Advent - 7 december 2014
Jesaja 43:2: Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen; wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken.
INLEIDING
Deze nabetrachtingspreek over Jesaja 43:1-7 brengt een hemelse bemoediging na de viering van het Heilig Avondmaal. Ondanks Israëls schuld spreekt de HEERE, hun Schepper en Verlosser, onverwacht: "Vrees niet, want Ik heb u verlost." Wie van Hem is, wordt door water en vuur heen bewaard, niet om eigen verdienste maar om Gods eenzijdige liefde en trouw. Hij belooft Zijn volk te verzamelen van heinde en verre, geslacht na geslacht. Het uiteindelijke doel van dit alles is Zijn eigen eer: een leven van dankbare toewijding aan de God Die alles deed om Zijns Naams wil.
Een hemelse bemoediging
JESAJA 43:1-5
1 Maar nu, alzo zegt de HEERE, uw Schepper, o Jakob, en uw Formeerder, o Israël: Vrees niet, want Ik heb u verlost; Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijne.
2 Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen; wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken.
3 Want Ik ben de HEERE uw God, de Heilige Israëls, uw Heiland; Ik heb Egypte, Morenland en Seba gegeven tot uw losgeld, in uw plaats.
4 Van toen af dat gij kostelijk zijt geweest in Mijn ogen, zijt gij verheerlijkt geweest, en Ik heb u liefgehad; daarom heb Ik mensen in uw plaats gegeven en volken in plaats van uw ziel.
5 Vrees niet, want Ik ben met u; Ik zal uw zaad van den opgang brengen en Ik zal u verzamelen van den ondergang.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Jesaja 43:2
THEMA
Een hemelse bemoediging
AANDACHTSPUNTEN
Gemeente, we houden vanmiddag een dienst van nabetrachting. Een dienst, waarin we terugkijken naar de bediening van het Heilig Avondmaal vanmorgen. Naar het moment dat de Heere Zijn kinderen wilde voeden en versterken aan Zijn tafel.
De preek van vanmiddag gaat over Jesaja 43. En daarbij zal ik me vooral concentreren (maar niet alleen) op Jesaja 43 vers 1-7. Laat ik voor nu (de andere verzen komen straks vanzelf terug), laat ik voor nu nog een keer lezen de verzen 1-3. Maar nu, alzo zegt de HEERE, uw Schepper, o Jakob! en uw Formeerder, o Israël! vrees niet, want Ik heb u verlost; Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijn. Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen; wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken. Want Ik ben de HEERE, uw God, de Heilige Israëls, uw Heiland; Ik heb Egypte, Morenland en Seba gegeven tot uw losgeld in uw plaats.
Het thema voor de nabetrachtingspreek van vanmiddag is: Een hemelse bemoediging
Een hemelse bemoediging na de bediening van het Heilig Avondmaal. We letten samen op vier aandachtspunten. Als eerste op: de Goddelijke oorsprong ervan (kijkend naar vers 1) Als tweede op: de troostvolle inhoud ervan (kijken naar vers 2-4) Als derde op: het heerlijke vooruitzicht (van vers 5-6) En als laatste, als vierde op: het verheven doel van dit alles (kijkend naar vers 7).
Dus een hemelse bemoediging na de bediening van het Heilig Avondmaal. 1. De Goddelijke oorsprong 2. De troostvolle inhoud 3. Het heerlijke vooruitzicht 4. Het verheven doel Als eerste dus:
De Goddelijke oorsprong van de hemelse bemoediging, die begint in vers 1:
Maar nu, alzo zegt de HEERE, uw Schepper, o Jakob! en uw Formeerder, o Israël! vrees niet, want Ik heb u verlost; Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijn.
Het einde van Jesaja 42 is dreigend. Jakob, Israël wil niet wandelen in Gods weg. De Heere noemt Zijn volk (in Jesaja 42:19) blind, en doof. Hij zegt in hoofdstuk 42:20: U ziet wel vele dingen, maar u bewaart ze niet. Dat wil zeggen: u neemt ze niet ter harte. En ofschoon hij de oren opendoet, zo hoort hij toch niet. Zoals Psalm 81:13Dies heb Ik het overgegeven in het goeddunken huns harten, dat zij wandelden in hun raadslagen. zingt: Maar Mijn volk wou niet naar Mijn stemme horen.
