Lijdenstijd - 28 augustus 2016
Hebreeën 11:17: Door het geloof heeft Abraham, als hij verzocht werd, Izak geofferd, en hij die de beloften ontvangen had, heeft zijn eniggeborene geofferd
INLEIDING
God verzoekt Abraham: niet om hem te verlokken, maar om zijn geloof te beproeven, zoals goud gezuiverd wordt. Hij vraagt het offer van Izak, de zoon van de belofte. Abraham zwijgt, gehoorzaamt en gaat, gelovend dat God machtig is hem zelfs uit de doden te verwekken. Op de berg leert hij het wonder van de plaatsvervanging: een ram in plaats van Izak. Zo ziet Abraham vooruit naar het Lam Gods, geslacht op Golgotha voor doodschuldige zondaren.
Het offer van de eniggeboren zoon.
HEBREEËN 11:17-22
17 Door het geloof heeft Abraham, als hij verzocht werd, Izak geofferd, en hij die de beloften ontvangen had, heeft zijn eniggeborene geofferd
18 (Tot denwelken gezegd was: In Izak zal u het zaad genaamd worden), overleggende dat God machtig was hem ook uit de doden te verwekken;
19 Waaruit hij hem ook bij gelijkenis wedergekregen heeft.
20 Door het geloof heeft Izak zijn zonen Jakob en Ezau gezegend aangaande toekomende dingen.
21 Door het geloof heeft Jakob stervende een iegelijk der zonen van Jozef gezegend, en heeft aangebeden, leunende op het opperste van zijn staf.
22 Door het geloof heeft Jozef stervende gemeld van den uitgang der kinderen Israëls, en heeft bevel gegeven van zijn gebeenten.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Hebreeën 11:17
THEMA
Het offer van de eniggeboren zoon.
Gemeente, we hebben zojuist samen gelezen in Genesis 22, hoe de Heere het geloof van Zijn kind Abraham beproefd heeft, door hem op te dragen om zijn enige zoon aan de Heere te offeren. Aan het einde van de Bijbel, in de Hebreeënbrief lezen we als het ware een terugblik op deze geschiedenis. Wat is daar destijds toch gebeurd, op de berg Moria? We lezen het samen in onze tekst, die u kunt vinden in Hebreeën 11, daarvan de verzen 17,18 en 19. We lezen het Woord des Heeren en onze tekst in Hebreeën 11:17-19, waar staat: Door het geloof heeft Abraham, als hij verzocht werd, Izak geofferd, en hij, die de beloften ontvangen had, heeft zijn eniggeborene geofferd, (tot denwelken gezegd was: In Izak zal u het zaad genoemd worden) overleggende, dat God machtig was, hem ook uit de doden te verwekken; waaruit hij hem ook bij gelijkenis wedergekregen heeft.
Het thema voor de preek van vanmorgen is: Het offer van de eniggeboren zoon. We letten samen op vier aandachtspunten: in de eerste plaats op wat God doet (Hij verzoekt Abraham), in de tweede plaats op wat God vraagt (het offer van zijn eniggeboren zoon Izak), in de derde plaats op wat Abraham doet (hij offert zijn zoon) en in de vierde plaats op wat Abraham door dat alles leert.
Dus: Het offer van de eniggeboren zoon 1. Wat God doet 2. Wat God vraagt 3. Wat Abraham doet 4. Wat Abraham leert Als eerste dus:
God verzoekt Abraham. Nee, niet zoals de duivel ons mensen altijd probeert te verzoeken, probeert te verlokken en te verleiden tot het doen van zonde (Jakobus 1:13-14Niemand, als hij verzocht wordt, zegge: Ik word van God verzocht; want God kan niet verzocht worden met het kwade, en Hij Zelf verzoekt niemand. Maar een iegelijk wordt verzocht, als hij van zijn eigen begeerlijkheid afgetrokken en verlokt wordt.). Maar verzoeken in dit verband betekent: toetsen, beproeven, testen, keuren: wat in uw hart, Abraham, is er van Mij (van God) en wat niet? Zoals een edelsmid goud beproeft. Hij smelt het, om te weten wat echt goud is, en wat ander metaal of verontreiniging is.
