PREEK · KERKELIJK JAAR

Levend gemaakt met Christus - Efeze 2

Pasen - 5 april 2015

Efeze 2:4-5: Maar God, Die rijk is in barmhartigheid, door Zijn grote liefde waarmede Hij ons liefgehad heeft, Ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus (uit genade zijt gij zalig geworden),

INLEIDING

Op deze eerste Paasdag brengt Paulus in Efeze 2 een aangrijpende boodschap: wij waren van nature dood door de misdaden en de zonden, kinderen des toorns, gevangen in de macht van de wereld en de duivel. Maar te midden van die hopeloze staat klinkt het grote keerpunt: “Maar God, Die rijk is in barmhartigheid, heeft ons levend gemaakt met Christus” (Efeze 2:4-5) — deze leespreek neemt u mee naar de rijkdom van die eenzijdige, opwekkende genade.

THEMA

Levend gemaakt met Christus

KERNPUNTEN

  1. Door ons de dood
  2. Door God het leven

EFEZE 2:1-7

1 En u heeft Hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden,
2 In welke gij eertijds gewandeld hebt, naar de eeuw dezer wereld, naar den overste van de macht der lucht, van den geest die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid;
3 Onder dewelke ook wij allen eertijds verkeerd hebben in de begeerlijkheden onzes vleses, doende den wil des vleses en der gedachten; en wij waren van nature kinderen des toorns, gelijk ook de anderen.
4 Maar God, Die rijk is in barmhartigheid, door Zijn grote liefde waarmede Hij ons liefgehad heeft,
5 Ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus (uit genade zijt gij zalig geworden),
6 En heeft ons medeopgewekt, en heeft ons medegezet in den hemel in Christus Jezus;
7 Opdat Hij zou betonen in de toekomende eeuwen den uitnemenden rijkdom Zijner genade, door de goedertierenheid over ons in Christus Jezus.

VOLLEDIGE TEKST

Levend gemaakt met Christus - Efeze 2

ds. J. IJsselstein - Efeze 2:4-5

THEMA

Levend gemaakt met Christus

Gemeente, in deze tweede dienst op deze eerste paasdag (die ook een beetje een leerdienst is), preek ik u het Woord van God vanuit de brief van Paulus aan de gemeente van Efeze, hoofdstuk 2, de verzen 1 tot en met 10. Efeze 2:1-10. Ik lees u samenvattend alleen nog de verzen 4 en 5 voor: Maar God, Die rijk is in barmhartigheid door Zijn grote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft, ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus; (uit genade zijt gij zalig geworden)

Het thema voor de preek van vanmiddag is: Levend gemaakt met Christus Levend gemaakt met Christus. Er zijn twee aandachtspunten: 1. Door ons de dood 2. Door God het leven Als eerste dus:

1. Door ons de dood

Gemeente, als Paulus aan het einde van zijn leven (vanuit Rome) terugkijkt naar de tijd dat hij zijn werk mocht doen in de gemeente van Efeze, dan komen er ongetwijfeld allerlei herinneringen bij hem naar boven. Hij ziet het ongetwijfeld nog levendig voor zich: dat grote oproer. Het woord des Heeren wies en nam de overhand. Maar dat kostte de zilversmeden hun handel. Twee uur lang heeft het gedreund in het centrum van de stad: Groot is Diana, de godin van de stad Efeze. Hij herinnert zich ongetwijfeld ook nog het latere afscheid van de ouderlingen van de gemeente. Toen hij zei: Ik heb de Heere gediend met alle ootmoedigheid en met veel tranen. Het veel tranen heeft hij hen vermaand. Hij herinnert zich ongetwijfeld ook de vreugde van zijn vroegere werk in Efeze. Er waren er die geloofden en hun zondige daden beleden. Het waren er velen, joden en heidenen.

En nu is het jaren later. Vanuit Rome kijkt Paulus terug. Joden en heidenen vormen nu samen één gemeente. En terwijl hij zo terugkijkt naar het eertijds van de gemeente van Efeze, kijkt hij ook terug naar zijn eigen eertijds, naar zijn eigen verleden. En dan kan hij maar één conclusie trekken: wij waren allemaal gelijk.

In vers 1 schrijft hij: en u, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden. Paulus wijst vanuit Rome met zijn vinger naar de gelovigen in Efeze en zegt: U was dood.