Ze zien niet. Ze willen niet luisteren. En dus wordt er straf aangekondigd. De Heere zal hen straffen vanwege hun ongehoorzaamheid. Ze zullen geplunderd worden. Er komt oorlog. Steden zullen in brand gezet worden… Zoals staat aan het eind van Jesaja 42 (in vers 24-25): Wie heeft Jakob tot een plundering overgegeven, en Israël den rovers? Is het niet de HEERE, Hij tegen Wien wij gezondigd hebben? Want zij wilden niet wandelen in Zijn wegen en zij hoorden niet naar Zijn wet. Daarom heeft Hij over hen uitgestort de grimmigheid Zijns toorns en de macht des oorlogs; en Hij heeft hen rondom in vlam gezet, doch zij merken het niet; en Hij heeft hen in brand gestoken, doch zij nemen het niet ter harte. Je zou verwachten: Nu is voorbij… God zal Juda definitief gaan verlaten…
Maar dan begint Jesaja 43: Maar nu, vrees niet! Is dat ook niet de ervaring van iedere ware avondmaalganger? ‘Ik heb tegen God gezondigd, ik heb straf verdiend, ik ben het oordeel waard, Heere…’ Maar dan dan klinkt opeens. onverwachts dat liefdevolle: Maar nu, vrees niet! Tegen de inktzwarte achtergrond van hun leven, tegen de inktzwarte achtergrond van ons eigen leven, schittert ineens Gods vrije, eenzijdige goedheid en genade.
Zoals de Heere dat aan het eind van Jesaja 43 nog eens heel duidelijk voor het voetlicht brengt. In vers 22: Doch gij hebt Mij niet aangeroepen, o Jakob, als gij u tegen Mij vermoeid hebt, o Israël (met uw zonden). De kanttekeningen zeggen: De Heere wil zeggen, dat zij het met hun vroomheid niet verdiend hadden, dat Hij hen verlossen zou, want zij hadden Hem naar behoren niet gediend. Want (vers 24): Gij hebt Mij arbeid gemaakt met uw zonden, gij hebt Mij vermoeid met uw ongerechtigheden. Moeten wij, kinderen van God, daar niet allemaal eenstemmig ‘amen’ op zeggen?
Eenzijdige, soevereine genade dus, is de diepe achtergrond van deze wonderlijke ommekeer in het spreken van de Heere tot Zijn volk Israël destijds. En het is ook de diepe achtergrond van de wonderlijke omkering in ons leven, kinderen God. Laten we nooit denken, dat er iets goeds in ons leven te danken was of is aan onszelf. Het was en is allemaal vrije gunst die eeuwig God bewoog. Dat na al onze zonden en na al ons verlaten van God, de HEERE nu het woord neemt en zegt: Vrees niet!
Vrees niet! Hebt u wel eens gevreesd? Voor de grote, heilige God? Denkend aan wie u was? En aan alles wat u gedaan had? Want er zijn ook mensen (en ik maak me grote zorgen om uw zielen), die nooit vrezen. Omdat ze de grootheid van hun schuld niet kennen. En omdat ze het gevaar van hun leven (op weg naar de eeuwigheid, op weg naar de grote ontmoeting met God) niet zien…
Onbekeerde vrienden, u zou moeten vrezen… Maar u doet het niet. Zoals letterlijk staat in Psalm 64: De goddelozen vrezen niet… (Ps. 64:4). Lieve mensen, wees toch gewaarschuwd. Als je zo rustig doorgaat, rustig afwacht, rustig verder slaapt…, dan komt er een dag, dat God zal zeggen, zoals staat in Spreuken 1: Dewijl Ik geroepen heb, en u geweigerd hebt; Mijn hand uitgestrekt heb, en er niemand was, die opmerkte; en u al Mijn raad verworpen, en Mijn bestraffing niet gewild hebt; zo zal Ik ook in ulieder verderf lachen; Ik zal spotten, wanneer uw vreze(!) komt. Wanneer uw vreze komt(!) gelijk een verwoesting, en uw verderf aankomt als een wervelwind; wanneer u benauwdheid en angst overkomt; dan zullen zij tot Mij roepen, maar Ik zal niet antwoorden; zij zullen Mij vroeg zoeken, maar zullen Mij niet vinden (Spreuk. 1:24-28).
