PREEK · VRIJE STOFFEN

Zij meenden dat het een spook was - Markus 6

31 augustus 2026

Markus 6:49-50: En zij, ziende Hem wandelen op de zee, meenden dat het een spooksel was, en schreeuwden zeer. Want zij zagen Hem allen en werden ontroerd; en terstond sprak Hij met hen en zeide tot hen: Zijt welgemoed, Ik ben het, vreest niet.

INLEIDING

Midden in de nacht worstelen de discipelen op woelig water met de riemen, terwijl hun Meester alleen op de berg blijft bidden – tot Hij hun, wandelend op de zee, tegemoetkomt en zij, naar Markus 6:49 en 50, in hun schrik menen dat het een spooksel was. Deze leespreek nodigt uit om mee te gaan met Zijn zwoegende discipelen en te ontdekken hoe Christus' waakzame liefde ook heden vertroosting biedt in de stormen van het leven.

THEMA

Christus' liefdevolle trouw over Zijn zwoegende discipelen

KERNPUNTEN

  1. Zijn heilige afzondering
  2. Zijn waakzame ontferming
  3. Zijn vertroostende verschijning

MARKUS 6:45-52

45 En terstond dwong Hij Zijn discipelen in het schip te gaan en vooruit te varen aan de andere zijde tegenover Bethsáïda, terwijl Hij de schare van Zich zou laten.
46 En als Hij denzelven hun afscheid gegeven had, ging Hij op den berg om te bidden.
47 En als het nu avond was geworden, zo was het schip in het midden van de zee, en Hij was alleen op het land.
48 En Hij zag dat zij zich zeer pijnigden om het schip voort te krijgen (want de wind was hun tegen). En omtrent de vierde wake des nachts kwam Hij tot hen, wandelende op de zee, en wilde hun voorbijgaan.
49 En zij, ziende Hem wandelen op de zee, meenden dat het een spooksel was, en schreeuwden zeer.
50 Want zij zagen Hem allen en werden ontroerd; en terstond sprak Hij met hen en zeide tot hen: Zijt welgemoed, Ik ben het, vreest niet.
51 En Hij klom tot hen in het schip, en de wind stilde; en zij ontzetten zich bovenmate zeer in zichzelven en waren verwonderd.
52 Want zij hadden niet gelet op het wonder der broden; want hun hart was verhard.

VOLLEDIGE TEKST

Zij meenden dat het een spook was - Markus 6

ds. J. IJsselstein - Markus 6:49-50

THEMA

Christus' liefdevolle trouw over Zijn zwoegende discipelen

Geliefde gemeente, de weg die de Heere met ons gaat, gaat vaak anders dan wij denken. En dat geldt in het bijzonder voor Gods kinderen. Wij moeten door veel verdrukkingen ingaan in het Koninkrijk Gods, opdat wij onze hoop op God zouden stellen, en niet op mensen, en vooral niet op onszelf. Maar alleen op Christus, Die (schrijft Paulus) onze Hoop is. Op Hem, Die Zijn discipelen tegemoet wandelt, midden in de storm waarin zij verzeild zijn geraakt.

Wij overdenken met Gods hulp de geschiedenis die wij samen gelezen hebben, over de storm op zee. De tekst voor de preek is Mark. 6:45-52, waarvan wij samenvattend alleen vers 49 en 50 lezen: En zij, ziende Hem wandelen op de zee, meenden dat het een spooksel was, en schreeuwden zeer. Want zij zagen Hem allen en werden ontroerd; en terstond sprak Hij met hen en zeide tot hen: Zijt welgemoed, Ik ben het, vreest niet.

Ons thema is: Christus' liefdevolle trouw over Zijn zwoegende discipelen

We letten samen op drie aandachtspunten: 1. Zijn heilige afzondering 2. Zijn waakzame ontferming 3. Zijn vertroostende verschijning

Als eerste dus:

1. Zijn heilige afzondering

Kijk maar naar vers 45 en 46: En terstond dwong Hij Zijn discipelen in het schip te gaan en vooruit te varen aan de andere zijde tegenover Bethsáïda, terwijl Hij de schare van Zich zou laten. En als Hij denzelven hun afscheid gegeven had, ging Hij op de berg om te bidden. Innerlijk bewogen is het hart van de Heere Jezus, vol van medelijden (zo staat in vers 34), over de grote menigte mensen – 5.000 mensen, en dan ook nog vrouwen en kinderen – die naar Hem luistert. Zij waren in Zijn ogen als schapen zonder herder.