Meerdere van ons hebben in het verleden oog in oog gestaan met de dood. Toen je opa of oma overleden was, misschien wel je vader of moeder, je broertje of zusje, uw kind, uw kleinkind. Je houdt zoveel van elkaar. Je kunt niet zonder elkaar leven. En hoe snijdt het verdriet nog steeds door uw hart, als u weer zo helder voor ogen ziet, wat u toen zag: de dood, de stilte, de ademloze stilte van de dood: geen adem, geen woorden, geen zucht, geen warmte, geen kleur, geen beweging meer, helemaal niets.

Dat is het pijnlijke beeld dat Paulus gebruikt als hij zegt: u was (of misschien moet ik wel tegen u zeggen: u bent) geestelijk dood door de misdaden en de zonden. Uw hart staat stil. Het klopt niet van liefde en warmte. Zelfs niet als u hoort van de Parel van grote waarde, van de Wens van alle heidenen. Uw hart staat stil.

En u hoort niet. De liefdevolle stem van de nodiging van het Evangelie komt tot u: ‘Kom toch tot Mij!’ Maar u hoort het niet. U hoort zelfs de donder van de wet niet, als die u toeroept: ‘Vervloekt is een ieder die niet blijft in alles wat geschreven is in het boek der wet om dat te doen’. Het wordt het u gezegd, maar u hoort het niet. U hoort niet.

U ziet ook niet. Het licht wordt bij uw ogen gehouden, maar u ziet het niet. U ziet zelfs het licht van de zon niet. Het wordt u toegeroepen: ‘Zie het Lam Gods, zie het bloedende hart van de Middelaar!’ Maar u ziet niets. U ziet niet.

U proeft, u ruikt ook niet. Het levende hart wordt geplaagd door de bittere smaak van de zonde. Het levende hart raakt verschrikt, als het proeft het zuur en het zout van het komende Godsgericht. En het geestelijk levende hart is innig verblijd als het iets proeft van de zoetheid, van de honing van het Evangelie. Maar u proeft en ruikt helemaal niets.

U verlangt ook niet. Als we zouden staan bij een dode en we zouden vragen: ‘Wilt u levend worden?’, dan blijft het stil. U verlangt niet. U hebt uw geld, uw geluk, uw plezier, maar geen verlangen naar God.

Een dode is ook uitgesloten van het contact met de levenden. U voelt u niet thuis, u bent ook niet thuis onder de levenden, als ze met elkaar spreken, als ze met elkaar bidden. De hemel zou een oordeel voor u zijn. Het zou een hel voor u zijn. U bent uitgesloten van het contact met de levenden.

En u vergaat. Wij kunnen onze geliefde overledenen soms een enkele dag aanzien. Soms is er zelfs een wonderlijke en vredige uitdrukking op het gezicht na een periode van lang lijden. Maar

dan, dan keren we onze blik af. Dan zeggen we: ‘Het is genoeg geweest, doe de kist maar dicht.’ Want wij keren terug tot stof. Als kind schenen we betrokken bij de dienst van de Heere. Maar naar gelang onze dagen vorderen, toont zich in ons leven de kracht van de zonde. En ons leven, ons geweten sterft weg en vergaat. Ons dode, zondige leven is een leven van ontbinding. Wij zijn van nature dood.

De profeet Ezechiël ziet het tot zijn ontzetting als hij in Ezechiël 37 uitkijkt op een vallei en zegt: de vallei was vol van dorre doodsbeenderen, en zie, zij waren zeer dor. Jongens en meisjes, zo stil en levenloos als opa of oma lag in de kist, toen hij of zij gestorven was (ik weet hoe verdrietig het is om daaraan te denken), maar zo stil en levenloos is ons geestelijk dode hart voor God. Dood.

Door de misdaden, zegt Paulus. Letterlijk door een misstap op een smal pad. We zijn er naast gestapt, in het ravijn gevallen en hebben daar de dood gevonden. Door de misdaden en door de zonden. We hebben ons doel gemist. We hebben God niet geëerd en erkend, maar zijn tegen Hem opgestaan. Zoals Paulus zegt in Romeinen 1: Wij hebben God (terwijl we Hem kenden en konden kennen) als God niet verheerlijkt (1:21).

Zonde (dat is het!) is verwerping van, is opstand en vijandschap tegen God. En daarbij is de zonde niet alleen een daad, we doen niet alleen zonde, maar zonde is vooral ook een staat. Wij leven in een staat van zonde en dood. Onze hele verhouding tegenover de Heere wordt aangeduid en omschreven met die twee woorden: zonde en dood.