Uw tijd om te zoeken gaat voorbij. Uw tijd is kort… En u moet vrezen… U moet vrezen voor uw toekomst… U moet vrezen, maar zonder te wanhopen. Want? Want hoe onmogelijk het ook is aan uw kant, om op eigen kracht tot God terug te keren, de Heere heeft alle macht. De HEERE van vers 16: Die in de (Rode) zee een weg, en in de sterke wateren een pad maakte! Kom dan toch, biddend en buigend, tot Hem Die U Zijn vriendschap biedt. Vrezende, voor de HEERE en Zijn goedheid! (Hos. 3:5Daarna zullen zich de kinderen Israëls bekeren, en zoeken den HEERE, hun God, en David, hun Koning; en zij zullen vrezende komen tot den HEERE en tot Zijn goedheid, in het laatste der dagen.)
Gods kinderen weten wat het betekent: vrezen… Vrezen, als je kijkt naar wie je bent voor God, de heilige God. Dat geeft als het goed is, vrees in je hart. Een vrees die je niet van de Heere afdrijft. Maar die je Hem meer dan ooit laat zoeken. En wat is het dan een troost, als in al je zoekende vrezen en in al je vrezende zoeken, de Heere tot je komt en zegt (zoals bij de vrouwen na de opstanding): Vreest u niet; want ik weet, dat u zoekt Jezus, Die gekruisigd was (Matt. 28:5Maar de engel, antwoordende, zeide tot de vrouwen: Vreest gijlieden niet; want ik weet, dat gij zoekt Jezus, Die gekruisigd was.).
Vrees niet! Wie zegt dat? De HEERE, uw Schepper, o Jakob! en uw Formeerder, o Israël! Uw Schepper. Die u schiep, uit niets. Die u herschiep, zonder iets van u, uit enkel genade. U had er geen hand in, u had er geen enkel aandeel in. Het was enkel en alleen Gods werk. Hij schiep u, Hij formeerde, Hij vormde u. Jakob, de bedrieger. Die Hij liefhad, en die Hij vormde tot Israël.
Ik ben de HEERE. Ik ben met u in een verbond getreden. En Ik ben trouw. Ik zal nooit laten varen, wat Mijn hand begon. Wat ligt ons leven, kinderen van God, toch vast… In God. Eer iets in mij begon te leven, was U daar. En, zegt de Heere: Ik, de HEERE, word niet veranderd, daarom wordt u, o kinderen van Jakob, niet verteerd.
Ik zal nooit laten varen, Ik zal nooit loslaten het werk van Mijn handen.
Vrees niet (vers 1b), want Ik heb u verlost; Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijn. U zat door uw eigen schuld gevangen, in de gevangenis van de zonde, van de duivel, van uw geestelijke dood. Maar Ik heb u eruit gehaald. Ik heb U vrij gekocht. Niet met zilver of goud, maar met het kostbare bloed van Mijn Knecht, de Knecht des HEEREN.
Ik heb u geroepen. U wilde wel niet luisteren, maar Ik heb u overreed. En Ik heb u gemaakt tot mijn eigendom. U bent van Mij.
Wat een troost, als u daar vanmorgen iets van mocht zien. Als u daar nu iets van mag zien. Van dit: ik ben Gods eigendom. Zoals de catechismus zegt in Zondag 1: ik ben niet mijns, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen, Die met Zijn dierbaar bloed voor al mijn zonden volkomen betaald, en mij uit alle heerschappij des duivels verlost heeft en bewaart.
Wat is dat een gelukkig leven. En wat ligt dat leven (ondanks al onze ontrouw) vast. In God. Die uit enkele, eenzijdige genade zei en vanmorgen aan mij liet zien: U bent van Mij! Wat een troost, wat een zaligheid…
Maar wat een drama, als je zeggen moet: Dat ken ik zo niet… Dan hebt u, lieve vrienden, een levensgroot probleem! Zeg dan vanmiddag toch uit de grond van uw hart: ‘O God, wees mijn zondaar genadig!’ Kom van uw troon af en buig. Voor Hem, Die zegt in vers 11: Ik, Ik ben de HEERE, en er is geen Heiland behalve Ik. Wend u dan toch naar Hem toe en word behouden!
Goed lezen, trouwens, wat er staat… Er staat niet: U, Heere, bent van mij. Nee, het komt bij God vandaan. Hij zegt: u bent van Mij. U bent Mijn eigendom geworden.
