PREEK · KERKELIJK JAAR

Vijf broden en twee vissen - Johannes 6

Dankdag - 5 november 2025

Johannes 6:9: Hier is een jonksken dat vijf gerstebroden heeft en twee visjes; maar wat zijn deze onder zovelen?

INLEIDING

De Heere Jezus ziet duizenden mensen, en Zijn hart is met ontferming bewogen. Met slechts vijf broden en twee visjes dankt Hij en deelt Hij uit, totdat iedereen genoeg heeft — en er blijft zelfs over. Wie naar beneden kijkt, naar wat hij zelf heeft, vindt het altijd te weinig; wie omhoog kijkt naar de Heere, ontvangt met schaamte en dankbaarheid meer dan verdiend. Dit wonder wijst vooral op Christus als het Brood des levens, Die vergeving en een nieuw hart wil geven.

JOHANNES 6:5-11

5 Jezus dan de ogen opheffende, en ziende dat een grote schare tot Hem kwam, zeide tot Filippus: Vanwaar zullen wij broden kopen, opdat dezen eten mogen?
6 (Doch dit zeide Hij hem beproevende; want Hij wist Zelf wat Hij doen zou.)
7 Filippus antwoordde Hem: Voor tweehonderd penningen brood is dezen niet genoeg, opdat een iegelijk van hen een weinig neme.
8 Een van Zijn discipelen, namelijk Andréas, de broeder van Simon Petrus, zeide tot Hem:
9 Hier is een jonksken dat vijf gerstebroden heeft en twee visjes; maar wat zijn deze onder zovelen?
10 En Jezus zeide: Doet de mensen nederzitten. En er was veel gras in die plaats. Zo zaten dan de mannen neder, omtrent vijfduizend in getal.
11 En Jezus nam de broden, en gedankt hebbende deelde Hij ze den discipelen, en de discipelen dengenen die nedergezeten waren; desgelijks ook van de visjes, zoveel zij wilden.

VOLLEDIGE TEKST

Vijf broden en twee vissen - Johannes 6

ds. J. IJsselstein - Johannes 6:9

LITURGIE

Psalm 147:4 Zondag 10 Catechismus

Psalm 147:5

Lezen Johannes 6:1-15

Psalm 65:6,7,8

Psalm 147:6

Psalm 147:7

Psalm 81:12

Gemeente, jongens en meisjes, de eerste preek op deze dankdag gaat over wat we zojuist gelezen hebben uit Johannes 6:1-15. Laten we samen dat Bijbelgedeelte eerst nog even vers-voor-vers met elkaar doorlezen. Lees maar mee in je Bijbel, jongens en meisjes.

Vers 1 en 2: Na dezen vertrok Jezus over de Zee van Galiléa, welke is de Zee van Tibérias. En Hem volgde een grote schare (heel veel mensen), omdat zij Zijn tekenen zagen, die Hij deed aan de kranken (aan de zieken). Er komen dus heel veel mensen achter de Heere Jezus aan. Een grote menigte. Omdat zij tekenen gezien hebben. Ze hebben gezien dat de Heere Jezus zieken beter gemaakt heeft.

Heel veel mensen volgen Hem. Naar een berg, ergens in de buurt van het plaatsje Bethsaïda. Naar een plaats waar iederéén naar Hem toe kan komen. En daar gaat de Heere Jezus zitten, samen met Zijn discipelen. Om onderwijs te geven, om mensen te leren, om te preken. Jouw juf of meester staat, als hij of zij les geeft, maar vroeger ging de Meester zitten. Om onderwijs te geven, om mensen te leren, om te preken.

Vers 3 en 4: En Jezus ging op den berg, en zat aldaar neder (ging zitten) met Zijn discipelen. En het pascha, het feest der Joden, was nabij. Binnenkort is het paasfeest.

