Kerst - 3 januari 2016
Hosea 11:1: Als Israël een kind was, toen heb Ik hem liefgehad, en Ik heb Mijn zoon uit Egypte geroepen.
INLEIDING
Hosea's profetie "Uit Egypte heb Ik Mijn zoon geroepen" wijst terug naar Israëls uittocht en vindt vervulling in de vlucht van Jozef en Maria met het Kind naar Egypte. Dit toont Gods vaste patroon: wat als tegenslag lijkt, is Zijn goede zorg. In Egypte volgt vernedering en strijd — voor het volk, voor Christus, en voor de zondaar onder de last van zijn zonden. Maar uit die slavernij roept God, uit eenzijdige liefde, Zijn kinderen krachtig terug, zoals Hij eens Zijn eigen Zoon terugriep om de weg te banen tot verlossing van zondeslaven.
Uit Egypte geroepen
HOSEA 11:1-5
1 Als Israël een kind was, toen heb Ik hem liefgehad, en Ik heb Mijn zoon uit Egypte geroepen.
2 Maar gelijk zij henlieden riepen, alzo gingen zij van hun aangezicht weg; zij offerden den Baäls en rookten den gesneden beelden.
3 Ik nochtans leerde Efraïm gaan; Hij nam hen op Zijn armen, maar zij bekenden niet dat Ik hen genas.
4 Ik trok hen met mensenzelen, met touwen der liefde, en was hun als degenen die het juk van op hun kinnebakken oplichten, en Ik reikte hem voeder toe.
5 Hij zal in Egypteland niet wederkeren, maar Assur, die zal zijn koning zijn; omdat zij zich weigeren te bekeren.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Hosea 11:1
THEMA
Uit Egypte geroepen
AANDACHTSPUNTEN
LITURGIE
Lezen Hosea 11 en Mattheus 2:13-15
Gemeente, de tekst voor de preek van vanmorgen kunt u vinden in Mattheüs 2:14-15Hij dan opgestaan zijnde, nam het Kindeken en Zijn moeder tot zich in den nacht, en vertrok naar Egypte; En was aldaar tot den dood van Herodes; opdat vervuld zou worden hetgeen van den Heere gesproken is door den profeet, zeggende: Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen.. Daar schrijft Mattheüs: Hij (Jozef) dan opgestaan zijnde, nam het Kindeke en Zijn moeder tot zich in de nacht, en vertrok naar Egypte; en was aldaar tot de dood van Herodes; opdat vervuld zou worden hetgeen van de Heere gesproken is door de profeet, zeggende: Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen. Dat was in verleden dus door de Heere voorzegd, door de woorden van profeet Hosea, in Hosea 11:1Als Israël een kind was, toen heb Ik hem liefgehad, en Ik heb Mijn zoon uit Egypte geroepen.. Waar staat (we hebben het samen gelezen): Als Israël een kind was, toen heb Ik hem liefgehad, en Ik heb Mijn zoon uit Egypte geroepen. Daarover gaat de preek van vanmorgen.
Het thema voor de is: Uit Egypte geroepen Er zijn drie aandachtspunten: 1. Naar Egypte 2. In Egypte 3. Uit Egypte
Gemeente, laten we eerst samen even kijken naar die profetie van Hosea. Pak het er nog even bij in uw Bijbel, Hosea 11.
Hosea, de profeet, hij profeteert waarschijnlijk in de periode tussen 750 en 725 voor Christus, in de laatste periode van het tienstammenrijk, vlak voor de wegvoering van het volk naar Assyrië. Waarschijnlijk is de profeet zelf net voor de wegvoering naar Assyrië gestorven. Heel de profetie van Hosea, gericht aan dat tienstammenrijk, is een dringende oproep tot bekering. Een dringende oproep aan het adres van een volk dat God vergeten en verlaten heeft, dat de Heere heeft losgelaten en de afgoden dient.
Maar, het is een volk dat de Heere Zelf niet wil loslaten. Hij houdt het vast vanwege Zijn woord en belofte, vanwege Zijn verbond. In de veertien hoofdstukken van de profetie van Hosea schittert op iedere bladzijde Gods onwankelbare trouw en Zijn ongevraagde liefde tot Zijn verbondsvolk.