En dat niet zonder doel, kijk maar naar vers 21: Dit volk heb Ik Mij geformeerd (geschapen, gemaakt), zij zullen Mijn lof vertellen. Zoals Paulus dat ook met andere woorden zegt in Efeze 2:10Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen.: Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen. Zijn maaksel zijn, Zijn eigendom zijn, het bindt ons aan de hoge roeping om: Gods lof te vertellen.
We gaan verder met ons tweede aandachtspunt:
De troostvolle inhoud van deze hemelse bemoediging. Want, vers 2 zegt: Wanneer u zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen;
wanneer u door het vuur zult gaan, zult u niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken.
Gods kinderen hebben steeds weer nodig, dat de Heere tegen hen zegt: Vrees niet! En dat geldt in het bijzonder ook de tijd die nu weer voor ons ligt. Want we weten en we voelen: in ons is geen moed en kracht. Geen kracht tegen de zonde, geen kracht tegen onze oude natuur, tegen onze verkeerde neigingen, tegen onze aardsgerichtheid. Geen kracht tegen de verzoeking door de duivel. Geen moed in het water en in het vuur van de beproeving…
Maar nu zegt de Heere tegen al Zijn kinderen: Vrees niet, wees niet bang, Ik ben bij u. Wanneer dan ook, en waar dan ook. Als u door het water gaat, dan zal Ik u vasthouden, dan zult u nooit ten onder gaan. Als u door het vuur gaat, dan zal Ik u beschermen, dan zult u niet verbranden. Wat er ook komen gaat. Zoals staat in Romeinen 8:35Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, of benauwdheid, of vervolging, of honger, naaktheid, of gevaar, of zwaard?: Verdrukking, of benauwdheid, of vervolging, of honger, of naaktheid, of gevaar, of zwaard.
Al bent u in groot gevaar. Net als destijds het volk Israël voor de Rode Zee. Links de zee, rechts de bergen, achter u de Egyptenaars… Al bent u in groot gevaar. In gevaar van het ‘vuur’, dat in de Bijbel zo vaak beeld is van de toorn van God. Al wordt u straks net als de drie jonge mannen in de tijd van Daniël in de vurige oven gegooid (Daniël 3). Al moet u gaan, zoals Psalm 23 zegt, door een dal der schaduw des doods. Benauwd van alle zijden…
Maar, vrees niet! Ik zal u nooit loslaten. In de strijd van uw hart, in de moeite van dit leven, hoe het ook gaat: U bent van Mij, Ik laat u nooit los. En dat komt allemaal, zegt Paulus: door Hem, Die ons liefgehad heeft (Rom. 8:37).
Zoals dat hier ook staat in vers 3 en 4. Want waarom is volk God veilig, nu in de tijd, en straks voor eeuwig? Want… Ik ben de HEERE, uw God, de Heilige Israëls, uw Heiland; Ik heb Egypte, Morenland en Seba gegeven tot uw losgeld in uw plaats. Ik ben de HEERE, Uw God. De trouwe en almachtige God van Mijn Verbond. Die nooit zal feilen in Mijn trouw, Die nooit herroepen zal wat Ik eenmaal heb gesproken. De Heilige, Die toch de God wil zijn van zo’n onheilig volk.
Uw Verlosser. Uw losgeld is betaald, u bent vrijgekocht. Ik heb u bevrijd. Andere volken ben Ik voorbijgegaan, die heb Ik opgegeven, die heb Ik overgegeven in het oordeel. Farao heb Ik verdronken, Egypte heb Ik verslagen, in uw plaats. Want in de weg van hun ondergang heb Ik u verlost. Dat deed Ik voor u, o Jakob, o Israël. Omdat Ik u liefhad.
Kijk maar in vers 4: Van toen af, dat u kostelijk bent geweest in Mijn ogen, bent u verheerlijkt geweest, en Ik heb u liefgehad; daarom heb Ik mensen in uw plaats gegeven, en volken in plaats van uw(!) ziel.
Onbegrijpelijk, toch? Moeten we hier, kinderen van God, niet heel klein onder worden? Vol stille verwondering en innige blijdschap? Als de Heere tegen ons zegt (in vers 22): Gij hebt Mij niet aangeroepen, o Jakob, als gij u tegen Mij vermoeid hebt, o Israël. Maar (vers 4): Ik heb u liefgehad. U bent kostelijk bent geweest in Mijn ogen!
