PREEK · KERKELIJK JAAR

Geen ding zal bij God onmogelijk zijn - Lukas 1

Advent - 21 december 2025

Lukas 1:37-38: Want geen ding zal bij God onmogelijk zijn. En Maria zeide: Zie, de dienstmaagd des Heeren; mij geschiede naar uw woord. En de engel ging weg van haar.

INLEIDING

Als de engel Gabriël aan Maria de geboorte van de Zaligmaker aankondigt, klinkt in Lukas 1 het woord dat alle onmogelijkheden doorbreekt: Want geen ding zal bij God onmogelijk zijn (Lukas 1:37). Deze korte leespreek (ongeveer 3300 woorden) over Lukas 1:37-38 bepaalt u bij Gods almacht en bij het geloofsantwoord van Maria, en wijst u de weg om in onbegrepen wegen op de Heere te blijven verwachten.

THEMA

Gods almacht en Maria’s geloofsvertrouwen

KERNPUNTEN

  1. Het woord van de engel Gabriël
  2. Het antwoord van Maria

LUKAS 1:26-38

26 En in de zesde maand werd de engel Gabriël van God gezonden naar een stad in Galiléa, genaamd Nazareth;
27 Tot een maagd die ondertrouwd was met een man wiens naam was Jozef, uit het huis Davids; en de naam der maagd was Maria.
28 En de engel tot haar ingekomen zijnde, zeide: Wees gegroet, gij begenadigde; de Heere is met u, gij zijt gezegend onder de vrouwen.
29 En als zij hem zag, werd zij zeer ontroerd over dit zijn woord en overlegde hoedanig deze groetenis mocht zijn.
30 En de engel zeide tot haar: Vrees niet, Maria, want gij hebt genade bij God gevonden.
31 En zie, gij zult bevrucht worden en een Zoon baren, en zult Zijn Naam heten JEZUS.
32 Deze zal groot zijn en de Zoon des Allerhoogsten genaamd worden; en God de Heere zal Hem den troon Zijns vaders Davids geven;
33 En Hij zal over het huis Jakobs Koning zijn in der eeuwigheid, en Zijns Koninkrijks zal geen einde zijn.
34 En Maria zeide tot den engel: Hoe zal dat wezen, dewijl ik geen man beken?
35 En de engel antwoordende zeide tot haar: De Heilige Geest zal over u komen, en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen; daarom ook, dat Heilige, Dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden.
36 En zie, Elisabet, uw nicht, is ook zelve bevrucht met een zoon in haar ouderdom; en deze maand is haar, die onvruchtbaar genaamd was, de zesde.
37 Want geen ding zal bij God onmogelijk zijn.
38 En Maria zeide: Zie, de dienstmaagd des Heeren; mij geschiede naar uw woord. En de engel ging weg van haar.

VOLLEDIGE TEKST

Geen ding zal bij God onmogelijk zijn - Lukas 1

ds. J. IJsselstein - Lukas 1:37-38

THEMA

Gods almacht en Maria’s geloofsvertrouwen

LITURGIE

Psalm 62:1 Lukas 1:26-38

Lofzang van Maria:1,2,3

Psalm 77:8

Psalm 130:3

Geliefde gemeente, we overdenken vanmorgen met Gods hulp, wat we samen gelezen hebben uit Lukas 1, de verzen 37 en 38. Ik begin voor de helderheid te lezen in vers 35. Lees maar mee in uw Bijbel. Lukas 1 te beginnen in vers 35. Daar lezen we Gods Woord als volgt: En de engel antwoordende zeide tot haar (Maria): De Heilige Geest zal over u komen, en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen; daarom ook, dat Heilige, Dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden. En zie, Elizabeth, uw nicht, is ook zelve bevrucht met een zoon in haar ouderdom; en deze maand is haar, die onvruchtbaar genaamd was, de zesde. En dan komt de tekst voor de preek van vanmorgen, vers 37 en 38: Want geen ding zal bij God onmogelijk zijn. En Maria zeide: Zie, de dienstmaagd des Heeren; mij geschiede naar uw woord. En de engel ging weg van haar.