Zijn bewogenheid in liefde tot zijn volk als geheel. En Zijn bijzondere liefde tot hen die Hem werkelijk dienen en vrezen, tot hen die Hij heeft liefgehad met een verkiezende, met een eeuwige liefde.
Eigenlijk zijn er dus binnen de kring van het volk twee cirkels, twee kringen. Er is een grotere kring die het hele volk omspant. Een cirkel waarin voortdurend de hartelijke oproep klinkt: keert weder, gij afkerige kinderen! Ik zal uw afkeringen genezen (Jeremia 3:22Keert weder, gij afkerige kinderen! Ik zal uw afkeringen genezen. Zie, hier zijn wij, wij komen tot U, want Gij zijt de HEERE, onze God!). En er is een kleinere cirkel (maar die is voor ons mensen onzichtbaar) van hen die van eeuwigheid af door God zijn bemind. Hen heeft Hij liefgehad met een eeuwige liefde. Hij riep en roept ze, krachtig, onwederstandelijk, door de bediening van het Woord en de toepassende werking van de Heilige Geest, uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht.
Hosea roept hen allemaal dringend op tot bekering. De mensen dus uit die beide kringen: iedereen! Niet alleen de onbekeerden, maar ook hen die God vrezen.
En Hosea doet dat op Gods bevel op verschillende manieren. In de eerste hoofdstukken van zijn profetie door de trouw van God lijnrecht te plaatsen tegenover de ontrouw van het volk Israël. Dan volgen er hoofdstukken waarin zware straffen aangekondigd worden. Je zou bijna denken aan het einde van Hosea 10: nu is het einde nabij, nu gaat Israël ten onder...
Maar dan, onverwachts, laat God in hoofdstuk 11 opnieuw in Zijn hart kijken. Opnieuw klinkt op hartelijke en vriendelijke toon: ‘Kind, kijk eens terug, weet je nog van vroeger?’ Israël (vers 1), toen je een kind was, had Ik je lief. Toen er honger kwam, bracht Ik je in Egypte. En toen je daar in Egypte onderdrukt werd, toen riep Ik je uit Egypte. Je was nog klein, Ik leerde je lopen: Ik nochtans (vers 3) leerde Efraïm gaan. Ik leerde je als Vader om je eerste stapjes te zetten. Ik trok je (vers 4) naar Mij toe. Ik zorgde voor je. Ik gaf je te eten. En Ik gaf je alles wat je nodig had.
Maar (vers 7), en het klinkt als een zwaard dat snijdt door een liefhebbend hart: Mijn volk blijft hangen aan de afkeringen tegen Mij! Het is Mijn volk, maar ze willen niet dat Ik God, dat Ik Koning over hen ben. Aan de kennis van Mijn wegen hebben zij geen lust (Job 21:14Nochtans zeggen zij tot God: Wijk van ons, want aan de kennis Uwer wegen hebben wij geen lust.)!
Is dat, gemeente, misschien ook een beeld van ons eigen leven? Luister eens, de Heere neemt je vanmorgen in de preek even apart, even onder vier ogen, en zegt: ‘Kijk eens terug. Weet je niet meer, hoe het vroeger was?’ Hebt je nooit gehoord, hoe je moeder je vasthield (hier in de kerk) bij dit doopvont, toen Ik Mijn Naam uitriep over je leven? Ik gaf je een moeder, een vader, die met je bad. Die de eerste versjes voor je zong: God heb ik lief, want die getrouwe Heere hoort mijn stem.
Ik leerde je lopen, stap voor stap. In moeilijke tijden zorgde Ik voor je. Net als destijds voor het volk Israël.
Je groeide op, als een gedoopt kind, met het teken van het verbond op je voorhoofd, onder de dienst van Mijn Woord. Ik bracht je onder Mijn Woord. Ik sprak je aan. Er waren tijden dat Mijn Woord als het ware drong aan de deur van je hart om binnen te gaan. Maar de wereld lokte, en je ging door. Er werd aan je getrokken onder de preek, liefdevol, nodigend, lokkend, als met touwen van liefde, maar… je wilde niet!
O, hoor toch, jongeren en ouderen, de klacht van de HEERE, de God van het verbond, ook over ons leven (in vers 7): Mijn volk! (Ik heb Mijn Naam over u uitgeroepen en u hebt het teken van Mijn verbond ontvangen), Mijn volk blijft hangen aan de afkeringen tegen Mij!