Gemeente, het leven met de Heere is wel een gelukkig leven, ik gun het aan iedereen, maar het is geen rustig leven. Als u zegt kind van God te zijn, en u hebt een rustig hart en een rustig leven, dan is er iets niet goed. Want rust roest en in tijden van de rust beschimmelt het geloof. En dat wil de Heere niet. Heere roept Zelf bij monde van de profeet Amos het wee uit over de gerusten in Sion (Amos 6:1Wee den gerusten te Sion, en den zekeren op den berg van Samaria! die de voornaamste zijn van de eerstelingen der volken, en tot dewelke die van het huis Israëls komen.) en klaagt in Jeremia 48 over Moab, als Hij zegt: Moab is van zijn jeugd aan gerust geweest, en hij heeft op zijn heffe stil gelegen, en is van vat in vat niet geledigd, en heeft niet gewandeld in gevangenis; daarom is zijn smaak in hem gebleven, en zijn reuk niet veranderd (48:11).
Het geloof, dat de Heere in de wedergeboorte plant in het hart van Zijn kinderen, dat geloof moet geoefend worden. Zo noemen we dat jongens en meisjes: het geloof moet geoefend worden. Je moet in dat verband misschien denken aan een motor van een auto. Wat heeft zo’n motor nodig om niet te gaan roesten, om niet stuk te gaan? Olie! Olie smeert een motor. Je zou kunnen zeggen: van olie wordt zo’n motor sterk. Als de motor goed geolied is, dan loopt hij goed. Het geloof heeft de olie van de Heilige Geest nodig. Het geloof moet geolied, het geloof moet geoefend worden.
En de Heere doet het vaak door wegen van beproeving. De Heere doet dat vaak door de dingen die Hij stuurt en laat gebeuren, door moeilijke dingen, waardoor Hij het geloof van Zijn kinderen sterker maakt en hun ongeloof meer en meer laat verdwijnen.
Doet de Heere dat, om voor Zichzelf helder te maken hoe het is met het geloof in het leven van Zijn kinderen? Nee, want Hij weet precies hoe het is in het hart van Zijn kinderen. Want het is allemaal Zijn Eigen werk. De Heere ziet precies het verschil tussen het geloof, dat Hij in hun hart geplant heeft, en de zonden en het ongeloof dat van hen is. De Heere doet het dus niet voor Zichzelf, maar Hij doet het voor Zijn kinderen. Hij toetst hun geloof, het brengt hen op een weg van beproeving, zodat het voor hen duidelijker wordt, hoe het staat met het geloof en de genade in hun hart, die ze van de Heere gekregen hebben. Je zou kunnen zeggen, jongens en meisjes, de Heere hangt een zwaar gewicht aan het touw van het geloof in het hart van Zijn kinderen, en dan zien zij het vanzelf: is dat touw sterk genoeg of breekt het?
Denk maar aan wat de Heere zegt tegen de rijke jongeling. ‘Je zegt dat je gelooft? Nou, verkoop dan maar alles wat je hebt, geef het de armen, neem je kruis op, en volg Mij.’ En… hij ging weg. Zijn geloof werd getoetst, maar het touw was niet sterk genoeg om het gewicht dat de Heere eraan hing te dragen. Het touw doorstond de test niet en het brak. Dat was bedoeld voor hem, voor die rijke jongeman. De Heere Zelf wist natuurlijk wel wat er leefde in zijn hart. Maar het was bedoeld voor hem, om hem duidelijk te maken, om hem te laten zien, dat het niet goed zat in zijn hart (Lukas 18:22-23Doch Jezus, dit horende, zeide tot hem: Nog een ding ontbreekt u; verkoop alles, wat gij hebt, en deel het onder de armen, en gij zult een schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, volg Mij. Maar als hij dit hoorde, werd hij geheel droevig; want hij was zeer rijk.).