En toch is onze geestelijke dood ook anders dan de dood van onze geliefden. Daar is alles stil: geen geluid, geen beweging, niets. Maar dit is anders. Daar is dood, maar daar is tegelijkertijd toch activiteit. Zo staat het in vers 2 en 3. Die doodstaat is geen inactieve toestand. Daar is sprake van wandelen: gij hebt eertijds gewandeld. Daar is sprake van werken: van de geest die nu werkt. En daar sprake van doen: doende de wil des vleses en der gedachten.

Wandelen naar de eeuw van deze wereld. Met plezier en genoegen (want dat ervaar je als je wandelt), met plezier en genoegen wandelen op de paden van de zonde van deze tijd: eten, drinken en vrolijk zijn. Alles doen, alles proberen, alles kijken! Denken vrij te zijn. Want je doet toch niets? Je kijkt alleen maar! Maar Paulus zegt: het is naar de eeuw van deze wereld, naar de overste van de macht der lucht. Het lijkt erop dat we vrij zijn om te kiezen. Maar ondertussen is er iets, is er iemand die ons stuurt en manipuleert. De wereld laat ons niet vrij, maar stuurt ons en is een dwingende macht. Een macht die wel een beeld schetst van vrijheid en plezier (van drank, van sport, van vrije seks, van spannende films, van genieten, van geld en goed), maar het is niet wat het lijkt! Het is een dringende macht, die ons niet wil loslaten, die ons in de greep wil houden.

Achter al die dingen gaat iemand schuil. U wordt, zegt Paulus, gestuurd door de overste van de macht der lucht. De duivel is een demonische macht, de boze geest (vers 2), die nu werkt. Het leven in de zonde, in die zogenaamde vrijheid, is een leven in het krachtenveld van de duivel.

Daarin, zegt Paulus tegen de gelovigen in Efeze, hebt u eertijds (in het verleden) geleefd. Dat was uw eertijds.

Maar Paulus gaat verder. Want er is geen reden om de neus op te halen, om met de vinger naar anderen te wijzen. Want, zo schrijft Paulus in vers 3: onder dewelke ook wij allen eertijds verkeerd hebben. Ook wij allen. Wij allemaal. Wij zijn allemaal van gelijke afkomst. Mensen binnen de kerk en mensen buiten de kerk, wij allemaal. Niemand heeft reden om zichzelf daarvan uit te sluiten en ondertussen met de vinger naar de ander te wijzen. Wie u ook bent: wij allen! Wij verkeren of hebben verkeerd in de begeerlijkheden van het vlees. Ja, we hebben daarin geleefd. Daarin voelden we ons thuis. En wij doen of deden de wil van ons vlees, van de zondige mens, van de mens zonder God en buiten God.

En dat deden we op twee manieren (vers 3): doende de wil des vleses en der gedachten. De wil des vleses. Wij stuurden onze ogen, onze begeerten naar het zedeloze, naar het ontuchtige. Wij allen! Dus, niet naar een ander kijken! Kijken, begeren en het liefst willen doen (hoewel we dat misschien nog net niet durven). Wij gaven ons over aan de genieting van dit leven. Wij, ook wij hadden onze zinnen gezet op de dingen van deze tijd: geniet ervan, de rest komt later wel. De wil van het vlees.

En de wil der gedachten. Wij, ook wij, waren trots, hoogmoedig, jaloers, vol van haat en nijd, en vervuld met afgunst. En ondertussen dachten we dat God wel heel blij en tevreden zou zijn met wie wij waren en met alles wat wij deden. Doende de wil van ons vlees en van onze gedachten.

En wij waren van nature kinderen des toorns. Levend onder de toorn van de rechtvaardige en de heilige God. Onder de toorn, die niet pas op ons zou gaan rusten op het moment als wij onverzoend zouden sterven, maar die van nature, vanwege onze natuur op ons allemaal rust. Zoals Johannes schrijft in Johannes 3:36: Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft(!) op hem. Wij zijn van nature kinderen des toorns. Zoals het doopformulier zegt: ‘wij met onze kinderen zijn in zonden ontvangen en geboren en daarom kinderen des toorns.’ We hoeven dus ook niet, ook nooit te wijzen naar onze kinderen. Want wie wijst naar zijn kinderen, wijst naar zichzelf.