Vers 5: Jezus dan de ogen opheffende, en ziende dat een grote schare tot Hem kwam, zeide tot Filippus: Vanwaar zullen wij broden kopen, opdat dezen eten mogen? Als de Heere Jezus om Zich heen kijkt, ziet Hij duizenden mensen (mannen, vrouwen en kinderen). Hij zegt tegen Filippus (die daar uit buurt komt): Wie gaat al deze mensen zo meteen te eten geven? En waarvandaan?

De Heere is bezorgd. Het is voor Hem niet genoeg dat al deze menen komen luisteren naar Zijn preken. Hij wil ook goed voor hen zorgen. Ze moeten straks wel te eten hebben!

Vers 6: (Doch dit zeide Hij tegen Filippus hem beproevende; want Hij wist Zelf wat Hij doen zou.) De Heere Jezus wil Filippus beproeven. Het is een vraag om hem te testen. Filippus heeft eerder gezien dat de Heere Jezus wonderen doet. Zou hij dat voor nu ook geloven? Of niet?

Ondertussen weet de Heere Jezus wel, hoe het verder zal gaan. Als wij het niet weten, weet Hijzelf wèl wat Hij zal doen. Hij brengt Filippus in verlegenheid, maar met het doel om hem op de proef te stellen. Om te kijken, of Filippus echt op de Heere vertrouwt. En zo niet, om hem dat te leren!

Maar in plaats van op Heere te vertrouwen, kijkt Filippus in de gezamenlijke portemonnee. Tweehonderd penningen, zitten erin. Tweehonderd penningen…? Dat is ècht niet genoeg voor zoveel mensen!

Vers 7: Filippus antwoordde Hem: Voor tweehonderd penningen brood is dezen niet genoeg, opdat een iegelijk van hen een weinig neme. Zelfs al krijgt iedereen maar heel klein beetje, dan zijn die tweehonderd penningen echt nog veel te weinig!

Vers 8 en 9: Een van Zijn discipelen, namelijk Andréas, de broeder van Simon Petrus (blijkbaar heeft Andreas ondertussen wat rondgekeken: Wie heeft er toevallig eten bij zich?), (hij) zeide tot Hem: Hier is een jonksken (een jongetje) dat vijf gerstebroden heeft en twee visjes; maar wat zijn deze onder zovelen (voor zoveel mensen)? Gerstebrood is gewoon, goedkoop brood. Maar, er zijn maar vijf broodjes voor vijfduizend(!) mannen! En maar twee visjes…

Wel bijzonder, trouwens. Blijkbaar heeft dit jongetje van thuis eten meegekregen. Zoals jij misschien ook wel naar school je broodtrommel meekrijgt. Voor jezelf om te eten. Een broodtrommel met vijf lekkere broodjes en twee lekkere visjes. Maar hij, hij geeft dat eten weg! Voor de Heere Jezus. Daar moet je even over nadenken…

Vers 10: En Jezus zeide: Doet de mensen nederzitten. En er was veel gras in die plaats. Zo zaten dan de mannen neder, omtrent vijfduizend in getal. Iedereen gaat zitten. Vijfduizend mannen. Meestal werden die alleen geteld, in die tijd. en zijn er ook nog de vrouwen en de kinderen.

Vers 11: En Jezus nam de broden, en gedankt hebbende deelde Hij ze (aan) de discipelen, en de discipelen (aan) dengenen die nedergezeten waren; desgelijks ook van de visjes, zoveel zij wilden. De Heere Jezus neemt het brood. Hij dankt er Zijn hemelse Vader voor. En nadat Hij gedankt heeft, deelt Hij het uit aan de discipelen. En de discipelen geven het aan de mensen. Totdat iedereen heeft, zoveel als hij of zij wil.

Vers 12: En als zij verzadigd waren (iedereen heeft genoeg, iedereen zit vol) zeide Hij tot Zijn discipelen: Vergadert de overgeschoten brokken, opdat er niets verloren ga. Want ja, als je gedankt hebt voor wat je gekregen hebt, moet je dat (wat overblijft) natuurlijk niet zomaar weggooien.

