Pasen - 20 april 2026
Lukas 24:36: En als zij van deze dingen spraken, stond Jezus Zelf in het midden van hen, en zeide tot hen: Vrede zij ulieden.
INLEIDING
Op de avond van Zijn opstanding zoekt de Heere Jezus Zijn angstige, ontrouwe discipelen achter gesloten deuren op; in Lukas 24:36-46 spreekt Hij hun tegemoet: 'Vrede zij ulieden.' Deze leespreek toont hoe Hij hun ongeloof geduldig wegneemt en de Schriften opent, en biedt de lezer troost dat Christus ook nu nog komt tot mensen die Hem kwijt zijn.
De verschijning van de Heere Jezus aan Zijn discipelen.
LUKAS 24:36-49
36 En als zij van deze dingen spraken, stond Jezus Zelf in het midden van hen, en zeide tot hen: Vrede zij ulieden.
37 En zij verschrikt en zeer bevreesd geworden zijnde, meenden dat zij een geest zagen.
38 En Hij zeide tot hen: Wat zijt gij ontroerd, en waarom klimmen zulke overleggingen in uw harten?
39 Ziet Mijn handen en Mijn voeten; want Ik ben het Zelf. Tast Mij aan en ziet, want een geest heeft geen vlees en benen, gelijk gij ziet dat Ik heb.
40 En als Hij dit zeide, toonde Hij hun de handen en de voeten.
41 En toen zij het van blijdschap nog niet geloofden en zich verwonderden, zeide Hij tot hen: Hebt gij hier iets om te eten?
42 En zij gaven Hem een stuk van een gebraden vis, en van honingraten.
43 En Hij nam het en at het voor hun ogen.
44 En Hij zeide tot hen: Dit zijn de woorden die Ik tot u sprak als Ik nog met u was, namelijk dat het alles moest vervuld worden wat van Mij geschreven is in de Wet van Mozes en de Profeten en Psalmen.
45 Toen opende Hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden;
46 En zeide tot hen: Alzo is er geschreven, en alzo moest de Christus lijden, en van de doden opstaan ten derden dage;
47 En in Zijn Naam gepredikt worden bekering en vergeving der zonden onder alle volken, beginnende van Jeruzalem.
48 En gij zijt getuigen van deze dingen.
49 En zie, Ik zend de belofte Mijns Vaders op u; maar blijft gij in de stad Jeruzalem, totdat gij zult aangedaan zijn met kracht uit de hoogte.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Lukas 24:36
THEMA
De verschijning van de Heere Jezus aan Zijn discipelen.
AANDACHTSPUNTEN
Jongens en meisjes, het gebeurt wel eens, als iemand een belangrijke baan of een hoge positie krijgt, dat zo iemand ineens oude vrienden niet meer interessant vindt. ‘Ik ben bijzonder, ik ben voornaam, slim, geleerd. Maar mijn ouders…? Die zijn dom. En mijn vrienden van vroeger…? Die zijn zo gewoontjes... Nee, dat is voor mij niet meer interessant.’
Dat had de Heere Jezus ook kunnen denken na Zijn opstanding. ‘Mijn lijden is nu voorbij. Nu ben Ik opgestaan in heerlijkheid en majesteit. Trouwens, die discipelen (toen Ik zo leed, zo verdrietig was, zo bang was in Gethsémané), toen hebben ze Mij allemaal alleen gelaten.’ Was het niet logisch geweest als de Heere Jezus had gezegd: ‘Laat ze maar, die mannen hebben Mij zoveel ellende bezorgd?’
Maar, weet je, jongens en meisjes, dat is juist ook het bijzondere aan de goede dienst van de Heere. Daarom krijg je daar ook nooit spijt van. Daarom word je daar ook zo gelukkig van. Wij doen zoveel zonden. Wij lopen weg. Wij verloochenen de Heere. En…? Wij komen weer terug…? Nee, daarna komt Hij altijd weer naar ons toe. Iedere keer weer. En brengt Hij ons altijd weer terug. Het is zoals we zongen uit Psalm 103: Hij weet wat van Zijn maaksel te verwachten is. We zijn zwak van moed en klein van krachten, en stof van jongs af aan geweest.