Denk ook maar aan wat de Heere Jezus zegt tegen de Kananese vrouw. ‘Het brood van de kinderen is niet bedoeld voor de honden.’ Antwoord? ‘Ja, Heere’. En? Zij ging weg, net als die rijke jongeling? Nee, zij kwam juist dichterbij. Het touw van haar geloof leek helemaal niet zo sterk. Maar toen er door de Heere Jezus een zwaar gewicht van beproeving aan gehangen werd, toen brak het niet. Juist toen de Heere het haar moeilijk maakte (Hij bedoelde dat goed!), juist toen bleek dat de Heere haar een groot geloof gegeven had. De Heere maakte het haar moeilijk, niet om haar te plagen, maar om haar uiteindelijk juist (door de uitslag van de toets) te troosten en Zijn werk in haar hart te verheerlijken.
Dus, de Heere geeft vaak moeilijke wegen in het leven van Zijn kinderen, om hen te laten zien wat geloof en genade doet. Daarom moeten Gods kinderen niet klagen tijden van beproeving, tegenspoed en zorg. De apostel Paulus schrijft zelfs: Wij roemen ook in de verdrukkingen, wetende, dat de verdrukking lijdzaamheid (dat is geduld, geduldig wachten op God) werkt, en de lijdzaamheid bevinding, en de bevinding hoop. En de hoop beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door de Heiligen Geest, Die ons is gegeven (Romeinen 5:3-5En niet alleenlijk dit, maar wij roemen ook in de verdrukkingen, wetende, dat de verdrukking lijdzaamheid werkt; En de lijdzaamheid bevinding, en de bevinding hoop; En de hoop beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door den Heiligen Geest, Die ons is gegeven.). En de apostel Jakobus zegt (hoewel hij het over en ander soort van verzoeking heeft): Acht het voor grote vreugde, mijn broeders, wanneer gij in velerlei verzoekingen valt, wetende, dat de beproeving uws geloofs lijdzaamheid werkt (1:2-3). De apostel Petrus zegt het zo: Geloofd zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren, tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden. Tot een onverderfelijke, en onbevlekkelijke, en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard is voor u. Die in de kracht Gods bewaard wordt door het geloof tot de zaligheid, die bereid is, om geopenbaard te worden in den laatsten tijd. In welke gij u verheugt, nu een weinig tijds (zo het nodig is) bedroefd zijnde door menigerlei verzoekingen, opdat de beproeving uws geloofs, die veel kostelijker is dan van het goud, hetwelk vergaat en door het vuur beproefd wordt, bevonden worde te zijn tot lof, en eer, en heerlijkheid, in de openbaring van Jezus Christus (1 Petrus 1:3-7Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren, tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden. Tot een onverderfelijke, en onbevlekkelijke, en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard is voor u. Die in de kracht Gods bewaard wordt door het geloof tot de zaligheid, die bereid is, om geopenbaard te worden in den laatsten tijd. In welke gij u verheugt, nu een weinig tijds (zo het nodig is) bedroefd zijnde door menigerlei verzoekingen; Opdat de beproeving uws geloofs, die veel kostelijker is dan van het goud, hetwelk vergaat en door het vuur beproefd wordt, bevonden worde te zijn tot lof, en eer, en heerlijkheid, in de openbaring van Jezus Christus;). Gods kinderen mogen weten, dat God altijd goede bedoelingen heeft met de moeilijke wegen in hun leven. Het is voor ons bestwil, als de Heere ons smelt in de smeltoven van de beproeving.
