Pinksteren - 9 juni 2014
1 Korinthe 6:19: Of weet gij niet dat ulieder lichaam een tempel is des Heiligen Geestes, Die in u is, Dien gij van God hebt, en dat gij uws zelfs niet zijt?
INLEIDING
Wie meent ’s zondags netjes mee te kunnen doen en doordeweeks te leven naar eigen inzicht, komt in 1 Korinthe 6 een tegenspraak tegen: “Weet u niet, dat uw lichaam een tempel is van den Heiligen Geest, Die in u is… en dat gij uws zelfs niet zijt? Want gij zijt duur gekocht” (1 Korinthe 6:19-20). Deze leespreek laat aan de hand van een zevental lessen uit 1 Korinthe 6 zien dat christen-zijn geen zondagsgodsdienst is, maar een zaak van heel het leven.
Christen-zijn is een zaak van het hele leven
1 KORINTHE 6:15-20
15 Weet gij niet dat uw lichamen leden van Christus zijn? Zal ik dan de leden van Christus nemen en maken ze leden ener hoer? Dat zij verre.
16 Of weet gij niet dat die de hoer aanhangt, één lichaam met haar is? Want die twee, zegt Hij, zullen tot één vlees wezen.
17 Maar die den Heere aanhangt, is één geest met Hem.
18 Vliedt de hoererij. Alle zonde die de mens doet, is buiten het lichaam; maar die hoererij bedrijft, die zondigt tegen zijn eigen lichaam.
19 Of weet gij niet dat ulieder lichaam een tempel is des Heiligen Geestes, Die in u is, Dien gij van God hebt, en dat gij uws zelfs niet zijt?
20 Want gij zijt duur gekocht; zo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uw geest, welke Godes zijn.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - 1 Korinthe 6:19
THEMA
Christen-zijn is een zaak van het hele leven
AANDACHTSPUNTEN
‘We zijn vrij!’ Staat dan (dat zei Paulus toch?) in de vrijheid met welke Christus ons heeft vrijgemaakt en wordt niet opnieuw met het juk van de slavernij bevangen! Dan mag je toch doen waar je zin in hebt? Als je vrij bent mag je toch doen wat je zelf wilt? Die kwestie speelde niet alleen in de gemeenten van Galatië, maar ook in de gemeente van Korinthe. ’s Zondags kom je gewoon netjes naar de kerk, je doet netjes mee, je zingt netjes mee en doordeweeks ben je gewoon lekker vrij: doe je wat je leuk en lekker vindt. ‘Schakelen’ heet dat tegenwoordig. ‘s Zondags schakel je terug naar z’n één. Rustig, langzaam, netjes. Maandag geef je vol gas: in z’n twee, in z’n drie, vier… en zo ga je door tot vrijdag, zaterdag, zaterdagavond. En zondag? Netjes gas terug. Eerste versnelling.
Twee levens. Niemand ziet het, dat denken we tenminste. Maar Paulus zegt: ‘Dat is onmogelijk, zo’n leven.’ Christen-zijn is een zaak van het hele leven. Van zondag, maandag, dinsdag, woensdag, donderdag, vrijdag, zaterdag, zaterdagavond, tot zondag. Want (en dat is de reden) als je kind van God bent, woont (letterlijk) de Heilige Geest in je hart. Niet alleen op zondag. Het is geen zondags bezoek van de Heilige Geest hier in de kerk, onder het Woord, maar Hij woont, Hij heeft Zijn vaste intrek genomen in het hart van Zijn kinderen.
Dat staat in 1 Korinthe 6, het is u voorgelezen. Het is eigenlijk één betoog dat begint bij vers 9 en eindigt bij vers 20. Ik lees nog een keer als samenvatting van heel het hoofdstuk vers 19 en 20: Of weet u niet, dat uw lichaam een tempel is van den Heiligen Geest, Die in u is, Dien gij van God hebt, en dat gij uws zelfs niet zijt? Want gij zijt duur gekocht: zo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uw geest, welke Godes zijn. Tot zover de samenvatting van het Schriftgedeelte.