Toen Israël een kind was, toen heb Ik hem liefgehad, en Ik heb Mijn zoon uit Egypte geroepen (vers 1). Voor het oog is het een eenvoudige tekst, die door Mattheüs aangehaald wordt en betrokken wordt op Christus. Die met moeder Maria en vader Jozef vanwege de dreiging van koning Herodes gevlucht is uit Israël naar Egypte. Het staat in Mattheus 2:14: Hij (Jozef) dan opgestaan zijnde, nam het Kindeken en Zijn moeder tot zich in de nacht, en vertrok naar Egypte. Maar toen koning Herodes gestorven was, verschijnt de engel opnieuw aan Jozef en zegt: ‘Ga maar terug, want degene die de ziel van het Kind zocht, Herodes, hij is gestorven’. Uit Egypte heb Ik Mijn zoon geroepen. Eeuwen later wordt profetie van Hosea vervuld.
Maar eigenlijk is deze profetie van Hosea geen gewone profetie. Meestal wezen de profeten vooruit, naar de toekomst: het zal gebeuren! Maar deze profetie van Hosea is geen profetie die vooruit gewezen heeft. Want als Hosea deze woorden uitspreekt, dan wijst hij terug in de geschiedenis, naar de uittocht van het volk Israël uit Egypte. Dit is (even voor de duidelijkheid) geen gewone profetie, dit is profetie (zo zou je het kunnen noemen) van overeenkomst, profetie van analogie. Het betekent zoveel als: dit is Gods manier van werken. Zo werkt de Heere, volgens dit patroon. Zo handelt Hij met Zijn volk.
Zo handelde de Heere vroeger met het volk Israël. Hij riep Zijn zoon, Zijn volk Israël uit de slavendienst van farao uit Egypte, uit het land Gosen. Daar kijkt Hosea naar terug. Zo handelde de Heere uiteindelijk ook met Zijn Zoon, de Zoon van Zijn welbehagen, de geboren Messias, die Hij terugriep uit Egypte. De profetie van Hosea is opnieuw vervuld. En zo handelt de Heere ook nu met Zijn kinderen, met Zijn geestelijke zonen en dochters. Dit is Gods patroon van werken. Dit is Zijn manier van werken, die ooit zijn volle vervulling heeft gevonden en tot een climax is gekomen in de roeping van Zijn eniggeboren Zoon uit het land van Egypte.
Daarom, gemeente, in de drie aandachtspunten die ik u genoemd heb, steeds ook een onderverdeling in drieën. Er is steeds de oorspronkelijke bedoeling van Hosea, die terugkijkt naar de uittocht van het volk Israël uit Egypte ten tijde van farao. Er is in de tweede plaats ook steeds de vervulling in Christus, waar Mattheus op wijst. En er is in de derde plaats ook steeds een toepassing voor onszelf, waarbij ik niemand van u over het hoofd hoop te zien. Onze eerste gedachte:
Waarom, jongens en meisjes, kwam Jacob destijds met zijn gezin in Egypte terecht? Er is eigenlijk maar één antwoord mogelijk: dat was de goede zorg van de Heere. Het leek voor het oog tegenslag, maar het was goede zorg. Jozef was hem voorgegaan, om hen in het leven te behouden, ondanks de honger. Egypte, het land Gosen, was geen straf. Het was zorgende liefde van God over het volk dat Hij apart gezet had. Over het volk waarop de belofte van het verbond rustte, de belofte aan Abraham, Izak en Jakob: Ik zal u tot een God zijn en uw zaad na u. En in u zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden (Genesis 17:7En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u., 18:18). Het was Gods goede zorg voor Jacob en zijn gezin.
Het was ook Gods bijzondere goedheid voor Zijn Eigen Kind Jezus, dat Hij met Zijn ouders naar Egypte kon vluchten. Voor het oog leek het tegenslag, maar het was goede zorg. Farao dacht het Kind al te kunnen doden, toen het nog niet geboren was. Toen hij alle jongetjes van het volk Israël in de Nijl liet verdrinken. Herodes dacht het Kind te kunnen doden, door alle jongetjes in Bethlehem te vermoorden. Maar het was Gods bijzondere zorg en trouw, dat Jozef en Maria met hun pasgeboren Kind, voorzien van de schatten die de wijzen uit het Oosten gebracht hebben, konden vluchten naar Egypte.
