Dankdag - 2 november 2016
Hosea 2:13: Daarom, zie, Ik zal haar lokken en zal haar voeren in de woestijn, en Ik zal naar haar hart spreken.
INLEIDING
In deze dankdagpreek over Hosea 2:4-13 staat Gods onbegrijpelijke liefde en zorg centraal. De Heere openbaart Zijn trouw aan een ontrouw volk dat Zijn rijke zegeningen miskent en toeschrijft aan afgoden of aan zichzelf. Door de weg met doornen te betuinen, gaven in te trekken en Zijn volk naar de woestijn te voeren, toont de Heere echter Zijn ontfermende zorg. Beproeving dient om de zondaar stil te zetten, te lokken en vrezende te brengen tot de Heere en Zijn goedheid.
Gods onbegrijpelijke liefde en zorg
HOSEA 2:7-15
7 Zij bekent toch niet dat Ik haar het koren en den most en de olie gegeven heb, en haar het zilver en goud vermenigvuldigd heb, dat zij tot den Baäl gebruikt hebben.
8 Daarom zal Ik wederkomen en Mijn koren wegnemen op zijn tijd, en Mijn most op zijn gezetten tijd; en Ik zal wegrukken Mijn wol en Mijn vlas, dienende om haar naaktheid te bedekken.
9 En nu zal Ik haar dwaasheid ontdekken voor de ogen harer boelen; en niemand zal haar uit Mijn hand verlossen.
10 En Ik zal doen ophouden al haar vrolijkheid, haar feesten, haar nieuwe maanden en haar sabbatten, ja, al haar gezette hoogtijden.
11 En Ik zal verwoesten haar wijnstok en haar vijgenboom, waarvan zij zegt: Deze zijn mij een hoerenloon, dat mij mijn boelen gegeven hebben. Maar Ik zal ze stellen tot een woud, en het wild gedierte des velds zal ze vreten.
12 En Ik zal over haar bezoeken de dagen der Baäls, waarin zij dien gerookt heeft, en zich versierd met haar voorhoofdsiersel en haar halssieraad, en is haar boelen nagegaan, maar heeft Mijner vergeten, spreekt de HEERE.
13 Daarom, zie, Ik zal haar lokken en zal haar voeren in de woestijn, en Ik zal naar haar hart spreken.
14 En Ik zal haar geven haar wijngaarden van daar af, en het dal van Achor tot een deur der hoop; en aldaar zal zij zingen, als in de dagen harer jeugd en als ten dage toen zij optoog uit Egypteland.
15 En het zal te dien dage geschieden, spreekt de HEERE, dat gij Mij noemen zult: Mijn Man, en Mij niet meer noemen zult: Mijn Baäl.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Hosea 2:13
THEMA
Gods onbegrijpelijke liefde en zorg
AANDACHTSPUNTEN
Gemeente, op deze dankdagavond preek ik u het Woord van God vanuit Hosea 2, daarvan in het bijzonder vers 4 tot en met 13. Ik zal niet dat hele gedeelte opnieuw voor u voorlezen, ik lees u alleen drie verzen voor, die opvallend genoeg alle drie beginnen met hetzelfde woordje: Daarom! Ik lees voor u de verzen 5,8 en 13 Daarom, ziet, Ik zal uw weg met doornen betuinen, en Ik zal een heiningmuur maken, dat zij haar paden niet zal vinden. Daarom zal Ik wederkomen, en Mijn koren wegnemen op zijn tijd, en Mijn most op zijn gezette tijd; en Ik zal wegrukken Mijn wol en Mijn vlas, dienende om haar naaktheid te bedekken. Daarom, ziet, Ik zal haar lokken, en zal haar voeren in de woestijn; en Ik zal naar haar hart spreken.