Het thema van de preek is: Gods almacht en Maria’s geloofsvertrouwen

We letten samen op twee aandachtspunten. We letten als eerste op: het woord van de engel Gabriël. En we letten als tweede op: het antwoord van Maria. Dus: 1. Het woord van de engel Gabriël 2. Het antwoord van Maria

Als eerste dus:

1. Het woord van de engel Gabriël

‘t Is zes maanden nadat de engel Gabriël in de tempel aan de priester Zacharias verscheen. Om de geboorte van Johannes de Doper aan te kondigen. En nu gaat diezelfde engel Gabriël — kijk maar in vers 26 — naar het stadje Nazareth. Vers 26 zegt: En in de zesde maand werd de engel Gabriël van God gezonden naar een stad in Galiléa, genaamd Nazareth; Naar (vers 27) een maagd die ondertrouwd was met een man wiens naam was Jozef, uit het huis Davids; en de naam der maagd was Maria.

Gabriël wordt door de Heere naar Nazareth gestuurd. Naar de plaats waarvan Nathanaël later zou zeggen: Kan uit Nazareth iets goeds zijn (Joh. 1:47)?

Hij wordt gestuurd naar een jonge, arme, maar godvrezende vrouw. Die net als sommige andere mensen wacht op de komst van de Messias. Maar, ze mag dan arm zijn, en ze mag dan uit een stadje komen dat weinig voorstelt, ze heeft wél plannen voor de toekomst. Ze is ondertrouwd, met een jonge man van wie ze heel veel houdt. En die ook de Heere vreest. Ze droomt ongetwijfeld van de dag dat ze samen hun toekomstige huisje zullen betrekken.

Heel veel formele dingen zijn er al geregeld. De bruidsschat is betaald. De geschenken zijn uitgewisseld. De papieren zijn ondertekend. Het enige wat nog moet komen, is dat ze bij elkaar gaan wonen. Hun tóekomst — snap je dat, als je binnenkort ook gaat trouwen? — hun tóekomst straalt hun tegemoet!

Totdat God plotseling ingrijpt. En Maria’s wereld op zijn kop zet. Natuurlijk hoopte iedere vrouw in Israël, dat zíj misschien wel de moeder van de Messias zou worden. Maar dit…? Zó…? En nú…? Plotseling is er een engel die zegt: Wees gegroet, gij begenadigde; de Heere is met u, gij zijt gezegend onder de vrouwen. U bent zeer begenadigd. Vervuld met de genade van God. Met vergevende genade voor uw zonden. En ook daarmee, dat u de moeder zult worden van de Heere Jezus.

Als ze de engel ziet, die dit tegen haar zegt, dan wordt ze — vers 29 — zeer ontroerd. Diep verontrust, verward. Hoe kan ik nu een kind krijgen? Terwijl ik nog geen lichamelijke intimiteit met Jozef heb gehad? Ze is perplex.

Maar dan volgt die wonderlijke boodschap, die haar ongetwijfeld ook heel veel diepe vreugde gegeven heeft in haar hart. Wat een gewéldig nieuws! In vers 31, 32 en 33: Zie, u zult bevrucht worden en een Zoon baren, en zult Zijn Naam heten JEZUS. Deze zal groot zijn en de Zoon des Allerhoogsten genaamd worden. En God de Heere zal Hem de troon Zijns vaders Davids geven. En Hij zal over het huis Jakobs Koning zijn in der eeuwigheid, en Zijns Koninkrijks zal geen einde zijn.

Plotseling staat ze als jonge vrouw in het centrum van de menselijke geschiedenis. Ze heeft maar weinig vragen. Dat is opvallend… Maar nog wel één: Hoe zal dat wezen, dewijl ik geen man beken? En de engel antwoordende zeide tot haar: De Heilige Geest zal over u komen, en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen; daarom ook, dat Heilige, Dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden. Langs deze wonderlijke weg zal God de Heilige Geest, zonder man, een volmaakt, zondeloos leven in u geven. Dat is Gods plan, dat is Gods weg.