Toch blijft de vraag wel een beetje hangen: Waarom moesten Jozef en Maria naar Egypte? Hun kind was toch de Zoon van God? Had het niet anders gekund? Had de Heere geen legioen engelen kunnen gebieden om lijfwachten te zijn van de geboren Koning der joden? Had de Heere geen engel kunnen inzetten om Herodes te doden? Jazeker, het kon allemaal. Maar de Heere wil het geloof van Jozef en Maria beproeven. En door Gods genade doorstaan ze de toets, de beproeving van hun geloof. Ze geloven: dit is de Zoon van God. Hoewel er helemaal geen wonder gebeurt en hoewel ze toch moeten vluchten.
Het was Gods bijzondere goedheid voor het volk Israël en ook voor Zijn Eigen Zoon, dat Hij hen riep uit Egypte. En zo is het ook Gods bijzondere goedheid over u, die nog onbekeerd bent, als de Heere uw weg leidt naar Egypte. Door wegen van tegenspoed: ziekte, werkloosheid, kinderloosheid, uitzichtloosheid...
Het voelt allemaal als tegenspoed, maar het is ten diepste Gods goede zorg. Want met al die tegenspoed heeft God een goede bedoeling. Daarin (ook al voelt u dat misschien niet zo, dat begrijp ik), daarin gloeit Gods bewogenheid met uw ziel, die verloren dreigt te gaan, als u zo doorgaat (zie Hos. 2:6En zij zal haar boelen nalopen, maar dezelve niet aantreffen; en zij zal hen zoeken, maar niet vinden; dan zal zij zeggen: Ik zal henengaan, en keren weder tot mijn vorigen Man, want toen was mij beter dan nu.). Dit is Gods goede doel met Zijn hand van tegenspoed: Hij wil u laten bukken, Hij wil u laten buigen, ja in liefde breken. Om u als een verbroken zondaar te brengen aan de voeten van de Zaligmaker, die gekomen is om gebrokenen van hart te genezen.
Wat kan er trouwens ook in het leven van hen die de Heere vrezen een misverstand zijn, als de Heere onze weg naar Egypte leidt. Het lijkt voor het oog tegenslag, maar het is goede zorg. Als alles anders gaat dan gedacht, gehoopt en gebeden. Wat zijn we dan geneigd om de Heere te verdenken. Om te denken: ‘Zou de Heere me wel werkelijk liefhebben? Is dit geen harde straf? Slaat de Heere me niet uit lust tot plagen?’
Zou dat in het hart van het volk Israël, ver van het beloofde land Kanaän, ook niet opgekomen zijn? Zou dat in het hart van Jozef en Maria, na alles wat er gebeurd is, ook niet opgekomen zijn? Zo ver van de tempel, van de dienst van de Heere, van de plaats van de verzoening? Ik bedoel dit. De gedachte: ‘Zou het wel waar geweest zijn? Zouden Gods beloften wel vervuld worden? Alles lijkt zo anders te lopen…’
Vergis u niet. Het is de goede zorg van de Heere, dat Hij de weg van Zijn kinderen van voorspoed in verdrukking kan leiden, van licht in donkerheid, van blijdschap in bittere strijd en aanvechting. Maar vergis u niet. Juist door die weg gaat God Zijn beloften vervullen. Zo, door die weg, zullen meer dan ooit Zijn woord, Zijn beloftewoord en Zijn trouw gaan schitteren. Zo wordt het uiteindelijk: Het is door U, door U alleen, om het eeuwige welbehagen (Psalm 89:8God is grotelijks geducht in den raad der heiligen, en vreselijk boven allen, die rondom Hem zijn., ber.).
Gevlucht naar Egypte. Door Gods goede zorg en bescherming daar gebracht. Maar, in Egypte volgt een moeilijke tijd. Dat zien in onze tweede gedachte:
Wat was het voor het volk van Israël een tijd van diepe vernedering, van slavendienst, van onderdrukking en geweld. Farao had het volk, en daarmee ook de komende Messias, geprobeerd uit te roeien. Weg met hen, weg met Hem!