Je zegt: ‘Maar, de Heere zal Zich wèl voor zulke kinderen schamen, toch?’ Nee, het is andersom. In Hebreeën 2:11Want en Hij, Die heiligt, en zij, die geheiligd worden, zijn allen uit een; om welke oorzaak Hij Zich niet schaamt hen broeders te noemen. staat dat Hij Zich niet schaamt om Zijn kinderen broeders te noemen. Wij schamen ons wel. Als wij verdwalen, en Hij ons weer opzoekt. Dan schamen wij ons diep.
We gaan vanmorgen in de preek met de hulp van de Heere zien hoe Hij dat doet. Zijn discipelen, die ontrouwe weglopers, weer opzoeken.
Het is ‘s avonds laat, (nog steeds) op de eerste dag van de week, op de dag van de opstanding. Dan al, direct na Zijn opstanding, zoekt Hij Zijn discipelen op.
En zeker in de beschrijving van het Evangelie van Lukas gaat het om hen, om Zijn discipelen. Alles is gericht op het zoeken van de discipelen: de boodschap van de engelen, de boodschap van de vrouwen, de boodschap van de Emmaüsgangers, het is er allemaal op gericht dat Zijn discipelen zullen gaan geloven in de opgestane Heere.
Alles wat de Heere doet, is gericht op het zoeken van hen, die Hem verlaten hebben. Op het zoeken van hen, voor wie Hij leed en stierf.
De tekst voor de preek van vanmorgen kunt u vinden in Lukas 24:36-46En als zij van deze dingen spraken, stond Jezus Zelf in het midden van hen, en zeide tot hen: Vrede zij ulieden! En zij verschrikt en zeer bevreesd geworden zijnde, meenden, dat zij een geest zagen. En Hij zeide tot hen: Wat zijt gij ontroerd, en waarom klimmen zulke overleggingen in uw harten? Ziet Mijn handen en Mijn voeten; want Ik ben het Zelf; tast Mij aan, en ziet; want een geest heeft geen vlees en benen, gelijk gij ziet, dat Ik heb. En als Hij dit zeide, toonde Hij hun de handen en de voeten. En toen zij het van blijdschap nog niet geloofden, en zich verwonderden, zeide Hij tot hen: Hebt gij hier iets om te eten? En zij gaven Hem een stuk van een gebraden vis, en van honigraten. En Hij nam het, en at het voor hun ogen. En Hij zeide tot hen: Dit zijn de woorden, die Ik tot u sprak, als Ik nog met u was, namelijk dat het alles moest vervuld worden, wat van Mij geschreven is in de Wet van Mozes, en de Profeten, en Psalmen. Toen opende Hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden. En zeide tot hen: Alzo is er geschreven, en alzo moest de Christus lijden, en van de doden opstaan ten derden dage.. Wij overdenken samen het voorgelezen Schriftgedeelte, waarvan ik u samenvattend nu alleen nog het 36e vers zal voorlezen. Lukas 24:36: En als zij van deze dingen spraken, stond Jezus Zelf in het midden van hen, en zeide tot hen: Vrede zij ulieden.
Het thema voor de preek is: De verschijning van de Heere Jezus aan Zijn discipelen. We letten bij deze eerste verschijning van de Heere Jezus aan Zijn tien discipelen op twee aandachtspunten: we letten als eerste op hun schrik, en als tweede op Zijn antwoord. Dus twee gedachten: 1. Hun schrik 2. Zijn antwoord Als eerste dus:
De deur is dicht, de deur is op slot. Om de vrees der Joden (Joh. 20:19Als het dan avond was, op denzelven eersten dag der week, en als de deuren gesloten waren, waar de discipelen vergaderd waren om de vreze der Joden, kwam Jezus en stond in het midden, en zeide tot hen: Vrede zij ulieden!). Ze zijn bang. Er is ook zoveel gebeurd de laatste dagen, zoveel onrecht en geweld. En dan al die berichten van deze dag… ‘Doe de deur maar goed op slot!’