Vers 13: Zij vergaderden ze dan, en vulden twaalf korven met brokken van de vijf gerstebroden, welke overgeschoten waren dengenen die gegeten hadden. Er zijn twaalf discipelen en er blijven twaalf manden met brood, twaalf rugzakken vol eten over. Voor de twaalf discipelen. Terwijl er genoeg was voor iedereen uit de twaalf stammen van Israël.

Met andere woorden, de Heere Jezus heeft gezorgd voor iedereen. Voor de mensen die in het gras zitten. Maar ook voor Zijn discipelen die druk bezig geweest zijn met het uitdelen van het eten.

Vers 14: De mensen dan, gezien hebbende het teken dat Jezus gedaan had, zeiden: Deze is waarlijk de Profeet, Die in de wereld komen zou. Mozes had heel lang geleden gezegd, dat er een Profeet zou komen. In Deuteronomium 18. Daar staat: Een Profeet zal Ik (de Heere) hun verwekken uit het midden hunner broederen, als u; en Ik zal Mijn woorden(!) in Zijn mond geven, en Hij zal tot hen spreken(!) alles wat Ik Hem gebieden zal. En: naar Hem zult u horen. Daarnaar moet u luisteren (Deut. 18:15,18).

Dus…, hebben al die mensen hier nu wel door, wat hier gebeurt en waar het hier om gaat? Gaat het wel om het brood wat ze gegeten hebben? Om dat bijzondere, dat ze nu met een volle maag naar huis kunnen?

Nee! De meesten denken dat wel. Maar Mozes zei het heel lang geleden al: Het gaat bij de Profeet, bij de Heere Jezus, niet om wat Hij geeft, maar het gaat om wat Hij zegt! Het gaat om Zijn woorden! Het gaat niet om dat gewone brood, wat Hij dankend uitdeelt. Maar het gaat erom, dat Hij daarmee Zichzelf (met dit wonder, met dit teken, en met Zijn woorden) aanwijst als het Brood des Levens. Als het levende Brood, dat aan zondige mensen het leven geeft. Nog één vers, en dan gaan we eerst zingen.

Vers 15: Jezus dan, wetende dat zij zouden komen en Hem met geweld nemen, opdat zij Hem koning maakten, ontweek wederom op den berg, Hij Zelf alleen. De mensen zuchten onder de harde dienst van de Romeinen. Ze willen graag hun vrijheid terug. Ze denken: Zou de Heere Jezus niet Koning moeten worden, om hen van de Romeinen te verlossen?

Is dat de bedoeling? Nee, want het Koninkrijk van de Heere Jezus is niet als het koninkrijk van een gewone Koning. Zijn Koninkrijk is niet van deze wereld. Zijn Koninkrijk is een Koninkrijk van genade. En dus vertrekt de Heere Jezus snel, naar een stille, eenzame plaats.

We gaan zo meteen zien, wat we hier van leren kunnen, maar gaan samen eerste zingen uit Psalm 147:6: De HEER’ betoont Zijn welbehagen Aan hen, die need'rig naar Hem vragen, Hem vrezen, Zijne hulp verbeiden, En door Zijn hand zich laten leiden; Die, hoe het ook moog' tegenlopen, Gestadig op Zijn goedheid hopen. O Salem, roem den HEER’ der heren; Wil Uwen God, o Sion, eren! ---

Wat wil de Heere ons, jongens en meisjes, eigenlijk leren met deze geschiedenis? Laten we het samen op een rij zetten.

a. Het eerste wat opvalt, is dat heel veel mensen de Heere Jezus volgen. Een menigte mensen volgt Hem, om naar Hem luisteren. Wel vijfduizend mannen, plus dan ook nog de vrouwen en de kinderen.

Maar…, er zijn natuurlijk nog veel méér mensen. Die je hier niet ziet. Dat waren er misschien wel honderdduizend. Die zijn gewoon thuisgebleven. Zij hebben geen zin om de Heere te volgen. Zij hebben geen zin om naar Hem te luisteren.