Maar… dat maakt het raadsel alleen maar groter, toch? Hoe moet ik dat straks gaan uitleggen? Aan mijn ouders? Aan Jozef? Wie gaat mij geloven? Er is al vierhonderd jaar geen engel gezien. Hoewel: één keer, een half jaar geleden. Maar dat was in de tempel. En trouwens, engelen verschijnen meestal aan grote, bijzondere mensen.

Zou…, zou Jozef nu zijn verloving met mij niet gaan verbreken? Zou hij zijn ondertrouw met mij niet gaan ontbinden? Zoals ook wij in déze tijd zoveel bezwaren en raadsels kunnen hebben, als de Heere tot ons spreekt door Zijn Woord. Als ons hart uitziet en verlangt naar licht. En de Heere troostvol tot ons spreekt, midden in de nood en de vragen van ons hart. Als Hij ons roept tot een plaats in Zijn dienst. En Hij duidelijk tot ons spreekt in de weg van Zijn Goddelijke leiding en voorzienigheid. Maar… zou dat wel kunnen? Voor míj…? Zou het echt zo zijn? Wat ik hier in mijn Bijbel lees? Wat mijn hart zo raakt?

Wat doet de Heere hier? Het is, als je de Bijbel leest, als je luistert naar de ervaringen van Gods kinderen, zo vaak het patroon van Gods manier van werken. Hij beproeft ons… Hij wil Zijn genade aan ons bewijzen. Hij wil ons gebruiken in Zijn dienst. Maar Hij leidt ons eerst door beproeving, door raadsels en door veel vragen. Onze verwachtingen worden gebroken. Onze hoop wordt geknakt. Onze plannen worden in de war geschopt. Onze weg wordt de andere kant op gestuurd.

Waarom? Om ons klein te maken. Om ons te laten voelen dat we zondaars zijn. Die niets verdiend hebben. Om ons te laten weten dat we niet geschikt zijn voor de dienst van de Heere. Opdat genade zou gaan schitteren. En niet onze vanzelfsprekendheden.

En om ons te leren bidden: ‘Heere, wees mij, zondaar, toch genadig! Zend toch Uw licht neder, zend toch Uw waarheid neder?’ ‘Heere, niet mijn wil, niet onze wil, maar Uw wil geschiede. Leer ons U te volgen, zonder te vragen. Zelfs nu alles zo donker geworden is. Zelfs nu alles zo anders gelopen is.’

Zo leert de Heere Zijn kinderen — in al hun heen en weer geslingerd worden — hópen op Zijn Woord en zich vastklemmen aan Zijn beloftewoord. Zo leert Hij hen vertrouwen op Hem, juist midden in de nacht van beproeving en duisternis. Ja, zo leert Hij hen leven door het geloof.

En terwijl we het allemaal niet begrijpen… En terwijl ons hart door alles zo ongerust kan zijn…

Terwijl onze verwachtingen gebroken worden… En terwijl alle hoop ons ontvalt… Klinkt plotseling, ook nú, het Godswoord: Want geen ding zal bij God onmogelijk zijn! Dat is Góds antwoord op ónze onmogelijkheid.

En Maria, hier is ook nog een teken. Hier is ook nog een bewijs, dat er inderdaad geen ding onmogelijk is bij God. Vers 36 en 37: En zie, Elizabeth, uw nicht, is ook zelve bevrucht met een zoon in haar ouderdom; en deze maand is haar, die onvruchtbaar genaamd was, de zesde. Want geen ding zal bij God onmogelijk zijn.

Hoe dat alles kan? Omdat door deze belofte aan Maria heen de verwachting schittert van de komende Christus. Die dwars door onze onmogelijkheid heen een weg van genade zal banen en gebaand heeft. En Die midden in onze duisternis roepen zal en geroepen heeft: Zie, Ik kom (Ps. 40:8). In Hem en om Hem geldt ten volle: Geen ding is bij God onmogelijk!

Immers, Hij heeft het ultieme onmogelijke: gedaan! De duisternis en de dood door onze zonden — weggenomen. En de door ons geblokkeerde weg — geopend. Zodat zondaars weer met God verzoend kunnen worden. Door Zijn komst in het vlees, door Zijn geboorte uit Maria, door Zijn lijden, door Zijn sterven, Zijn dood en Zijn opstanding. Daarom kan straks ook uit de mond van Jezus Zelf klinken, in de richting van Zijn zeer verslagen discipelen, die zeggen: Wie kan dan zalig worden? De dingen die onmogelijk zijn bij de mensen, zijn mogelijk bij God (Luk. 18:26, 27).