Maar onverwachts was er in die donkere tijd, de stem, het woord van de HEERE tot Mozes. Zeg tegen farao: Alzo zegt de HEERE: Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, is Israël (Ex. 4:22Dan zult gij tot Farao zeggen: Alzo zegt de HEERE: Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, is Israël.). Voor het eerst (en dat is opvallend!), voor het eerst juist in deze tijd van verdrukking, moeite en verdriet, noemt God het volk: Israël, Mijn zoon, Mijn eerstgeborene.
Het was ongetwijfeld (eeuwen later) ook een tijd van veel moeite en verdriet, dat Maria en Jozef met hun Kind, zo haastig moesten vluchten van Bethlehem naar Egypte. Simeon had gezegd: Een zwaard zal door uw ziel gaan (Lukas 2:35(En ook een zwaard zal door uw eigen ziel gaan) opdat de gedachten uit vele harten geopenbaard worden.). En het is door haar ziel gegaan. Jozef en Maria moeten vluchten, tot ver van de tempel, tot ver weg bij het volk van God vandaan.
Maar het is ook en vooral verdere en diepere vernedering voor de Heere Jezus Christus. Hier spannen, nu al(!), al de krachten van de hel samen om het Kind weg te rukken, zoals de draak in Openbaring 12 het pasgeboren Kind wil grijpen en doden (12:4-6). Geen plaats in Bethlehem, maar ook geen plaats in Judea. Het geboren Kind wordt verbannen uit Bethlehem, wordt verbannen uit Kanaän, opdat Zijn volk nooit meer om hun zonden verbannen zou hoeven te worden uit het hemelse Kanaän.
U, die onbekeerd bent, herkent u misschien in uw hart iets van deze vijandschap tegen dit Kind? Hier begint, wat straks de climax zal bereiken voor Pontius Pilatus: ‘Weg met Hem! Kruis Hem!’ Waar komt dat toch vandaan? Die vijandschap? Hier vandaan. Uit ons hart. Dat is onze geestelijke doodstaat, onze eigen bittere vijandschap tegen God! Als u daar nooit iets van gezien hebt, dan is dat een nog stelliger bewijs van uw geestelijke dood, van de blindheid van uw vijandige hart.
Kom toch tot inkeer! Dat is de roep van Hosea! Luister, doden, blinden, vijanden: Waarom blijft u hangen aan uw afval van Mij? (Hos. 11:7) Hoe zou Ik u overgeven, o Efraïm? u overleveren, o Israël? Hoe zou Ik u maken als Adama, u stellen als Zeboïm? Mijn hart is in Mij omgekeerd, al Mijn berouw is te samen ontstoken (Hos. 11:8). Moet Ik u, u ook overgeven aan de totale verwoesting? O bedenk, terwijl u het liefdevolle en barmhartige hart van de Heere voelt kloppen in dit Woord, bedenk toch op deze dag wat tot uw vrede dient!
Is het lijden in Egypte (dat de ervaring was van het volk Israël, en ook van de geboren Koning der Joden) ook niet de ervaring van al Gods kinderen? Van iedereen die door Gods genade gebracht is op de weg naar het hemelse Kanaän? Wij lijden ook onder tegenspoed, moeite en verdriet. Maar vooral onder onze zonden…
Wat een tijd van moeite en verdriet, als we in de nacht van onze zondeovertuiging, onze zonden steeds voor ogen zien zweven. De wet slaat ons (zoals er destijds in Egypte geslagen werd!): u hebt tegen God gezondigd, en de ziel die zondigt, die zal sterven (Ezech. 18:20De ziel, die zondigt, die zal sterven; de zoon zal niet dragen de ongerechtigheid des vaders, en de vader zal niet dragen de ongerechtigheid des zoons; de gerechtigheid des rechtvaardigen zal op hem zijn, en de goddeloosheid des goddelozen zal op hem zijn.). En de duivel benauwt ons: u hebt gezondigd, nooit was iemand zo slecht. En ons geweten beschuldigt ons: u hebt gedaan, wat kwaad is in Gods oog!
En wij zuchten: Uit diepten van ellende, roep ik met mond en hart. Tot U die heil kunt zenden. O, HEERE, aanschouw mijn smart (Psalm 130:1Een lied Hammaaloth. Uit de diepten roep ik tot U, o HEERE!, ber.).