Het thema voor de preek op deze dankdagavond is: Gods onbegrijpelijke liefde en zorg Die onbegrijpelijke liefde en zorg van de Heere wordt in ons tekstgedeelte in de eerste plaats driemaal miskend en in de tweede plaats driemaal bewezen. Twee aandachtspunten dus: 1. Driemaal miskend 2. Driemaal bewezen Als eerste dus:
Hosea, profeet, boodschapper van God, heeft in de tijd van het tienstammenrijk van de Heere de opdracht gekregen om Israël aanschouwelijk onderwijs te geven. Hij heeft van de Heere de opdracht gekregen om de verhouding tussen de Heere en Zijn volk voor de ogen van het volk uit te beelden. Niet zomaar, met een alledaags beeld, maar heel bijzonder met het beeld van een ongelukkig huwelijk. Hosea moet trouwen met Gomer, een lichtzinnige vrouw, die niet één keer, maar steeds weer geneigd is tot huwelijkse ontrouw. Gomer is steeds weer geneigd om andere mannen achterna te gaan en Hosea, haar man, ontrouw te zijn.
Zo begint Hosea 1:1-2Het woord des HEEREN, dat geschied is tot Hosea, den zoon van Beëri, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz, Hizkia, koningen van Juda, en in de dagen van Jerobeam, zoon van Joas, koning van Israël. Het begin van het woord des HEEREN door Hosea. De HEERE dan zeide tot Hosea: Ga henen, neem u een vrouw der hoererijen, en kinderen der hoererijen; want het land hoereert ganselijk van achter den HEERE., waar de Heere zegt tegen de profeet Hosea: Ga henen, neem u een vrouw der hoererijen(!), en kinderen der hoererijen; want het land hoereert ganselijk van achter de HEERE. Zo ging hij henen, en nam Gomer, een dochter van Diblaim; en zij ontving; en baarde hem een zoon. Het is voor Israël aanschouwelijk onderwijs. Gomer is beeld van menselijke ontrouw, van het weggaan van de Heere en van het dienen van de afgoden. Hosea’s liefde en trouw zijn beeld van Gods liefde en trouw. Van Gods liefde en trouw in het zoeken van zondaars, in het tot leven roepen van dode zondaars, in het bekeren van vijanden, en vooral ook in het weer opzoeken van Zijn afgedwaalde kinderen.
Hosea en Gomer zijn op Gods bevel gehuwd. Maar dat huwelijk is door Gomer alleen maar stuk gemaakt. Wat een ellende, wat een pijn en verdriet, als je man of je vrouw er met een ander vandoor gaat. Samen begonnen, voor God, maar zomaar ineens bevlogen door genot, plezier en uiterlijke schoonheid…, weggegaan…, en sindsdien is alles stuk gegaan… De Heere zij u genadig, als dit een tekening is van uw gebroken huwelijk!
Maar dit beeld is des te pijnlijker als we bedenken wat deze Man (de Heere Zelf) voor die ontrouwe vrouw (voor Israël dus) allemaal gedaan heeft. Israël is door de Heere verlost uit de slavendienst van Egypte, geleid in de woestijn, gebracht in Kanaän, een land vloeiende van melk en honing. Maar in plaats van na al die zegeningen de Heere te danken, zoals de dichter van Psalm 116 doet: ik zal Uw Naam met dankerkentenis verheffen, in plaats van dat, is dit Israëls danklied, en dat is de eerste miskenning van Gods liefde en zorg (wat staat in vers 4): Ik zal mijn boelen (mijn buitenechtelijke minnaars) nagaan, die mij mijn brood en mijn water, mijn wol en mijn vlas, mijn olie en mijn drank geven. Mijn buitenechtelijke vrienden, beeld van mijn afgoden, beeld van mezelf, zij hebben mij mijn brood, mijn water, mijn wol, mijn vlas, mijn olie en mijn drank gegeven. Israël is door de Heere gevonden, uit het midden van de volken apart gezet, als een volk voor God, gevoed en onderhouden en verzorgd, maar nu… bevlogen door genot, plezier, uiterlijke schoonheid, bevlogen door de dingen van de wereld, door de afgoden en vooral… door zichzelf: alles is van mij! Niet alleen weggegaan van de Heere, maar ook nog door en door ondankbaar! Wat een ondankbaarheid: dit is allemaal van mij! Mijn brood, mijn water, mijn wol, mijn olie, mijn…, mijn… Dit alles heb ik van mijn afgoden gekregen. En mijn grootste afgod dat ben ikzelf. Wat een diepe krenking van Gods liefde en zorg.