Hoe de Heere het geloof van Zijn kinderen beproeft, dat is heel verschillend. De Heere Zelf weet als de meest wijze Goudsmid het beste, hoe Hij het goud van het geloof van Zijn kinderen moet smelten en zuiveren. Soms doet de Heere het door een weg van ziekte, door een weg van een ongeneeslijke ziekte. Dan weer doet Hij het door de weg van werkloosheid of arbeidsongeschiktheid, of door een weg van kinderloosheid, zoals eerder bij Abraham en Sara. Soms vraagt de Heere ons om een onbekende weg te gaan (zoals ook eerder bij Abraham), om vader en moeder te verlaten en Hem te volgen op de weg die Hij wijst (Genesis 12:1De HEERE nu had tot Abram gezegd: Ga gij uit uw land, en uit uw maagschap, en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal.). Soms doet de Heere het (zoals ook hier dreigt) door een weg van het bijna moeten verliezen van een kind, of door een weg van het daadwerkelijk moeten afstaan
van een kind, van vader of moeder, van man of vrouw, van broer of zus of andere geliefde betrekking. Maar Hij doet het tot ons nut! Namelijk om de zonde in ons te doden, om ons te leren in een nieuwe gehoorzaamheid te wandelen, om ons te leren de Heere te geloven op Zijn Woord, om ons te leren weten wat we hebben aan onze God. En Hij doet het vooral tot eer en glorie van Hem en tot roem van Zijn genade. Dat gaan we zien in onze tweede gedachte:
‘Abraham, offer je eniggeboren zoon, die je liefhebt, de zoon van de belofte, van wie Ik zei: Mijn verbond zal Ik met hem oprichten’ (Genesis 17:19En God zeide: Voorwaar, Sara, uw huisvrouw, zal u een zoon baren, en gij zult zijn naam noemen Izak; en Ik zal Mijn verbond met hem oprichten, tot een eeuwig verbond zijn zade na hem., 21). ‘Offer hem aan Mij!’ Offer hem, dat wil zeggen: neem hem, leg hem op het hout van het altaar, bind hem vast, dood hem en verbrand hem.
Je zegt: ‘Oh, dat mag niet!’ Maar, wie zijn wij, om dat tegen de Heere God te zeggen? Hier laat de Heere heel duidelijk blijken, wat Hij ook zo vaak laat zien in het midden van de gemeente, met het water van de Heilige Doop: Ik, God, heb recht op dit kind. Het is uw eniggeboren zoon, het is uw kind, misschien hebt u er wel lang op gewacht, maar vergis u niet: ‘dit kind is vooral van Mij! Daar heb Ik recht op’.
Is dat ook niet een van de diepste betekenissen van het sacrament van de Heilige Doop? Zegt de Heere niet in de Heilige Doop: dit kind, deze kinderen behoren Mij toe. Ik heb recht op ze. Ze zijn Mijn eigendom (Ezechiël 16:21)? Zal je niet vergeten, ouders, wat er ook gebeurt in het leven, zelfs als de Heere je kind of kinderen ontneemt: we hebben ze geleend, we mogen ze een tijdje (soms korter, soms langer) hebben, maar God alleen is de rechtmatige Eigenaar van onze kinderen. Onze kinderen zijn Zijn bezit.
En dus: ‘Abraham, slacht hem!’ Maar Izak is toch het kind van de belofte? Uit Izak moet de Messias geboren worden. Het lijkt erop alsof de Heere alles afbreekt. Hoe moet de belofte van de Messias ooit vervuld worden als Izak er niet meer is (Genesis 17:21)? Wat moet dat een nood gegeven hebben in het hart van Abraham? Heere, voor de belofte moet hij blijven leven, maar nu zegt U: ‘dood hem!’
We zien in het achttiende vers van Hebreeën 11 wat er gebeurt: Abraham zwijgt. Woorden zijn er niet meer. Zolang je nog praatjes hebt, kan je jezelf wel redden, zo lang heb je God niet nodig. Maar Abraham zwijgt. Hij (zo staat in vers 18) overlegde in zijn hart. Er zijn geen woorden meer, maar er is wel stille overlegging, stille overweging in zijn hart: Gods belofte vraagt om een levende Izak, maar Gods bevel vraagt om gehoorzaamheid: dood hem…!