Paulus zegt: Zo waren wij allemaal. Er was geen verschil tussen ons, joden en heidenen. Want ook mijn eertijds was zo. Mijn eertijds, mijn verleden als een ijverig kerkmens. Ja, ik leek wel anders, maar in de kern van mijn bestaan was ik precies hetzelfde: opstandig tegen God, vol van de zondige wil van mijn vlees en van mijn gedachten. Ik leefde ook in de begeerlijkheid van het vlees, van vroom vlees, en ik deed ook de wil van mijn gedachten, van mijn vrome gedachten, maar het was net zo goed allemaal zonde en opstand tegen God.

Op een andere plaats, in Filippenzen 3, schrijft Paulus ook over dit zijn ‘eertijds’. Hij zegt daar: ‘Wilt u de begeerlijkheden van mijn vlees weten, wilt u weten hoe een kerkmens gestuurd kan worden door de overste van de macht der lucht? Nu, bij mij ging dat zo: Ik vertrouwde in alles op mezelf. Besneden op de achtste dag, uit het geslacht van Israël, van de stam van Benjamin, een Hebreeër uit de Hebreeën, naar de wet een farizeeër, naar de ijver een vervolger van de gemeente, naar de rechtvaardigheid die uit de wet is, zijnde onberispelijk. Dat was mijn vertrouwen op vlees, op vroom, op zondig, op Gode vijandig vlees.

Maar ik heb het allemaal schade en drek leren achten. Alles waar ik mij op beroemde, alles waar ik trots op was, alles waar ik op rustte, heel mijn verleden, mijn afkomst, mijn ijver, mijn netheid, mijn goede werken, het is allemaal niet anders geweest dan… de dood. Het was verkeren in de begeerlijkheden van vroom vlees en de wil doen van vrome gedachten. Het leek anders, het zag er anders uit, maar in de kern was het even slecht! Het was niets dan dood, dan leven buiten God. Dat was mijn doen, mijn eertijds als kerkmens.

Gemeente, kent u zo’n eertijds? Weet u in uw leven van zo’n radicale verandering, waardoor u ook kunt spreken van toen en nu? Ik was dood door de zonden en de misdaden. Ik leefde in opstand tegen God. Ik lag onder Gods rechtvaardige toorn. Ik was actief in mijn dood. Ik wandelde naar de norm van de wereld, in de lust, in de begeerte, in het doen van mijn wensen en gedachten. Maar dat was toen! En nu is alles anders geworden?

Misschien zegt u: ‘Nee, maar ik was altijd al goed. En dat ben ik nog steeds.’ Dat is wonderlijk. Dan bent u niet van Adam. Waar komt u dan vandaan?

Beste vrienden, is het wel eens de doorleving van uw hart geworden? Ik ben door eigen schuld dood in zonden en misdaden en werkelijk een vijand van God? Weliswaar geboren op het erf van het verbond, maar toch dood en vijandig, net als iedereen? Als je dat nooit gezien hebt, als u nooit uw verschrikkelijke toestand voor God gezien hebt, dan… bent u nog dood. Dan ziet u, dan voelt u, dan hoort u, dan proeft u dat niet, juist omdat u nog geestelijk dood bent.

Allemaal zijn we van nature dood door de misdaden en de zonden. Vijandig dood. Maar wonder van Goddelijke en eenzijdige genade: God maakt de doden levend.

En daarom, hoe verschrikkelijk uw toestand ook is, wanhoop niet! Het is niet hopeloos, er is doen aan. Wat er is hulp besteld bij een Held. Die de dood heeft overwonnen. En Die dus ook machtig is om u levend te maken. Christus heeft alle macht. Hij is bij machte om met één woord uw dode ziel tot leven te wekken. En Hij heeft alle macht over de duivel. Hij is in staat en bereid om met één machtswoord u te rukken uit zijn hand. Roept daarom, of u Zijn stem mag horen. De stem van de Zoon van God. Want die ze gehoord hebben, die zullen leven.

In ons is de dood, in Hem, in Christus is het leven. Want, nu komt de grote tegenstelling, die ingeluid wordt met die eerste woorden van vers 4: Maar God! Voordat we verder gaan met ons tweede aandachtspunt, gaan we nu samen eerst zingen.

In 't stille graf zingt niemand 's HEEREN lof; Het zielloos lijf, gedompeld in het stof, Kan Hem geen glorie geven; Maar onze tong zingt, tot in eeuwigheid, Des HEEREN lof, Zijn roem en majesteit. Looft God, de bron van 't leven!

