Zij meenden dat het een spook was – Markus 6
En zij, ziende Hem wandelen op de zee, meenden dat het een spooksel was, en schreeuwden zeer.
En zij, ziende Hem wandelen op de zee, meenden dat het een spooksel was, en schreeuwden zeer.
Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in de raad der goddelozen, noch staat op den weg der zondaren, noch zit in het gestoelte der spotters. Want de HEERE kent de weg der rechtvaardigen; maar de weg der goddelozen zal vergaan
Hij (Simeon) verwachtte de Vertroosting Israëls.
Ulieden daarentegen die Mijn Naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder Zijn vleugelen; en gij zult uitgaan, en toenemen als mestkalveren.
En gij zult een walging van u zelf hebben over uw ongerechtigheden en over uw gruwelen.
Mijn zoon, geef mij uw hart.
Offer Gode dank, en betaal de Allerhoogste uw geloften.En roep Mij aan in de dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en u zult Mij eren.
Gij zijt opgevaren in de hoogte; Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd; Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen; ja, ook de wederhorigen om bij U te wonen, o HEERE God!
Wat man leeft er, die de dood niet zien zal, die zijn ziel zal bevrijden van het geweld van het grafs? Sela.
En hij zal zijn hand op het hoofd des brandoffers leggen, opdat het voor hem aangenaam zij, om hem te verzoenen. Daarna zal hij het jonge rund slachten voor het aangezicht des HEEREN.
oen zeiden de tovenaars tot Farao: Dit is Gods vinger! Doch Farao’s hart verstijfde, zodat hij naar hen niet hoorde, gelijk de HEERE gesproken had.
Preek over: Zondag 46Zondag 46 van de Catechismus gaat over de aanspraak van het allervolmaakste gebed: Onze Vader, Die in de hemelen zijt.
Want wie mag in den hemel tegen den HEERE geschat worden? Wie is den HEERE gelijk onder de kinderen der sterken?
En de HEERE God maakte voor Adam en zijn vrouw rokken van vellen en toog ze hun aan.
Te dien dage zal er een fontein geopend zijn voor het huis Davids en voor de inwoners van Jeruzalem, tegen de zonde en tegen de onreinheid.
Psalm 37:5,6: Wentel uw weg op den HEERE, en vertrouw op Hem, Hij zal het maken; en zal uw gerechtigheid doen voortkomen als het licht, en uw recht als den middag.
Daarom zal de man zijn vader en zijn moeder verlaten en zijn vrouw aankleven, en zij zullen tot één vlees zijn.
Uw ogen hebben mijn ongevormde klomp gezien; en al deze dingen waren in Uw boek geschreven, de dagen als zij geformeerd zouden worden, toen nog geen van die was.
En de HEERE zal een Hoog Vertrek zijn voor de verdrukte, een Hoog Vertrek in tijden van benauwdheid.
Gij nu, o Mijn schapen, schapen Mijner weide, gij zijt mensen; maar Ik ben uw God, spreekt de Heere HEERE.
En daarom zal de HEERE wachten, opdat Hij u genadig zij, en daarom zal Hij verhoogd worden, opdat Hij Zich over ulieden ontferme.
Het verlorene zal Ik zoeken, en het weggedrevene zal Ik wederbrengen, en het gebrokene zal Ik verbinden, en het kranke zal Ik sterken.
Mirjam nu sprak en Aäron tegen Mozes ter oorzake der vrouw, der Cuschitische, die hij genomen had; want hij had een Cuschitische ter vrouw genomen.
Het gemene volkje dat in het midden van hen was, werd met lust (met gulzigheid) bevangen; daarom zo weenden ook de kinderen Israëls wederom en zeiden: Wie zal ons vlees te eten geven?
Toen ging de koning David in, en bleef voor het aangezicht des HEEREN, en hij zeide: Wie ben ik, Heere HEERE, en wat is mijn huis, dat Gij mij tot hiertoe gebracht hebt?
Het geschiedde nu in het optrekken van de ark, dat Mozes zeide: Sta op, HEERE, en laat Uw vijanden verstrooid worden en Uw haters van Uw aangezicht vlieden.
Hobab, ‘wij reizen naar die plaats, van welke de HEERE gezegd heeft: Ik zal u die geven; ga met ons!’
Ik heb tot het zaad Jakobs niet gezegd: Zoekt Mij tevergeefs.
Ik zal hen allengskens van uw aangezicht uitstoten, totdat gij gewassen zijt en het land erft.
Ik zwoer u en kwam met u in een verbond, spreekt de Heere HEERE, en gij werd Mijne.
En daarna het suizen van een zachte stilte.
U hebt gezien wat Ik de Egyptenaars gedaan heb; hoe Ik u op vleugelen der arenden gedragen en u tot Mij gebracht heb.
Aanschouw het verbond, want de duistere plaatsen des lands zijn vol woningen van geweld.
Die het gras op de bergen doet uitspruiten; Die het vee zijn voeder geeft; aan de jonge raven, als zij roepen.
Henoch dan wandelde met God; en hij was niet meer, want God nam hem weg.
Want ik weet mijn Verlosser leeft, en Hij zal de laatste over het stof opstaan.
De HEERE is mijn Herder, mij zal niets ontbreken. Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtjes aan zeer stille wateren.
Zo de HEERE het huis niet bouwt, te vergeefs arbeiden deszelfs bouwlieden daaraan.
DE HEERE regeert, dat de volken beven; Hij zit tussen de cherubs; de aarde bewege zich.
Zo zegt de HEERE: Er is een stem gehoord in Rama, een klage, een zeer bitter geween; Rachel weent over haar kinderen; zij weigert zich te laten vertroosten
Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen; met waarheid zal Hij het recht voortbrengen.
Als het volk Israël bij de berg Horeb is, komt Jethro naar Mozes toe. Mozes vertelt hem over Gods grote daden.
Plotseling valt Amalek het leger van Israël aan in de achterhoede. Mozes bidt, ondersteund door Aäron en Hur.
Een dankdagpreek over het lied van Mozes. Over Gods overwinning en over Zijn weg tot de liefelijke woning van Zijn heiligheid.
Eenvoudige dankdagpreek over het vrijwillige geven van David en van heel het volk voor de bouw van de tempel.
Bij Rafidim in de woestijn is er opnieuw dorst. Ondanks al het gemopper geeft God water. Mozes slaat met zijn staf op de steenrots.
Toen het de kinderen Israëls zagen, zo zeiden zij de een tot den ander: Het is Man (‘manna’). Want zij wisten niet wat het was.
En Elia, de Thisbiet, van de inwoners van Gilead, zei tot Achab: Zo waarachtig als de HEERE, de God Israëls, leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, indien deze jaren dauw of regen zijn zal, tenzij dan naar mijn woord!
Het volk Israël komt tijdens de woestijnreis bij Mara. Er is drie dagen geen water geweest. Maar het water dat ze nu vinden bij Mara is bitter.
Doch Mozes zeide tot het volk: Vreest niet, staat vast, en ziet het heil des HEEREN, dat Hij heden aan ulieden doen zal.
Ik heb lief, die Mij liefhebben; en die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden.
En de HEERE toog voor hun aangezicht, des daags in een wolkkolom, dat Hij hen op den weg leidde, en des nachts in een vuurkolom.
Schrijf u in en ontvang regelmatig een bericht over de nieuw geplaatste leespreken.