Advent - 19 januari 2014
[Hier volgt de volledig uitgeschreven Schriftlezing bij deze preek.]
INLEIDING
En de Doorbreker zal voor hun aangezicht optrekken; zij zullen doorbreken, en door de poort gaan, en door dezelve uittrekken; en hun koning zal voor hun aangezicht henen gaan; en de HEERE in hun spits.
MICHA 2:13
Volledige Bijbeltekst nog niet toegevoegd.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Micha 2:13
Gemeente, ik wil vanmorgen met u graag een Bijbelhoofdstuk overdenken, dat niet zo heel erg bekend is. Ik heb het over het tweede hoofdstuk van de profeet Micha. Laten we vanmorgen met elkaar vers voor vers het hoofdstuk dat ons voorgelezen is, Micha 2, overdenken. Micha is profeet in Juda. Zijn naam betekent: ‘Wie is als God?’ En dat heeft, dat voelt u, iets strijdbaars in zich. Wie is in staat om tegen God te strijden? Wie kan Hem weerstaan? Maar het heeft ook iets heel troostvols in zich. Denk maar aan de bekende psalmwoorden: Wie is aan onze God gelijk, die de armen opricht uit het slijk?
Micha was profeet in de tijd van de godvrezende koning Jotham. En daarna profeteerde hij nog zestien jaar lang in de tijd van de goddeloze koning Achaz.
Micha spreekt de woorden van God: Zo zegt de HEERE. Hij preekt het komende gericht en hij dreigt met het komende oordeel. En tegelijkertijd, bidt en smeekt hij in het verborgen bij God. Hij huilt tranen, zoals Christus tranen huilde over Jeruzalem. Maar Achaz en het volk, zij buigen niet. Er komt geen reformatie. Pas onder de godvrezende koning Hizkia komt er een geestelijke opwekking.
Jongelui, hoe kan je nu weten of een profeet, zoals Micha de waarheid spreekt? Straks zit je goed te luisteren en blijkt achteraf dat het allemaal niet waar is. Dat het allemaal voor niets is geweest. Hoe konden de mensen destijds weten dat Micha de waarheid sprak? Want er waren nog veel meer profeten. Profeten, die wij valse profeten noemen. Hoe konden zij weten dat Micha een echte profeet van de Heere was? Op twee manieren.
a. In de eerste plaats: ze hebben gezien (letterlijk: gezien) dat zijn woorden waar waren. Want Micha’s profetieën zijn uitgekomen. Je zegt: ‘Ja, maar dat was natuurlijk achteraf.’ Ja, dat is waar. Maar wimpel dat niet weg in je gedachten, want als je alle waarschuwingen in de wind slaat en het blijkt achteraf toch waar te zijn geweest, dan heb je pas echt een levensgroot probleem. Dat als eerste. Ze hebben gezien: Micha spreekt de waarheid.
b. En het tweede (goed luisteren): Het is waar wat je hoort (ook hier in de kerk) als je hoort, wat je niet horen wilt. Want God strijkt altijd dwars tegen onze haren in.
Wij mensen denken: vertel ons nu, wat we zo graag willen horen. Vertel ons van liefde en vrede. Geef ons in de kerkdienst een schouderklopje, een aai over onze bol. Dan kunnen we fijn luisteren en dan gaan we met een fijn gevoel naar huis. Ja, u preekt scherp over de zonde. Dat is prima, maar dan wel graag over de zonde van anderen. Over de zonde van de wereld of over de zonden van andere gemeenteleden. Ja, trouwens u mag ook mijn zonde wel aanwijzen, maar dan wel graag wat in het algemene blijven. Zeggen dat ik een zondaar ben, prima. Maar als u zo naar gaat wijzen als Nathan deed, en gaat zeggen: U bent die man…, dan gaat de deur bij mij dicht. Want ik ben goed. Ik ben vroom. Zoals de broers van Jozef ook zeiden: wij zijn vroom.
De valse profeet spreekt de mensen naar de mond. Maar een echte profeet, zoals Micha, spreekt de woorden van God. Net zoals, jongens en meisjes, een automonteur. Als je daar naar toe gaat met je kapotte auto en hij doet de motorkap open, dan zegt hij eerlijk: ‘Dat ding is stuk. En die banden, moet je eens kijken, dat is levensgevaarlijk. Daar moet je niet langer op doorrijden.’ Zoals een echte dokter ook gewoon eerlijk zegt, wat je hebt, hoe schokkend en hoe naar het ook is. Zo eerlijk is de profeet, die de woorden van God onveranderd en eerlijk doorgeeft, en zegt: ‘Zo zegt de HEERE’.