Zo schrijft de evangelist Johannes het ook: Als het dan avond was, op denzelven eersten dag der week, en als de deuren gesloten waren, waar de discipelen vergaderd waren om de vreze der Joden (ze zijn bang!), kwam Jezus en stond in het midden, en zeide tot hen: Vrede zij ulieden! (Joh. 20:19) Ze zijn bang. En je weet, jongens en meisjes, hoe dat gaat als je bang bent. Dan doe je de gordijnen dicht en de deur op slot. Maar dan nog, erg gerust ben je niet. Je kent dat wel: je voelt je hart bonzen en iedere keer als je iets hoort, dan schrik je! Maar goed, als je met elkaar bent en met elkaar een beetje aan de praat raakt, dan zakt dat gevoel langzaam wel een beetje weg.
Ze praten met elkaar. Ze spreken met elkaar over (zo staat in vers 36), over ‘deze dingen’. Over de dingen die de laatste dagen gebeurd zijn. Eerst was daar dat onverwachte en ook onbegrijpelijke lijden en sterven van hun Meester. En nu vandaag die berichten van Maria Magdalena, van de vrouwen, van de Emmaüsgangers en van Petrus. Maar, hoe het ook is en wat men ook zegt: zij zijn Hem kwijt.
Ze moesten Hem ook kwijt. Want zoals zij het dachten, zo kon het niet. Ze dachten dat Hij Koning zou worden. En dat zij als ministers links en rechts naast Zijn troon mochten zitten. Dat was hun hoop, dat was hun verwachting. Maar Gods plan was anders. De Messias moest lijden en sterven. In plaats van hen. Maar dat begrepen ze niet.
En dus? Hoe is het nu met die discipelen? Zoals dat ook nu nog kan zijn in het leven van Gods kinderen. Eerst was alles zo mooi: er was zoveel liefde, zoveel troost en zoveel licht in het omgaan met de Heere. In het lezen van de Bijbel, in luisteren naar Gods Woord. In het lezen van dingen over de Bijbel. In het persoonlijk gebed. In onderlinge gesprekken met andere kinderen van God. Maar toen verdween dat allemaal een beetje. Langzaam, maar steeds meer… De vroegere troost werd zo troosteloos. En het vroegere licht werd langzaam maar zeker steeds donkerder. Je snapte het niet meer. Het leek allemaal weg te zijn. Zeker, liefde en verlangen waren er nog wel. Maar verder? Alles kwijt en van binnen alles overhoop…
U zegt: waarom doet de Heere dat? Om plaats te maken voor de Zaligmaker. Ja, maar Hij was er toch al? En zij kenden Hem toch al? Ja, dat is waar. Maar ze kenden Hem op hun manier. Ze kenden Hem een beetje. Ze verwachtten veel van Hem, maar het was allemaal op hun eigen manier.
Maar de Heere wil Zijn kinderen meer leren. Hij wil ze meer leren van: wie ze zelf zijn, en van Wie Hij, van Wie Christus is.
a. Hij wil hen meer leren over henzelf. Wat hebben de discipelen in de afgelopen dagen gezien en geleerd wie zij zijn. Het vuur van hun ijver brak. Hun hartelijke liefde ontaardde in wegvluchten, vloeken en verloochenen. Van hen zelf is er niets overgebleven dan: ‘Wees mij zondaar genadig!’
b. De Heere wil Zijn kinderen meer leren van: wie ze zelf zijn. Maar Hij wil ze tegelijkertijd ook meer leren van Wie God is en van Wie Christus is. Hoe dan? Door dit, wat je daar nu in gedachten voor je ziet, op die zondagavond. Ze wisten het zo goed: Wij zullen met U sterven. Wij zullen ons leven voor U geven. Wij zullen U al onze liefde waardig schatten. Maar nu is het allemaal weg. Ze zijn hun Meester kwijt. Ze kunnen niet meer geloven. Ze zijn alles kwijt.
En dán… dan komt Jezus. Midden in hun ellende. En dat is nog zo. Als wij niets meer hebben, dan zonde, nood en dood. Als de deuren gesloten zijn. Dan komt Jezus!