En dat niet één keer in vers 4, maar nog een keer in vers 7, de tweede miskenning van Gods liefde en zorg: Zij bekent toch niet, dat Ik haar het koren, en den most, en de olie gegeven heb, en haar het zilver en goud vermenigvuldigd heb, dat zij tot den Baal gebruikt hebben Israël weet het wel, maar Israël wil het niet weten. Israël kent de Heere wel, maar wil Hem niet erkennen.
Israël kent en weet: dit is allemaal van de goede Schepper en Onderhouder van ons leven, maar ze erkent de Heere niet. De apostel Jakobus zegt: Alle goede gave, en alle volmaakte gift is van boven, van de Vader der lichten afkomende, bij Welke geen verandering is, of schaduw van omkering (Jakobus 1:17Alle goede gave, en alle volmaakte gifte is van boven, van den Vader der lichten afkomende, bij Welken geen verandering is, of schaduw van omkering.). En de apostel Paulus zegt: En wat hebt u, dat u niet hebt ontvangen? En zo u het ook ontvangen hebt, wat roemt u, alsof u het niet ontvangen had (1 Korinthe 4:7Want wie onderscheidt u? En wat hebt gij, dat gij niet hebt ontvangen? En zo gij het ook ontvangen hebt, wat roemt gij, alsof gij het niet ontvangen hadt?)? Maar nee, Israël zegt: dit is van mij. In vers 11: dit is mijn hoerenloon. Dit heb ik van mijn afgoden gekregen. Ja, erger nog, de Heere zegt: u gebruikt het ook voor de Baäls, u gebruikt het voor uw afgoden.
Kijk eens terug, gemeente, naar het afgelopen seizoen. Wat hebben we veel van de Heere gekregen: eten, drinken, inkomsten… Ja, zegt u, maar daar heb ik hard voor gewerkt. O, maar wie gaf u dan de gezondheid, de kracht en het werk? U had voorspoed in uw gezin: een baby gekregen, liefde, rust en verbondenheid in huwelijk en gezin… Ja, maar wie borduurde uw kindje als een wonderlijk borduursel in de buik van moeder (Psalm 139:15Mijn gebeente was voor U niet verholen, als ik in het verborgene gemaakt ben, en als een borduursel gewrocht ben, in de nederste delen der aarde.)? Wie gaf u die liefde, verbondenheid en vrede? Jongelui, het is goed gegaan op school, je hebt je examen gehaald, je bent begonnen aan een nieuwe opleiding… Ja, maar wie gaf je het verstand? Weet je niet meer, wat er met koning Nebukadnezar gebeurde toen God een moment Zijn hand van hem introk? Dat hij toen zijn verstand verloor en gras at als een beest (Daniël 4:33Ter zelfder ure werd dat woord volbracht over Nebukadnezar, want hij werd uit de mensen verstoten, en hij at gras als de ossen, en zijn lichaam werd van den dauw des hemels nat gemaakt, totdat zijn haar wies als der arenden vederen, en zijn nagelen als der vogelen.)? Geestelijke zegeningen gekregen…: berouw, droefheid naar God, zicht op Christus, genade, vergeving van zonden, verzoening met God… Ja, maar wie maakte dat berouw? Hebt u uzelf opgewekt uit uw geestelijke dood? Hebt u zelf uw eigen ogen geopend? Wie gaf u genade en vergeving? Wie gaf u een nieuw hart en een nieuw leven?
Mijn hart zegt (en daar gaat het hier over!): ‘het is mooi, het is geweldig allemaal, maar het is allemaal van mij! Dit is van mij! Ik heb er toch mijn best voor gedaan? Ik heb me er toch zelf voor ingezet? Ik ben er toch voor gegaan? Ik heb er toch voor geknokt?’