En wat zegt de Heere dan? Nou, de Heere spreekt altijd met twee woorden. Dan gaat het altijd over de zonde. Over mijn zonde. En over genade. Over Zijn genade. Dan gaat het altijd over de dood. Niet over de dood van een ander, maar over mijn (geestelijke) dood. En over Zijn leven. Dan gaat het over de vloek, die op mijn leven rust. En over de zegen, die bij God te verkrijgen is. Dan gaat het, net zoals bij Micha, over het oordeel. Over het oordeel over mijn leven, om mijn zonde. En over de weg ter ontkoming bij God vandaan.
Want God spreekt altijd persoonlijk. Niet in het algemeen tegen iedereen en niemand tegelijk. God spreekt tegen mij. En vanmorgen ook tegen u. En eerlijk gezegd, van die boodschap van de Heere word je niet blij. Daar kun je niet fijn naar luisteren. Dan ga je als je thuis komt, net als Micha, huilend naar je binnenkamer. En dan zeg je daar: ‘O God, ik heb U op het hoogste misdaan. Ik heb het gedaan.’ Als je die woorden gehoord en geloofd hebt, dan ga je de kerk uit als een arm en slecht mens. Want? Waarom doet de Heere dat? God wil die scherpe woorden gebruiken om ons te vernederen. Om onze hoogmoed te breken en om ons klein te maken. Om zo, op die manier, plaats te maken voor Zijn genade.
We zullen vanmorgen met elkaar gaan zien, hoe de Heere dat destijds wilde doen, en nog steeds wil door, door middel van Zijn Woord. De woorden van Micha vragen onze aandacht. Micha 2. Het hoofdstuk is u voorgelezen. We verschillende verzen komen in de preek vanzelf aan de orde.
Het thema voor de preek is: Straf en belofte. We gaan het hoofdstuk in drieën verdelen. Het eerste deel, vers 1 tot en met 5, gaat over: denken in het donker. Het tweede deel, vers 6 tot en met 11, gaat over: preken met lucht. En het derde deel, vers 12 en 13, gaat over: wachten op de Breker, op de Doorbreker.
Dus: Straf en belofte. 1. Denken in het donker 2. Preken met lucht 3. Wachten op de Breker. Als eerste dus:
1. Denken in het donker Leest u maar mee in uw Bijbeltje (het zijn geen gemakkelijke verzen, dus het is goed om mee te lezen); leest u maar mee in vers 1: Wee dien, (zegt God) die ongerechtigheid bedenken, en kwaad werken op hun legers; in het licht van de morgenstond doen zij het, dewijl het in de macht van hunlieder hand is. ‘s Avonds in bed, in de stilte van de eenzaamheid slimme of slechte plannen maken… Hoe zou ik nu nog rijker kunnen worden? En de volgende morgen opstaan uit je bed en zeggen: ‘Ik weet het, ik weet het!’ En ze gaan naar hun kantoor of naar hun werk en ze voeren hun plannen uit. Welke plannen? En hoe doen ze dat? Leest u maar mee in vers 2: En zij begeren akkers, en roven ze, en huizen, en nemen ze weg; alzo doen zij geweld aan den man en zijn huis, ja, aan een iegelijk en zijn erfenis. Het zijn grote boeren. Micha kwam uit een boerendorp. Het zijn grote boeren, grootgrondbezitters. Wij zouden zeggen: het zijn vastgoedmagnaten. Je zou denken: ze hebben alles. Maar nee, zeggen ze: ‘We willen meer’. Hoe dan? ‘Nou, je pakt toch gewoon iets van iemand anders af.’ En dat doen ze. Ze regelen een uitzettingsbewijs voor die arme en kwetsbare mensen. Hup, je huis uit, jij! Stempel van het gemeentehuis erbij, en het is geregeld!
Wie zijn de prooi van die mannen? Weduwen, wezen, kwetsbare mensen, maar ook gewone landeigenaars. Pakken, die arme sloebers! Zoals koning Achab de wijngaard afpakte van Naboth, zijn erfenis, het deel dat hij van de Heere had gekregen. Altijd door de Heere zorgvuldig beschermd? Dat geeft niks. Ik stoor me nergens aan. Pakken, gewoon pakken, dat bezit van die ander. blijven Huilende vrouw, huilende kindertjes? Geeft niets. ‘Geef hier, vanaf nu is dat voor mij!’