Vandaag is het dankdag. De laatste dag van het seizoen, van de tijd tussen biddag en dankdag. Ben jij de Heere ook gevolgd, net als al deze mensen? Heb jij de afgelopen tijd ook goed geluisterd? Naar wat de Heere tegen je wilde zeggen? Thuis onder het Bijbellezen? Op school bij het Bijbelverhaal? In de kerk onder de preek? Of ben je alleen maar druk geweest met je eigen dingen? Niet vergeten, jongens en meisjes, ouderen, dat luisteren naar de Heere, dat is heel hard nodig. Want door de zonde is alles stuk gegaan tussen de Heere en je hart. Daardoor ben je van jezelf verloren. En je kan het zelf nooit meer goedmaken.

Maar de Heere laat je niet over aan jezelf. Hij doet je niet weg. Maar Hij zegt heel hartelijk en met heel veel liefde… Niet: ‘Ga maar!’ Maar: ‘Zeg, grote en kleine weglopers, kom, terug!’ Kom! Luister naar Mijn woord. Mijn mond brengt niets dan loutere wijsheid voort.

Zoek de Heere, jongens en meisjes, zoek de Heere Jezus. Door te bidden. Stil, op de plek in huis die je daarvoor hebt. Door te luisteren. Door te lezen in je Bijbel. Zoek de Heere en je zult Hem vinden.

b. Het tweede wat opvalt, is dat de Heere voor al die mensen wil zorgen. Hij kijkt met liefde en zorg naar die duizenden mensen. Mensen, die allemaal hun eigen zorgen en verdriet hebben. Er zijn vast ook mensen met problemen thuis, mensen die ziek zijn, mensen die al oud geworden zijn. Iedereen heeft zijn of haar eigen moeilijke dingen. Maar al die mensen hebben vooral ook allemaal … een ziel, die altijd zal blijven leven.

En dus (schrijft Markus in zijn Bijbelboek): Toen de Heere Jezus om Zich heen keek, toen werd Hij innerlijk met ontferming bewogen over hen; want zij waren als schapen die geen herder hebben. Als Hij al die mensen ziet, dan wordt Zijn hart warm. Het zijn net eenzame, verdwaalde schapen, die geen herder hebben…

En zo was het ongetwijfeld ook met jou en met jullie in de afgelopen tijd. Misschien waren er wel moeilijke dingen, maar de Heere keek je vriendelijk aan en zorgde voor je. Heb je daar wel op gelet? Heb je daar wel eens aan gedacht?

Terwijl (dat moet ik er eerlijk bij zeggen), jij en ik dat niet waard waren. Dat hadden jij en ik niet verdiend.

Maar, de Heere keek je voorál aan, met een warm hart, als…? Als een schaapje zonder herder. Heb je daar wel op gelet? Heb je daar wel eens aan gedacht? Dat Heere je zocht? Dat Heere aan je vroeg: Kom bij Mij! Verloren schaap, kom toch naar de Goede Herder. Geef Mij je hart!

Is het niet bijzonder, dat de Heere in de afgelopen tijd zo goed voor je zorgde. Dat Hij je zo vriendelijk riep? Dus, wat doe je dan? Als iemand heel goed voor je is, en jij zelf bent dat niet waard? Dan buig je je hoofd, toch? Dan maak je jezelf klein. Dan zeg je: ‘Dank U, Heere, dat alles had ik niet verdiend. Wat bent U toch goed, Heere. Voor mij, die zoveel slechte dingen doe.’

Dankdag houden, jongens en meisjes, is danken voor wat je niet verdiend had, maar toch van de Heere kreeg. Dankdag houden, is danken voor onverdiende genade

c. En dan is er nog een derde iets wat opvalt. De discipelen zijn bezorgd. Tweehonderd penningen zitten er in de kas. Maar dat is veel te weinig. En vijf broden en twee visjes. Dat is ook niet genoeg. Wat is het toch moeilijk voor ze, om op Heere te vertrouwen. En dankbaar te zijn.