De puriteinse dominee Richard Sibbes zegt: Hoe bang en verward wij ook van binnen kunnen zijn, Christus kan Zichzelf altijd een weg banen door gesloten deuren. Waar Hij Zich openbaart, verdrijft Zijn vertroostende tegenwoordigheid de machten van de vrees, omdat Hij Zichzelf aan de Zijnen als hun volkomen Borg en Verlosser laat kennen.
En zo is het ook hier. Hij komt! Terwijl ze spreken over al die vragen waar ze mee zitten, en over al die geruchten die ze gehoord hebben. Hij komt, in hun samenkomst. Daar komt de Zaligmaker, op het alleronverwachtst. En we hopen en we bidden met elkaar dat het vanmorgen ook hier in de kerk zo zal zijn. Zoals staat in vers 36: Toen stond Jezus Zelf in het midden van hen en zei tot hen: vrede zij ulieden!
U zegt misschien ook wel bij uzelf: ‘Vroeger was het licht. Maar nu is het zo donker. Vroeger wist ik het allemaal. Maar nu weet ik het niet meer.’ Wanneer wordt het weer licht in mijn leven? Wanneer zal Hij Zich weer aan mij laten zien? Wanneer en waar zal ik Hem kennen, meer en dieper kennen? Wanneer zal mijn ziel Hem mogen omhelzen?
Waar? Hier, in de dienst van het Woord. Daarom zegt de schrijver van de Hebreeënbrief ook: verzuim de onderlinge bijeenkomsten, de zondagse diensten niet (Hebr. 10:25En laat ons onze onderlinge bijeenkomst niet nalaten, gelijk sommigen de gewoonte hebben, maar elkander vermanen; en dat zoveel te meer, als gij ziet, dat de dag nadert.). Hier wil Christus Zich openbaren, juist aan zulke mensen, die het niet meer weten. En, wanneer? Als ik niets meer heb van mezelf, dan ongeloof en onvermogen om te geloven.
Dan, dan staat de Heere Jezus ineens in het midden en zegt: Vrede zij ulieden. Weglopers…!? Nee, geen boosheid, geen verwijt. Nee, jongens en meisjes, zo is onze Heere niet. Hij geeft mild en verwijt niet. Hij zegt: Vrede zij u. Hij gaat van vrede spreken (en dat is nog zo) in harten van mensen die het niet meer weten. In de harten van mensen die alles kwijt zijn. Daar waar het aanvankelijke licht gedoofd lijkt te zijn, omdat alles zo anders is gelopen dan dat wij hoopten.
We hebben, jongens en meisjes, zo’n goede Meester, zo’n lieve Heere en Zaligmaker. Zij konden niet geloven. En wij kunnen het ook niet. Zij waren ontrouw. En wij zijn het ook. En dus heeft Hij alle reden om voor altijd weg te blijven. Om nooit meer naar hen en naar ons om te kijken. Maar Hij blijft trouw. Hij laat hen en Hij laat ons nooit los. En Hij doet altijd wat Hij gezegd heeft. Wat Hij gezegd heeft in Johannes 14: Ik zal u geen wezen laten, Ik kom weer tot u! (14:18)
Hij verlangt ernaar om hen te zien en om hen te troosten. Hij verlangt ernaar om u te zien en u te troosten, u, die het niet meer weet.
Maar Hij doet het wel op Zijn manier. En als Hij dan komt, dan zegt Hij: Vrede zij u! Vergeving, van zoveel kwaad dat u hebt gedaan. Vrede zij u. Vrede met God door het bloed van het kruis.
We gaan er samen van zingen uit Psalm 103:7: Geen vader sloeg met groter mededogen Op teder kroost ooit zijn ontfermend' ogen, Dan Isrels HEER op ieder, die Hem vreest; Hij weet, wat van Zijn maaksel zij te wachten, Hoe zwak van moed, hoe klein wij zijn van krachten, En dat wij stof, van jongs af, zijn geweest. - - - -
We hebben er al iets van gezien, van ons tweede punt:
Het is donker, het is al laat in de avond. Ze zijn bang. De deur zit op slot, de gordijnen zijn dicht. Maar gelukkig, al pratend zakt hun angst wel een beetje weg. Maar nu. Wat hadden ze blij en vertroost moeten zijn, nu de Heere Jezus ineens in hun midden staat. Maar… ze schrikken zich een ongeluk! Dat…, dat is een geest! Dat is een mens zonder lichaam! Schrik, paniek! Help! Een geest!
