen te leggen) op het hoofd van het offerdier, op het hoofd van het lam, op het hoofd van het Lam Gods. Die toestemming heeft iedereen vanwege de aanbieding van het Evangelie. Iedereen mag komen en zijn of haar handen leggen op het hoofd van het Lam. Maar ik zeg het vanmorgen vooral tegen u, gebrokenen van hart en verslagenen van geest, omdat u het meest geneigd bent om te denken dat die boodschap voor u niet bestemd is. Wel voor anderen, maar niet voor u. Omdat u zo vaak denkt, dat u daarvoor te slecht bent. U mag uw handen leggen op het hoofd van het Lam.
Wat betekent dat? Dat betekent niet alleen dat u uw schuld, uw doodsschuld erkent en belijdt, maar het betekent tegelijkertijd een hartelijke instemming met wat God heeft uitgedacht. U kunt, zegt de Heere, niet betalen. En ik zeg en belijd: Het is waar, Heere. Maar Ik, zegt de Heere, stel Mijn werk, Mijn plan van de zaligheid, Mijn Offer, de betaling van Mijn Christus in uw plaats. Ik zal alles voor u doen, in uw plaats. Wilt u daarmee niet instemmen?
Nee, ik vraag u niet (dat zijn uw vragen): mag dat wel? Is dat wel voor mij? Is dat niet te groot voor mij? Nee, ik vraag u: wat dunkt u van dit Offer? Wat dunkt u van dit Lam? Wat dunkt u van deze Christus? Kijk nog een keer heel goed naar het offerdier, naar het Lam, naar het Lam Gods. Is Hij niet volmaakt? Hij heeft geen zonde gekend of gedaan. Zelfs Pilatus vond Hem onschuldig. En nu zegt Hij vanmorgen tegen u, tegen u allemaal (maar ik richt me vooral op mensen met een gebroken hart en een verslagen geest, omdat u het meest geneigd bent om te zeggen en te denken: het is wel voor anderen, maar niet voor mij; mijn zonden zijn te veel en mijn schuld is te groot), nu zegt Hij tegen u: u mag uw schuldige handen om Mij leggen. En dan is uw schuld voor Mij. En dan is uw hemelhoge schuld bedekt voor het heilige oog van God.
Kom, bedroefde zondaars, leg uw handen op het hoofd van Christus. Dan is er overdracht van schuld. Dan is waar, ook voor u, wat Jesaja gezegd heeft: toen dezelve geëist werden (toen het Goddelijke recht onze misdaden ging eisen), toen werd Hij verdrukt. En de Heere heeft onze ongerechtigheden op Hem doen aanlopen.
Want, daarna werd het dier geslacht. Leest u maar mee in vers 5: Daarna zal hij het jonge rund slachten voor het aangezicht des HEEREN; en de zonen van Aäron, de priesters, zullen het bloed offeren, en het bloed sprengen rondom dat altaar, hetwelk voor de deur van de tent der samenkomst is. Het mes werd op de keel van het offerdier gezet. Ook hier is alle automatisme uitgesloten. Ongetwijfeld ziet de offeraar met tranen in zijn ogen zijn lieve dier, zijn prachtige beest. Hij is eraan gehecht. Het wankelt nog een moment, het valt op de grond en sterft. Mijn dood is zijn dood.
O, gebrokenen van hart, verslagenen van geest, u die voelt dat u voor God niet kunt bestaan omdat u een hemelhoge schuld hebt die u zelf niet betalen kunt: kom en zie! Kom in gedachten naar de tabernakel, kom in gedachten naar Gethsémané, naar Golgotha en zie! Daar wordt het mes op de keel gezet van het grote Offerlam, van het Lam Gods. Daar ontwaakt het zwaard van de heilige God tegen de Man die Zijn Metgezel was. Het bloed dat Hij zweet, drupt op de aarde. Het offerbloed drupt van Zijn gezicht (vanwege de doornenkroon), van Zijn rug (vanwege de geselslagen) en van Zijn handen en voeten (vanwege de spijkers die daarin geslagen zijn).
Christus Zelf is geofferd, het Lam Gods. Het volmaakte offer. En de geur van dat offer alleen was een liefelijke reuk voor de Vader in de hemel.