Kan de Heere zoiets ook tegen ons, in het bijzonder tegen Zijn kinderen zeggen? Jazeker. Hebt u nooit gehoord bij het lezen van het doopformulier: dat wij onze oude mens moeten doden? ‘Hier, Mijn kind, is Mijn zwaard, het zwaard van het Woord. Dood je oude mens, want je oude mens is onbruikbaar, totaal verdorven en ongeschikt om het Koninkrijk Gods binnen te gaan!’ En, is het niet soms ook zo, dat de Heere zegt (nee, niet: ‘dood uw kind’, maar wel): ‘Geef Mij uw kind maar terug?’ Houdt daar rekening mee, ouders, je kan je kind of kinderen moeten teruggeven. ‘Geef Mij uw eniggeboren zoon, geef Mij een van uw kinderen of meerdere, die u liefhebt. Want hij of zij is, zij zijn van Mij.’ En om dan te zingen, wat we samen gaan zingen uit Psalm 147:6, u voelt daar is geloof voor nodig. Om dan, hoe het ook tegenloopt, toch gestadig, blijvend te hopen op Gods goedheid, dat is geloofswerk. We gaan samen zingen Psalm 147:6. De HEERE betoont Zijn welbehagen Aan hen, die nederig naar Hem vragen, Hem vrezen, Zijne hulp verbeiden, En door Zijn hand zich laten leiden; Die, hoe het ook moog' tegenlopen, Gestadig op Zijn goedheid hopen. O Salem, roem den HEERE der heren; Wil Uwen God, o Sion, eren!
We gaan verder met onze derde gedachte:
De Heere spreekt tot Abraham: Neem nu uw zoon, uw enige, dien u liefhebt, Izak, en ga heen naar het land Moria, en offer hem aldaar tot een brandoffer, op een van de bergen, die Ik u zeggen zal (Genesis 22:2). Abraham, ga, neem uw zoon, en offer hem! En Abram gaat. Gehoorzaam. Hij doet zonder enig aarzelen alles wat de Heere hem opdraagt. Zou zijn liefde tot God sterker zijn dan zijn vaderliefde tot Izak? Zeker, dat is een vraag, maar het gaat vooral om de vraag: zal zijn geloof zo sterk zijn (zal het touw van het geloof het gewicht kunnen dragen?), zal het geloof dat de Heere in zijn hart heeft gewerkt zo sterk zijn, dat Abraham gehoorzaam zal doen wat de Heere van hem vraagt?
Maar hij gaat. Hij doet het. Hij is gehoorzaam. En als God niet ingegrepen had, had hij zijn zoon echt gedood. Terwijl hij vasthield (en dat is de genade van het geloof) aan het woord van Gods belofte. Overleggende (zo staat in vers 18) dat God machtig was hem ook uit de doden te verwekken. Abraham dacht bij zichzelf dat God machtig was, sterk genoeg om uit een hoopje as hem weer een levende Izak terug te geven. Hij geloofde, hij geloofde rotsvast in het woord van Gods belofte: uit deze zoon zal de Messias voortkomen.
Ouders, hoe staat het met uw geloof, hoe staat het met ons geloof in de belofte, door de Heere aan ons gedaan bij de doop van onze kinderen? Ik bedoel de belofte van Gods trouw, van Zijn gewilligheid en bereidheid om ons kind, om onze kinderen in genade aan te nemen? Ouders van grotere, van verdwaalde kinderen, blijf hopen! Vasthoudend aan het woord van de belofte, op hoop tegen hoop: God is bij machte uw kind als uit de dood terug te brengen!