Je proeft, als je dit leest, de liefde van de Heere tot al die mensen. Hij leert hun heel veel dingen. En Hij geeft hun, omdat het al laat geworden is, ook te eten. Vijf broden en twee vissen worden door Jezus vermenigvuldigd en door de discipelen uitgedeeld. En uiteindelijk, als iedereen verzadigd is, blijven er nog 12 manden eten over. Wat een wonder. Wat doet Jezus grote dingen.

En daarna, lees maar mee in vers 45: Terstond (direct daarna), dwong Hij Zijn discipelen in het schip te gaan en voor henen te varen aan de andere zijde tegenover Bethsáïda, terwijl Hij de schare van Zich zou laten.

Hij Zelf stuurt Zijn discipelen op een voor hen nog onbekende weg. Hij weet dat er midden op zee een storm over hen zal losbarsten, want Hij weet alle dingen. Maar zij hebben nog geen idee van wat er komen gaat. Hij dwingt hen in het schip te gaan en naar de overkant te varen, naar Bethsaïda.

Je ziet het voor je gebeuren: Hij stuurt, zegt vers 45, de menigte mensen naar huis. Hij wil niet dat zij Hem koning gaan maken, en daarom stuurt Hij hen naar huis. En Hij neemt, zegt vers 46, vriendelijk afscheid van Zijn discipelen. Je voelt Zijn liefde en betrokkenheid, als er staat in vers 46: als Hij aan hen hun afscheid gegeven had.

En, zegt vers 46: Hij ging op de berg om te bidden. Markus laat nu alle accent vallen op wat Jézus doet: Hij ging op de berg om te bidden. Wat een troost is dat, in alles wat er gebeurt in het leven van Zijn discipelen, in het leven van Gods kinderen: Hij ging op de berg om te bidden.

Wij hebben, ook al zien wij Hem niet, een biddende Heere. Zoals Paulus zegt in Romeinen 8: Christus is het Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt (Rom. 8:34). Zoals de Heere Jezus Zelf ooit biddend zei: Vader, Ik bid voor hen (Joh. 17:9), en ook voor degenen die door hun woord in Mij geloven zullen (Joh. 17:20).

Hij ging op de berg om te bidden. Hij bad altijd, met het oog op de eer van Zijn Vader. Voor hen: dat hun geloof niet zou ophouden (Luk. 22:32). Biddend om hun bewaring: Heilige Vader, bewaar hen in Uw Naam, die U Mij gegeven hebt, opdat zij één zijn, gelijk als Wij (Joh. 17:11). Biddend om vergeving: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen (Luk. 23:34). Biddend dat zij Zijn heerlijkheid zouden zien (Joh. 17:24).

Dat is het geluk, jongelui, van ons leven met God. Dat wij weten: Hoe donker ooit Gods weg moog’ wezen, Christus bidt voor ons! Zoals Paulus zegt in Romeinen 8: dewijl Hij naar God voor de heiligen bidt (Rom. 8:27). En zo is er ook hier, in deze geschiedenis, een biddende Zaligmaker. Vers 46 zegt: Hij ging op de berg om te bidden. En omdat dát zo is, daarom kan het nooit verkeerd gaan met deze discipelen. En dat geldt ook voor al Gods kinderen.

Denk niet, jongens en meisjes, jongelui, dat wij een beroerd leven hebben. Jazeker, het kan stormen in ons leven, hoe dan ook. En dat zal zo blijven, want wij moeten door veel verdrukkingen ingaan in het Koninkrijk Gods. Maar wat óók blijft, is dat de Zaligmaker voor ons bidt. En daarom zal het nooit verkeerd met ons aflopen. Dat maakt alles goed. Daarom hebben wij het beste leven wat er is. Omdat Hij, Die weet hoe zwak wij zijn, omdat Hij, Die weet wat van Zijn maaksel te wachten is, voor ons bidt. Onvoorstelbaar toch! Hij bidt voor ons.