Thema voor de preek is: Christen-zijn is een zaak van het hele leven En al lezend vanaf vers 9 tot en met 20 zullen we een zevental lessen tegenkomen in dit Schriftgedeelte.
Als we kijken naar vers 9 tot en met 12 (kijkt u maar mee in uw Bijbeltje zo nu en dan), dan ziet u daar de eerste les:
‘Want’, zegt Paulus, ‘wie in de zonde leeft zal het Koninkrijk der hemelen niet beërven.’ Die zal de hemel niet kunnen binnengaan. Daar moet u eens over nadenken. Paulus zegt in vers 10: Dwaalt niet, vergis u niet, laat u niks wijsmaken. Hoereerders, mensen die een seksueel onzuiver leven leiden. Met een relatie tussen een getrouwde man en een ongetrouwde vrouw, een vriendin. Met een seksuele relatie tussen twee ongetrouwde mensen, vriend of geen vriend, maar buiten de band van het huwelijk. Paulus zegt: ‘Als je zo leeft, dan zal je vergeefs kloppen aan de hemelpoort. Je zult het Koninkrijk der hemelen, als je op dat pad doorgaat, niet beërven.’ Afgodendienaars. Waarschijnlijk waren het jongens die bij heidense tempels leefden en werkten in de prostitutie. Overspelers. Getrouwde man, getrouwde vrouw, maar stiekem hebben ze een relatie met een ander. Ontuchtigen en die bij mannen liggen. Twee verschillende woorden voor leven in een homoseksuele of lesbische relatie. Wie zo leeft, zegt Paulus, zal de hemel niet kunnen binnengaan. Want bij de hemelse erfenis daarboven hoort een Godzalig leven op de aarde, als voorbereiding. En het is de dure plicht van de erfgenamen van de hemel om zich op de aarde te voegen in het spoor van de hemelse Koning.
Allerlei seksuele zonden worden hier in dit vers genoemd. Het begint bij hoererij. In het Grieks letterlijk: porneia. Daar hoor je het woordje ‘porno’ in. Vroeger moest je daar het huis voor uit. Tegenwoordig kun je daarvoor thuisblijven. Ze komt binnen in je huis, in je kamer, in je slaapkamer: de vreemde vrouw waarvan de Spreukendichter zegt: haar lippen druppen van honing en ze vleit met haar lippen. Ze komt binnen. Zichtbaar, virtueel, digitaal, maar in levende lijvende. Via je computer, je mobieltje, via films. Ze komt binnen. Hoorbaar. In seksueel beladen liedjes. Vroeger toen leek het allemaal niet te mogen en nu (nu je makkelijk kunt voorkomen dat mensen het zien) lijkt het wel te mogen. Dat wat Paulus noemt hoererij, porneia. Dat wil ook zeggen: het hebben van een seksuele relatie voor of buiten de band van het huwelijk, al houd je nog zoveel van elkaar. Wie zo leeft, wie daarmee doorgaat en wie zijn zonden niet belijdt en laat, die zal het Koninkrijk der hemelen niet beërven. Dan zal je tevergeefs kloppen aan de hemelpoort, want het is echt niet om het even hoe je leeft hier op de aarde. Ook (vers 10) dieven, gierigaards, dronkaards, lasteraars en rovers zullen buitengesloten worden. U zult het Koninkrijk der hemelen, zegt God, niet beërven.
Sommigen van u, Korinthiërs (vers 11) waren zo, leefden vroeger zo. Maar (en het klinkt met heel grote nadruk), maar! Er is een wonder van God gebeurd in uw leven.