Maar wie gaf dat allemaal aan u? En vooral: waarvoor, of beter gezegd voor wie hebt u het allemaal gebruikt? Voor wie hebt u al die zegeningen en gaven gebruikt? Was het voor uw afgoden, was het voor uzelf (want mijn grootste afgod, dat ben ikzelf)? Of hebt u de Heere ermee gediend? Hebt u uw gaven gebracht aan de voeten van de grote Gever? Met ootmoed en erkenning: Heere, wat een wonder toch, want al die gaven had ik niet verdiend?
Of zegt u wat Israël zegt in vers 11, het begin van de derde miskenning die uitloopt op vers 12: Deze zijn mij een hoerenloon, dat mij mijn boelen gegeven hebben.
Dit is van mij! Dit heb ik verdiend! Is dit niet het grote Babel dat ik gebouwd hebt? Hier zien we iets, gemeente, van de diepe verlorenheid van ons menselijke hart, ook na ontvangen genade: van die verachting van de Heere en Zijn goedheid, en van die hardnekkige trots op… mezelf. Is dat niet ten diepste de aloude strijd tussen ik, mijn ik, mijn afgoden en God? Ik en mijn spullen, maar God …? Aan de kennis van Hem en Zijn wegen heb ik geen lust (Job 21:14Nochtans zeggen zij tot God: Wijk van ons, want aan de kennis Uwer wegen hebben wij geen lust.). Ik zal genieten van wat ik heb. Van (vers 10): mijn vrolijkheid, mijn feesten, mijn nieuwe maanden, mijn gezette hoogtijden, ik zal genieten van mijn biddagen en van mijn dankdagen… Het klinkt allemaal mooi, maar het draait allemaal alleen maar om ik en mij.
Ik, ik, maar… u hebt Mij vergeten, zegt de Heere (in vers 12). Het klinkt als een bedroefde klacht van de Heere: Israël, Ik heb u liefgehad, u apart gezet uit het midden van de volken, Ik heb u aan de hand genomen, Ik heb u geleerd en geleid, maar… u hebt Mij vergeten. U hebt niet alleen Mijn zegeningen en weldaden vergeten, maar u hebt Mij Zelf, de Heere Zelf vergeten. Hoor toch de klacht van de Heere, van de Gever van alle goed, op deze dankdag: u hebt heel veel gekregen, maar u hebt Mij vergeten!
Is dat niet waar? Wees eens eerlijk, gemeente, terugkijkend naar het achterliggende seizoen? Onbekeerden, de Heere zegt tegen u: u hebt Mij vergeten, Mijn volk blijft hangen aan de afkeringen van Mij. Weggegaan in het paradijs, nooit meer van plan om terug te keren. Vol van opstand en vijandschap, vol van afval en hoererij. Getrouwd met de duivel, besteedt u uw leven in zijn dienst. Hoor toch de klacht, van gesmade, verachte en vertrapte liefde: waarom hebt u Mij vergeten?
Kinderen van God, dit wordt vooral tegen ons gezegd. Dit is vooral een klacht van de Heere over Zijn volk, over Zijn kinderen, over Zijn bruid. De Heere zegt: Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde, daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid (Jeremia 31:3De HEERE is mij verschenen van verre tijden! Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid.), maar nu…? U weigert Mij te erkennen. U weigert te erkennen dat in Mij, in de hemelse Bruidegom alleen alle heil is. Hoe vaak hebben we de Heere niet vergeten en verlaten? Hoe vaak zijn we niet afgedwaald van onze hemelse Bruidegom, in geestelijke zin ontrouw en overspelig, net als Gomer? Genoten van de dingen van deze tijd, niet gedankt, maar gedacht en gezegd: het is mijn brood, het is mijn geld, ik heb het eerlijk zelf verdiend, en dus ben ik ook de baas over mijn eigen portemonnee. Het is mijn man, het is mijn vrouw, het zijn mijn kinderen, ze zijn allemaal van mij. En mijn huis is mijn huis en mijn auto is mijn auto… Genoten van geestelijke zegeningen, maar (wat een gevaar!) de Heere niet de eer gegeven? Mijn nieuwe leven is mijn nieuwe leven, mijn bekering is mijn bekering, de genade is mijn genade en mijn ambt is mijn ambt. Alles is van mij!