En wat zijn dat voor mensen, die ons, die discipelen van de Heere? Kijk maar in vers 52: hun hart was verhard. Mensen met van zichzelf harde, ongevoelige harten, en toch: Hij bidt voor ons. Gelukkig is die jongen, dat meisje, die man, die vrouw, voor wie dit geldt: Christus is het, Die ook voor ons bidt.

Ja, maar ondertussen (denk je misschien) stuurt de Heere Zijn discipelen, Zijn kinderen wel het bos in? Toch? Ondertussen stuurt Hij Zijn discipelen wel de zee op, terwijl Hij wéét dat het gaat stormen? Ja. Maar let op! Want het is niet Zijn bedoeling om hen alleen te laten. Die moeilijke wegen waarin Hij ons brengt, wil Hij gaan gebruiken om ons dingen te leren die wij anders nooit zouden leren. Om oog te krijgen voor ons ongeloof, voor de hardheid van ons hart, voor ons vergeten van de Heere en van Zijn daden in het verleden. Om oog te krijgen, meer dan ooit, voor de almacht, de majesteit en de heerlijkheid van God. Om oog te krijgen voor de heerlijkheid van Christus. En leert de Heere ons in de stormen van het leven ook niet om geduldig te zijn? En brengt Hij ons in de stormen van dit leven ook niet tot verwondering, als wij Zijn grote daden gaan zien? Zoals wij zongen: Zijn wijsheid, gunst en macht? De Heere stuurt Zijn discipelen de zee van Tiberias op. Als eerste: met wijze bedoelingen.

Maar als tweede vooral ook: met een belofte. Kijk maar naar vers 45: Hij dwingt hen om voor henen te varen, om vooruit te varen. Met andere woorden: Ik kom jullie achterna. Ik zal jullie niet alleen laten. Wees maar niet bang. Ik ben, Ik blijf met u al de dagen tot de voleinding der wereld.

Dit is ook onze troost, geliefde gemeente, in dit leven; en dat geldt voor al Gods kinderen. En daarom hopen en bidden wij, dat u Hem ook gaat zoeken. Dit is onze troost: wij hebben een Heere Die altijd voor ons bidt, en Die ons beloofd heeft: Ik laat u nooit alleen. Ik zal u geen wezen laten; Ik kom weder tot u (Joh. 14:18). Zoals Zondag 18 van de Heidelbergse Catechismus zegt: Naar Zijn Godheid, majesteit, genade en Geest wijkt Hij nimmermeer van ons. Ook al zien wij Hem niet. Er is geen storm in ons leven, of er is een biddende Jezus.

En dat blijkt ook uit de volgende verzen, uit vers 47 en 48. Lees maar mee: En als het nu avond was geworden, zo was het schip in het midden van de zee, en Hij was alleen op het land. En Hij zag dat zij zich zeer pijnigden om het schip voort te krijgen (want de wind was hun tegen). Dat brengt ons bij ons tweede aandachtspunt:

2. Zijn waakzame ontferming

Het schip steekt van wal. Zij kennen hun Meester, als Eén Die vaak eenzaamheid zoekt om te bidden. Zij hebben Zijn belofte gehoord: gaan jullie maar vooruit, met andere woorden: Ik zal ook komen. En ondertussen valt de avond, en wordt het steeds donkerder. Uiteindelijk zijn zij, zegt vers 47, midden op zee, een kilometer of vijf uit de kant, als ineens een grote storm opsteekt. Het schip wordt heen en weer geslingerd door de golven. Zij roeien uit alle macht, maar de tegenwind is sterk. Mattheüs zegt: En het schip was nu midden in de zee, zijnde in nood van de baren; want de wind was hun tegen (Matt. 14:24).

Zo kan ook ons leven, kinderen van God, geslingerd worden door de stormen van dit leven. Stormen die voor iedereen verschillend kunnen zijn: rouw, verdriet, kinderloosheid, eenzaamheid, zorgen om huwelijk, gezin, familie of werk, of ziekte. En zij maar roeien, en wij zo vaak maar roeien... zonder Jezus. Niet meer terugdenkend aan de grote macht die Hij kort geleden nog liet zien, in het vermenigvuldigen van de broden. Zo snel vergeten wij Gods grote daden. En toch zijn zij, en toch zijn wij: niet alléén.