Kijk maar: gij zijt afgewassen, schoongewassen, de vuiligheid is weg. Gij zijt geheiligd, rein verklaard. Gij zijt gerechtvaardigd, de schuld van die zonde is betaald. Drie keer klinkt het met heel grote nadruk: Máár u bent afgewassen. Máár u bent geheiligd. Máár u bent gerechtvaardigd. Toen God in uw leven kwam en er een breuk kwam met die oude zonde. Toen u tot God bekeerd bent om (dat was het doel) de levende God te dienen met lichaam en geest. En het is alsof Paulus zegt: ‘Als je nu terugdenkt, Korinthiërs, aan dat vroegere leven en aan wat God heeft gedaan in je leven, hoe is toch mogelijk, dat je weer terugvalt in de dat oude leven van de zonde?’
Maar dit, wat staat in vers 11, klinkt tegelijkertijd ook als een bemoediging en als een liefdevolle nodiging tot u die leeft in de zonde. Niemand weet het misschien, niemand ziet het, maar u leeft in de zonde. Van overspel, van verkeerde relaties, van een seksuele relatie buiten het huwelijk, van een seksuele relatie voor het huwelijk, in de zonde van diefstal, dronkenschap en roddel. Er is een weg terug! Ze waren er, ook in Korinthe. Ze waren er, Gode zij dank, ook hier in de kerk. Maar ze zijn afgewassen, geheiligd, gerechtvaardigd. En dat heeft alles te maken met die Man, die de Farizeeërs verachtelijk noemden ‘een Vriend van tollenaars en zondaars’. Hij, Jezus, ontvangt de zondaars en eet met hen.
En ik weet en kan het ook begrijpen dat, als je je goed voelt en denkt dat je heel goed je best doet voor God, terwijl je hoopt dat God dat ooit zal belonen, ik snap het heel goed dat je je aan die boodschap verschrikkelijk ergert. Aan deze boodschap: dat Jezus de zondaars ontvangt en met hen eet. Dat vijanden met God worden verzoend. Maar zo is het wel. Dit is de boodschap van vrije genade: kom hoeren, kom tollenenaars! Er is genade bij God voor de allerslechtsten, er is genade bij God voor je vergooide en verloren leven. Maar… breek ermee! Vandaag. En kom dan met dat vergooide leven tot Hem. U bent welkom, wat u ook gedaan hebt, wie u ook bent. Jezus ontvangt geen vrienden, maar zondaars. De tweede les in dit Schriftgedeelte:
Ik ben bij vers 12. Paulus zegt: ‘U weet het wel, Korinthiërs, alle dingen zijn geoorloofd.’ Dat was een standaarduitdrukking, een soort gezegde, een uitdrukking in de gemeente. ‘Alle dingen zijn geoorloofd’, dat wil zeggen: wij zijn vrij, alles mag. Ja, ‘s zondags zitten we in de kerk, maar doordeweeks zijn we niet vies van een leuk feestje, van stevig drinken, van een spannende relatie. Natuurlijk, de vrouw is voor het gezin en de kinderen, maar die ander is gewoon voor het plezier, voor de vrijheid, voor de blijheid. Alle dingen zijn toch geoorloofd? Maar Paulus zegt: Alle dingen zijn niet oorbaar. Letterlijk staat er: ‘Alle dingen zijn niet behulpzaam, alle dingen zijn zeker niet in je voordeel.’