Onze tweede gedachte:

2. Door God het leven

Maar God. Nu gaat het niet meer over de mens. Nu gaat het over God. Over de Enige die verandering kan aanbrengen in die anders zo hopeloze toestand. De Enige die vijanden tot vrienden, tot kinderen maakt. Want, zo staat er in vers 4 en 5: Maar God, Die rijk is in barmhartigheid door Zijn grote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft, ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus; (uit genade zijt gij zalig geworden) De eerste verzen van Efeze 2 waren een tekening van de mens. Maar dit is een schildering van Wie God is.

En de woorden van Paulus verraden dat hij stamelen moet. En als Paulus stamelt, dan merk je dat, dan gaat hij de vergrotende, de overtreffende trap gebruiken. Als hij spreekt over zondaars, dan noemt hij zichzelf de grootste van de zondaars. Als hij roemt in genade, dan noemt hij die genade onuitsprekelijk. En hij komt woorden tekort om de rijkdom van Gods genade en de vrede met God te beschrijven en noemt die: onnaspeurlijk. En zo ook hier. Paulus mist woorden. En dus zoekt hij uitdrukkingen in de vergrotende, in de overtreffende trap, als hij zegt: God die rijk is in barmhartigheid. Hij heeft een brandend hart, vol van bewogenheid met verloren zondaars. En hij spreekt over Zijn grote liefde. Zijn kloppende hart, vol van eenzijdige liefde. Wij mensen kunnen stamelen over de ellende van de mens, maar wij hebben geen woorden om de lengte, de breedte en de diepte te beschrijven van Gods barmhartigheid en liefde in Christus Jezus.

Barmhartigheid en liefde voor dode zondaars: ook toen wij dood waren door de misdaden en de zonde. Dat moet wel liefde zijn geweest die van één kant kwam. Want, jongens en meisjes, hoe lief je je opa ook had, toen hij gestorven was, kon hij jou niet meer liefhebben. Dode harten kunnen niet liefhebben. En dat betekent dus dat als God de dode harten van de Efeziërs liefgehad heeft, dan kon die liefde echt maar van één kant komen.

En daarom zegt Paulus van die liefde en van die barmhartigheid van God, in vers 5 en later ook in vers 8: Het is genade. Het is alleen genade! Onbegrijpelijke en eenzijdige liefde, barmhartigheid en genade van God. Verkiezende liefde van de Vader, die Zijn Zoon in de wereld gezonden heeft. Johannes schrijft later: Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij (dat is: God de Vader) ons lief heeft gehad, en Zijn Zoon gezonden heeft tot een verzoening voor onze zonden. (1 Johannes 4:10) Verkiezende liefde van de Vader. Zelfopofferende liefde van de Zoon. Van wie Paulus schrijft: Hij is om uwentwil arm geworden daar Hij rijk was. In alle vrijwilligheid heeft Hij Zijn leven afgelegd voor de Zijnen. Verkiezende liefde van de Vader. Zelfopofferende liefde van de Zoon. En onbegrijpelijke liefde en genade van God de Heilige Geest. Die in de harten van die dode zondaren leven wekt, gaat wonen, plaats gaat maken voor Christus en die harten ook vernieuwt en bewaart tot de zaligheid.

En terwijl Paulus zijn verbazing uitroept over de grootheid en de rijkdom van Gods liefde en barmhartigheid, zegt hij tegelijkertijd ook hoe God die genade gewerkt heeft in de harten van joden en heidenen. Hij heeft ons ‘levend gemaakt met Christus.’

Toen de vrouwen op de paasmorgen in alle vroegte naar het graf gingen met specerijen en zalf, toen zei de engel die hen verscheen: Wat zoekt u de Levende bij de doden? Hij is hier niet. Hij is opgestaan. De Heere Jezus is Zelf opgestaan. Door Zijn eigen macht en kracht heeft Hij de dood overwonnen. Hij is Zelf opgestaan uit de doden. Dat is Pasen.