Zo kan je zelf ook terugkijken naar het afgelopen seizoen. Of vooruitkijken naar de komende winter. Dit (dit beetje geld, deze paar broden, deze kleine visjes), dat is niet genoeg! Filippus zegt het ook: ‘Dat is niet genoeg!’ En Andreas zegt: ‘Wat moeten we met zo weinig?’

Hoe komt dat? Omdat ze de verkeerde kant opkijken. Ze kijken naar wat ze zelf hebben. En dat is niet veel… Zoals je ook op deze dankdag kan kijken, naar wat je zelf hebt. En terwijl je daarnaar kijkt, denk je vooral aan alles wat je niet hebt. En dan komt er in je hart twijfel, onvrede, bezorgdheid… Want…? Ja, al die dingen die zo moeilijk zijn! Je werk op school. Het ziek zijn van je vader of moeder. En thuis hebben ze ook zo weinig geld. En misschien is er thuis ook wel veel ruzie. En opa of oma is ziek, en zal niet meer beter worden. En veel dingen die je graag zou willen, kunnen niet…

Als je zó terugkijkt naar het afgelopen seizoen, en je kijkt naar beneden… Dan zeg je altijd (al had je nog zo veel!): Het was te weinig! Als je zó vooruitkijkt naar de komende tijd, en je kijkt naar beneden… Dan zeg je ook (al heb je nog zo veel!): Het is te weinig… Omdat je de verkeerde kant opkijkt!

Kijk eens naar de Heere Jezus. Hij kijkt omhoog. Naar Zijn hemelse Vader. En terwijl Hij denkt aan dat weinige wat Hij in Zijn handen heeft (vijf broden en twee visjes), vertrouwt Hij op de Heere in hemel. En dankt Hij Zijn hemelse Vader. Hij dankt en Hij blijft danken. Voor dat gewone gerstebrood en voor die paar visjes. Voor dat wat veel te weinig lijkt.

Dus, als je in het afgelopen seizoen nu maar weinig gekregen hebt (vind je) … (Misschien was er op allerlei manieren te kort. Te weinig geld voor lekker eten, voor mooie kleren, voor leuke schoolspullen, voor een mooie vakantie of wat dan ook…) Als alles weinig was, als je allemaal niet kreeg, wat graag wilde hebben… Als je misschien hier vanmorgen in de kerk zit (misschien ook wel als volwassene), met een hart vol met gemopper, omdat het allemaal te weinig was…

Wat moet je dan op deze dankdag doen? Dan moet je niet naar beneden blijven kijken. Maar dan moet je omhoog kijken! En zeggen: ‘Heere, dank U, het was allemaal veel méér dan dat ik verdiende. Dan mag je (denkend aan de Heere Jezus) danken en blijven danken voor alles, wat de Heere wèl aan je gaf. Omdat Hij je gebed verhoorde: ‘Heere, geef ons heden ons dagelijks brood.’

Al was het, vergeleken met wat anderen kregen, in jouw ogen maar weinig. Maar alles wat je uit de handen van de Heere krijgt, is altijd genoeg. Omdat…? Omdat je het van de Heere gekregen hebt. En wat je van de Heere krijgt (dat moet je vanmorgen proberen te onthouden), is altijd meer dan dat je verdiend hebt.

En daarbij, alles wat de Heere geeft voor je dagelijkse leven, dat geeft Hij met liefde. Daarom zegt Paulus tegen Timotheüs (het staat ook in de Hebreeënbrief): Zoek nu niet steeds heel veel, maar wees tevreden met wat de Heere aan je geeft. Wees tevreden (‘vergenoegd’) met het tegenwoordige. Met de dagelijkse dingen die je van de Heere krijgt. Want Hij heeft gezegd: Ik zal u niet begeven en Ik zal u niet verlaten (1 Tim. 6:8, Hebr. 13:5). Dat is het belangrijkste, toch?