Maar Hij zeide tot hen (vers 38): Wat bent u ontroerd, en waarom klimmen zulke overleggingen (zulke gedachten) in uw harten? Ze schrikken geweldig! Van dat onverwachte komen in hun midden. Ineens staat Hij daar. Ze schrikken, maar er zijn ook (vers 38) overleggingen in hun hart. Die Hij kent, want Hij kent hun hart. Verkeerde gedachten, ontkenning, afweer van dat van de laatste dagen: lijden, sterven en opstaan uit de dood. Dat kan niet waar zijn. En dus: dit is hun Meester niet. Dat kan gewoon niet. Dit is een geest!
Grote verwarring slaat toe. Want ze verwachten geen levende Jezus. Want… ze zijn Zijn beloftewoorden vergeten. En ze hebben Zijn woorden niet geloofd.
Dit zijn oprechte discipelen van de Heere Jezus. Maar hun hart is vol van vrees en ongeloof. Waarom? Omdat ze de laatste dagen niets anders overgehouden hebben dan zichzelf: zondig, ontrouw, totaal mislukt. Wat een arme tobbers!
Maar wat is dit vaak de werkelijkheid, gemeente, ook in het leven van Gods kinderen. Ook nu. Ellendig in onszelf, en geen zicht op het kruis, en geen licht in het hart. En we komen er zelf niet uit. De Heere moet ingrijpen. En… dat doet Hij!
Jongens, kinderen (in vers 39 en 40): Zie Mijn handen en Mijn voeten; want Ik ben het Zelf; tast Mij aan, voel maar, en ziet. Want een geest heeft geen vlees en benen, zoals u ziet dat Ik heb! Ik ben geen geest. Waarom denkt u dat van Mij? Ik ben uw Zaligmaker. Dit zijn verkeerde gedachten. Het is niet waar. En u hebt er ook geen reden voor. En u ontneemt uzelf de troost en de blijdschap van dit moment. Kijk maar (in vers 40): En als Hij dit zeide, toonde Hij hun de handen en voeten. Hier, kijk maar. De tekens en bewijzen van Mijn lijden en dood. Om hun angst en hun vrees weg te nemen. En om hun hart te richten.
Plotseling komt Hij binnen midden in hun duisternis en vrees. Het overrompelt hen letterlijk. ‘Ik ben het Zelf. Vrede zij u. Mijn dood… was voor u. Mijn leven… is voor u. Kijk maar!’
Maar ze blijven twijfelen. Eerst door angst (in vers 37), en dan (in vers 41) door ongeloof. Ze kunnen het van blijdschap niet geloven. Wonderlijk… Van blijdschap kunnen ze het niet geloven. Verwondering en verbazing nemen de overhand. Zoals dat nog steeds zo kan zijn in het leven van Gods kinderen. ‘Is dat voor mij? Vrede? Vrede met God? Door deze doorboorde handen en voeten? Voor mij? Dat lijkt te groot om waar te zijn!’
Maar de Heere kent hun hart. Hebben jullie hier iets om te eten misschien? ‘Ja, nog wat restjes, van vis en van honingraat.’ En Hij at het voor hun ogen. De eetproef doorstaan: Ik ben geen geest, Ik ben uw Zaligmaker!
En? Ze geloven? Nee, dat staat er nog steeds niet. Lukas schrijft verder. Want het gaat niet om Zijn zichtbare verschijning. Het gaat om Zijn woorden. Het gaat na Pasen niet meer om zien, maar om geloven.