Zoals het ook staat in Exodus 2:23En het geschiedde na vele dezer dagen, als de koning van Egypte gestorven was, dat de kinderen Israëls zuchtten en schreeuwden over den dienst; en hun gekrijt over hun dienst kwam op tot God.: De kinderen Israëls (in het land Gosen) zuchtten en schreeuwden over hun dienst. En, wonderlijk(!), hun gekrijt (hun geschreeuw) over hun dienst kwam op tot God.
Wat een wonder! Hun geroep kwam tot God. En dat is nog steeds zo: God hoort en verhoort roepende zondaars altijd. Hun geroep komt tot God! Wat een wonder! Plotseling klinkt middenin Israëls verdrukking: Mijn zoon, Mijn eerstgeborene is Israël. Wat een wonder! Als de Heere, in al die donkerheid en strijd vanwege mijn zonde, soms zomaar de tranen die mijn gezicht bedekken een ogenblik wegveegt, en zegt: Alzo zegt de HEERE: Mijn zoon, Mijn eerstgeborene is Israël.
Is het niet waar (al durft u dat misschien zo niet te zeggen), dat de Heere daar, in die banden en in dat verdriet om onze zonden, ons ook weleens iets doet ervaren van verwondering en vreugde, waardoor we zeggen: ‘Ik weet niet hoe het verder moet, maar: U zoekt mijn hart, mijn oog blijft op U staren! En: U hoort mijn stem, mijn smekingen mijn klagen?’
Als je midden in die banden en in dat verdriet om je zonden, voor het eerst iets ziet en proeft van (nee, niet van iets van mij, maar van) dat Goddelijke machtswoord, tegenover al de machten van de hel: Alzo zegt de HEERE: Mijn zoon, Mijn eerstgeborene is Israël. Laat Mijn zoon trekken!
Zegt je dan ook niet in je hart: ‘Het is mij toch beter om te zuchten, dan om te zondigen?’ Maakt dat niet de tranen van bitterheid over je zonden, tot tranen van verwondering? De verdrukking in Egypte is nog niet voorbij, de banden zijn nog niet losgemaakt, maar er rijst verwachting in het hart. Hoop, moed en verlangen: Ik blijf de HEERE verwachten, mijn ziel wacht ongestoord, ik hoop in al mijn klachten op Zijn onfeilbaar woord!
Voordat we verder gaan, gaan wij samen zingen uit Psalm 116, daarvan het bekende eerste vers. God heb ik lief; want die getrouwe HEER Hoort mijne stem, mijn smekingen, mijn klagen; Hij neigt Zijn oor, 'k roep tot Hem, al mijn dagen; Hij schenkt mij hulp, Hij redt mij keer op keer.
Gemeente. wat kan het hart van zo’n roepende zondaar zich verbazen, als het ziet op Gods goedheid in Christus. Als ons oog gericht wordt op Hem, op Christus, Die zo gewillig (van Zijn jeugd af aan) de weg is gegaan van gehoorzaamheid en lijden, voor zulke slechte mensen. Voor een volk zwart van dienstbaarheid, voor een volk van zondeslaven.
Hoe kan Hij schitteren in het oog van verslagen zondaars. Maar hoe…, hoe wordt Hij de mijne? En hoe word ik de Zijne? Hoe word ik toch ooit verlost uit het diensthuis van de zonde, uit deze slavendienst van de duivel, waar ik door eigen schuld in terecht gekomen ben? Hoe meer Hij schittert, hoe groter het uitzien en het verlangen. Maar ook (net als destijds in Egypte): hoe harder de duivel slaat, hoe zwaarder de slavendienst gaat drukken. Hoe word ik ooit hieruit verlost? Onze derde gedachte:
Laat Mijn volk trekken! Dat is het machtswoord van de Allerhoogste. En ze gaan. Hosea kijkt erop terug. Op hoe de Israëlieten uit Egypte vertrekken. Uitgeleid door een sterke arm en geleid door een machtige hand. Hoe hard ze zelf aan die boeien rukten, ze raakten er niet van los. Maar Hij, God de Almachtige, riep hen en verloste hen.