‘En’, zegt Paulus, ‘u zegt wel: alle dingen zijn geoorloofd, we zijn toch vrijgemaakt, maar ik zal mij onder de macht van geen laten brengen. Want, Korinthiërs, al denk je een vrij en blij leven in de zonde te hebben, diep in je hart ben je slaaf van die zonden. Gekluisterd in de ketens van de macht van de duisternis.’ Zoals Paulus het hier noemt onder de macht van anderen. Je denkt wel eens (of misschien veel vaker) aan het stoppen met dat seksuele contact met je vriend of vriendin, maar je doet het niet, het lukt niet, je zit gevangen. Je denkt wel eens (of misschien veel vaker) om te stoppen met het kijken naar porno, maar je doet het niet, je zit vast. Je denkt wel eens (of misschien veel vaker) om te stoppen met drinken in de keet, maar je doet het niet, je zit vast in de wereld van je vrienden, vast in de wereld van je zogenaamde vriend: de duivel. Je denkt wel eens (of misschien veel vaker) om te stoppen met liegen, bedriegen, roddelen, stelen, drinken, wiet roken, glaasje draaien, geesten en duistere machten oproepen maar het zijn kwade machten, zegt Paulus, die je in je greep hebben, die macht over je hebben. Maar Paulus zegt: ‘Niemand is baas over mijn leven dan alleen Hij Die mij gekocht heeft met de prijs van Zijn dierbaar bloed.’ O, wat is dat een gelukkig leven!
Vers 13, nog zo’n gezegde uit Korinthe: Het eten is voor de buik en de buik is voor het eten. Dat zeiden ze. ‘Gelukkig we zijn vrij van de spijswetten, de eetwetten, van Mozes. En ja, de mens heeft nu eenmaal z’n behoefte. Je maag rammelt? Dan ga je eten. Je hebt dorst? Dan ga je drinken. Je lichaam vraagt om een spannend avontuur? Nou, doen dan’. ‘Maar’, zegt Paulus, ‘pas op! Je mag honger hebben en eten, dorst hebben en drinken niet vergelijken met wat je met je lichaam doet.’ Want, en dat is de derde les:
Kijk maar in vers 13. Paulus zegt: Doch het lichaam is niet voor de hoererij. Waar is het lichaam dan wel voor? Voor de Heere en de Heere voor het lichaam. Wij zeggen: ‘Je geest, je ziel, je hart is voor de Heere.’ ‘Nee’, zegt Paulus, ‘je lichaam is voor de Heere.’ De Heere heeft je lichaam niet gemaakt voor zondig plezier, allemaal naar eigen goeddunken en eigen inzichten. Maar je lichaam is geschapen naar Gods beeld en Gods gelijkenis. Tot eer, glorie en lof van je Schepper en Maker. Om daarmee (met dat lichaam, met al je ledematen) God groot te maken.
Paulus zegt: ‘Aan je buik (aan eten, aan honger, aan dorst) komt een einde’ (vers 13). Dat gaat voorbij, dat zal God te niet doen. Maar je lichaam is voor God. Dat is Zijn eigendom. Met andere woorden: wees daar zuinig op. Gebruik dat lichaam zoals God dat bedoeld heeft. Het is bedoeld als een instrument om de lof voor je Schepper en Maker te bezingen en Hem in alles op het oog te hebben. Het is niet bedoeld als een speeltje van jezelf, voor je eigen plezier. Met andere woorden:
als je leeft in hoererij, als je een seksuele relatie hebt die er niet mag zijn, als je je tijd verdoet met porno of als je het lichaam van een ander misbruikt, dan steel je van God. Dan steel je (en dat is een grote zonde, dat is een misdaad) het mooiste van Gods schepping. Zo waardevol is ons lichaam, zegt Paulus, dat het op de dag van de opstanding opgewekt zal worden. Dat is de vierde les uit dit Schriftgedeelte:
Kijk maar in vers 14: En God heeft ook de Heere opgewekt en (dan komt het) zal ons opwekken door Zijn kracht. Wat blijkt hier de nauw verbinding tussen de opstanding van Christus en die van Zijn kinderen. God heeft de Heere opgewekt. ‘En wij zullen’, zegt Paulus over ons lichaam, ‘mee opgewekt worden door Zijn kracht.’ Is dat niet onze troost in leven en sterven? De dood zal nooit het laatste woord hebben over het leven van een kind van God. Onze lichamen zullen niet weggegooid, niet vernietigd worden. Nee, uw lichaam (kind van God) is hier op aarde een huis, een woonplaats van de Heilige Geest en zal straks op de dag van de opstanding opgewekt worden in heerlijkheid om dan God eeuwig groot te maken en lof toe te zingen zoals het bedoeld was. Ja, heerlijker dan in het paradijs. Zonder ziekte, zonder pijn, volmaakt. ‘Daarom’, zegt Paulus, ‘mogen we hier op aarde dat lichaam dat van Christus is niet aan iemand anders geven.’ Niet in werkelijkheid, maar ook niet digitaal, virtueel, of hoe je het dan ook doet. Dat brengt me bij de vijfde les:
Als er staat in vers 15: Weet u niet dat uw lichamen leden van Christus zijn? Zal ik dan de leden van Christus nemen en maken ze leden van een hoer? Dat zij verre. Met andere woorden: ‘Nee!’ Met een groot uitroepteken erachter. U bent als kind van God meegenomen aan het kruis, in het graf. Mee opgewekt met Hem. Paulus zegt als het ware: ‘U bent vlees van Zijn vlees en been van Zijn been. U bent uit Hem genomen.’ Hij is onze Bruidegom, we behoren Hem toe. En dus behoren we Hem aan te hangen met… heel ons lichaam en met heel onze ziel.