Ver van je bed, toch? Je zegt: dit gaat over rijken. Zo ver heb ik het nog nooit geschopt. Dit gaat over grootgrondbezitters, vastgoedmagnaten. Dit gaat over witteboorden- criminelen. Ja, en als je dan zoveel macht en geld niet hebt, dan heb je dus ook de gelegenheid niet om zulke plannen uit te voeren.
Ja, dat is waar, maar je hebt wel de gelegenheid om ze te bedenken, in je hoofd, in je gedachten. Zoals staat in Psalm 36: De mens zonder God bedenkt onrecht op zijn leger, op zijn bed. Zoals hier in vers 1 en 2: Wee dien, (zegt God) die ongerechtigheid bedenken, en kwaad werken op hun legers. Dan, in de stilte van de avond, in de stilte van de nacht of van de eenzaamheid, niemand ziet het, niemand weet het, dan God alleen, die alles ziet en alles weet. Dan blijkt dat dubbele leven. In je gedachten, in de plannen die je maakt, die je bedenkt, hoewel je ze niet uit kunt voeren. Maar toch, je bedenkt ze in je gedachten.
Dan blijken die twee werelden. De één netjes en vroom: ‘Preek maar scherp, dominee. Preek de wet maar. Wijs de zonde maar aan!’ O ja, van wie? ‘Ja, niet die van mij, natuurlijk’ En die andere wereld, die niemand van ons ziet. Verborgen. Een wereld van gedachten, van plannen, van fantasieën. U weet het, door en door goddeloos en u bent blij dat niemand het weet en niemand het ziet. Twee werelden in uw gedachten. Of zijn uw stille tijden anders? Kijk maar in uw leven. Kijk maar in uw hart. Of is het bij u zoals staat in Psalm 63:6Mijn ziel zou als met smeer en vettigheid verzadigd worden, en mijn mond zou roemen met vrolijk zingende lippen.: Als ik Uwer gedenk op mijn legerstede, zo peins ik aan U in de nachtwaken. Midden in de nacht of op andere stille momenten als ik alleen ben. Want U bent voor mij een hulp geweest. En in de schaduw van Uw vleugels zal ik vrolijk zingen. Jakob worstelt met God, in de nacht aan de Jabbok. En Christus Zelf bidt, in de eenzaamheid en in de nacht. En Paulus en Silas zingen Gode lofzangen, in de nacht en in de stilte van de eenzaamheid. Uw leven met God of uw vriendschap met de wereld en de zonde blijkt misschien wel helemaal niet hier. Maar wel thuis: in de eenzaamheid, in de stilte, in de begeerten en de gedachten van uw hart.
Zij, zegt Micha in vers 2, broeden in de avond en in de nacht op hun bed die slechte en verkeerde plannen uit. Ze denken dat niemand het ziet en niemand het weet. Maar God ziet en weet alles. En dat is nog zo. En dus zegt God: ‘Als jullie dat doen, op je bed zulke plannen bedenken, dan zal Ik dat ook doen. Ik zal ook iets gaan denken. Ik zal ook iets gaan doen.
Lees maar meer in vers 3: Daarom, alzo zegt de HEERE: Zie, Ik denk een kwaad over dit geslacht. Dit wordt het kwaad, de ramp over dit geslacht, over deze generatie. Waaruit gijlieden uw halzen niet zult uittrekken, en zo rechtop niet gaan (niet zult lopen), want het zal een boze tijd zijn. Ik bedenk, zegt God, een ramp. En je zult je nek er niet uit kunnen trekken. Wat dat betekent? Zoals een beest vroeger zijn juk droeg (twee ossen droegen samen een juk, en ze konden hun kop, hun nek daar niet uittrekken), zo zult u, zegt de Heere, uzelf ook niet kunnen lostrekken uit die ramp. En zo fier en rechtop, arrogant en vol van trots van zelfverheffing u nu nog rondloopt, zo zal dat straks niet meer gaan. Want het zal een boze tijd zijn. U zult straks steen en been klagen.
En de Heere zal er Zelf voor zorgen (zo staat in vers 4) dat jullie zullen klagen, zoals destijds die arme boeren klaagden. Het zal een spottend, sarcastisch spreekwoord worden. Als u zult zeggen: ‘Wij, vastgoedmagnaten, grootgrondbezitters, wij zijn verwoest. Wij zijn totaal geruïneerd, en ons bezit…’ Hoezo ons bezit? U hebt het gestolen, toch? ‘Ons bezit is weggegeven aan anderen’. Letterlijk staat er: aan heidenen, aan afvalligen. Dit is de dreiging van het oordeel. De rollen zullen omgekeerd worden. U pakt het af van anderen. Maar God zegt: Ik zal het van u afpakken.