Hoor je dat, zoekende zondaars? Zo gedrukt door je eigen onmogelijkheid? Het onmogelijke is mogelijk bij God! En dus klinkt straks, na de Pinksterdag: En de zaligheid is in geen ander; want er is ook onder den hemel geen andere naam, die onder de mensen gegeven is, door welken wij moeten zalig worden — dan de Naam van Jezus Christus de Nazaréner (Hand. 4:12). Want, vers 37: geen ding zal bij God onmogelijk zijn.

Zoals Job beleed in Job 42: Ik weet, dat Gij alles vermoogt — dat U alles kunt — en dat geen van Uw gedachten kan afgesneden worden (Job 42:2). Zoals Jeremia schreef in Jeremia 32: Ach, Heere HEERE! Zie, Gij hebt de hemelen en de aarde gemaakt, door Uw grote kracht en door Uw uitgestrekten arm; geen ding is U te wonderlijk (Jer. 32:17). Zoals God Zelf zei tegen Abraham in Genesis 18: Zou iets voor de HEERE te wonderlijk zijn (Gen. 18:14)? Want, zo zei de Engel des HEEREN tegen Manoach, de vader van de later geboren Simson: Waarom vraagt gij dus naar Mijn Naam? Die is toch wonderlijk (Richt. 13:18). Ja, zo zegt de profeet Jesaja: Hij is wonderlijk van raad, Hij is groot van daad (Jes. 28:29).

Want geen ding zal bij God onmogelijk zijn. Of anders, beter vertaald: geen woord. Letterlijk: Geen woord bij God zal het niet kunnen. Geen beloftewoord van God is krachteloos. Hij zal nooit één van Zijn woorden op de aarde laten vallen. De IK ZAL ZIJN DIE IK ZIJN ZAL is trouw in Zijn beloften en almachtig in de uitvoering ervan (KSV Ex. 3:14).

Geen woord is onmogelijk. En ook —nog anders vertaald— geen daad, geen ding, geen zaak. En dat moet u stil tot u laten doordringen… U die worstelt met vragen in uw hart. Kan ik wel bekeerd worden? Kan ik wel zalig worden? Ik, met mijn slechte hart? Kan de duisternis van mijn hart wel opklaren? Kunnen mijn twijfel en mijn ongeloof ooit gebroken worden? Kan het beloftewoord van de Heere, waarmee Hij mij riep tot Zijn dienst, ooit vervuld worden? Zullen mijn kinderen, mijn kleinkinderen, mijn man, mijn vrouw, ooit nog bekeerd worden? Geen woord, geen beloftewoord van God is onmogelijk. En: geen ding is onmogelijk. Geen verhindering is bestand tegen Gods kracht (Calvijn). Alle dingen zijn mogelijk bij God (Matth. 19:26).

Laten we, voordat we verdergaan met ons tweede aandachtspunt, eerst samen gaan zingen uit Psalm 77:8: Heilig zijn, o God, Uw wegen; Niemand spreek' Uw hoogheid tegen; Wie, wie is een God als Gij, Groot van macht en heerschappij? Ja, Gij zijt die God, die d' oren, Wond'ren doet op wond'ren horen; Gij hebt Uwen roem alom Groot gemaakt bij 't heidendom.

- - - - -

Geen ding zal bij God onmogelijk zijn. Dat was wat Gabriël zei tegen Maria. Denkend aan de onrust en de verwarring in haar hart. Wat was úw antwoord, toen u dat zojuist hoorde? Geen ding zal bij God onmogelijk zijn. Stil nadenkend over de onmogelijkheden waar u tegenaan loopt? Denkend aan de duisternis van uw hart? Of aan de stukgelopen verwachting van uw leven?

We gaan in ons tweede aandachtspunt kijken naar het antwoord van Maria.