Want terwijl Jezus alleen op de berg Zijn ogen biddend opheft tot Zijn Vader, rust ondertussen Zijn oog ook op Zijn tobbende discipelen. Het oog van Hem Die beloofd heeft: Ik zal u onderwijzen, en u leren van den weg die u gaan zult; Ik zal raad geven, Mijn oog zal op u zijn (Ps. 32:8).

Is het hun eigen schuld dat zij in deze storm terechtkomen? Wat je jezelf ook, als kind van God, in de moeilijke dingen van het leven kunt afvragen, als je bidt: "Heere, wat heb ik verkeerd gedaan? Is het mijn eigen schuld?" Zijn deze discipelen op een zondige weg? Nee, want de Heere Zelf dwong hen deze weg te gaan. Waarom? Om Zijn wijsheid, gunst en macht te laten zien.

En terwijl midden in de storm de golven op het schip beuken, midden in het donker van de nacht, lezen wij, vers 48: En Hij zag dat zij zich zeer pijnigden om het schip voort te krijgen. Hij zag hen. Hij ziet ons, kinderen van God, in onze ellende, nood en dood. In de stormen van tijdelijke zorgen, in de stormen van geestelijke aanvechting. Hij ziet ons.

Maar wij zijn Gods daden vaak vergeten, en pijnigen ons om ons schip vooruit te krijgen. “Zelf doen! Roeien, mannen, kom op! Anders komen wij nooit aan de overkant!” Zijn ze de belofte van hun Meester vergeten: jullie alvast vooruit, met andere woorden, Ik

kom eraan? Hebben zij, net zoals hun Meester nu doet, ook gebeden, ook geroepen naar de hemel? Het lijkt er niet op!

Roeien, dat doen zij. Voor hun leven! De hele dag hebben zij hard gewerkt, en nu dit. Die stormwind – dat zit eigenlijk opgesloten in het oorspronkelijke woord – martelt hen. Maar erger nog: zij martelen vooral zichzelf. Vers 48 zegt: zij pijnigen zich zeer! En dat: urenlang!

Roeien, dat doen zij. Voor hun leven! Roeien, dat doen ook wij, voor ons leven. In tijden van tegenspoed en zorg, in tijden van geestelijke duisternis, als wij de Heere niet, of niet meer zien. Wij willen het zelf doen, zelf de overkant bereiken. Mensen, dat gaat niet goed. Zo kom je er niet.

Je hebt Jezus nodig. Dat is het enige wat je nodig hebt in je leven! De Zaligmaker, Die je ziel redt van de dood. Die je leven draagt en Die je redt in de stormen van dit leven. Geef je eigen inspanningen toch op. En roep tot God om redding en uitkomst.

Wie? Wij allemaal natuurlijk! Zelfs al zie je je nood niet. Zelfs al voel je je nood niet. Doe dan toch hetzelfde als de mannen die Jona meegenomen hadden in hun schip: midden in de storm riepen zij tot de HEERE en zeiden: Och HEERE, laat ons toch niet vergaan (Jona 1:14). En als je je nood wél ziet, als je je nood wél voelt, pijnig jezelf dan ook niet met roeien, maar roep tot God!

Wat ontbreekt het daar vaak aan, ook in het leven van Gods kinderen. Niet aan dat roeien, maar wel aan dat roepen. Maar gelukkig is er, dat was ons eerste punt, op de berg een biddende Zaligmaker, Die hen ziet. Zijn alziende oog ziet hen uit de verte, midden in hun nood. Hij kijkt naar hen, met liefde, met medelijden. Met een verlangen om hen meer te laten zien en te leren van Zijn heerlijkheid. Hij ziet op hen in gunst. Want Hij ziet, ondanks al hun en al ons tekort, in gunst op die Hem vrezen.

Dat gaan we, voordat we verdergaan met ons derde aandachtspunt, eerst zingen uit Psalm 73 vers 1: Ja waarlijk, God is Isrel goed, Voor hen, die rein zijn van gemoed; Hoe donker ooit Gods weg moog' wezen, Hij ziet in gunst op die Hem vrezen. Maar ach, hoewel mijn ziel dit weet, Mijn voeten waren in mijn leed Schier uitgeweken, en mijn treên Van 't spoor der godsvrucht afgegleên.