Daarom, zo zegt vers 5, zult u niemand hebben, die het snoer werpt in het lot, in de gemeente des HEEREN. En u zult niemand hebben die het land voor u uitmeet, met zo’n meetsnoer. Dat wil zeggen om u een nieuw stukje erfenis te geven. Daarin klinkt ondertussen wel een sprankje van hoop! Kennelijk komt er een tijd dat het land, dat de erfenis opnieuw verdeeld zal worden. Maar, zegt de Heere, u zult daar geen deel in hebben. Zij die onrecht doen, die oneerlijk zijn, die anderen bedriegen, die kwetsbare mensen benadelen, zij die wezen, weduwen en weduwnaars verachten, zij hebben geen toekomst. En dat geld nog steeds.
Ons tweede aandachtspunt:
2. Preken met lucht Ons tweede punt beginnend bij vers 6: preken met lucht. En dan denk ik aan vers 6 tot en met 11. Het zijn verzen die vanuit het Hebreeuws heel moeilijk te vertalen zijn. Als je de kanttekeningen leest van de statenvertalers, dan hoor je de mannen zuchten over duistere verzen en over verschillende mogelijkheden van vertaling. Zij weten het ook niet zo goed. Soms is het ook nog onduidelijk, wie er nu precies aan het woord is: de profeet Micha, of de Heere, of de valse profeten. We zoeken biddend onze weg.
We lezen in vers 6: Profeteert gijlieden niet, Micha, zeggen zij. Laat die (die andere profeten) profeteren. Want zij profeteren niet als hem, als Micha. Men wijkt niet af van smaadheden. Profeteer niet, Micha! Preek niet, stop er mee, alstublieft! Niet weer oordeel! Niet weer zonde en schuld. Het is genoeg geweest, Micha. Nu wat anders. Niet altijd weer hetzelfde liedje. Laat hen, die valse profeten, dan maar het woord doen. Die preken tenminste niet over rampen.
En dan komt vers 7. O, gij die Jakobs huis geheten zijt: Is dan de Geest des HEEREN verkort? Zijn dat Zijn werken? Micha zegt: ‘U noemt u wel met de naam van Jakob, u zegt wel dat u kerkmensen bent, leden van de Gereformeerde Gemeenten, verbonds- kinderen, die de Heere dienen, maar…’, zegt Micha, ‘u vergist u!’ U zegt (en dat zijn de mensen die commentaar geven): Is de Geest des HEEREN verkort? Letterlijk staat er: Is de Heere nu ongeduldig geworden met ons? ‘Micha, je preekt oordeel, maar we hebben altijd gehoord, dat de Heere traag is tot toorn. God is toch lankmoedig? Hij is toch uitermate geduldig? We dienen toch een God van liefde en van vrede? Trouwens, wij zijn toch Zijn bijzondere volk? Wij zijn toch geen wereldse mensen?
Micha, als je nu het oordeel zou preken over de wereld, alla, maar wij zijn toch leden van de kerk? Micha, is de Heere werkelijk zo ongeduldig? Oordelen…? Zijn dat Zijn werken?’
Je ziet in gedachten de felle discussie tussen Micha en zijn kritische hoorders. Maar dan neemt de Heere in vers 7 Zelf het woord, als Hij zegt: Doen Mijn woorden geen goed bij degene, die recht wandelt? De kanttekening zegt: ‘Zijn Mijn woorden niet vriendelijk, lieflijk en aangenaam voor en bij de vromen, aan wie zij niet alleen alles goeds beloven, maar ook onderwijzen en bestraffen tot hun best? Waart u vroom, zo zouden Mijn woorden, en dus ook die van Mijn profeten, lieflijk tot en bij u zijn, maar het is uw schuld, dat zij anders moeten profeteren.’ Dan was dit helemaal niet nodig! Met andere woorden, de Heere neemt het woord en zegt: Het ligt niet aan Mij, dat Ik kom met de dreiging van het oordeel. Het ligt aan u. Het is uw schuld. Het ligt aan uw leven. Aan dat bedenken van die slechte dingen. Aan dat uitvoeren van die slechte plannen. Aan dat bedriegen, verachten en slecht behandelen van uw medemensen. Daaruit blijkt, zegt God, dat uw leven, ondanks al uw mooie woorden, een leven is zonder Mij.
Dus, wat moet je nu doen? Niet je leven gaan oppoetsen aan de buitenkant, zoals de Farizeeën deden. Als er gewezen wordt op je dode werken, dan dat graf van de dood aan de buitenkant wit gaan schilderen. Niet doen! Niet verbergen hoe slecht je bent. Maar buigen en schuld erkennen. Niet rechtop blijven staan en doorgaan. Maar bukken voor God en buigen. En zeggen: ‘Heere, het is waar, ik heb gedaan dat kwaad is in Uw oog. Wees me genadig, Heere. Leert U me naar Uw wil te wandelen?’