Paulus zegt: ‘U behoort Hem toe. Gaat u Hem nu (na alles wat Hij voor u gedaan heeft) beroven van Zijn eigendom wat Hij zo duur gekocht heeft? Gaat u Hem inruilen voor iemand anders? Wilt u zich van Hem losscheuren en een ander aanhangen?’ Vers 16: Of weet u niet, dat die de hoer (prostitué) aanhangt, een lichaam met haar is? Want die twee, zegt Hij, zullen tot een vlees wezen. Je zegt: ‘Ja, maar het is maar voor even. Het is maar voor één keer… En daarna ben ik er weer helemaal voor m’n eigen vrouw en voor God.’
‘Nee’, zegt Paulus, ‘kan niet, onmogelijk! U doet wel, mensen uit Korinthe, alsof het eventjes kan’, maar (staat er letterlijk): u hangt haar aan. Met andere woorden: u kleeft aan haar vast, u lijmt uzelf vast aan de ander. En die twee worden één. Met andere woorden: je kunt niet los zondigen. Je hoort (en zondags en doordeweeks) bij de één of bij de ander. ‘Het is één van twee’, zegt Paulus, ‘u bent òf door genade vastgelijmd aan Christus, òf u bent (ondanks dat u dat probeert te bagatelliseren) vastgelijmd aan, u kleeft haar aan, aan die niet-officiële, aan die onwettige vrouw.’ Het is één van twee: òf je bent één vlees met je onwettige vriend of vriendin (dan steel je je lichaam van God) òf je bent één geest met God, zegt Paulus. Je hart is in de hemel en je houdt je lichaam op de aarde ver van de zonde. Dan is je lichaam een lidmaat (ledemaat) van het Hoofd dat in de hemel is en je geest (je ziel) is één met Hem. En wat een gelukkig leven is dat! Niet voortgedreven, terwijl je vastgebonden bent als een slaaf, door je eigen lusten en verlangens, door je zogenaamde vriend de duivel. Maar naar ziel en lichaam het eigendom van Hem, Die Zijn leven voor ons gaf. Dat is, zegt onze Catechismus, onze enige troost in leven en in sterven dat we naar lichaam en ziel het eigendom zijn van de Heere Jezus Christus. De zesde les, als ik denk aan vers 18.