Hoe anders klinkt dat, als dat wat we zongen aan het begin van deze dienst: In God is al mijn heil en eer. U, o Heere, bent mijn Vader en alles wat ik heb is van U. Ik leef slechts uit Uw hand, zoals we lazen uit zondag 9 en 10 van onze catechismus.
Wat een ondankbaarheid! Wat een zelfzucht: ik, ik! We horen hier niet anders dan de echo van het paradijs. ‘Adam, erken de Heere, je Schepper en Maker, en dien Hem met je hele hart.’ ‘Nee, Heere, niet U, maar ik. Ik wil als U, ik wil als God zijn.’ En dat danklied echoot door tot op deze dankdag in het jaar 2016. Dit is onze dank! Het u uzelf al zo leren kennen? We kunnen danken met onze lippen, maar ons hart…! Hebt u al leren bukken voor de Heere, vanwege uw ontrouw en ondankbaarheid? Zonder dat is het vandaag geen echte dankdag. Hebt u al leren zeggen: ‘Heere, het is waar, ik, altijd maar dat ik van mezelf. Nooit heb ik van mezelf U bedoeld, ook niet in het afgelopen seizoen!?’
Is er nog doen aan? Is er nog hoop? Is er nog een weg terug? Voor Israël? Voor ons? Het zou recht zijn als de Heere zou zeggen: ‘vanwege uw ondankbaarheid is het nu over en uit! U was Mijn volk, maar Ik zal nooit meer naar u omzien.’ Maar, zo zegt u: ‘bij de Heere is toch vergeving?’ Ja, dat is waar. Maar, de weg waardoor de Heere mensen leidt tot vergeving is vaak anders dan we zouden hopen en verwachten. Die weg is vaak een zo onbegrepen weg. Het is niet voor niets, dat het danklied van de verlosten begint met: Ik dank U, HEERE! dat U toornig op mij geweest zijt (Jesaja 12:1En te dienzelfden dage zult gij zeggen: Ik dank U, HEERE! dat Gij toornig op mij geweest zijt, maar Uw toorn is afgekeerd, en Gij troost mij.). De psalm die we gaan zingen, heeft eenzelfde strekking. Psalm 119: 36: Het is goed voor mij verdrukt te zijn geweest. Laten we die psalm nu samen eerst zingen, voordat we verder gaan met ons tweede aandachtspunt: Psalm 119:36.
't Is goed voor mij, verdrukt te zijn geweest, Opdat ik dus Uw Godd'lijk recht zou leren; Sinds heeft mijn hart voor hovaardij gevreesd. Ai, doe mij steeds Uw wil als heilig eren; Ver boven goud en zilver, en wat meest Den mens bekoort, zal ik Uw wet waarderen.
Gemeente, het gaat vanavond over Gods onbegrijpelijke liefde en zorg. We hebben gezien hoe die liefde en zorg driemaal zijn miskent. Nu onze tweede gedachte:
Welke middelen gebruikt God om ondankbare mensen terug te brengen? Het eerste middel, het eerste bewijs ook van Gods liefde en zorg, zien we in vers 5: Daarom, ziet, Ik zal uw weg met doornen betuinen, en Ik zal een heiningmuur maken, dat zij haar paden niet zal vinden.
Ik zal uw weg met doornen betuinen. Ik zal doornstruiken plaatsen langs het pad waar u loopt. Ineens zit u vast, de doornen steken in uw arm, uw voet loopt erin vast.
Ik zal een heiningmuur maken. U kan ineens niet verder, de weg is geblokkeerd, stop! Dat zij haar paden niet zal vinden. Hoe gemakkelijk het altijd ging, nu gaat het niet meer, het wil niet meer, ik weet het niet meer… Verblind. De weg kwijt. En, vers 6: Zij zal haar boelen nalopen, maar dezelve niet aantreffen Ondanks uiterste inspanning en vlijt, is het geluk van vroeger er niet meer. Zij zal hen zoeken, maar niet vinden… Vroeger was er plezier en vermaak, maar het is over en uit. Nu is er zware beproeving en tegenslag. U zegt: ‘is dat nu liefde en zorg?’ Waarom zoveel beproeving en tegenslag? Is dat uit wraak, is dat om Israël het leven zuur te maken? Is dat om te vergelden wat wij de Heere aangedaan hebben?