Vind je dat niet om echt je hoofd bij te buigen van schaamte? Als je denkt aan al je zonden, aan al de verkeerde dingen die jij en ik hebben gedaan? Vind je het dan geen wonder, dat de Heere in de afgelopen tijd toch nog zo goed voor ons heeft gezorgd? Dat Hij ons niet los liet? Dat Hij ons niet in de steek liet?

Dit is een dag om stil en biddend naar de Heere toe te komen en te zeggen: ‘Heere, wat bent U toch goed geweest. Ik kreeg veel meer van U, dan dat ik verdiende…’

Waarom deed de Heere dat eigenlijk? Waarom zorgde Hij zo goed voor ons?

Dat gaan we zo meteen zien, maar we gaan eerst nog een keer zingen uit Psalm 147, nu het zevende vers. Psalm 147:7: Hij wil in gunst uw heil bewerken, De grendels uwer poorten sterken, En zegent in uw land uw kind'ren; Hij doet geen krijg uw wasdom hind'ren; Hij deelt den liefelijken vrede, Zelfs aan Uw verste grenzen mede; Met vette tarw' wil Hij u spijzen, En kronen met Zijn gunstbewijzen.

Jongens en meisjes, waarom hebben we zoveel dingen van de Heere gekregen in het afgelopen seizoen? Dingen, die we niet verdiend hadden om te krijgen? Waarom zorgde de Heere zo vriendelijk en liefdevol voor ons? Wat was bedoeling van de Heere? Om ons alleen maar eten en drinken te geven?

Nee. De Heere wil méér! Als iemand aan jou iets geeft, een cadeau, waarom is dat dan? Om je te laten voelen, dat zo iemand van je houdt!

Waarom gaf de Heere ons zoveel? Om te laten voelen, dat de Heere geen hekel aan ons heeft. Maar van ons houdt. Terwijl óns zondige hart (als we nog geen nieuw hart hebben) wel een hekel aan Hem heeft! Ons zondige hart houdt niet van de Heere. Het luistert niet naar Hem. En zoekt Hem niet.

En nu heb je wéér, jongens en meisjes, alles van de Heere gekregen wat je nodig had. Dus heb je alle reden (net als ik), om je dubbel te schamen. Want geef jij een cadeau aan iemand die niet van jou houdt? De Heere wel…

Dat is reden om je dubbel te schamen. En reden om biddend naar de Heere toe te komen, om nog iets anders van Hem te vragen. Want met dit teken, met dit wonder wil de Heere Jezus wijzen, op Wie Hij echt is en wil zijn voor zondige mensen zoals wij. Even later (in vers 35) zegt de Heere het: Ik ben het Brood des levens. Die tot Mij komt, zal geenszins hongeren. Die in Mij gelooft, zal nimmermeer meer dorsten. Met andere woorden, Ik alléén kan het weer goed maken tussen de Heere en je hart. Door je zonden te vergeven, door je schuld tegenover de Heere weg te nemen. Door je een nieuw hart te geven.

Maar, jongens en meisjes, er is een probleem. De Heere zegt heel vriendelijk tegen ons: Kom terug! Maar, wij willen niet luisteren. Wij willen niet terugkomen.

Dus, wat moet je doen op deze dankdag? Terwijl je je schaamt, de Heere danken. Want je kreeg veel meer dan je verdiende. En terwijl je je schaamt om al je zonden de Heere ook vragen: ‘Heere, brengt U me toch terug bij U. Brengt U me toch uit genade (ik heb het niet verdiend) bij de Heere Jezus. Want Hij wil niet alleen voor eten en drinken zorgen, maar Hij wil me ook een nieuw hart geven!’