‘Vecht ertegen!’ Nee, dat staat er niet. ‘Onderdruk die begeerten!’ Dat staat er ook niet. Er staat: Vliedt (vlucht weg van) de hoererij. Alle zonde, die de mens doet, is buiten het lichaam, maar die hoererij bedrijft, zondigt tegen zijn eigen lichaam. Vlucht! Wegwezen! Want je bent geen partij. Al zeg en denk je bij jezelf: ‘Ik ben dichtbij, maar er is nog helemaal niks gebeurd’, je bent al verkocht. Je hebt jezelf verkocht. Als je op zaterdagavond hier in de stad of in die keet alweer bezig bent met je zesde, zevende, achtste biertje: Vlucht! Ga weg! Ga terug! Vlucht en ga naar huis. Als je in het holst van de nacht in de verte dat rode licht ziet schijnen: Vlucht! Ga weg! Ga terug! Ga naar huis! Als je weer stilletjes naar boven gaat (niemand merkt het) naar je zolderkamer, naar je computer, weer hetzelfde bekijken als altijd: Vlucht! Ga weg! Ga terug! Als je weer samen gezellig op je slaapkamer zit: Vlucht! Maak afspraken met elkaar, biddend voor God en vermijd de plaatsen (vlucht daar van) waar het mis gaat. Als je mobiele telefoon je vergiftigt met sms’jes en zoete berichtjes: Vlucht ervan weg! Blokkeer dat ding of pak een grote hamer en sla die iPhone aan stukken. Al grijp die vreemde vrouw aan je jas (hoe duur die ook is), laat los en vlucht uit het huis van Potifar en kom er nooit meer in terug.
Vlied de hoererij, zegt Paulus. En ik zeg het vandaag ook tegen u en mezelf in alle ernst. Niet om een populaire of eigentijdse preek te houden, maar omdat ik denk dat, naast de zonde van hoogmoed, trots, jaloezie, roddel en verdachtmaking, dit misschien de grootste
zonden zijn in het midden van ons. Ik zeg dit niet om boven u te staan (ik ben wat dat betreft één met u en een even groot zondaar), maar misschien zijn dit wel de grootste zonden die heel veel stuk maken ook in het midden van de gemeente, ook in huwelijken.
Dat is niet nieuw. De Spreukendichter schreef daar al over in Spreuken 23: Mijn zoon, geef Mij uw hart en laat uw ogen Mijn wegen bewaren. Want een hoer (seksuele zonden, een prostitué) is een diepe gracht en een vreemde vrouw is een enge put. Ook loert zij als een rover; ze maakt mensen ontrouw. Bij wie is wee? Bij wie armoede? Gekijf? Geklaag? Pijn? Roodheid van ogen? Bij degenen, die bij den wijn vertoeven (die te veel alcohol drinken); bij degenen die komen om gemengde drank na te zoeken (dronkenschap). Zie den wijn niet aan, als hij zich rood vertoont, als hij in de beker zijn kleur geeft, als hij recht opgaat; in zijn einde (en dan komt het) zal hij als een slang bijten en steken als een adder.
Seksuele zonden en drankmisbruik bijten u uiteindelijk als een dodelijke slang. Vlucht! Jongelui, vlucht weg van te veel drinken en van het hebben van seksuele contacten voor of buiten het huwelijk. Je zondigt tegen God (dat is het ergste), je maakt heel veel stuk en je begint later heel slecht aan je huwelijk. Heel veel huwelijken staan daardoor, ook onder ons, onder grote spanning. Breek er alsjeblieft mee. Vlucht weg. Je zondigt tegen je eigen lichaam, zegt Paulus. Je richt een pistool op jezelf. Je wordt slachtoffer, prooi van jezelf. Je tast jezelf aan. Je lichaam, dat zo mooi geschapen is door God, maak je stuk. Je steelt van God. Je verwoest het.
We gaan samen zingen, voor we verder gaan met een zevende en laatste les, uit Psalm 143:10Leer mij Uw welbehagen doen, want Gij zijt mijn God! Uw goede Geest geleide mij in een effen land.: Leer mij, o God van zaligheden, Mijn leven in Uw dienst besteden; Gij zijt mijn God, vat Gij mijn hand; Uw goede Geest bestier' mijn schreden, En leid' mij in een effen land.