Ja, Christus is ons dierbaar, is ons kostbaar geworden. Maar dit is veel groter, dit is veel onbegrijpelijker. Dat God tegen al Zijn kinderen zegt: U bent van eeuwigheid af en sindsdien kostbaar geweest Mijn ogen. Niet om wie u was. Want u was verloren, u was een vijand van Mij. En ook niet om wat u deed. Maar omdat Ik in eenzijdige liefde zo op u neerkeek.
Zoals een bruid kostbaar is in de ogen van haar bruidegom, zo was en bent u kostbaar in Mijn ogen. Zoals staat in Hooglied 4:9Gij hebt Mij het hart genomen, Mijn zuster, o bruid! gij hebt Mij het hart genomen, met een van uw ogen, met een keten van uw hals.: Gij hebt Mij het hart genomen, Mijn zuster, o bruid. Zoals staat in Zefanja 3:17De HEERE, uw God, is in het midden van u, een Held, Die verlossen zal; Hij zal over u vrolijk zijn met blijdschap, Hij zal zwijgen in Zijn liefde, Hij zal Zich over u verheugen met gejuich.: Hij zal over u vrolijk zijn met blijdschap, Hij zal zwijgen in Zijn liefde, Hij zal Zich over u verheugen met gejuich.
Ik, daar valt alle nadruk op. Ik heb u liefgehad, met een eeuwige liefde. En daarom heb Ik u getrokken met koorden van goedertierenheid. Ik heb u vrijgekocht. En daarom (vers 4) heb Ik mensen in uw plaats gegeven, en volken in plaats van uw ziel. Daarom zijn de Egyptenaars in de Rode Zee verdronken. Om u te verlossen, door een pad dat Ik baande dwars door onmogelijkheid heen.
Was dat ook niet de boodschap bij de bediening van het sacrament van het Heilig Avondmaal? U, blinden, u, die de weg niet weet… U, armen, u, hongerigen… U, zegt God, bent Mij zo kostbaar! Hoe kostbaar? Zo kostbaar, dat Ik Eén, Mijn Liefste, in uw plaats gegeven, in de plaats van uw ziel. Namelijk: Hem, Die ons liefgehad heeft (Rom. 8:37).
Voordat we verdergaan met ons derde aandachtspunt zingen we samen uit Psalm 31:17: Geloofd zij God, Die Zijn genade Aan mij heeft groot gemaakt; Die voor mijn welstand waakt: Zijn oog slaat mij in liefde gade; Hij wil mij heil bereiden; Mij in een vesting leiden.
Gemeente, we gaan verder met ons derde aandachtspunt:
Het heerlijke vooruitzicht in deze hemelse bemoediging, zoals die staat in vers 5-6: Vrees niet, want Ik ben met u; Ik zal uw zaad van den opgang brengen, en Ik zal u verzamelen van den ondergang. Ik zal zeggen tot het noorden: Geef; en tot het zuiden: Houd niet terug; breng Mijn zonen van verre, en Mijn dochters van het einde der aarde.
Vrees niet, want Ik ben met u. Waar valt de nadruk op? Op dat ene woordje: Ik! Eerst: Ik heb u verlost, Ik heb u geroepen, Ik zal bij u zijn. Want Ik ben HEERE, Ik heb u liefgehad. En nu: Ik ben met u. De ballingschap van het volk van Juda komt onherroepelijk. Maar: Ik ben met u. En omdat Ik niet verander, blijf Ik ook met u. Om Mijn uitverkoren Knecht, om Immanuël. Door Mij verlaten, opdat Ik altijd bij u zou blijven, tot in eeuwigheid.