Ons derde aandachtspunt:

3. Zijn vertroostende verschijning

Zij roeien uit alle macht, terwijl de wind hun tegen is en de golven tegen het schip slaan. Totdat er uitkomst komt. Volgens Gods belofte: gaan jullie vooruit, met andere woorden, dan kom Ik daarna ook. En die uitkomst komt er, op Gods tijd. 't Duurt lang, maar Habakuk zegt: Zo Hij vertoeft, verbeid Hem, want Hij zal gewisselijk komen, Hij zal niet achterblijven (Hab. 2:3). Matthew Henry schrijft: Er zijn geen moeilijkheden zo groot, of Christus zal genadig aan Zijn volk verschijnen. Hij zal altijd een weg vinden, of Zich een weg banen, zelfs over de stormachtigste zee, om Zijn volk te redden.

Hij is hen niet vergeten. Hij denkt aan hen, Hij waakt over hen. Hij leeft met hen mee. En Hij komt. Kijk maar vers 47b: En omtrent de vierde wake des nachts kwam Hij tot hen, wandelende op de zee, en wilde hun voorbijgaan. Het is drie uur 's nachts, als Jezus plotseling verschijnt. Ineens is Hij daar. Dan weer helder en duidelijk. Dan weer achter een van die grote golven. En dan zien zij Hem weer, rustig wandelend op de zee. Hij kwam tot hen, wandelende op de zee, en wilde hun voorbijgaan.

Vers 48b zegt: Hij wilde hen voorbijgaan. Een heel bewust door Markus gebruikte uitdrukking, die terug laat denken aan Mozes bij de Sinaï, waar de Heere Mozes op de steenrots plaatste en zei: Mijn heerlijkheid zal voorbijgaan. Een heel bewust door Markus gebruikte uitdrukking, die ook terug laat denken aan Elia bij diezelfde Sinaï, waar hetzelfde gebeurde: de heerlijkheid van de Heere ging voorbij.

Daar wijst deze uitdrukking naar terug: Hij wilde hen voorbijgaan. Met andere woorden: hier openbaart Christus Zich aan Zijn discipelen midden in hun nood, in Zijn Godheid. Hier onthult Hij Zich, midden in de storm, in Zijn heerlijkheid, macht en majesteit. Door voor hun ogen voorbij te gaan, wandelend op het water.

Maar dan... Dat wat hen tot verwondering en rust had moeten, en had kunnen brengen, dat brengt hen in grote paniek. Kijk maar naar vers 49: En zij, ziende Hem wandelen op de zee, meenden dat het een spooksel was, en schreeuwden zeer. Want, vers 50a: zij zagen Hem allen en werden ontroerd. In grote angst, in pure ontreddering schreeuwen zij het uit: een spook! Zij herkennen Hem niet. Zij denken, bijgelovig als zij zijn, dat het een geest is. Want: zij verwachten Hem niet.

Zoals ook nu kan zijn, in het leven van Gods kinderen: midden in de stormen die over ons heen kunnen gaan, verwachten wij Jezus niet. Wat schetst dat ons kleingeloof, ons ongeloof. Wat schetst dat ons onvermogen om te geloven. Wij kunnen het wel zingen uit volle borst: Ik zal Zijn lof zelfs in de nacht zingen, daar ik Hem verwacht. Maar als Hij dan komt, dan herkennen wij Hem van onszelf niet.

Ons harde hart, ons ongelovige hart – dat de Heere verdenkt, dat Zijn beloftewoord vergeten is – belemmert ons zien op Jezus.

Totdat Hij Zelf ingrijpt. Vers 50b zegt: En terstond. Hij grijpt direct in: En terstond sprak Hij met hen en zeide tot hen: Weest welgemoed, Ik ben het, vreest niet. Heb goede moed, mannen. Ik ben het! Weer zo'n heel bewust door Markus gebruikte uitdrukking: Ik ben het. Ik, Die Mijn heerlijkheid aan jullie voorbij laat gaan. Ik, de grote Ik. De “IK BEN, DIE IK BEN”, van de brandende braambos. Ik, de HEERE, Die de Eerste ben, en met de laatsten ben Ik Dezelfde (Jes. 41:4). Ik ben de HEERE, en niemand meer (Jes. 45:18). Ik, Ik ben het, Die u troost (Jes. 52:12).