En dus lezen we in vers 44: En Hij zeide tot hen: Dit zijn de woorden(!), die Ik tot u sprak, als Ik nog met u was, namelijk dat het alles moest vervuld worden, wat van Mij geschreven is in de Wet van Mozes, en de Profeten, en Psalmen. Heel de Bijbel is vol van… Mij. Het is hetzelfde als wat de Heere zei tegen de Emmaüsgangers. Het staat in de Schriften. In de boeken van Mozes, in de Profeten, in de Psalmen, en Ik heb het u gezegd: dat het moest. Dat alles moest, volgens Gods eeuwige raadsplan, volgens Gods eeuwige verlossingsplan. Dat uitgevoerd moest worden.
Hij opent de Schriften. Hij opent hun hart. En Hij haalt de blinddoek weg van hun ogen. Kijk maar in vers 45: Toen opende Hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden.
Je zegt: Waarom heeft de Heere dat niet gedaan voor Zijn lijden? Dan was dit toch allemaal niet nodig geweest? Twee dingen wil ik daarover zeggen. a. Als eerste dit: Het lijden van de Heere Jezus moest volmaakt zijn. Iedereen moest Hem verlaten, zelfs Zijn vrienden, zelfs Zijn discipelen. Hij leed voor hen, maar Hij moest ook lijden onder hun ongeloof, hun onbegrip en hun verlating. En hoe zwaar en smartelijk was dat lijden! b. En het tweede is dit: Het was om hen te leren. Wat? Dit, dat ze uit zichzelf de noodzaak van Zijn lijden en sterven helemaal niet inzagen. En daarom moesten ze eerst alles wat ze gekregen hadden en wat ze zo koesterden kwijt.
Maar nu, nu de grond onder hun voeten weggevaagd is, nu ze alle houvast kwijtgeraakt zijn, juist nu, komt de Zaligmaker als Redder deze mannen oprapen. Want Jezus gaat van vrede spreken (en dat is nog vaak zo) tegen mensen die zo verward zijn van binnen, tegen mensen die alles kwijt zijn, tegen mensen die het niet meer weten.
Er is hier iets van een heilige orde in het werk van God in het leven van deze mannen. Zeker, de Heilige Geest is vrij in Zijn manier van werken. Hij is niet gebonden, en zeker niet aan onze systemen. Maar anderzijds valt het wel op, dat diezelfde Geest soms wel een bepaald patroon beschrijft in Zijn werk.
Dit patroon: de discipelen, de vrouwen, ze hebben genoten van hun eerste liefde, van wonderlijke momenten met Jezus, vol als ze waren van vurige liefde en ijver. Maar zonder zicht te hebben op de noodzaak van Zijn lijden, zonder zicht te hebben op de noodzaak van het bloed van de stervende Zaligmaker.
En dan? Hoe geeft de Heere hun daar dan zicht op? Door een weg van (in de ervaring van het hart) alles kwijtraken. Door een weg van verwarring, donkerheid en vertwijfeling. Als de Heere doet, wat Hij sprak door de mond van Jeremia: Zie, dat Ik gebouwd heb, breek Ik af, en dat Ik geplant heb, ruk Ik uit (Jer. 45:4Zo zult gij tot hem zeggen: Zo zegt de HEERE: Zie, dat Ik gebouwd heb, breek Ik af, en dat Ik geplant heb, ruk Ik uit, zelfs dit ganse land.).
En zo kregen zij toen en zo krijgen wij nu, kinderen van God, meer zicht op twee dingen: (a) Op ons eigen ellendige mens-zijn: op ons weggelopen, op ons verlaten, op ons verloochenen, op ons ongeloof. (b) En ook op de noodzaak van Zijn sterven en Zijn leven in onze plaats.
En dan, in de nacht van onze ziel, midden in onze verwarring, komt de Heere Zelf ons opzoeken. De deur is op slot. We houden alles buiten. Maar Hij komt, hoe dan ook. En Hij breekt door al onze barrières heen. En Hij spreekt tot ons. In een verschijning? Als een geest? Met iets heel bijzonders? Nee, met woorden, met Schriftwoorden, die eerder door Hem gezegd waren. Met woorden die we eerder niet geloofden.