Maar Paulus legt hier een ander accent. Hij legt het accent op het werk van de Vader. De Vader heeft Christus levend gemaakt, opgewekt uit de dood. Dat bebloede, dode lichaam, gewikkeld in doeken doordrenkt met zalf, is door de Vader in de hemel tot leven gewekt, opgewekt uit de dood. Dat wat wij soms stilletjes hopen bij de dood van onze geliefden, wat niet gebeuren zal, dat is hier wel gebeurd: Zijn lichaam is warm geworden, Zijn hart ging kloppen, Zijn longen gingen ademhalen, Zijn ogen gingen open, Zijn oren gingen weer horen en Zijn vingers, armen en benen gingen weer bewegen. De Vader heeft Christus levend gemaakt. En daarmee heeft Hij gezegd (dat is de boodschap van Pasen!): ‘Mijn zoon, U verdient leven. U hebt recht op leven! Het zou oneerlijk zijn om U in het graf te laten. Want alles is voldaan: de wet is vervuld, de toorn en de straf zijn gedragen, de hitte van Mijn gramschap is geblust’.

En nu zegt Paulus tegen de gelovigen in Efeze: U was dood, maar u bent levend gemaakt met Hem. U lag als een dode, gevangen in het graf van uw zonden en misdaden. Maar God heeft ook u levend gemaakt. U was ooit levend geschapen. U bent door eigen schuld in de dood gevallen. Maar nu bent u wederom geboren, opnieuw levend gemaakt met Hem.

Het gaat hij dus eigenlijk om twee dingen. Het gaat hier om het grote heilsfeit van de opstanding van Jezus Christus uit de doden. Maar Paulus verbindt daaraan ook het nieuwe leven geschonken in harten van dode zondaars. Want door het Woord van God, door de prediking van het Evangelie, door de krachtige werking van de Heilige Geest, worden tot op de dag van vandaag ook dode zondaars tot leven gewekt.

En, dat is (dat kan je niet genoeg zeggen, en dus zegt Paulus het tussendoor nog een keer), dat is genade. Uit genade (vers 5) bent u zalig worden!

En dan gaat de juichtoon van Paulus verder omhoog. Je hoort de verrukking in zijn stem, als hij zegt: U bent levend gemaakt met Christus, u bent mede opgewekt met Hem, en u bent (vers 6) mede gezet in de hemel in Christus Jezus. Dat opnieuw geboren zijn, dat opgewekt zijn uit de dood, heeft zoveel gevolgen. Want wat er gebeurde met Bruidegom, heeft (tot op de dag van vandaag) ook direct invloed, direct effect op de bruid. Want de gelovigen zijn één met Christus. Paulus zegt: ook wij zijn (in Hem) tot leven gebracht, ja, zelfs in geestelijke zin (door Hem) in de hemel gezet.

Daar, in de hemel, is ons leven. Waar Hij, Christus, zit aan de rechterhand van God. Want Hij heeft Zijn Geest in onze harten gezonden. En die Geest trekt onze harten naar boven. Zoals Paulus op een andere plaats zegt, in Kolossenzen 3:3: Want gij zijt gestorven, en uw leven(!) is met Christus verborgen in God. Dat wil zeggen: ons leven hier op aarde (het leven van een gelovige, van een kind van God), wordt niet meer geregeerd door boze machten, door de duistere impulsen van ons vlees en van ons begeren. Ja, we kunnen nog wel in de zonde vallen. Maar we kunnen niet meer leven in de zonden van dat eertijds. In de begeerlijkheid van ons vlees, in de wil van ons vlees en van onze gedachten. Het kan niet zo zijn, dat je je daar nog steeds in wentelt, in de zonde van deze tijd: in alles wat je kunt zien, begeren, horen en doen, in het domein van de slang. Want, als het goed is, is ons leven al voor een deel in de hemel. Zoals Paulus schrijft aan de Filippenzen (3:20): Onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten. Mede gezet in de hemel in Christus Jezus. Met andere woorden: wij leven in twee werelden. Voor Gods kinderen geldt: hier zijn we vreemdeling en daar (in de hemel) zijn we thuis.

Opdat Hij (zo vervolgt Paulus in vers 7) zou betonen in de toekomende eeuwen de uitnemende rijkdom van Zijn genade, door de goedertierenheid over ons in Christus Jezus. Dat werk, die opwekking uit de dood, die levensverandering, die levensvernieuwing, dat is een toonbeeld, een bewijs van Gods genade en goedertierenheid over ons. En dat alles heeft tot doel dat God groot gemaakt zal worden. Het doel van het werk van Christus is de glorie en de heerlijkheid van God! Opdat die te zien zou zijn in de toekomende eeuwen, in deze eindtijd. En tegelijkertijd was het doel van het werk van Christus, niet alleen de eer en de heerlijkheid van God, maar ook ons leven, door Zijn goedertierenheid, Zijn vriendelijkheid, Zijn goedwilligheid over ons.