Hij zegt: wees welgemoed, heb goede moed, Ik ben het, vrees niet. En zij, de schapen, herkennen Zijn stem, de stem van de Goede Herder. En dan blijkt ineens dat de aanwezigheid van Christus ook echt voldoende is om midden in de storm rust en moed te geven. Als zij het zien, als wij het zien, als zij het geloven, als wij het geloven: Hij is het! Hij doet het!

Hij is bij ons. Daarom zullen wij niet vrezen. Daarom zullen wij niet vrezen, al veranderde de aarde haar plaats, en al werden de bergen verzet in het hart van de zeeën (Ps. 46:3).

En Hij komt nog dichterbij. Vers 51 zegt: En Hij klom tot hen in het schip, en de wind stilde. Hij zegt niet één enkel woord. Zonder één woord gaat de wind liggen, wordt de zee stil. Wat tekent dit beeldend hoe het ook nu zo vaak kan zijn in het leven van Gods kinderen. In geestelijke strijd, in tijdelijke zorgen. Wij roeien, wij vechten, maar wij redden het niet. Totdat Jezus komt en ons iets laat zien van Zijn heerlijkheid, en vriendelijk tot ons gaat spreken: Wees welgemoed, Ik ben het, vrees niet.

Wat het ook is, wat je ook benauwt, waar je ook mee loopt te tobben: Wees welgemoed, Ik ben het, vrees niet. Ik ben het, uw Meester, uw Vriend. Die Mijn leven voor u gaf. Die voor u bidt. Die over u waakt. Die u Zelf op deze weg heeft gebracht.

Als wij dat zien, als wij dat geloven, dan komt er rust (niet waar?) in ons hart. Stormt het? Het is de Heere Die het doet! Was het de duivel, dán mocht u pas echt in paniek raken! Maar het is de Heere Die het doet. Die – ik wil daar niet gemakkelijk over denken – zwaar de hand op uw leven kan leggen, met veel verdriet en vragen, met veel moeite en zorg.

Waarom? Waaróm doet de Heere dit, kinderen van God? Om ons dingen te leren die wij anders niet zouden leren. Daarom moeten wij door veel verdrukkingen ingaan in het Koninkrijk Gods (Hand. 14:22).

Om te leren wat geduld is. Om te leren wat vertrouwen is. Om te leren dat dat allemaal niet uit onszelf komt. Om ons te leren hopen op Hem alleen, onze biddende Hogepriester. Die, zegt Paulus, onze Hoop is (1 Tim. 1:1). Die stormen over ons leven laat gaan om ons te hulp te komen. En om, midden in onze nood, Zichzelf groot te maken in onze ogen en in onze harten; groter dan Hij ooit voor ons geweest is. Die ons door al die moeilijke wegen heen, wil leren zien op Hem, op Jezus. Zoals de schrijver van de Hebreeënbrief schrijft: Ziende op de oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus, Dewelke voor de vreugde die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen en schande veracht, en is gezeten aan de rechterhand van de troon Gods (Hebr. 12:2). Die zegt: Ik ben het. Laat af en weet dat Ik God ben (Ps. 46:11).

Door de storm heen komen de discipelen straks aan de overkant. En zo zal het, kinderen van God, ook met ons gaan. Dóór de stormen heen, waarin wij nooit zullen omkomen, zullen wij straks aankomen aan de overkant, op de stranden van de eeuwigheid. Omdat er Eén is, Die altijd voor ons bidt, en Die ons altijd weer tegemoet komt.

Lieve mensen, je kunt beter door de stormen van het leven thuiskomen, dan na een ogenschijnlijk blij en gerust leven, voor altijd verdrinken. Dit is ons gelukkige leven met God. Zoek dat leven toch ook!

Hij brengt ons in de nood, en Hij redt ons. Wij verliezen Hem uit het oog, maar Hij bidt voor ons. En het enige waar wij in dit leven écht, maar dan ook echt, last van houden, is: van dit hart, van dit harde en ongelovige hart.