Leer om ook in de hitte van de beproeving en tegenslag, kinderen van God, op God te hopen. Niet met de moed van de wanhoop, maar met vertrouwen op Zijn onfeilbaar Woord, op Zijn onwankelbare trouw en op Zijn onbegrensde macht. Als God dit kind, verwekt als uit een gestorvene (geboren uit ouders in hoge ouderdom) beloofd heeft een vader van vele volken te zullen maken, en hij is geboren…, dan zal hij leven (Romeinen 4:17-22(Gelijk geschreven staat: Ik heb u tot een vader van vele volken gesteld) voor Hem, aan Welken hij geloofd heeft, namelijk God, Die de doden levend maakt, en roept de dingen, die niet zijn, alsof zij waren; Welke tegen hoop op hoop geloofd heeft, dat hij zou worden een vader van vele volken; volgens hetgeen gezegd was: Alzo zal uw zaad wezen. En niet verzwakt zijnde in het geloof, heeft hij zijn eigen lichaam niet aangemerkt, dat alrede verstorven was, alzo hij omtrent honderd jaren oud was, noch ook dat de moeder in Sara verstorven was. En hij heeft aan de beloftenis Gods niet getwijfeld door ongeloof; maar is gesterkt geweest in het geloof, gevende God de eer; En ten volle verzekerd zijnde, dat hetgeen beloofd was, Hij ook machtig was te doen. Daarom is het hem ook tot rechtvaardigheid gerekend.).
We zien dat geloof in Abraham ook. Als hij staat onderaan de berg Moria en zijn knechten daar achterlaat, en zelf alleen met Izak verdergaat, dan zegt hij: Als wij aangebeden zullen hebben, dan zullen wij (ik met Izak) tot u wederkeren (Genesis 22:5). Want het woord van Gods belofte staat vast. Ook al lijkt alles anders te lopen. God zal nooit een van Zijn woorden op de aarde laten vallen. Dus, hoe het ook moog tegenlopen: Izak zal leven!
Dit geloof, deze gehoorzaamheid, deze volledige overgave aan de Heere hebben wij, in het bijzonder ook als ouders van gedoopte kinderen, steeds en blijvend nodig. In het bijzonder in tijden van ziekte en zorg. En dat vraagt, gemeente, om nieuw leven. Dat vraagt om geloof en om een leven met de Heere. Dat vraagt om wedergeboorte en om een nieuw hart. Zoek daarom de Heere, ouders, en voor jezelf en ook voor je kinderen. Zoek je houvast, nu en in de toekomst, niet in het vertrouwen op jezelf, op je eigen inzet, kwaliteiten en kunnen, maar weet dat die God, Die gezegd heeft bij de doop van uw kinderen ‘Ik heb recht op dit kind’, niet alleen alle recht heeft, maar ook (hoe het ook moog tegenlopen) alle macht! En Hij is het zo waard om echt en oprecht gediend, gevreesd en geloofd te worden!
En dus, in alle omstandigheden van het leven, ook in moeilijke omstandigheden in het gezin en met uw kinderen, altijd terugdenken aan het water van de doop: God is machtig! Maar ook hieraan: Hij heeft recht op ons kind, op onze kinderen en Hij doet geen onrecht, zelfs niet (zo zegt het geloof van Abraham), als Hij mijn enige kind zou doden.
Wat Abram doet? Hij offert zijn kind, hij geeft het over aan de Heere, hoewel de Heere uiteindelijk verhindert dat hij Izak daadwerkelijk doodt. Nee, dat was geen slaafse onderwerping aan het noodlot van Gods wil. Dat was zelfs niet in de eerste plaats uit liefde tot God. Het staat er heel nadrukkelijk in Hebreeën 11: het was door het geloof!
Alleen door het geloof, ouders, kan en mag je je kinderen afstaan aan de Heere, ze overgeven, ze loslaten. Sommige gelovige ouders moesten en moeten leren hun jonge kinderen aan de Heere af te staan, als Hij hen in hun vroege jeugd tot Zich neemt in heerlijkheid, vanwege de vastheid van zijn verbond (DL I, 17). Maar, ouders, ook als onze kinderen voorspoedig mogen opgroeien, offer ze toch gehoorzaam en vrijwillig aan de Heere en Zijn dienst. Leer ze, biddend, de Heere te zoeken, heilig te leven, afgezonderd van deze wereld.