Het thema van deze dienst is: Christen-zijn is een zaak van het hele leven. Niet alleen van zondag, maar ook van maandag, dinsdag en zo de hele week door. Een zevental lessen, we zijn toe aan de zevende les:
Het staat in vers 19: Of weet u niet, dat uw lichaam een tempel is van de Heiligen Geest, Die in u is, Dien gij van God hebt en dat gij uws zelfs niet zijt? ‘We zijn toch vrij? Staat dan in de vrijheid!’ Op een andere plaats in de Bijbel staat dat toch ook: Waar de Geest des Heeren is, aldaar is vrijheid?
Ja, dat heeft Paulus ook gezegd. Maar hij voegt er iets aan toe: ‘Een christen heeft een Eigenaar.’ Hij zegt als het ware: ‘Ooit ben u van God weggegaan. En dat geldt ons allemaal. Lichaam en ziel hebben we geroofd van onze Schepper en Maker toen we in Adam opstonden tegen en braken met God. Lichaam en ziel gestolen. Beeld en gelijkenis stukgemaakt en verwoest. En u was, mensen in Korinthe, vijand van God. Vervreemd van het verbond der belofte, u had geen hoop en was zonder God in de wereld. Maar toen, toen heeft God u gekocht. Losgekocht uit de macht van satan. Toen Hij voldeed aan de eisen van het Goddelijke recht. Er is voor u betaald met de prijs van het bloed van de Middelaar.’ Voor dat huis, voor dat lichaam van u (kinderen van God in Korinthe en hier) is heel veel betaald. Op Golgotha. En dan niet met vergankelijke dingen (zilver of goud), maar met de prijs van het dierbare en kostbare bloed (zegt Petrus) van Christus.
‘En’, zegt Paulus als het ware, ‘toen is de Geest komen wonen in uw lichaam en in uw ziel. Hij heeft uw lichaam verklaard tot Zijn huis, tot een heilige tempel.’ En wat een wonder is dat. Onbegrijpelijk. Hij kwam en vond in ons, in ons hart niets dan zonde, vuilheid en slechtheid. Maar (Gode zij dank) Hij nam Zijn intrek. Wanneer neemt de Heere intrek in het hart, in het lichaam van Zijn kinderen? Bij de eerste ritseling van het nieuwe leven. Bij de eerste schreeuw in het nieuw gemaakte hart voor God: ‘O God, wees mij zondaar genadig!’ Dan komt Hij wonen in dat hart, om dat vuile, vieze, smerige hart om te vormen (wonderlijk werk van God de Heilige Geest), om dat om te vormen tot een heilige tempel waar God offers van dank, verwondering en aanbidding worden toegebracht.
Misschien denk je bij jezelf: ‘als ik dus geen kind van God ben, nou dan ben ik gelukkig nog vrij! Dan mag ik in ieder geval zelf doen waar ik zin in heb’. Nee, dat is niet waar. Weet je, dan heb je een nog een veel groter probleem. Dan leef je in staat van oorlog met de almachtige God, voor Wie je geen partij bent. Je hebt Zijn schepping verwoest, je hebt je lichaam en ziel van Hem gestolen en je bent niet bereid om terug te keren. Je bent vrijwillig in dienst gegaan van Zijn grote tegenstander, je vriend, de duivel. Wat is het Woord van God, de boodschap tot u en jou op deze dag? Vlucht! Vlucht weg van de zonde! Vlucht uit Sodom en Gomorra! Want de stad staat bijna in brand. Haast je op weg naar Zoar omwille van je leven en kijk geen moment achterom!
Het geldt ieder kind van God (wat een troost, het is de troost van het pinksterfeest) wat staat in vers 19: ons lichaam is een tempel van de Heilige Geest. Die in u is. Die ons door God geschonken (gegeven) is. Wat een wonder en wat een troost: Hij kwam wonen in ons. Dat is Pinksteren. Dus zijn we niet meer van onszelf. God heeft Hem (de Trooster) aan ons gegeven, aan ons
geschonken. Om ons hart te veranderen, te vernieuwen, en ons hart, ons lichaam en ons leven te richten op God.