Gods weg gaat zo meteen dwars door het oordeel heen. Juda zal weggevoerd worden naar Babel vanwege haar zonden. Want al hoor je bij het volk van God, dan is dat nog geen vrijbrief om te zondigen. Denk maar aan wat de Heere zegt in Psalm 89:30-35En Ik zal zijn zaad in eeuwigheid zetten, en zijn troon als de dagen der hemelen. Indien zijn kinderen Mijn wet verlaten, en in Mijn rechten niet wandelen; Indien zij Mijn inzettingen ontheiligen, en Mijn geboden niet houden; Zo zal Ik hun overtreding met de roede bezoeken, en hun ongerechtigheid met plagen. Maar Mijn goedertierenheid zal Ik van hem niet wegnemen, en in Mijn getrouwheid niet feilen. Ik zal Mijn verbond niet ontheiligen, en hetgeen uit Mijn lippen gegaan is, zal Ik niet veranderen.: Indien zijn kinderen Mijn wet verlaten, en in Mijn rechten niet wandelen, indien zij Mijn inzettingen ontheiligen, en Mijn geboden niet houden, zo zal Ik hun overtreding met de roede bezoeken, en hun ongerechtigheid met plagen. Maar Mijn goedertierenheid zal Ik van hem niet wegnemen, en in Mijn getrouwheid niet feilen. Ik zal Mijn verbond niet ontheiligen, en hetgeen dat uit Mijn lippen gegaan is, zal Ik niet veranderen. Ik heb ééns gezworen bij Mijn heiligheid: Zo Ik aan David liege!
Daar ligt ondertussen wel een waarschuwing in. Wat ik zei: als kind van God heb je geen vrijbrief om je eigen leven te leiden, om door te gaan op het pad van de zonde. Als we, kinderen van God, Gods wet verlaten, als we Zijn woorden verachten, dan kan Hij ook ons tegenkomen met Zijn slaande hand.
Maar één ding verandert nooit. Dat ligt vast verankerd is Wie God is. In Zijn goedertierenheid, liefde en trouw. Hij Die het goede werk ooit in ons begon, Hij zal Zijn werk voor ons voleinden. Hij was de Eerste, Hij zal ook de Laatste zijn. Alles hangt: niet aan onze trouw, maar aan Zijn trouw.
Dat maakt trouwens ook dat we nooit trots mogen worden op gekregen genade en zegen. Want (zegt Paulus) wat hebben we, wat we niet ontvangen hebben (1 Kor. 4:7Want wie onderscheidt u? En wat hebt gij, dat gij niet hebt ontvangen? En zo gij het ook ontvangen hebt, wat roemt gij, alsof gij het niet ontvangen hadt?)? Het is alles genade, en genade alleen.
Vrees niet! Immers, je kan zo vrezen, denkend bij jezelf: Zou het ooit goed komen? Zal ik het het eindpunt ooit bereiken? Zal ik ooit de zonde te boven komen? Zal ik ooit echt kunnen leven tot eer van de Heere? Vrees niet, zegt de HEERE. Ik sta ervoor in. Ik ben met u.
En, dan die wonderlijke belofte… Ik zal uw zaad van de opgang brengen, en Ik zal u verzamelen van de ondergang. Ik zal zeggen tot het noorden: Geef; en tot het zuiden: Houd niet terug; breng Mijn zonen van verre, en Mijn dochters van het einde der aarde. Israëls ballingen zullen straks weer terugkomen uit Assyrië, uit Babel. Maar dit gaat veel verder. Wereldwijd zullen ze komen, van verre, van de einden van de aarde. Gevangenen, vrijgemaakt uit de gevangenis van de zonde. Verloren zondaars, door Christus bijeen vergaderd.
En ook… uw zaad, uw zonen en dochters, uw kinderen, uw kleinkinderen. Van het einde der aarde. Ver, eindeloos ver weg als ze zijn. Ik zal ze brengen. Ik, de HEERE, de trouw God van Mijn verbond.
Hoe donker de toekomst er ook uit lijkt te zien… Ik zal doorgaan met Mijn werk, zoals Ik dat eeuwenlang gedaan heb. In de lijn van de generaties: zonen en dochters zal Ik brengen. Ook hier in [plaatsnaam], in de […]kerk. Ik zal Mijn kerk in stand houden. Ik zal Mijn Naam voortplanten van kind tot kind, van geslacht tot geslacht.
En dus, moed houden, Godvrezende ouders, pleitend op dit woord. Op dit beloftewoord van Hem, Die niet liegen kan: Ik zal zeggen: breng Mijn zonen van verre, en Mijn dochters van het einde der aarde.