Er is nog een tweede middel, een tweede bewijs ook van Gods liefde en zorg, te zien in vers 8: Daarom zal Ik wederkomen, en Mijn koren wegnemen op zijn tijd, en Mijn most op zijn gezette tijd; en Ik zal wegrukken Mijn wol en Mijn vlas, dienende om haar naaktheid te bedekken. Hoort u, hoe de Heere het ons laat voelen: het was allemaal van Mij!? U zei wel: mijn koren en mijn vlas, maar het was en is van Mij! En dat zal ik u laten voelen, door… Mijn zegeningen weg te nemen. Hoe gemakkelijk kan de Heere Zijn zegeningen intrekken. Persoonlijk, in het tijdelijke leven, in het geestelijke leven, maar ook ambtelijk en in het gemeenteleven. Plotseling, onverwacht en rechtvaardig. Kijk maar in vers 10 en 11: En Ik zal doen ophouden al haar vrolijkheid, haar feesten, haar nieuwe maanden, en haar sabbatten, ja, al haar gezette hoogtijden. En Ik zal verwoesten haar wijnstok en haar vijgeboom, waarvan zij zegt: Deze zijn mij een hoerenloon, dat mij mijn boelen gegeven hebben; maar Ik zal ze stellen tot een woud, en het wild gedierte des velds zal ze vreten. Er was voorspoed, en dus reden tot dank en vrolijkheid, maar het was allemaal zonder God. En nu grijpt de Heere in met tegenspoed en druk, met moeite en zorg. In het persoonlijke leven, in het kerkelijke leven, omdat we trots geworden zijn op dat wat we van de Heere gekregen hebben. Plotseling, onverwacht en rechtvaardig grijpt God in, maar toch ook en vooral: genadig.
Kijk maar: Daarom, zie Ik zal hun weg met doornen betuinen… Daarom zal Ik Mijn koren wegnemen… Daarom, één keer, twee keer, maar er volgde nog een derde daarom, een derde middel tot bekering en een derde bewijs van Gods liefde en zorg, in vers 13: Daarom, ziet, Ik zal haar lokken... Daarom, ziet, Ik zal haar lokken, en zal haar voeren in de woestijn; en Ik zal naar haar hart spreken.
Al die tegenspoed, al die zorg en moeite heeft een doel. Het is goede zorg. De Heere wil u (in het bijzonder Zijn kinderen) niet door laten gaan op eigen wegen.
Als u onbekeerd bent, dan is tegenspoed en zorg een liefdevolle nodiging: ga zo niet door, want als u zo doorgaat, dan komt u om! En als u de Heere mag dienen en vrezen, dit is al die tegenspoed en zorg een liefdevol vermaan: keert terug! Keert weder, gij afkerige kinderen! Ik zal uw afkeringen genezen (Jeremia 3:22a).
Juist in tijden van tegenspoed en zorg, in het persoonlijke leven, maar ook ambtelijk en kerkelijk, als we doorns voelen op ons pad (pijnlijke tegenspoed), als de Heere ons Zijn zegeningen ontneemt (we merken het in geesteloosheid, in donkerheid, in duisternis en verlating), het is allemaal bedoeld om ons onze armoede, ellende en totale onvermogen te laten voelen, opdat we de Heere weer zouden benodigen, opdat we weer zouden gaan roepen, om ons te lokken, opdat we komen zouden met smeking en geween. Het is bedoeld, niet om ons weg te slaan (dat zou rechtvaardig zijn), maar om ons, volk van God, te lokken, om ons opnieuw te trekken met goedertierenheid. En dan zal Ik, zegt de Heere, als Ik uw hoogmoed vernederd heb, dan zal Ik (hoor de zekerheid van dat Goddelijke ‘Ik zal’!), dan zal Ik daar, mijn volk, in de woestijn tot u spreken. Ik breng u in moeite, in zorg en bittere tegenspoed, om u (hard en weerbarstig als u bent) door die weg weer aan Mijn voeten te brengen.