Waarom? Daar begint Hosea 11 mee: Toen Israël een kind was, toen heb Ik hem liefgehad (vers 1). Niet: Toen Israël een kind was, heeft het Mij liefgehad. Nee, daarvan is in heel Hosea niets te lezen. Maar Ik heb hen liefgehad, Ik heb ze apart gezet op het terrein van het verbond. Ik heb Zelf Mijn Naam over hen, over u uitgeroepen, en gezegd: Dit is Mijn volk! Ik leerde ze lopen. Ik nam ze op Mijn armen. Ik trok aan ze met touwen van liefde. Ik zorgde voor ze. Maar (wat een klacht!): Mijn(!) volk wou niet naar Mijn stem horen! Israël verliet, Mij en Mijn geboden, het heeft zich andere goden naar zijn lust verkoren (Ps. 81:13Dies heb Ik het overgegeven in het goeddunken huns harten, dat zij wandelden in hun raadslagen., ber.)
Ik heb u in liefde apart gezet. Vergeet toch niet, lieve mensen, u bent door Gods bijzondere zorg, door Zijn bijzondere bewogenheid met uw hart, gebracht op het erf van het verbond. Het doopwater dat op uw voorhoofd drupte is liefdewater geweest. Het waren niet de handen van de dominee die de doop bediende, het waren Zijn handen. Gods handen hebben in uw doop gedrupt van liefde en bewogenheid. Maar luister nu toch naar deze klacht van de hemel: Ik heb Israël liefgehad, maar zij…, zij offerden de Baäl en rookten de gesneden beelden (Hos. 11:1-2).
Ik heb Israël liefgehad, zegt God. Dat was een eenzijdige liefde, ook vanwege Mijn bijzondere liefde tot Mijn Zoon. Want de Messias, de Christus was verborgen in dat volk Israël. Het volk moest als het ware met Hem mee. Hij werd gered uit de handen van farao, en het volk Israël met Hem. Ze zijn allemaal verlost om Hem, om het Kind, om die ene Rechtvaardige.
Maar zult u ondertussen, gemeente, niet vergeten, dat er heel veel mensen in die tijd uit Egypte gegaan zijn, die nooit in het Kanaän van de rust zijn aangekomen? Ze zijn meegegaan door de Rode Zee, ze hebben gegeten van het manna, ze hebben gedronken uit het water van de steenrots, verbondskinderen! Maar ze zijn ongehoorzaam geweest (Hebr. 3:18En welken heeft Hij gezworen, dat zij in Zijn rust niet zouden ingaan, anders dan dengenen, die ongehoorzaam geweest waren?), ze hebben geweigerd zich te bekeren (Hebr. 11:5Door het geloof is Enoch weggenomen geweest, opdat hij den dood niet zou zien; en hij werd niet gevonden, daarom dat hem God weggenomen had; want voor zijn wegneming heeft hij getuigenis gehad, dat hij Gode behaagde.) en ze zijn gevallen door ongeloof (Hebr. 11:19). Het teken aan uw voorhoofd is geen garantie om in te mogen gaan in het hemelse Kanaän. U moet wederom geboren worden! (Joh. 3:7Verwonder u niet, dat Ik u gezegd heb: Gijlieden moet wederom geboren worden.)
De Israëlieten werd geroepen uit Egypte. Zo is ook Christus geroepen uit Egypte. Zijn roeping uit Egypte staat aan het begin van Zijn diepe lijdensweg. Er was een uittocht, een exodus uit Egypte van het volk Israël. Er was een uittocht, en exodus uit Egypte, toen Jezus met Zijn ouders terug ging naar Israël, omdat Herodes gestorven was. Maar er volgde nog een exodus. We lezen daar later van, bij de verheerlijking op de berg. Lukas schrijft daarover: Dewelke, gezien zijnde in heerlijkheid, zeiden Zijn uitgang (Zijn exodus!), die Hij zou volbrengen te Jeruzalem (Lukas 9:31Dewelke, gezien zijnde in heerlijkheid, zeiden Zijn uitgang, dien Hij zoude volbrengen te Jeruzalem.). Hij is teruggeroepen uit Egypte om te gaan lijden, teruggebracht uit Egypte om bitter te gaan lijden. Tot, uiteindelijk, de bittere en smadelijke dood van het kruis. Maar het was niet voor Hemzelf. Het was om de weg te banen om door Zijn verdienste zondeslaven uit Egypte te roepen, uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht.
Zoals Israël door een machtige hand uit Egypte geleid is… Zoals Christus is, als de Zoon des mensen, uit Egypte geroepen is… Zo is en wordt Gods volk, Zijn geestelijke Israël door Gods machtige hand uit het Egypte van de zonden verlost. Vanwege Gods bijzondere, eeuwige en blijvende liefde. Zoals staat Hosea 11:1: Als Israël een kind was, toen heb Ik hem liefgehad, en Ik heb Mijn zoon uit Egypte geroepen.