Dat kost wel wat. Dat moet de gedachte aan een geweldige, maatschappelijke toekomst van onze kinderen misschien wel doden. Maar het leven met de Heere is veel beter dan al het goede van deze aarde. Leer uw kinderen (zoals de rijke jongeling dat niet wilde doen, maar bid dat uw kinderen het wel gaan doen), leer uw kinderen alles van deze aarde niets te achten, het kruis op te nemen en de Heere te volgen (Mattheüs 16:24Toen zeide Jezus tot Zijn discipelen: Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis op, en volge Mij.). We gaan verder met ons vierde aandachtspunt:
Het was zeker niet gemakkelijk om Izak op het altaar te leggen. Izak is geen peutertje meer, Izak is ondertussen een jongeman. Toch is er niet gevochten. Izak verzet zich niet. Hij laat zich binden. Dat zegt ook iets over het geloof van de nog jonge Izak. Het is niet zeker wanneer hij hoort van Gods bevel om hem te slachten en te offeren, maar op het eind weet hij dat natuurlijk wel, immers hij moet op het altaar gelegd worden. Het lijkt erop, dat hij niet alleen groot geloof had in zijn vader en in zijn vaders geloof in God, maar dat hij ook zelf groot geloof had in God, Die Hem (zo lijkt het) het leven zal laten benemen.
Ouders, als je kinderen naar je kijken, merken ze dan iets aan je leven, aan je doen en laten van een groot geloof in God? Wat zou dat een zegen zijn, als onze kinderen zo een voorbeeld in ons zouden zien, als ze zo naar ons zouden kunnen kijken! Misschien wel zonder al te veel woorden, net als bij Abraham, maar dat geeft niet. Want het bleek voor Izak uit alles!
Wat leert Abraham van wat er gebeurt op de berg Moria? Kijk maar, naar wat er gebeurt. ‘Abraham, slacht je zoon en offer hem’ ‘Ja, Heere. Ook al weet ik niet hoe het verder zal gaan, ik zal het doen, wetend en gelovend dat ik hem van U terug zal krijgen, want Uw belofte blijft waar. De belofte van Izak, de belofte van de Zaligmaker, de belofte van de Messias.’
Het is een grote en zware beproeving, die Abraham door Gods genade mag doorstaan. Het zware, het loodzware gewicht trekt aan het touw van zijn geloof, het staat strak als een snaar, maar… het breekt niet. Maar, er is meer. Ik zei het begin al: geloofsbeproeving is als de olie van de Heilige Geest, waardoor het geloof niet alleen getest en getoetst wordt, maar ook geolied en
geoefend. Dus de vraag is: is er na de beproeving van het geloof ook zegen, ook nut, ook vrucht voor Abraham zelf?
Wat leert Abram van deze moeilijke weg? Dit: hij krijgt van de Heere iets te zien, scherper en helderder dan voorheen! Wat? Hij ziet voor zijn ogen: het wonder van (wat wij noemen) de plaatsvervanging. Hij buigt zelf onvoorwaardelijk onder Gods recht. En dan, juist dan, zien zijn ogen de ram, die met zijn horens vastzit in de verwarde struiken. Dan, juist dan, zien zijn geloofsogen ver vooruit: het Lam Gods.
En zo is het nog steeds. Als wij onvoorwaardelijk buigen voor de Heere, voor Zijn Goddelijk recht, als wij gaan buigen en niets meer te zeggen hebben, als wij vallen (zoals we dat noemen) aan Gods kant (dat wil zeggen, als wij gaan zeggen: U hebt gelijk, Heere, Uw doen is rein, Uw vonnis is rechtvaardig!), dan, juist dan openbaart de Heere Zijn Lam, Zijn Eniggeboren Zoon! Abraham raakt in de hitte van de beproeving de belofte kwijt, en ontvangt tegelijkertijd de vervulling ervan in het zien van de grote inhoud ervan: Het Lam Gods. Het Lam staat altijd op de snijlijn van Gods recht (citaat ds. G. Boer).
Nu komt er een plaatsvervanger voor Izak. Izak hoeft niet te sterven. Die mag weer losgemaakt worden van het altaar. De plaatsvervanger zelf, die moet wel sterven. En nu echt. Die ram, dat mannelijke schaap wordt geslacht. Voor hem is er geen ontkomen aan! Voor de ram, voor het Lam Gods is er geen plaatsvervanger. Voor de ram is geen ram. Voor het Lam was geen lam.