O, luister toch, gebrokenen van harte (terwijl u denkt aan dat lijden in Gethsémané), naar het liefelijk Evangelie van Jesaja: Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden (53:5). O, luister toch, verslagen van geest (terwijl u denkt aan dat lijden in Golgotha), naar de troostvolle woorden van ons Avondmaalsformulier. Hij droeg de last van de toorn van God, toen Hem de last van onze zonden het bloedige zweet in de hof heeft uitgedrukt. Waar Hij gebonden werd, opdat Hij ons ontbinden zou. Daarna ontelbare smaadheden geleden heeft, ja onschuldig ter dood veroordeeld is, opdat wij voor het gericht Gods zouden vrijgesproken worden. Ja, Zijn gezegend lichaam aan het kruis heeft laten nagelen (want het Lam is geslacht, het offer is gebracht) opdat Hij het handschrift van onze zonden daaraan hechten zou. En Hij heeft alzo de vervloeking van ons op Zich geladen en met Zijn dood en bloedstorting het nieuwe en eeuwige testament, het verbond der genade en der verzoening besloten, toen Hij zei: Het is volbracht. Uw straf werd Mijn straf. Uw dood werd Mijn dood. En Mijn leven wordt uw leven.
U zegt: ‘Kon ik het maar geloven.’ Laat me daarom in de vierde plaats antwoord geven op enkele dringende gewetensvragen of hartevragen die in uw binnenste kunnen leven.
Laat ik u eerst dit nog zeggen. Laat er geen misverstand zijn. Het is niet genoeg (als u denkt aan de offerplaats, als u denkt aan Golgotha) dat u daarbij staat en dat u daar met aandoening naar kijkt. Dat u, net als destijds, staat aan de voet van het kruis en daar zo uw gedachten over hebt. Degelijke, orthodoxe of vijandige gedachten, maar hoe dan ook, het is allemaal beschouwend, theologiserend, zonder hart. Dat is niet genoeg.
En het is ook niet genoeg als u komt en uw schuld belijdt en daarna naar huis gaat. Ontdekking aan schuld is niet genoeg. Zeker het kan de weg banen naar Christus, maar zonder Hem, buiten Hem, dat is niet genoeg. We hebben nodig dat we in geloof onze handen leggen op het hoofd van het offerdier, op het hoofd van het Lam Gods. Dat onze schuld Zijn schuld wordt, onze dood Zijn dood. Maar zegt u: hoe krijg ik daar deel aan?
Let er verder in de eerste plaats op dat God Zelf dit Lam, Zijn Christus gegeven heeft. Toen Izak vroeg naar het lam ten brandoffer, toen zei Abraham zijn vader: God zal Zichzelf een lam ten brandoffer voorzien, mijn zoon (Genesis 22:8En Abraham zeide: God zal Zichzelven een lam ten brandoffer voorzien, mijn zoon! Zo gingen zij beiden samen.). En Hij heeft een Lam ten brandoffer voorzien. En Lam door God gegeven aan een verloren wereld.
Een Lam, dat u (in de tweede plaats) van harte aangeboden wordt in de bediening der verzoening. God meent het zo oprecht met u! En wij zeggen met Paulus (zoals staat in 2 Korinthe 5): Wij bidden u van Christus wege, laat u met God verzoenen! Door dit Lam. U wordt oprecht en welgemeend genodigd om in de weg van belijdenis, boete en berouw uw handen te leggen op het hoofd van het Lam.
Zeker, wij ervaren dat er zoveel belemmeringen zijn. En we voelen, als het goed ligt in ons hart, dat de hand die ons afbrengt van ons dodelijke vertrouwen op onszelf, dezelfde hand is die ons ook tot Christus brengen moet. Maar mag ik vanmorgen een middel zijn in Gods hand om een aantal van die belemmeringen in uw hart weg te nemen? Ik noem er een viertal.
1. Misschien ziet u zo de grootheid van uw zonde en kwaad, dat u niet durft te komen. En ondertussen probeert u ijverig uzelf beter of geschikter te maken. Maar ik vraag u: Wie heeft dat ooit van u gevraagd? Wie heeft dat ooit zo tegen u gezegd? Waar hebt u ooit zoiets in de Bijbel gelezen? U bent niet geschikt, u wordt niet geschikt, u wordt nooit geschikt voor de Zaligmaker. Hij is geschikt, de Zaligmaker is geschikt voor zondaren. Als u niets bezit dan schuld, dan wil Hij u hebben met al uw schuld, slechtheid, zonden, nood en dood.
2. Wees ondertussen bedacht op de verraderlijke manier waarmee de duivel u hindert. Voordat u uw zonden zag, zei hij: ‘Het valt allemaal wel mee.’ En nu u uw zonden wel ziet, nu zegt hij: ‘Ze zijn te groot en te veel.’ Maar ik zeg u: voor wie is Christus in de wereld gekomen? Voor goede of een slechte mensen? Voor wie is Hij gestorven aan het kruis? Voor rechtvaardigen of voor goddelozen? En zegt David niet: Vergeef mijn ongerechtigheid, want(!) die is groot?