De Heere zegt: Kinderen van Jakob, kerkmensen, u zegt wel dat u Mijn verbondskinderen bent, maar (vers 8) gisteren stond u nog op als een vijand. U stroopt de mensen hun kleding uit. U neemt hun bezittingen weg. Er staat: als je naar die mensen kijkt, dan lijkt het wel alsof ze terug komen van een oorlog. En u haalt de huizen van de weduwen leeg. Het liefst nog van de rijke weduwen natuurlijk. En u berooft zo haar kinderen van hun erfenis en dus van hun toekomst.
Sta op! Maak u dan op (zo staat in vers 10), en gaat henen; want dit land zal de rust niet zijn. Dat land der rust, vloeiende van melk en honing, dat hebt u verontreinigd. Daarom zal het u verderven en dat met een geweldige verderving, zegt de Heere. De rust van het land der rust is voorbij. Er staat: dit land zal u stuk maken. Het zal u ruïneren. Het oordeel komt onherroepelijk en dan is het voorbij. Er is hier geen toekomst meer voor u.
De rust is voorbij. Hoewel…, later schrijft de schrijver van de Hebreeënbrief: Er blijft dan een rust over voor het volk Gods (4:9). In de donkerste nacht van de hoop, dat was ook zo in de tijd van Micha, blijft er gelukkig nog hoop. Want er waren ook toen ongetwijfeld echte Jakobskinderen, zoals ze ook hier zijn. Van zichzelf niet beter dan de anderen.
Maar ze deden iets, wat de anderen niet deden: buigen, buigen voor God, buigen onder het oordeel. Ze beleden hun zonden, hun opstand en rebellie tegen God en kwamen met hun schuld aan Gods voeten terecht.
Maar ondertussen gaat Micha door. Zijn toon wordt spottend en sarcastisch in vers 11, als hij zegt: Zo er iemand is, die met wind omgaat, en valselijk liegt, zeggende: Ik zal u profeteren voor wijn en voor sterken drank (voor bier)! dat is een profeet dezes volks. Het is alsof Micha spottend zegt: ‘Laat ze maar, die windzakken!’ Het woord voor wind en geest is in het Hebreeuws hetzelfde. Spottend zegt hij: ‘Ze hebben de geest niet, maar het zijn zakken vol van wind. Ze liegen!’ En dan volgt er in de grondtaal een heel sarcastisch rijmpje. Letterlijk een rijmpje. In het Hebreeuws rijmt het woord voor leugen (seqer) op het woord voor bier (sekar). Dus Micha zegt zoiets als: ‘Zij spreken leugen, drink je bier maar met volle teugen.’ Een boodschap van vrede, blijdschap en plezier. ‘Mensen, dat hoor je toch zo graag. Doe dan maar! Ga dan maar, luister daar dan maar naar!
Een grote verleiding, ook nu. Graag een boodschap horen zonder schuld. Ja, het mag wel gaan over schuld, maar dan over de schuld van anderen. Maar een boodschap zonder mijn schuld. Een boodschap over de slechtheid van anderen, maar niet over mijn slechtheid. Een boodschap over de zonden van anderen, maar niet over mijn zonden. Een boodschap over het oordeel, maar dan over het oordeel over de wereld, of over andere kerken. Maar niet over mij en ons. Een boodschap zonder de eeuwigheid, zonder de eeuwige rampzaligheid. Gewoon een beetje vriendelijk. Een gemoedelijke preek. Dan kan ik tenminste aangenaam luisteren. Dan ga ik tenminste met een fijn gevoel naar huis.
Maar het gevolg is (niet vergeten!) dan wordt uiteindelijk het kruis (ik bedoel het kruis van Christus) een nietszeggend symbool. Want als je van zonde en schuld niet wil weten, praat dan ook niet en nooit meer over Jezus en over het kruis! Want alleen als er zonde is, persoonlijke zonde, mijn zonde, alleen als de toorn en wraak van de Almachtige ligt op mij, alleen dan wordt genade genade. Als ik door Gods genade mag zien en geloven dat Christus de hel van mij overgenomen heeft en de verdiende vloek van mij weggedragen heeft, dan pas is genade genade.