Wat een struikelblokken zijn er, voordat we bevrijd worden uit de slavendienst van het Egypte van de zonde. Wat is het nodig dat we met Goddelijke kracht geroepen worden, dwars door al onze weerstand en vijandschap heen. Onze geest is gebroken, machteloos en moedeloos geworden onder de slavernij van de zonde. We zijn onmachtig en onwillig om met de zonde te breken. In ons is geen kracht en vermogen.
Maar, wonder van genade: God Zelf voert Zijn kinderen met een krachtige hand uit de slavernij van de zonde. Hij maakt Zijn kinderen gewillig. Hij leert hun gaan. En Hij Zelf legt Zijn woorden in hun hart en op hun lippen: Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan en zeggen: Vader ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u (Lukas 15:18Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan, en ik zal tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen den Hemel, en voor u;).
Dit is het refrein dat doorklinkt in heel de profetie van Hosea: Ik (zegt God) zal het doen. Ik zal en zij zullen. Dat is de diepe troost in deze profetie, dat is troost voor alle Godzoekende zondaars: bekering is Gods werk. Ik zal, zegt de Heere, en zij zullen komen (vers 9-11).
Werp uzelf dan, u die niet weet hoe het ooit goed moet komen met uw hart, aan Zijn voeten. En roep het uit: ‘ik zie niet hoe ik verlost moet worden! Ik zie en weet de weg niet! Heere, maakt U me toch los, en haalt U me toch met Uw machtige hand weg uit het geestelijk Egypte van de zonde’.
U die zo roept tot God, houdt aan! Blijf roepen! Zegt met de dichter van Psalm 130: Ik blijf de HEERE verwachten, mijn ziel wacht, ongestoord. Ik hoop en al mijn klachten op Zijn onfeilbaar woord (Psalm 130:3, ber.). Want na wachten, na roepen, volgt antwoord. Na zoeken volgt vinden. Kijk maar naar het leven van Jozef. Tegen Jozef werd gezegd: Vlucht in Egypte en wees aldaar, totdat Ik het u zeggen zal. Totdat Ik! De tijd van zoeken, wachten en roepen is bepaald. De Heere zegt: Totdat Ik…! Daarom: Hoopt op de Heere. Er zal verlossing komen, Zijn goedheid is zeer groot.
Nog één schat ligt er in deze tekst verborgen. Een laatste vervulling. Uit Egypte heb Ik mijn zoon geroepen. Er komt een dag, in het laatste der dagen, dan zal opnieuw gezegd worden, wat Mattheus schreef: Opdat vervuld wordt, wat door de Heere gesproken is, door de profeet: uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen.
Er zijn namelijk in de Bijbel (misschien is het u nooit zo opgevallen), maar er zijn in de Bijbel wonderlijke beloften voor Egypte, voor in de laatste dagen. Vooral in Jesaja 19 (vers 18-25). Daar schrijft Jesaja: De Egyptenaars zullen in die dag (in het laatste der dagen) de HEERE kennen. En de HEERE zal de Egyptenaars slaan en genezen. En zij zullen zich tot de HEERE bekeren. En Hij zal Zich door hen laten verbidden. En Hij zal hen genezen. En Hij zal (let op!) de Egyptenaars en de Assyriërs (die heidenen!) noemen: Mijn volk en het werk van Mijn handen!
Dus, mocht u denken aan het einde van deze dienst: ‘Nooit zal ik kunnen of durven geloven dat de Heere mij, mij(!) een zoon of dochter van Israël noemen zal. Want wie ben ik toch voor Hem! Hoor dan het woord van de Heere: het kan zelfs voor Egyptenaars, voor Assyriërs, voor vijanden en afgodendienaars! Want zegt Jesaja: God zal hun een Heiland en Meester zenden, Die zal hen verlossen (Jesaja 19:20). En omdat dat het werk is van Zijn machtige hand, daarom kan het. Zelfs voor mij, zelfs voor u. Daarom: U, die God zoekt in al uw zielsverdriet, houd aan, grijp moed, uw hart zal vrolijk leven!
Amen.
Andere preken over Hosea
Andere preken voor Kerst