Hoe groter uw schuld is, hoe meer reden u hebt om met uw schuld tot Hem te gaan. En wees eens eerlijk: Wat houdt u nu tegen om uw handen op Hem te leggen? U zegt: ‘Als ik beter was, dan zou ik dat wel durven, maar nu (zegt u) ben ik te slecht.’ Beste vrienden, ik ken die gedachte. Die leeft ook in mijn hart. Maar ik zeg u: het is hoogmoed. Het lijkt op kleinheid, nederigheid en ootmoed, maar het is ten diepste hoogmoed. Ik wil beter voor de dag komen dan dat ik ben. Maar ik zeg tegen u: Kom toch zoals u bent: geestelijk melaats, van top tot teen, kom toch als een ter dood veroordeelde misdadiger. Al zijn uw zonden als scharlaken, ze zullen wit worden als sneeuw. Al zijn ze rood als karmozijn, ze zullen worden als witte wol. Al hebt u met heel veel boeleerders (vrienden) gehoereerd (overspel bedreven), het Evangelie roept u toe: Keer toch terug en kom. En leg uw handen als een ter dood veroordeelde op het hoofd van het Lam.
3. U zegt: Maar het lukt me niet mijn hart zover te brengen, dat ik tot Hem gaan zal om dat te doen. Als ik nu meer had van liefde, van tranen, van oprecht berouw, als ik meer en dieper de kennis had van mijn zonden, dan zou ik op genade hopen…
Ik zeg tegen u: Uw hoop is niet goed. U hoopt toch diep in uw hart, dat God het doen zal om iets dat in u is, om wie u bent, om wat u doet of hebt. Maar zo is God niet. Hij is van Zichzelf genadig en groot van goedertierenheid.
4. U zegt: Maar toch, ik kan er niet bij. O, had ik kracht en vermogen om in Hem te geloven. Ik zeg tegen u: Rust niet, in niets, maar zoek Hem en blijf Hem zoeken met al uw krachten. Zoals de dichter van Psalm 63: Ik zoek U in de dageraad, mijn ziel dorst naar U in een land dor en mat zonder water. En stel ondertussen al uw verwachting op de Heere. Hoop op de HEERE, er zal verlossing komen.
Maar bedenk ondertussen ook, dat de Heere het doet op Zijn eigen tijd. God heeft lang gewacht op u, wacht nu biddend en roepend en hopend op Hem. Diezelfde hand die u meer en meer losmaakt van al uw bezit, die u alles van uzelf afneemt, is de hand die u uiteindelijk ook tot Christus brengen wil. Verwacht het daarom van Hem alleen. Hij is het, het Lam Gods, die op Zijn tijd en door Zijn macht u brengen zal tot oprecht en meer helder geloof in Hem.
Maar, nog één ding, bedoeld als een vriendelijke waarschuwing: wantrouw Zijn hart toch niet! Word geen Kain! Zeg niet: Mijn schuld is te groot. Maak Hem toch geen verwijt, dat Hij niet in staat zou zijn of niet bereid zou zijn om uw schuld te vergeven. Lieve vrienden, geef Christus niet de schuld van uw ongeloof, van uw blijvende geestelijke donkerheid en worstelingen. Zeg niet: Mijn schuld is te groot voor U! Wij zijn te groot voor Hem. Ons hoofd wil niet naar beneden. We willen niet buigen. Verwijt Hem toch (na alles wat Hij gedaan heeft) geen onwil en liefdeloosheid. Maar bid en worstel. En zeg: ‘Ik laat U niet los, tenzij U mij zegent. Tenzij U ook tegen mij zegt: ‘Ik ben uw heil alleen. Uw dood is Mijn dood. En Mijn leven is uw leven.’
Dit is de hartelijke en oprechte, welgemeende oproep van het Evangelie, voor u allemaal: Wij bidden u van Christus wege, laat u door dit Lam met God verzoenen. Voordat het te laat is. Amen.
Slotzang Psalm 147:2:
Hij heelt gebrokenen van harte, En Hij verbindt z' in hunne smarte, Die, in hun zonden en ellenden, Tot Hem zich ter genezing wenden. Hij telt het groot getal der starren, Die 't scherpst gezicht op aard' verwarren. Hij roept dat talloos heir te zamen, En noemt die alle bij haar namen.
Andere preken voor Lijdenstijd