Wij gaan samen zingen, voordat we verder gaan met ons derde punt, Psalm 18:8Toen daverde en beefde de aarde, en de gronden der bergen beroerden zich en daverden, omdat Hij ontstoken was.. Hun zijt Gij goed, die goedertieren (oprecht) hand'len (in hun doen en laten); Oprecht bij hen, die in oprechtheid wand'len (in hun leven); Gij houdt U rein bij hen, die rein zijn; maar Verkeerden toont Gij U een worstelaar. Want Gij verlost het volk, door druk gebogen; Maar werpt ter neer, die groot zijn in hun ogen. Door U, o HEER, geeft mijne lamp haar licht; Mijn God verdrijft den nacht uit mijn gezicht.
Ons derde aandachtspunt:
3. Wachten op de Doorbreker Want we lezen in vers 12: Voorzeker zal Ik u, o Jakob! gans verzamelen; voorzeker zal Ik Israëls overblijfsel vergaderen; Ik zal het te zamen zetten als schapen van Bozra; als een kudde in het midden van haar kooi zullen zij van mensen deunen.
Ik zal, zegt God. Het komt bij Mij vandaan. Het komt uit Mijn raad, uit Mijn eeuwige plan, uit Mijn verkiezend welbehagen. De vastheid van de hoop voor de toekomst ligt verankerd in Mijn Goddelijke raad. En (ik lees verder in vers 13) de Doorbreker zal voor hun aangezicht optrekken; zij zullen doorbreken, en door de poort gaan, en door dezelve uittrekken; en hun koning zal voor hun aangezicht henengaan; en de HEERE in hun spits.
Plotseling, middenin die donkere profetie van Micha is er hoop. De Heere gaat spreken: Ik zal. Ik zal het doen. Van uw kant, o Juda, is het hopeloos. Maar Ik zal u, o Jakob, verzamelen. Het het zal maar een deel zijn, een rest, een overblijfsel naar Mijn verkiezend welbehagen.
Het feit dat wij nu, gemeente, ‘Jakobs zaad’, ‘kinderen van het Koninkrijk’, ‘mensen van Gereformeerde Gemeente van [plaatsnaam]’ heten, dat betekend niet dat we automatisch gered zullen worden. Hier staat: een klein deel, een rest, een overblijfsel zal gered worden. Maar tegelijkertijd, bij elkaar zal het een hele grote kudde zijn, als de schapen van Bozra, in de uitgestrekte graslanden van Edom. En de schaapskooi zal van mensen deunen. De schaapskooi, de kerk zal deunen, dat wil zeggen gonzen, zoemen van mensen.
Ja, want je kunt wel steunen en kreunen over de donkerheid van de tijd en dat heeft nog een schijn van echtheid en vroomheid in zich ook. Maar het is alsof Micha zegt: ‘Het is beter om te steunen op Gods beloften en op Gods trouw.’ Zelfs in de donkerste tijden, zoals ook in deze donkere tijd van de 21e eeuw, zal er een rest zijn. De schaapskooi, de kerk zal zoemen, zal gonzen van mensen.
Zoveel mensen zijn het, omdat de Doorbreker zal optrekken. Letterlijk: de Breker. Degene die de muur openbreekt. Hij die een gat, een opening in de muur maakt. In de muur van de ballingschap, om de gevangenis van Jakob open te breken. Om de versperde weg te openen. Om de poort open te doen. Hij gaat voorop!
Christus, is de grote Doorbreker. En de schapen volgen Hem. En Hij, Christus zal hun Koning zijn. En die Koning (en dan ziet u dat het Christus is!), Hij zal Jehova zijn, HEERE, met vijf hoofdletters geschreven. Midden in de stikdonkere nacht van de tijd van Micha, vol van goddeloosheid, afgoderij, valse profetie, sociaal onrecht, leugen en bedrog (het lijkt wel op onze tijd!), is daar plotseling een belofte van zegen.
De HEERE Zelf zal in het laatste der dagen aan de spits zal gaan. Vooraan, voorop! Christus, de grote Breker, de Doorbreker, zal een weg zal banen en het overblijfsel van Jakob terug brengen.