2. Het antwoord van Maria

Dat staat in vers 38: En Maria zeide: Zie, de dienstmaagd des Heeren; mij geschiede naar uw woord. Laten we samen gaan kijken naar wat dit zegt over het hart van Maria, en over het geloof van Maria.

a. Wat ze zegt is als eerste: vol overgave. Zoals Abraham ooit zei, toen de Heere hem vroeg om zijn zoon Izak te offeren: Heere, zie, hier ben ik. Zo zegt nu, eeuwen later, ook Maria: Zie, de dienstmaagd des Heeren. Hier ben ik, voor U. Hier ben ik, van U. Ik ben Uw eigendom. Uw dienstmaagd, Uw slavin. Met andere woorden: U mag doen wat U met me wilt.

Het is een aanbod van heel haar wezen, van heel haar zijn, van heel haar bestaan. Ik wil zijn waar U wilt dat ik zal zijn. Ik wil doen wat U wilt dat ik zal doen. Dit is niet de weg die ikzelf gekozen zou hebben. Maar Uw weg is veel beter dan de mijne. Zelfs al begrijp ik die niet. Zelfs als dat betekent dat ik een deel van mijn roeping nu niet kan volbrengen. Zelfs als dat betekent dat ik een deel van mijn gaven nu niet aan U kan geven. Zoals ik dat zelf graag wilde en hoopte. Maar, ik ben van U.

Alles wat ik niet begrijp, leg ik in vertrouwen in Uw handen. U zult het goed maken. U zult doen boven bidden en denken. Uw wil is altijd wijs en goed. Het is majesteit, al wat U doet.

Daarom leg ik al mijn vragen, en al mijn raadsels in Uw handen. Ik ben Uw gewillige slavin. Ik ben Uw gelukkige, blijde dienares. Gehoorzaam aan Uw wil en aan Uw weg.

Herkent u dat? Die overgave? Heere, hier ben ik. Van U. Voor U. Ik buig gehoorzaam en gewillig voor U neer. Ik geef me onvoorwaardelijk aan U over.

Ik stel me onverdeeld tot Uw beschikking. Calvijn zegt in dit verband: Het geloof maakt ons tot gehoorzame dienstknechten van God, en brengt ons onder Zijn macht. Maar het ongeloof maakt ons tot opstandelingen en afvalligen. Het antwoord van Maria is dus als eerste: vol overgave.

b. Wat ze zegt is als tweede: vol vertrouwen op Gods macht Ze rust in Gods macht. Ja, ze rust in de Almachtige Zelf. Als ze al haar vertrouwen stelt op wat de engel van de Heere tegen haar zegt: Want geen ding zal bij God onmogelijk zijn.

Herkent u dat? Herkent u iets van dat vertrouwen in Gods almacht? Nu u de weg voor uw ziel niet meer weet? Nu uw weg in geestelijke zin zo donker geworden is? Nu de hoop op uzelf u ontvallen is? Nu u inziet — meer dan ooit — dat u geen macht hebt om uw eigen ziel te redden? Of om, na gekregen genade, uw leven te beteren om te leven tot eer van God?

Herkent u dat? Dat vertrouwen in Gods almacht? Nu de Heere door Zijn alwijze Godsbestuur uw weg blokkeerde? Nu u achtergebleven bent met zoveel vragen en raadsels? Kent u dat vertrouwen in Gods macht, dat zingt met de dichter: Maar God, de Almachtige, zal verand’ring geven; d’ Allerhoogste maakt het goed. Na het zure geeft Hij het zoet (Ps. 77:6 ber.)? Want Hij regeert, en zal Zijn almacht tonen (Ps. 22:14 ber.). Want Hij spreekt, en het is er; Hij gebiedt, en het staat er (Ps. 33:9).