Dank zo, en vraag dat. Terwijl je hier in de kerk zit. En straks als je thuis bent en stil bidt op de plek die je daarvoor hebt. Want de Heere hoort je stem, je smekingen, je klagen. En Hij neigt Zijn oor, als je bidt.

Drie dingen hebben we ondertussen geleerd. a. We hebben als eerste geleerd, dat het goed is om de Heere te volgen. Om naar Hem te luisteren. Door te bidden en in de Bijbel te lezen.

b. We hebben als tweede geleerd, dat de Heere voor ons wil zorgen.

c. En als derde, dat je als je naar beneden kijkt, altijd te weinig hebt. Maar dat je, als je omhoog kijkt, je moet schamen. Maar dan geeft de Heere je ook, wat je nodig hebt. En dan wil de Heere je vooral leren, waar de Heere Jezus echt voor gekomen is. Niet alleen voor gewoon brood. Maar Hij wil vooral het Brood des Levens voor je zijn. Dat wil zeggen, dat je leven, een levend hart, ja eeuwig leven van Hem kan krijgen. Genadebrood! Dat wil zeggen: vergeving van al je zonden en een nieuw hart.

Dat wil de Heere aan je geven: genade. Niet een klein beetje, maar heel veel. In overvloed. Als de Heere dat aan je geeft, jongens en meisjes, genade, vergeving van je zonden en een nieuw hart, dan ben je echt heel erg gelukkig,

d. Er is als laatste ook nog een vierde ding, dat we hier kunnen leren. De Heere dankt en breekt, Hij breekt en dankt, totdat iedereen genoeg heeft. En dan blijft er uiteindelijk ook nog heel veel over: twaalf volle manden. Twaalf rugzakken met eten. Voor…? Voor de twaalf discipelen!

Daar leren we van, dat de Heere ook zorgt voor die mensen, die Zijn woorden mogen uitdelen: voor de ouderlingen, de diakenen, voor evangelisten, zendelingen en dominees. Ook wij krijgen van Heere te eten. Meer dan genoeg. En ook wij, moeten dan eerlijk zeggen: ‘Heere dit hadden we niet verdiend. Deze onverdiende genade van U. Van U, Die in onze plaats naar deze wereld wilde komen om te lijden en te sterven, voor zulke slechte mensen als dat wij waren en zijn.’

Als we daaraan denken, dan vertellen we op de catechisatie, op huisbezoek en op de preekstoel blij over de goede dienst van de Heere en over de rijkdom van Zijn genade. Als, zo zegt de Bijbel, als ‘uitdelers van de menigerlei genade van God.’

Terwijl ook wij thuis (op de plek waar wij bidden) heel beschaamd de Heere danken. En juist als we dat doen, dan voelen we meer dan ooit, hoe slecht ook wij voor Heere waren en zijn. Dan laten we met de zondares uit Lukas 7 ook onze tranen vallen op de voeten van de Heere Jezus. Terwijl we Hem innig danken, en al onze liefde voor Hem neerleggen. Omdat Hij ons eerst liefgehad heeft

Danken, jongens en meisjes, doe je met drie dingen. Probeer ze te onthouden. Danken doe je met drie dingen. a. Met rode wangen (van schaamte). b. Met tranen in je ogen (van berouw). c, En met een blijde glimlach (van verwondering en blijdschap), om Wie de Heere voor je geweest is.

Danken, discipelen, broeders, en allen die werken in Gods Koninkrijk (ook op het zendingsveld), danken doen we… a. Met een rood hoofd (van schaamte). b. Met tranen in onze ogen (van berouw). c. En met verwondering en blijdschap (om Wie de Heere voor ons geweest is).

En dat zal zo blijven. Maar wat ook blijft, is de garantie: Dat je, met mij, ook één overgebleven mand mee naar huis mag nemen.

Amen.

Slotzang Psalm 81:12:

Opent uwen mond; Eist van Mij vrijmoedig, Op mijn trouwverbond; Al wat u ontbreekt, Schenk Ik, zo gij 't smeekt, Mild en overvloedig