Dat gold natuurlijk in de eerste plaats voor het overblijfsel van Juda, dat later onder koning Kores is teruggekomen uit Babel. Maar het gold ook in het bijzonder, en het geld ook nu in het bijzonder van dat zondige verbondsvolk dat vanuit de donkerheid van hun hart uitzag naar de komst van Christus, de Messias. Micha profeteert scherp. Hij wijst ook hen persoonlijk hun zonden aan. En die woorden raken hun hart. En met Hizkia buigen ze, zoals er staat in Jeremia 26: Hij smeekte des HEEREN aangezicht (26:19). Ze erkennen: het is waar, ik ben zo’n zondige verbondsbreker. Ja, dat ben ik. Ik heet wel kind van Jakob, maar ik heb tegen God overtreden. Heere, is er nog een weg terug? Heere, wees mij, wees ons genadig…’
En dan klinkt er, midden in die zwaar geladen woorden van Micha, plotseling een sprankje van hoop. Ineens glinstert er een straal van licht voor die zoekende en zuchtende harten: De Doorbreker, de Verlosser komt! Zo kan het nog zijn in je hart, toch? Als je hoort wat de Heere zegt, over wie je bent, over wat je gedaan hebt en over hoe je leven is voor Hem. Dan moet je zeggen: ‘Heere, U hebt gelijk. U hebt gelijk dat het oordeel komt, ook over mij en over mijn leven. Ik zet mijn handtekening op het stempel van de vloek en van Uw oordeel. Maar, Heere, is er nog een weg terug? Het lijkt zo uitgesloten. Ik kan het niet en nooit meer goed maken. Een gesloten weg, een dichte muur… Wees me toch genadig, Heere?’
En dan plotseling een straal van licht. De Doorbreker is gekomen! Die dwars door de muur is doorgebroken. De versperde weg heeft Hij geopend. En Hij heeft een weg terug gebaand, naar God toe. In gedachten hoor je Jesaja zingen: En de vrijgekochten des HEEREN (vrijgekocht door het bloed van Christus) zullen wederkeren, en tot Sion komen met gejuich, en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen; vrolijkheid en blijdschap zullen zij verkrijgen, maar droefenis en zuchting zullen wegvlieden (Jesaja 35:10En de vrijgekochten des HEEREN zullen wederkeren, en tot Sion komen met gejuich, en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen; vrolijkheid en blijdschap zullen zij verkrijgen, maar droefenis en zuchting zullen wegvlieden.). Dan springt je hart toch op van blijdschap en vreugde, hoewel het in je eigen waarneming nog zo in de verte kan zijn. Dan huilt Micha niet alleen tranen van verdriet over de hardheid van zijn hoorders, maar ook tranen van verwondering over de genade van de Heere. ‘Heere, wat is het toch een wonder, dat ik van Uw genade spreken mag, van Uw Christus, van de komende (en nu gekomen) Doorbreker! O, Heere, wie is als U?’
De Breker. De Doorbreker. Hij is naar voren getreden als een machtige Verlosser. Al in de stilte van de eeuwigheid, in de stille raad des vredes. Op het moment dat Adam zondigde, toen trad Hij opnieuw naar voren als de machtige Doorbreker. In Bethlehem, in Gethsémané en op Golgotha brak Hij met Goddelijke kracht door de storm van Gods rechtvaardige toorn.
En vanaf de Olijfberg baande Hij als de grote Doorbreken een weg (letterlijk) naar de hemel. En Hij deed dat niet voor Zichzelf. Maar Hij deed dat alles, dat is de boodschap van vanmorgen, voor schuldige zondaars. Voor schuldige ballingen, die moeten zeggen: ‘Heere, nu zit ik hier door eigen schuld. Is er nog wel een weg terug, Heere? Ik zie de weg niet. En ik heb geen macht om terug te keren. En uiteindelijk, als ik eerlijk ben, diep in mijn hart, leeft ook zoveel verzet tegen dat terugkeren naar U toe.’ Maar wonder van Gods eenzijdige en verkiezende genade: Zijn liefde trekt aan hun hart. Hij lokt ze. Hij legt heimwee in hun hart naar Hem. En uiteindelijk verbreekt Hij, met alle liefde van Zijn hart, hun weerstand. Hij buigt ze. Hij breekt ze. De grote Doorbreker breekt er door heen. En dan komen ze met smeking en geween: Wij hebben God op het hoogst misdaan, wij zijn van het heilspoor afgegaan.
Komen ze in eigen kracht? Is dat hun keus? Weten ze zo goed de weg? Nee, ze zeggen zuchtend met Thomas: ‘Heere, hoe moeten wij de weg weten? Wij weten het niet.’ Maar nu zegt Hij, de Doorbreken, die voor hen uit gaat: ‘Zie op Mij. Ik Zelf ben de Weg. Kom nu maar achter Mij aan.’ De schapen horen Zijn stem en volgen Hem. Hij gaat voorop in alles. Hij baant in alles de weg, voor hen.