Kijk maar vers 51 en 52: En zij ontzetten zich bovenmate zeer in zichzelven en waren verwonderd. Want zij hadden niet gelet op het wonder der broden; want hun hart was verhard. Zij ontzetten zich bovenmate zeer, uitermate verrast en verwonderd om wat de Heere Jezus doet. Te verrast, te verwonderd. “Over wat er gebeurt, zijn zij sterker verrast en verwonderd dan zij behoren te zijn”, zegt Matthew Henry. Immers, zij hadden toch eerder de heerlijkheid en macht van hun Meester gezien? Of hadden die in ieder geval kunnen zien, toen Hij de vijf broden en twee vissen brak en vermenigvuldigde. Maar zij hebben er niet op gelet, zij zijn het vergeten... Want hun hart is verhard, zij hebben eelt op hun hart. Zoals later, na de opstanding, nog steeds het geval is, als de Heere tegen hen zegt: O onverstandigen en tragen van hart om te geloven al hetgeen dat de profeten gesproken hebben (Luk. 24:25).

Dat, kinderen van God, is ons probleem: ons hart is hard, vergeetachtig en traag om te geloven. Daarom zegt Mozes waarschuwend in Deuteronomium 6: Wacht u, dat u de HEERE niet vergeet (Deut. 6:12). Daarom zegt de dichter in Psalm 103: En vergeet geen van Zijn weldaden (Ps. 103:2). Zoals ook staat in Psalm 105: Gedenk Zijn wonderen die Hij gedaan heeft (Ps. 105:5).

Laten wij niet vergeten: hoe vóór dezen ons de HEERE heeft gunst bewezen. Laten we de wond'ren gadeslaan die Hij heeft van ouds gedaan. Laten we nauwkeurig op Zijn werken en derzelver uitkomst merken. En laten we in plaats van bitt're klacht, dáárvan spreken dag en nacht. Want boven dit ons hart, kinderen van God, dat net als bij de discipelen vol is van ongeloof en vergeetachtigheid, schittert onze trouwe Zaligmaker: groot in heerlijkheid en majesteit. Die trouw houdt en eeuwig leeft. En Die nooit laat varen het werk van Zijn handen. Wat Hij beloofd heeft, dat doet Hij.

Laat ik langzaam gaan afronden. Ik wil graag uit dit alles aan u die de Heere dient en liefhebt, de volgende dingen meegeven als raad, als advies in de stormen van uw leven. Welke dat ook voor u zijn, want dat is voor iedereen verschillend.

a. Laten we als eerste bedenken dat de Heere, als Hij moeilijke dingen op ons levenspad brengt, dat niet met kwade bedoelingen doet. Zie daarin toch vooral Gods wijze en goede hand. Want waarom doet de Heere dat? Waarom ziet het volk Israël dat nog maar net met gejuich uit Egypte getrokken is, de stofwolken van farao’s leger achter zich, terwijl ze vastlopen voor de Rode Zee? Opdat God Zijn heerlijkheid zou laten zien. Opdat de Heere Zijn Naam groot zou maken. En waarom Zijn de discipelen hier midden in de nacht, midden op zee in grote nood? Opdat Christus Zijn heerlijkheid en macht aan hen zou openbaren. En als dat zo is, ook in onze tegenspoeden, zouden we dan klagen of mopperen? Laten we ons daarom in de tegenspoed van dit leven veel meer onderwerpen aan de Heere en aan Zijn ondoorgrondelijke wijsheid. Laten we op de Heere vertrouwen en ons niet bemoeien met Zijn werk en leiding, maar die laten in Zijn handen. Hij weet wat Hij doet. Het is tot Zijn heerlijkheid.

b. Laten we als tweede in moeilijke tijden ook geen impulsieve conclusies trekken. Zoals Jakob deed, toen hem gevraagd werd om Benjamin af te staan. Toen hij zei: Al deze dingen zijn tegen mij (Gen. 42:36). Of zoals David zei in zijn hart: Nu zal ik een der dagen door Sauls hand omkomen (1 Sam. 27:1). Beter dan snelle conclusies te trekken, is het om te hopen op Gods beloftewoord dat staat in Jesaja 30: Daarom zal de HEERE wachten, opdat Hij u genadig zij, en daarom zal Hij verhoogd worden, opdat Hij Zich over ulieden ontferme, want de HEERE is een God des gerichts; welgelukzalig zijn die allen die Hem verwachten (Jes. 30:18).