En dat alles, dat God Zijn kerk in stand houdt, dat Hij doorgaat met Zijn werk, dat alles heeft maar één verheven doel. Ons vierde en laatste aandachtspunt:
Het verheven doel van deze hemelse bemoediging, zoals die staat vers 7: Een ieder, die naar Mijn Naam genoemd is, en dien Ik geschapen heb tot Mijn eer(!), dien Ik geformeerd heb, dien Ik ook gemaakt heb. Een ieder, die naar Mijn Naam genoemd is. U, Mijn kinderen, die Mijn gekochte eigendom bent: Ik heb recht op u, Mijn kinderen. Ik heb recht op uw leven, zondags, doordeweeks…
Dat is de reden dat Paulus zegt in Efeze 5: Ziet dan, hoe u voorzichtig wandelt, niet als onwijzen, maar als wijzen. De tijd uitkopende, dewijl de dagen boos zijn. Daarom weest niet onverstandig, maar verstaat, welke de wil des Heeren zij. En wordt niet dronken in wijn, waarin overdaad is, maar wordt vervuld met den Geest; sprekende onder elkaar met psalmen, en lofzangen, en geestelijke liederen, zingende en psalmende den Heere in uw hart, dankende te allen tijde over alle dingen God en den Vader, in den Naam van onzen Heere Jezus Christus; elkaar onderdanig zijnde in de vreze Gods (Ef. 5:15-21)
Voorzichtig, godzalig, voorbeeldig leven, vanwege onze Bezitter, vanwege onze Heere en Meester. Want Zijn eer is in het geding. Wij zijn, kinderen van God, geschapen, geroepen en vrijgekocht: tot Zijn eer!
Maar als we leven in de zonde, als we leven in een werelds leven, dan geven we Zijn eer aan anderen. Dan wordt de Naam van de Heere gelasterd. Terwijl de Heere een jaloers God is, als het gaat om Zijn eer. Denk maar aan het vorige hoofdstuk, aan Jesaja 42:8, waar de Heere zegt: Ik ben de HEERE, dat is Mijn Naam; en Mijn eer zal Ik geen anderen geven, noch Mijn lof den gesneden beelden.
Dit volk, zegt de Heere in vers 21, heb Ik Mij geformeerd, zij zullen Mijn lof vertellen. a. Het wil ons aan het einde van deze dag dringen tot een hartelijk gebed: O, Heere, laat ons leven door Uw genade toch vernieuwd worden van dag tot dag? Wilt U Uw werk in ons voleinden?
b. Het wil ons ook dringen tot ootmoed. Als we verder lezen in de laatste verzen van Jesaja 43 (en dan kom ik terug bij het begin van de preek). Waar hadden we al de zegeningen op deze dag aan te danken? Niet aan onszelf. Want (vers 22) gij hebt Mij niet aangeroepen, o Jakob, als gij u tegen Mij vermoeid hebt, o Israël. Mij hebt gij niet gebracht het kleine vee uwer brandoffers en met uw slachtoffers hebt gij Mij niet geëerd; Ik heb u Mij niet doen dienen met spijsoffer en Ik heb u niet vermoeid met wierook. Mij hebt gij geen kalmoes voor geld gekocht en met het vette uwer slachtoffers hebt gij Mij niet gedrenkt; maar gij hebt Mij arbeid gemaakt met uw zonden, gij hebt Mij vermoeid met uw ongerechtigheden.
En dan tóch, vers 25: Ik, Ik ben het, Die uw overtredingen uitdelg om Mijnentwil(!), en Ik gedenk uwer zonden niet. Zoals de Heere eerder zei in Exodus 36: Zo zegt de Heere HEERE: Ik doe het niet om uwentwil, gij huis Israëls, maar om Mijn(!) heiligen Naam (Ex. 36:22). Dát was het, wat op deze dag schitterde bij de bediening van het Heilig Avondmaal.
Vrije gunst, onverdiende goedheid van de eeuwige God. Die daarom aanbeden, Die daarvoor bezongen wil worden! De Vader, Die ons verkoor, in eeuwige eenzijdige liefde van welbehagen. De Zoon, Die ons kocht met de prijs van Zijn kostbare bloed. De Heilige Geest, Die ons leidt, troost en bewaart. En Die voor ons en in ons bidt. Avondmaalgangers, wij mogen, wij zullen Zijn lof vertellen.
Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. De Drie-enige God, zij alle eer!
Halleluja. Amen.
Andere preken over Jesaja
Andere preken voor Advent
Andere gerelateerde preken