En wat is dat een troost voor mensen, die zelf niet meer weten hoe het moet. Hij, de Doorbreker gaat voorop. Hij is het die een geblokkeerde weg, een gesloten muur doorbreekt, en de weg opent. Die een weg baant, waar wij geen weg meer zien. En zo leert Hij Zijn schapen, die Hij achter Zich aantrekt, de weg die ze moeten gaan, door Zelf voorop te gaan en ze mee te nemen. Gaandeweg die weg laat Hij Zich steeds meer kennen. Wie Hij is, de Doorbreker. Soms door wegen te gaan, die we niet geweten hebben en paden, die we niet eerder bewandeld hebben. Onbegrijpelijke, onbekende en onbegrepen wegen. Wegen van moeite en zorg, maar ook wegen waarin we alles kwijt raken. Wegen waarin we eerder armer worden dan rijker. Wegen waarin we eerder slechter worden dan beter. Maar Hij gaat voorop, de Doorbeker. Hij wijst de weg. Hij trekt Zijn schapen achter Zich aan.
Soms brengt Hij ons in donkere en duistere valleien, om ons te leren dat we niet staande kunnen blijven in eigen kracht. Om ons te leren ons aan Hem vast te houden. En dan laat Hij ons op die weg zomaar plotseling ook het licht weer opgaan in de duisternis. Soms laat Hij de verzoeker toe ons te benauwen. Hij toetst ons geloof. Misschien struikelen en vallen we wel. Opdat ze temeer onze zwakheid zouden leren erkennen. En ons temeer aan Hem zouden leren vasthouden. Dan neemt Hij ons weer dingen af, die we zo koesteren en waar we zo blij mee waren. Om ons te leren, om blijvend als arme zondaren van genade te leven. Om Hem meer nodig te krijgen, lief te hebben en hoog te achten. Om steeds meer oog te krijgen voor Zijn priesterlijke werk. Voor de noodzaak van Zijn
offer, van het bloed van Zijn kruis. Omdat wij niets anders hebben dan een hemelhoge schuld en van onszelf niets hebben om de prijs te voldoen. Om ook oog te krijgen voor Zijn werk als Koning. Als Koning, die ons in alle dingen wil regeren, leiden en bewaren. En tegelijkertijd roept Hij ons op om Zijn voetstappen te drukken en te leven in godzaligheid.
Die Koning, die Doorbreker, het Jehova, HEERE. Dat wil zeggen: Hij is zo getrouw als sterk. Hij laat nooit varen het werk dat Zijn hand begon. Die machtige Doorbreker zal ook in deze donkere tijd Zijn kerk bouwen. Ook hier in [plaatsnaam]. Hij zal voorspoedig rijden op het Woord van Zijn waarheid, in rechtvaardige zachtmoedigheid. Hij zal Zijn woorden zegenen. Hij zal Zijn kerk in stand houden. Nooit zal de vijand hen overwinnen. Zelfs in de laatste ogenblikken van hun leven houdt Hij de Zijnen vast. Bij het naderen van de dood zal Hij volkomen uitkomst geven. Hoe? Door voor hen uit te gaan, als de grote Doorbreker.
Gemeente, tot slot, als God dreigt met het komende gericht, wijst u dan naar links of rechts, naar iemand anders? God wijst vanmorgen naar u en naar mij. Naar uw gedachten, naar uw plannen, naar het binnenste van uw hart. Als God ons dreigt met het komende gericht, gaat u dan door? Zegt u het maar. Wie van u zegt: ‘Ja, maar de Heere was toch zo geduldig? Hij was toch zo groot van lankmoedigheid en trouw? Het zal uiteindelijk wel meevallen.’ Ik zeg u: Hij zal spotten als uw vreze komt.
Wie van u buigt? Wie van u breekt voor Micha’s God? ‘O God, wees mij zondaar genadig. Uw doen is rein, Uw oordeel, o God, is gans rechtvaardig.’ Zie, er is een geopende deur. Een deur der hoop, een gebaande weg. Juist voor zulke mensen. Voor verloren ballingen, die zich schuldig weten en dat erkennen voor God. Dit is het Evangelie voor u: De Doorbreker zal voor hun aangezicht optrekken; en zij zullen doorbreken, en door de poort gaan, en door dezelve uittrekken; en hun Koning zal voor hun aangezicht henengaan; en de HEERE in hun spits.
Amen.
Slotzang Psalm 118:4
De HEER is aan de spits getreden Dergenen, die mij hulpe biên; Ik zal, gered uit zwarigheden, Mijn lust aan mijne haat'ren zien. 't Is beter, als w' om redding wensen, Te vluchten tot des HEEREN macht, Dan dat men ooit vertrouw' op mensen, Of zelfs van prinsen hulp verwacht'.
Andere preken voor Advent