En Hij opent die Schriften. En Hij spreekt door Zijn Woord, van vrede. Van de vrede die Hij gemaakt heeft door het bloed van het kruis (Kol. 1:20En dat Hij, door Hem vrede gemaakt hebbende door het bloed Zijns kruises, door Hem, zeg ik, alle dingen verzoenen zou tot Zichzelven, hetzij de dingen, die op de aarde, hetzij de dingen die in de hemelen zijn.). En Hij opent ons hart, om die woorden te geloven. Dan gaat de Heere ons troosten door ons te leren, dingen die wij eerst niet wisten, die we vergeten waren, die we niet geloofden: Bijbelwoorden, Schriftwoorden. Woorden die levend en krachtig worden in ons hart. De Heilige Geest draagt ze binnen, in ons binnenste. En ze scheppen leven in onze dood, ze ontsteken licht in onze duisternis en ze geven troost in ons verdriet. Doordat we van de Heere geloof krijgen in Zijn woorden. En daardoor een ander zicht op de Zaligmaker.
Je zegt: Hoe gaat dat dan? Nou zo: dan blijven die woorden uit de Bijbel, uit de Schriften, geen woorden van letters alleen die je lezen kunt. Maar door de Heilige Geest worden die woorden levend en krachtig. Ze doen iets! Die woorden doen iets met je, met je hart, met je leven. Die woorden zijn levend en maken levend.
En dat kan je weten. Als de Heere komt met Zijn woorden. Als Hij gaat spreken tot je ziel. Dan doet dat kracht in je ziel. Als het heldere licht van het Woord gaat schijnen in je ziel, en als de Heere je geestelijk gezichtsvermogen geeft (J. Flavel). Dan klaart het duister van je hart op. Dan wordt het licht, dan wordt het helder. Dan wordt het waar: in Uw licht zien wij het licht (Ps. 36:10Want bij U is de fontein des levens; in Uw licht zien wij het licht.). Dan overwint dat ook al je ongeloof en al je twijfel. Daar lees je hier dan ook helemaal niets meer van. Dan verblijdt dat je hart. Als de Heere na zoveel bange tegenspoed van vrede gaat spreken tot je ziel. En je iets leert (ja, want voelen is fijn, maar het gaat om onderwijs, het gaat om leren), als de Heere je iets leert van dat het moest. En dat Hij het ook gedaan heeft, voor mij.
En zo brengen de woorden van de opgestane Heere Jezus de discipelen op een ander spoor in hun leven. Wat ze vroeger niet kenden, niet wisten, niet begrepen en ook niet wilden, dat wordt hen nu tot verwondering. En straks gaan ze er in roemen: in het kruis, in de opstanding!
Wat een wereld van verschil! Eerst zeggen we met Petrus: Dit zal U geenszins geschieden (Matt. 16:22En Petrus, Hem tot zich genomen hebbende, begon Hem te bestraffen, zeggende: Heere, wees U genadig! dit zal U geenszins geschieden.). En dan later zeggen we met Paulus: Maar het zij verre van mij dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onze Heere Jezus Christus, door welken de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld (Gal. 6:14Maar het zij verre van mij, dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onzen Heere Jezus Christus; door Welken de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld.).
En waar gaat die verandering vanuit? Van Wie? Van Hem! Hij komt. Hij spreekt. Hij opent hun verstand (vers 45) en dan verstaan zij, dan geloven zij de Schriften. Hij doet het. En zij komen er achteraan.
Met andere woorden: dit laat zo zien, dat alles bij Hem vandaan komt. Alles is en komt van God. Zoals Paulus zegt in 1 Korinthe 11: Alle dingen zijn uit God (1 Kor. 11:12). Zij en al Gods kinderen zijn van zichzelf blind. We hebben de Schriften wel, maar we begrijpen ze niet. En wat we lezen, kunnen we niet plaatsen en geloven we van onszelf niet. Zoals Paulus zegt in 1 Korinthe 2: de natuurlijke mens begrijpt de dingen van de Geest van God niet.