En het Lam is geslacht. Hij is geofferd. Het Lam Gods is geslacht op Golgotha. Vrijwillig liet Hij Zich binden. Het zwaard van Gods recht heeft Hem getroffen tot in het diepst van Zijn hart. Toen daar op Golgotha werkelijkheid werd, wat Zacharia had geprofeteerd: Zwaard! ontwaak tegen Mijn Herder, en tegen de Man, Die Mijn Metgezel is, spreekt de HEERE der heirscharen; sla die Herder, en de schapen zullen verstrooid worden; maar Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden (Zacharia 13:7Zwaard! ontwaak tegen Mijn Herder, en tegen den Man, Die Mijn Metgezel is, spreekt de HEERE der heirscharen; sla dien Herder, en de schapen zullen verstrooid worden; maar Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden.). Voor overtreders heeft Hij geleden, voor zondaars heeft Hij gebeden, voor vijanden is Hij gestorven. Voor zulk soort van mensen heeft Hij Zijn hartebloed gestort. Dat heeft Abraham ver vooruit gezien met ogen van geloof.
Ook wij zien met regelmaat, bij de bediening van de sacramenten, tekenen en zegels die heenwijzen naar het bloed van het geslachte Lam, dat geslacht is van voor de grondlegging der wereld (1 Petrus 1:19-20). We zien het afgebeeld in de tekenen van brood en wijn, en ook in het teken van het water van de doop, dat heenwijst naar het bloed van de Heere Jezus Christus, dat reinigt van alle zonden. Maar de grote vraag is: zien we het echt? Hebben we het gezien met ogen van geloof? Met ogen die geloven mochten: het is ook voor mij? Of zagen we alleen maar het teken? Brood, wijn, water, zonder iets te zien van de
be-teken-de zaak, waar die tekenen heen wijzen?
Eén ding, gemeente, hebben wij en onze kinderen nodig (levenslang zal het teken op ons voorhoofd ons eraan herinneren, en het zal zelfs in de eeuwigheid niet worden uitgewist): één ding hebben wij en onze kinderen nodig: het offer van het Lam. Ouders, zoek dat ene nodige voor uw kind of kinderen: het offer van het Lam. Zoek dat enige nodige voor uzelf: het bloed van het Lam.
Jongelui, ouderen, zoekt de dingen van de wereld niet, jaag niet naar de dingen van deze tijd. Dit moet u zoeken, en dit wil de Heere je geven, jongelui: zoek gewassen te worden van al je zonden door het bloed van het Lam.
Dan zal het teken dat door de Heere Zelf op je voorhoofd getekend is, het teken van het water van de doop, je tot in eeuwigheid tot verwondering en verbazing zijn. Het zal je tot in eeuwigheid tot verwondering en grote blijdschap zijn, dat de Heere in je eerste levensdagen al naar je gezocht heeft en Zijn Naam over je leven wilde uitspreken. Maar, gemeente, als u zich niet bekeert, zal dat onuitwisbare teken op uw voorhoofd tot in eeuwigheid tegen u getuigen: Ik heb gewild, Ik was bereid, maar u hebt niet gewild.
O, zo u Zijn stem dan heden hoort, gelooft toch Zijn heil- en troostrijk Woord, verhard u niet, maar laat u door het bloed van het Lam met God verzoenen.
Amen.
Slotzang Psalm 56:6:
Gij hebt mijn ziel beveiligd voor den dood; Gij richt mijn voet, dat hij zich nimmer stoot'; Gij zijt voor mij een schild in allen nood; Gij hebt mijn smart verdreven; Uw dierb're gunst is m' altoos bijgebleven; 'k Zal, voor Gods oog, naar Zijn bevelen leven; Zo word' door mij Zijn naam altoos verheven; Zo word' Zijn lof vergroot.
Andere preken over Hebreeën
Andere preken voor Lijdenstijd
Andere gerelateerde preken