c. Geef als derde in uw hart, kinderen van God, in moeilijke tijden ook geen ruimte voor zondige twijfel. Bid om de genade van Abraham, van wie geschreven staat: En hij heeft aan de beloftenis Gods niet getwijfeld door ongeloof, maar is gesterkt geweest in het geloof, gevende God de eer (Rom. 4:20). Denk ook maar aan de geschiedenis van Jozef. Gods beloften rusten op hem. Maar vervolgens loopt alles anders dan gedacht. Hij wordt verkocht als slaaf naar Egypte, en komt zelfs in de gevangenis terecht. Maar met dit alles heeft de Heere zulke goede bedoelingen. Voor het volk van Israël,

maar ook voor Jozef zélf. Psalm 105 zingt ervan: Tot de tijd toe dat Zijn woord kwam, heeft hem de rede des HEEREN doorlouterd. (Ps. 105:19). Jozef werd gelouterd door het lijden. Waarom? Petrus schrijft het later: Opdat de beproeving uws geloofs, die veel kostelijker is dan van het goud, hetwelk vergaat en door het vuur beproefd wordt, bevonden worde te zijn tot lof en eer en heerlijkheid, in de openbaring van Jezus Christus (1Petr. 1:7). Alles loopt uit op de heerlijkheid van God en Christus. En ondertussen houdt God de beloften die Hij aan Jozef gedaan heeft. Dus, laten we in ons hart, kinderen van God, geen ruimte geven aan zondige twijfel, aan ongeloof of moedeloosheid. Die maken onze last alleen maar zwaarder.

d. Laten we als vierde geduldig zijn onder ons heiligend kruis, denkend aan wat Paulus zegt in Romeinen 5: Wij roemen ook in de verdrukkingen, wetende dat de verdrukking lijdzaamheid werkt, en de lijdzaamheid bevinding, en de bevinding hoop; en de hoop beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door den Heiligen Geest, Die ons is gegeven (Rom. 5:3-5). Die wetenschap van de liefde van God tot ons, maakt dat we niet zuchten onder de stormen van dit leven, maar dat we mogen roemen in verdrukking. Want het is Gods goede werk in ons, dat er stormen over ons leven gaan. Als Jezus maar aan boord is, dan is alles goed. Dan gaan we veilig.

e. En trouwens, laten we als vijfde ook zeker niet de zegeningen uit het oog verliezen die de Heere ons geeft. Hij overlaadt ons immers dag aan dag met Zijn gunstbewijzen (Ps. 68:10, ber.).

Als we van dat alles door Gods genade iets mogen zien en geloven, dan zeggen we met David in Psalm 62: Immers is mijn ziel stil tot God; van Hem is mijn heil (Ps. 62:2).

Hoe kunnen we zo stil zijn voor God? Hoe kan dat? Dan kan alleen, als we achter de zichtbare dingen die ons pijn en verdriet kunnen doen, door het geloof zien op de onzichtbare dingen. Namelijk dat ons leven met Christus verborgen is in God, Die ons aan Zijn hand en op Zijn weg als een Vader leidt. Die altijd weer de hoop en verwachting van ons harde hart op Hém richt. En Die ons ongeduldige hart genade geeft om geduldig te wachten op Zijn tijd en te hopen op Zijn Woord. En Die zo uiteindelijk bevestigt wat de dichter zingt in Psalm 29: De HEERE zal Zijn volk sterkte geven; de HEERE zal Zijn volk zegenen met vrede (Ps. 29:11). De HEERE zal een hoog Vertrek zijn voor de verdrukte (zegt Psalm 9); een hoog Vertrek in tijden van benauwdheid (Ps. 9:10). En daarom, zegt tot uw ziel, wat David zegt in Psalm 37: Doch gij, o mijn ziel, zwijg Gode; want van Hem is mijn verwachting (Ps. 37:6). Laten wij niet vechten, laten we niet roeien in eigen kracht, maar onze weg op Hem wentelen. Hij zal het doen. Want Hij zorgt voor ons (Ps. 37:5; 1 Petr. 5:7).

Amen.

Slotzang Psalm 107:15,22

Hij doet de storm bedaren, De golven zwijgen stil; Nu rijst de vreugd; de baren Zijn effen op Gods wil; Nu wijkt verslagenheid, Na zoveel angstig slaven, Daar God hen veilig leidt In hun begeerde haven.

Wie wijs is, merk' die dingen, En geev' verstandig acht Op 's HEEREN handelingen, Zo vol van gunst als macht!