Wij zijn van God. We zijn Zijn eigendom. Want, staat er in vers 20, u bent duur gekocht. Christus heeft voor ons betaald. Hij heeft onze hemelhoge schuld voor God in de hemel afbetaald en Hij heeft ons met ziel en lichaam gekocht met de prijs van Zijn dierbaar bloed. Voor beide, lichaam en ziel, heeft Hij betaald. En wat is dat voor hen die God vrezen een troost, ook in alle moeite en zorg van dit leven. Je hebt een dodelijke ziekte en je vecht (ondanks al die kuren) om overeind te blijven en te blijven leven. Maar als je dan mag weten: ook m’n lichaam is gekocht door Christus. Je voelt jezelf ouder worden en je krachten worden minder, je voelt dat je lichaam afbreekt. Wat een troost is dat als ik mag weten: ik ben met ziel en lichaam gekocht door Mijn Meester. Wat een troost voor gelovige vaders en moeders die hun vroeg gestorven kinderen hebben moeten begraven. Want ze mogen weten: hun lichaampjes waren gekocht, evenals hun ziel. Wat een troost in dit leven.
Ja, er is meer. We worden geroepen om met dat lichaam (zo beperkt, zo zwak) Gods Naam te verheerlijken en Hem lof toe te brengen. Niet alleen straks in de hemel, maar ook hier op de aarde. Want, zegt Paulus in vers 20, u bent duur gekocht: zo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uw geest, welke (beide!) Godes zijn (ze zijn Gods eigendom). Verheerlijk dan God in uw geest, als tweede genoemd. In geloven, hopen, liefhebben, denken, weten, voelen. Zo verheerlijkt dan God in uw lichaam, als eerste genoemd. In eten, drinken, in je huwelijk, in praten, in slapen, in doen, in werken, in spelen. In alles. Verheerlijk Hem, kinderen van God, die uit enkel genade Zijn Geest gaf om intrek te nemen in uw hart. Breng Hem met lichaam en geest al de lof en heerlijkheid toe. Want, zegt Paulus, daartoe bent u geroepen. Dat is onze hoge roeping.
En, zegt Paulus tot slot, in Romeinen 6: Gode zij dank, dat u wel dienstknechten van de zonde was, maar dat u nu van harte gehoorzaam geworden bent aan het voorbeeld der leer, tot hetwelk u overgegeven bent; En vrijgemaakt zijnde van de zonde, bent gemaakt dienstknechten der gerechtigheid. Want gelijk u uw leden gesteld hebt, om dienstbaar te zijn der onreinheid en der ongerechtigheid, tot ongerechtigheid (toen u leefde in de zonde), alzo stelt nu uw leden (uw lichaam), om dienstbaar te zijn der gerechtigheid (levend naar Gods wet), tot heiligmaking. Want de bezoldiging (het loon) op de zonde is de dood, maar de genadegift Gods is het eeuwige leven, door Jezus Christus, onze Heere.
Amen.
Slotzang Psalm 42:3,7:
O mijn ziel, wat buigt g' u neder? Waartoe zijt g' in mij ontrust? Voed het oud vertrouwen weder; Zoek in 's Hoogsten lof uw lust; Want Gods goedheid zal uw druk Eens verwisselen in geluk. Hoop op God, sla 't oog naar boven; Want ik zal Zijn naam nog loven.
O mijn ziel, wat buigt g' u neder? Waartoe zijt g' in mij ontrust? Voed het oud vertrouwen weder; Zoek in 's Hoogsten lof uw lust; Menigwerf heeft Hij uw druk Doen veranderen in geluk; Hoop op Hem, sla 't oog naar boven; Ik zal God, mijn God, nog loven.
Andere preken over 1 Korinthe
Andere preken voor Pinksteren
Andere gerelateerde preken