Zondag 46: Onze Vader, Die in de hemelen zijt
Preek over: Zondag 46Zondag 46 van de Catechismus gaat over de aanspraak van het allervolmaakste gebed: Onze Vader, Die in de hemelen zijt.
Preek over: Zondag 46Zondag 46 van de Catechismus gaat over de aanspraak van het allervolmaakste gebed: Onze Vader, Die in de hemelen zijt.
Want wie mag in den hemel tegen den HEERE geschat worden? Wie is den HEERE gelijk onder de kinderen der sterken?
En de HEERE God maakte voor Adam en zijn vrouw rokken van vellen en toog ze hun aan.
Te dien dage zal er een fontein geopend zijn voor het huis Davids en voor de inwoners van Jeruzalem, tegen de zonde en tegen de onreinheid.
Psalm 37:5,6: Wentel uw weg op den HEERE, en vertrouw op Hem, Hij zal het maken; en zal uw gerechtigheid doen voortkomen als het licht, en uw recht als den middag.
Daarom zal de man zijn vader en zijn moeder verlaten en zijn vrouw aankleven, en zij zullen tot één vlees zijn.
Uw ogen hebben mijn ongevormde klomp gezien; en al deze dingen waren in Uw boek geschreven, de dagen als zij geformeerd zouden worden, toen nog geen van die was.
En de HEERE zal een Hoog Vertrek zijn voor de verdrukte, een Hoog Vertrek in tijden van benauwdheid.
Gij nu, o Mijn schapen, schapen Mijner weide, gij zijt mensen; maar Ik ben uw God, spreekt de Heere HEERE.
En daarom zal de HEERE wachten, opdat Hij u genadig zij, en daarom zal Hij verhoogd worden, opdat Hij Zich over ulieden ontferme.
Het verlorene zal Ik zoeken, en het weggedrevene zal Ik wederbrengen, en het gebrokene zal Ik verbinden, en het kranke zal Ik sterken.
Mirjam nu sprak en Aäron tegen Mozes ter oorzake der vrouw, der Cuschitische, die hij genomen had; want hij had een Cuschitische ter vrouw genomen.
Toen ging de koning David in, en bleef voor het aangezicht des HEEREN, en hij zeide: Wie ben ik, Heere HEERE, en wat is mijn huis, dat Gij mij tot hiertoe gebracht hebt?
Het geschiedde nu in het optrekken van de ark, dat Mozes zeide: Sta op, HEERE, en laat Uw vijanden verstrooid worden en Uw haters van Uw aangezicht vlieden.
Hobab, ‘wij reizen naar die plaats, van welke de HEERE gezegd heeft: Ik zal u die geven; ga met ons!’
Ik heb tot het zaad Jakobs niet gezegd: Zoekt Mij tevergeefs.
Ik zal hen allengskens van uw aangezicht uitstoten, totdat gij gewassen zijt en het land erft.
En daarna het suizen van een zachte stilte.
U hebt gezien wat Ik de Egyptenaars gedaan heb; hoe Ik u op vleugelen der arenden gedragen en u tot Mij gebracht heb.
Aanschouw het verbond, want de duistere plaatsen des lands zijn vol woningen van geweld.
Die het gras op de bergen doet uitspruiten; Die het vee zijn voeder geeft; aan de jonge raven, als zij roepen.
Henoch dan wandelde met God; en hij was niet meer, want God nam hem weg.
Ik heb lief, die Mij liefhebben; en die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden.
Want ik weet mijn Verlosser leeft, en Hij zal de laatste over het stof opstaan.
De HEERE is mijn Herder, mij zal niets ontbreken. Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtjes aan zeer stille wateren.
Zo de HEERE het huis niet bouwt, te vergeefs arbeiden deszelfs bouwlieden daaraan.
DE HEERE regeert, dat de volken beven; Hij zit tussen de cherubs; de aarde bewege zich.
Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen; met waarheid zal Hij het recht voortbrengen.
Als het volk Israël bij de berg Horeb is, komt Jethro naar Mozes toe. Mozes vertelt hem over Gods grote daden.
Plotseling valt Amalek het leger van Israël aan in de achterhoede. Mozes bidt, ondersteund door Aäron en Hur.
Een dankdagpreek over het lied van Mozes. Over Gods overwinning en over Zijn weg tot de liefelijke woning van Zijn heiligheid.
Eenvoudige dankdagpreek over het vrijwillige geven van David en van heel het volk voor de bouw van de tempel.
Bij Rafidim in de woestijn is er opnieuw dorst. Ondanks al het gemopper geeft God water. Mozes slaat met zijn staf op de steenrots.
Toen het de kinderen Israëls zagen, zo zeiden zij de een tot den ander: Het is Man (‘manna’). Want zij wisten niet wat het was.
Het volk Israël komt tijdens de woestijnreis bij Mara. Er is drie dagen geen water geweest. Maar het water dat ze nu vinden bij Mara is bitter.
Doch Mozes zeide tot het volk: Vreest niet, staat vast, en ziet het heil des HEEREN, dat Hij heden aan ulieden doen zal.
En de HEERE toog voor hun aangezicht, des daags in een wolkkolom, dat Hij hen op den weg leidde, en des nachts in een vuurkolom.
Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus.
Zeven dagen zult gijlieden ongezuurde broden eten; maar aan den eersten dag zult gij het zuurdeeg wegdoen uit uw huizen.
Het bloed van het lam moet in de nacht van de uittocht uit Egypte gestreken worden aan de posten van de deuren van de huizen van de Israëlieten.
En Simson zeide: Mijn ziel sterve met de Filistijnen; en hij boog zich met kracht, en het huis viel op de vorsten, en op al het volk, dat daarin was.
Maar Simson lag tot middernacht toe; toen stond hij op ter middernacht, en hij greep de deuren der stadspoort met de beide posten, en nam ze weg.
Als hem nu zeer dorstte, zo riep hij tot de HEERE, en zeide: U hebt door de hand van Uw knecht dit grote heil gegeven; zou ik dan nu van dorst sterven, en vallen in de hand dezer onbesnedenen?
Toen stond Abraham des morgens vroeg op en nam brood en een fles water, en gaf ze aan Hagar, die leggende op haar schouder; ook gaf hij haar het kind en zond haar weg.
Bij Mij van den Libanon af, o bruid, kom bij Mij van den Libanon af; zie van den top van Amána, van den top van Senir en van Hermon.
Geheel zijt gij schoon, Mijn vriendin, en er is geen gebrek aan u..
Gaat uit, en aanschouwt, gij, dochteren van Sion! de koning Salomo, met de kroon, waarmede Hem Zijn moeder kroonde op den dag Zijner bruiloft, en op de dag der vreugde Zijns harten.
Preek over: Simson overgeleverdRichteren 15:11: Toen kwamen drieduizend mannen af uit Juda tot het hol der rots van Etam en zeiden tot Simson: Wist u niet dat de Filistijnen over ons heersen? Waarom hebt u ons dan dit gedaan? Bijbelgedeelte…
En Simson ging af naar Timnath, en gezien hebbende een vrouw te Timnath, van de dochteren der Filistijnen.
Ik zocht des nachts op mijn leger Hem, Dien mijn ziel liefheeft; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet. Hebt gij Dien gezien, Dien mijn ziel liefheeft?