Dat vertrouwen, dat tegelijkertijd het gebed uit de diepte laat opklimmen: Hoed mijn ziel; U bent almachtig, En ik ben Uw gunst deelachtig; O mijn God, die mij aanschouwt, Red Uw knecht, die U vertrouwt (Ps. 86:1 ber.). Die de Heere zó verwachten, zullen niet beschaamd worden. Een oude godgeleerde zegt: Het geloof rust nooit zo kalm en vredig, als wanneer het zijn hoofd legt op het kussen van Gods almacht. Het antwoord van Maria is dus als tweede ook: vol vertrouwen op Gods macht.

c. Wat Maria zegt is als derde ook: vol onderwerping En die onderwerping is een blijmoedige onderwerping. Ze riskeert veel. Ze riskeert haar naam. Ze riskeert de goede naam van haar familie. Ze riskeert daardoor ook de afwijzing door haar eigen familie. Maar vooral ook de afwijzing door Jozef. Dat zou haar leven echt verwoesten. Ze riskeert ook haar toekomst. Misschien kan ze straks wel nooit meer trouwen.

Ja, ze riskeert zelfs haar leven. Want, zo staat er in Deut. 22:23-24: Wanneer er een jongedochter zal zijn, die een maagd is, ondertrouwd aan een man, en een man haar in de stad zal gevonden en bij haar gelegen hebben; zo zult u hen beiden uitbrengen tot de poort derzelver stad en zult hen met stenen stenigen, dat zij sterven.

Wat staat er veel op het spel! Maar ze accepteert haar mogelijke persoonlijke verlies. Ze heeft alles over voor de Heere en voor Zijn weg. Hoewel die zo anders gaat dan zij eerder dacht. Ze buigt en aanvaardt wat de Heere met haar wil doen. Als ze zegt: Mij geschiede naar uw woord.

Mij geschiede. Dat is méér dan alleen een wens. Dat is méér dan alleen: het moge zo zijn. Het betekent zoveel als: Laat het vervuld worden. Laat het met mij gebeuren. Op Uw tijd: vandaag, morgen, of in de toekomst. En er staat: Mij geschiede naar Uw wóórd. Dat wil dus zeggen: Laat het vervuld worden, precies op Uw tijd en precies volgens Uw woord.

Kent u ook iets van die onderwerping aan Gods wil? Heere, wat U ook doet? Wat er ook gebeurt? Hoe men er ook op reageert? Ik zal U gehoorzaam volgen. Doet U maar wat U het beste vindt. Op Uw tijd, naar Uw woord. Het antwoord van Maria is dus vol overgave, vol vertrouwen op Gods macht en vol onderwerping.

d. Wat Maria zegt is als vierde ook: vol van verwachting en hoop Want het geloof grijpt zich hopend vast aan Gods beloften. Midden in eigen duisternis, en met een hart vol vragen en bezwaren. Lopend als in dichte mist, op een onbekende weg, vol onmogelijkheden. Maar: rustend op Gods macht, zich onderwerpend aan Zijn wil en wijsheid. Met een hoop die niet beschaamt.

Waarom niet? Omdat God een Waarmaker is van Zijn Woord. Zoals Elizabeth even later zegt in vers 45: En zalig is zij die geloofd heeft; want de dingen die haar van den Heere gezegd zijn, zullen volbracht worden. Precies op Gods tijd. En precies naar Zijn eigen woord. Want God is machtig. En Hij is getrouw. En Hij laat nooit één van Zijn woorden op de aarde vallen. Hij is zo getrouw als sterk!

En het werk van Zijn handen — hoe bestreden, hoe aangevochten, hoe duister, hoe moeilijk te overzien ook — het werk van Zijn handen zal Hij nooit loslaten. En dus roept alles in deze geschiedenis ons toe: mensen, stel je hoop en je verwachting toch alleen op de Heere!

In je zoeken van de Heere. In je — struikelend — leven met de Heere. In je gaan in Gods onbegrepen weg. Zing dan toch, al is het nog zo donker in je hart, al is je leven nog zo moeilijk… Zing dan toch maar met de dichter in je hart: Ik blijf de HEERE verwachten; Mijn ziel wacht ongestoord; Ik hoop, in al mijn klachten, Op Zijn onfeilbaar woord.

Slotzang Psalm 130:3

Ik blijf den HEER’ verwachten; Mijn ziel wacht ongestoord; Ik hoop, in al mijn klachten, Op Zijn onfeilbaar woord; Mijn ziel, vol angst en zorgen, Wacht sterker op den HEER’, Dan wachters op den morgen; Den morgen, ach, wanneer?