Totdat…, totdat de Heere Zelf komt. En door Zijn Heilige Geest gaat spreken met dit Woord. En die woorden met leven en kracht laat inwerken in het diepst van ons bestaan. Hij opent ons binnenste. Hij wekt leven in onze dood. En vanaf dat moment houdt Hij niet op om ons te leren. Wat? De inhoud van de Schriften. Hij werpt licht op de Schriften. Op woorden die je duizend keer gezien, gehoord en gelezen kan hebben. Woorden als deze woorden: Als een lam is Hij ter slachting geleid... Door Zijn striemen is ons genezing geworden… Want God heeft onze ongerechtigheden op Hem doen aanlopen… Letters, woorden, maar nu ineens doen die woorden kracht. Nu bij het licht van de Heilige Geest zie ik dat dat moest. En dat Hij dat gedaan heeft, voor mij...
Zie je dan alles in één keer? Geloof je dan alles in één keer? Ben je dan voor je leven lang voorzien? Nee. Maar je weet het wel, als het licht doorbreekt in de nacht van je ziel. En je een helderder zicht hebt gekregen op de Zaligmaker. En het door Hem gewerkte geloof vaster geworteld en gefundeerd is in de Schriften, in het Woord en in de betrouwbare beloften van het Woord.
En tegelijkertijd blijven ook deze mannen, blijven al Gods kinderen, zolang we hier op aarde zijn: leerlingen. Voor wie de zon langzaam opgaat. Niet in één keer, maar stapsgewijs. Zoals de Spreukendichter zegt (4:18): Het pad der rechtvaardigen is gelijk een schijnend licht, voortgaande en lichtende tot de volle dag toe.
En dus bidden we blijvend: O, opgestane Heere, dat Uw Geest ons ware wijsheid leer, ons oog verlicht, de nevels op doe klaren, dat onze ziel de wonderen zie en eer, die in Uw wet, die in Uw Woord, alom zich openbaren.
Nog even terug, jongens en meisjes, naar het begin. Waarom is de dienst van de Heere zo’n gelukkige dienst? Hierom. Je zou verwachten dat de Heere Jezus, na alles wat de discipelen gedaan hebben, na alles wat wij gedaan hebben, zou denken: ‘Ik ben klaar met die mensen. Ik heb het vaak genoeg geprobeerd, maar ze willen gewoon niet. Ze zijn gevlucht, ze hebben Mij verloochend, ze geloven niet dat Ik opgestaan ben…, Ik ben helemaal klaar met die mensen!’ En toch, ondanks alles wat zij gedaan hebben, en ondanks alles wat wij gedaan hebben en nog steeds aan zonden doen, en ondanks dat de wortel van alle zonden in ons hart zit, toch is onze Heere en Zaligmaker zo niet.
Als we daaraan denken, dan schamen we ons diep: ‘Heere, U bent zo goed, wij zijn zo slecht.’ Maar dan weten we ook zo gelukkig: Hij noemt ons ondanks alles ‘Zijn kinderen’.
Hij houdt ons altijd vast. Wij vergeten Hem. Maar Hij vergeet ons niet. Wij lopen weg. Maar Hij zoekt ons op en brengt ons terug. Wij zondigen. Maar Hij laat het ons zien en vergeeft het ons. Wij kunnen Zijn woorden maar niet geloven. Maar Hij geeft ons geloof. Hij heeft alles voor ons gedaan. Niet één keer, maar dat blijft zo.
Met God, met de Heere Jezus, jongens en meisjes, heb je alles. Echt, alles! Alsjeblieft, zoek God. Dan zul je Hem vinden.
Amen.
Slotzang: Psalm 56:5,6:
Ik roem in God; ik prijs 't onfeilbaar Woord; Ik heb het zelf uit Zijnen mond gehoord; 'k Vertrouw op God, door gene vrees gestoord; Wat sterveling zou mij schenden? (…)
Gij hebt mijn ziel beveiligd voor den dood; Gij richt mijn voet, dat hij zich nimmer stoot'; Gij zijt voor mij een schild in allen nood; Gij hebt mijn smart verdreven. (…)
Andere preken over Lukas
Andere preken voor Pasen
Andere gerelateerde preken