Het ingrijpen van God in ons leven, door middel van tegenspoed en zorg, heeft een doel: in de weg van bittere tegenspoed, in het kwijtraken van zegeningen, in het voelen van doorns op onze weg, in die weg brengt de Heere een afgekeerd en dwalend volk tot inkeer. Dat is het doel van de Heere! Zodat we zullen gaan zeggen, voor het eerst en opnieuw, wat staat in vers 6: Ik zal heengaan en keren weder tot mijn vorige Man, want toen was mij beter dan nu. Ik ben God kwijtgeraakt door mijn zonden. Ik zou doorgegaan zijn, en ik zou nooit meer teruggekeerd zijn, maar… de Heere greep in. Het kwam bij Hem vandaan. Want als er één ding duidelijk is in Hosea 2, dan is het dit: het komt bij God vandaan. Tot tweeëntwintig keer toe staat er: Ik zal! God zal!
God grijpt in, in een weg van tegenspoed en zorg. God grijpt in, en… wij juichen en danken? Nee, God grijpt in, en wij buigen: ‘Heere, ik ben het niet waard, dat U ooit nog naar me zou omzien. Wat een wonder is het, dat U alleen Uw koren weggedaan hebt, maar dat U mij niet hebt weggedaan.’ Het zijn de goedertierenheden des HEEREN, dat wij niet vernield zijn, dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben. Zij zijn allen morgen nieuw, Uw trouw is groot. (Klaagliederen 3:22-23Cheth. Het zijn de goedertierenheden des HEEREN, dat wij niet vernield zijn, dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben; Cheth. Zij zijn allen morgen nieuw, Uw trouw is groot.) Het zijn de goedertierenheden des Heeren dat wij niet vernield zijn. Dat zou rechtvaardig zijn geweest. O, wees mij, zondaar, ondankbaar mens genadig?
God grijpt in, en… wij juichen en danken? Nee, wij buigen. ‘Heere, wat een onbegrijpelijk wonder van genade. Dat U Uw Enig geliefde Zoon naar deze wereld zond, als vrucht van dat Goddelijke ‘Ik zal’, als vrucht
van Uw eeuwige en eenzijdige welbehagen. Ongevraagd en ongewenst, maar toch is Hij gekomen. Hij had recht op alles. Hij kon met recht zeggen: van Mij is het koren, van Mij is de olie, van Mij is de wijn, van Mij is het vee, van Mij is al het goud en zilver. Hij had recht op alles. Maar Hij stond alles vrijwillig af. Alles wat Hij had, zelfs Zijn leven en Zijn bloed. Voor zulk soort van mensen: zondig, ontrouw en ongehoorzaam.’
Daar, waar wij als zondaars die alles verbeurd en verzondigd hebben, bukken aan de voeten van de Heere, daar (door de Heere Zelf gelokt en gebracht: Ik zal, en zij zullen terugkeren), daar wordt de echte dank geboren, dank met verbazing en verwondering: ‘Heere, ik kan het niet begrijpen, dat U zo goed voor me bent en geweest bent. Dat u zo goed voor me bent geweest, dat U met tegenkwam, dat U me niet door liet gaan. Het is goed voor mij verdrukt te zijn geweest.’ Ik dank U, HEERE! dat Gij toornig op mij geweest zijt, maar Uw toorn is afgekeerd, en Gij troost mij (Jesaja 12:1). U troost me. Want in de diepten waarin ik mezelf verfoei, vanwege zoveel ondankbaarheid en ontrouw, daar gaat Hij schitteren, Jezus Christus, getrouw tot de dood, tot de dood van het kruis, en dat voor mij… zo ontrouw! En dat trekt mijn ziel, dat lokt me, Hij lokt me! En daarom zegt Hosea aan het eind van het volgende hoofdstuk, in Hosea 3 vers 5: na al die tegenspoed, dan zullen zij vrezende komen tot de HEERE en Zijn goedheid. Zij zullen vrezende komen tot de HEERE en Zijn goedheid.