Zeker, vergis u niet! Het is en blijft het werk van Gods genade. We hebben geen recht en geen reden om onze borst vooruit te steken en trots te worden. Want, zo zegt Paulus in vers 8: Uit genade bent u zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave. U hebt het allemaal gekregen. Alles: geloof, zaligheid, goede werken, alles wat u hebt, dat hebt u allemaal gekregen. Dat is (vers 9) niet uit de werken! Met andere woorden: beroem je er niet op! Dankt u uw oog dat u ziet? Dankt u uw oor dat u hoort? Nee, zegt Paulus: dank God, dat u leeft. Alles komt uit Hem. God heeft het u allemaal gegeven. Om zo te laten zien, aan u en aan iedereen, de alles overtreffende rijkdom van Zijn genade. Dat wil Hij laten zien. Door en in uw leven. Wat? De grootheid van Zijn werk. Niet het bijzondere van uw werk, maar het bijzondere, het alles overtreffende van Zijn werk.

Van Zijn werk in de opstanding van Jezus Christus uit de doden. Die is zeker. Dat is historie, dat is heilshistorie. Dat is zonder twijfel waar. Maar het gaat verder: Hij wil nu dat nieuwe leven, kinderen van God, ook weerspiegeld zien in u. Want, zo schrijft hij in vers 10: Want wij zijn Zijn maaksel (Zijn handwerk, Zijn product), geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen. Een beetje moeilijke zin is dat. Wij zijn geneigd te denken: goede werken moet je doen! Je moet, na ontvangen genade, je steentje bijdragen! Maar eigenlijk staat er: goede werken van u? Nee, u zelf bent het goede werk van God. U bent Zijn handwerk, Zijn maaksel. Geschapen als een nieuwe mens, met de goede werken er al bij! Met andere woorden: kant en klaar, compleet! Het is allemaal het werk van de Geest van de opgestane Heere Jezus Christus. Door het geloof in Hem, door uw vereniging met Hem, gaat uw leven vrucht voortbrengen. En dat is de wil van God! Dat zei Hij al bij monde van Jesaja: Dit volk heb ik mij geformeerd, zij zullen mijn lof vertellen! (Jesaja 43:21).

Dus, dat leven in een nieuw leven, dat doen van goede werken, is niet zoiets als een tegenprestatie van jezelf. Niet zoiets als: Hij deed zoveel voor mij, wat zal ik nu eens voor Hem doen? Nee. Goede werken zijn onderdeel van een nieuw leven, van een nieuw hart. En alles komt uit God, uit Christus. En dat betekent een paar dingen.

Dat betekent als eerste, dat als er géén goede werken, dat als er géén vruchten zijn in je leven, dan is er dus iets goed mis. Dat kan eigenlijk helemaal niet. Dat zegt Jakobus ook: het geloof zonder de werken is dood. Dan ben je nog geestelijk dood. Want leven moet en zal blijken! Het kan niet anders: dat is te zien, dat is te merken!

In de tweede plaats betekent het (nogmaals) dat goede werken, leven tot eer van de Heere, geen prestatie van ons is. Het komt allemaal voort uit Hem. Dus, hoe kan een kind van God leven voor God, tot eer van Hem? Kan dat door goed je best doen? Je moet het anders zeggen: Dat kan (en dat is de boodschap van Paulus) door dichtbij Christus te leven, door dichtbij Hem te blijven, en alles uit Hem te putten. Die in Hem is, die is een nieuw schepsel (2 Korinthe 5.17). Want je komt er niet door in eigen kracht de zonde in je leven uit te roeien en zodoende je leven te verbeteren. Dat gaat niet lukken. Want het onkruid dat je op de ene plaats uit de grond trekt, komt even later op een andere plaats weer boven. Het kwaad is in eigen kracht onuitroeibaar. Ons hart, waar de oude mens nog schuilt, ons hele hart moet dicht bij Christus leven. Want alleen door Zijn kracht wordt de inwendige mens vernieuwd van dag tot dag (2 Korinthe 4: 16). Het is dus uit de Bijbel zonder meer duidelijk: alles komt uit God, uit de kracht die Christus verleent.

Maar daar moet nog een derde ding aan toegevoegd worden. Namelijk dat het doen van goede werken, het leven voor en met God, desondanks de dure plicht en roeping is van al Gods kinderen. Want het is het doel van het werk van God, dat (zegt Paulus) wij daarin zouden wandelen. Wandelen is iets dat je doet met plezier en vermaak. Ik heb een vermaak in de wet Gods, zegt Paulus in Romeinen 7, naar de inwendige mens. Hoe lief Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn betrachting den ganse dag. (Psalm 119:97). Dat nieuwe leven is gericht op Gods wet, op God Zelf. Wie straks zalig wil zijn in de hemel, die moet hier op de aarde godzalig leven. En vandaar dat de apostel aan de Filippenzen ook schrijft: Werkt uws zelfs zaligheid met vreze en beven: Want het is God, Die in u werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen (Filippenzen 2:12-13).

Hij werkt het willen en het werken. Alles is van Hem. Het is allemaal het werk van God. En dat is vernederend voor ons. Maar zo is het wel. De Heere Christus heeft alles verdiend en het is de Heilige Geest die het allemaal toepast. God doet het allemaal Zelf.

En dat, gemeente, die leer van de goede werken vanuit het leven van Christus en vanuit het leven met Christus, die leer ontneemt ons twee dingen. In de eerste plaats alle reden om trots te zijn. Want het is God die werkt. Maar in de tweede plaats ook alle reden tot moedeloosheid. Want het is God die werkt. En daarom, omdat het Gods werk is, blijft leven altijd leven. Want God zorgt voor Zijn eigen eer en glorie. En voor het leven van al Zijn kinderen.

Tot slot, gemeente, toets uzelf! Waar staat u? Bent u nog dood in uzelf? Of bent u levend gemaakt met Christus? Ik weet hoeveel strijd en twijfel er kan zijn als het gaat om deze vragen, maar toch, er zijn maar twee wegen. En ik laat u vanmiddag niet gaan, zonder dat u antwoord gegeven hebt op deze vragen. U mag niet naar huis, zonder antwoord. Bent u een kind des toorns, nog steeds dood door de misdaden en de zonden? Of bent u een kind van de Heere, levend gemaakt, door Gods genade opgewekt uit uw geestelijke dood?

Kind van God? Nu is alles anders dan vroeger? Toen dood, maar nu? U zegt: Nee, dat durf ik toch niet te zeggen. Mijn hart roept uit tot God die leeft. Ik kan niet zonder God leven. Ik kan niet zonder Christus leven, mijn hart hongert en dorst naar Hem. Geef me toch Jezus, of ik sterf! Maar ik durf niet met zoveel helderheid en zekerheid te zeggen, dat ik een kind van God ben. Zegt u maar met Petrus: Heere, U weet toch alle dingen? Maar worstel toch tegelijkertijd om de openbaring van Christus in uw hart. En vraag toch of Hij de Schriften wil openen en Zich zo aan u vertonen zal. Of Hij tot u zeggen zal, door het Woord: Zie, hier ben Ik, vrede zij u!

Bent u een kind van God? Of een kind des toorns? Nu nog steeds hetzelfde als altijd? O, onbekeerde vrienden, kinderen des toorns, vliedt de toekomende toorn! De levendige Christus bidt u (zelfs u, die zelf niet bidden wilt!): Laat u toch met God verzoenen! Hij staat nog aan de deur van uw hart. Hij klopt, Hij smeekt u: Doe Mij open! Kom toch heden tot Hem. Buk, buig, erken uw schuld, uw zonden en misdaden, uw ongerechtigheden, ja, erken uw dood! En de roep om genade.

Als u het welgemeende aanbod van de Zaligmaker opnieuw verwerpt, zal uw geestelijke dood eerdaags overgaan in de eeuwige dood. Dan zal uw misdadigersgraf voor eeuwig verzegeld worden. Omdat u de wateren des levens die u aangeboden werden, geweigerd hebt.

Kus de Zoon, opdat Hij niet toorne en u op de weg zou overgaan, als Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Welgelukzalig zijn allen die op Hem betrouwen!

Amen.

Slotzang Psalm 84:6:

Want God, de HEER, zo goed, zo mild, Is t' allen tijd een zon en schild; Hij zal genad’ en ere geven; Hij zal hun 't goede niet in nood Onthouden, zelfs niet in de dood, Die in oprechtheid voor Hem leven. Welzalig, HEER, die op U bouwt, En zich geheel aan U vertrouwt.