Dat is pas echt dankdag vieren. Dat is niet zomaar zingen en dankbaar zijn. Dankdag vieren is lof zingen vanuit de diepten, vol verwondering en verbazing. Dankdag vieren dat is Gods lof en onze dank zingen vanuit een ontrouw, maar gebroken hart. En dat alles, door de Heere Zelf gelegd in het hart, dat vrezende komt tot de HEERE en Zijn goedheid.
Onbekeerde mensen hebben (dat is het ene uiterste) of de neiging om niets te geloven van Gods goedheid (kijkend naar al de ellende in hun leven) of (dat is het andere uiterste) ze vinden Gods goedheid heel vanzelfsprekend. Maar zij die door de Heere gebracht zijn uit de slavernij van de zonde, zij die na ontvangen genade door de weg van doorns weer teruggebracht zijn aan de voeten des Heeren, zij weten wat dat betekent: vrezende komen tot de HEERE en tot Zijn goedheid. Vrezend: ‘Heere, ik heb het niet verdiend. Wie ben ik? Ga uit van mij, want ik ben een zondig mens. Waarom ik, waarom zoveel goedheid voor mij? Ik kan het niet begrijpen. Ik schaam me weg. Mijn schuldige hart beeft onder de blijken van Uw goedheid. Wie ben ik toch? Is dat allemaal voor mij? Zoveel liefde en zorg voor mij? Ja zelfs… zoveel tegenspoed in liefde voor mij? Want, ik zag het toen niet, maar achter die tegenspoed en moeite was en is Uw goede hand, Uw goede hart, Uw liefdehart.’
Wie zo bukt, vrezende voor de Heere en Zijn goedheid, die viert echt dankdag. Die viert echt dankdag. In die weg geldt wat staat in vers 13: Daarom, ziet, Ik zal haar lokken, en zal haar voeren in de woestijn; en Ik zal naar haar hart spreken. En Ik zal haar geven haar wijngaarden van daar af, en het dal Achor, tot een deur der hoop; en aldaar zal zij zingen, als in de dagen harer jeugd, en als ten dage, toen zij optoog uit Egypteland. En het zal te dien dage geschieden, spreekt de HEERE, dat u Mij noemen zult: Mijn Man; en Mij niet meer noemen zult: Mijn Baäl! (vers 13-15)
In die weg, van het vrezende komen tot de Heere en Zijn goedheid, geldt wat de verderop staat in vers 18: En Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid; ja, Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid en in gericht, en in goedertierenheid en in barmhartigheden. En Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof; en u zult de HEERE kennen. En het zal te dien dage geschieden, dat Ik verhoren zal, spreekt de HEERE; Ik zal de hemel verhoren, en die zal de aarde verhoren. En de aarde zal het koren verhoren, mitsgaders de most en de olie; en die zullen Jizreël verhoren. En Ik zal ze Mij op de aarde zaaien, en zal Mij ontfermen over Lo-ruchama; en Ik zal zeggen tot Lo-ammi: Gij zijt Mijn volk; en dat zal zeggen: O, mijn God! (vers 18-22)
Ik dank U, HEERE! dat U toornig op mij geweest zijt, maar Uw toorn is afgekeerd, en U troost mij.
Amen.
Slotzang Psalm 71:10 en 11:
Mijn hart zal steeds op U vertrouwen, Mijn mond vindt tot Uw lof Gedurig ruimer stof. En zal Uw recht en heil ontvouwen; Schoon ik de reeks dier schatten Kan tellen noch bevatten.
Ik zal blijmoedig henen treden In 's HEEREN mogendheid. Mijn hart is uitgebreid, O HEER, om Uw gerechtigheden, Ja die alleen, te prijzen, Op aangename wijzen.
Andere preken over Hosea
Andere preken voor Dankdag