Pinksteren - 20 mei 2024
Jesaja 44:3: Want Ik zal water gieten op den dorstige en stromen op het droge; Ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten en Mijn zegen op uw nakomelingen.
INLEIDING
Deze pinksterpreek gebruikt het beeld van een droog moestuintje: zo dor en dood is het menselijke hart van nature. Maar God belooft: Ik zal water gieten op het dorstige, stromen op het droge. Dat is Zijn eigen werk, niet het onze. Water wast, dringt door, verzacht, maakt vruchtbaar, verkwikt en lest dorst, zoals de Heilige Geest harde harten breekt en tot leven wekt. Wie dorst, mag deze vervulde belofte tot troost nemen: Ik zal het doen.
JESAJA 44:1-7
1 Maar hoor nu, Mijn knecht Jakob, en Israël, dien Ik verkoren heb.
2 Zo zegt de HEERE, uw Maker en uw Formeerder van den buik af, Die u helpt: Vrees niet, o Jakob, Mijn knecht, en gij, Jeschurun, dien Ik uitverkoren heb.
3 Want Ik zal water gieten op den dorstige en stromen op het droge; Ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten en Mijn zegen op uw nakomelingen.
4 En zij zullen uitspruiten tussen in het gras, als de wilgen aan de waterbeken.
5 Deze zal zeggen: Ik ben des HEEREN; en die zal zich noemen met den naam van Jakob; en gene zal met zijn hand schrijven: Ik ben des HEEREN, en zich toenoemen met den naam van Israël.
6 Zo zegt de HEERE, de Koning Israëls, en zijn Verlosser, de HEERE der heirscharen: Ik ben de Eerste en Ik ben de Laatste, en behalve Mij is er geen God.
7 En wie zal, gelijk als Ik, roepen en het verkondigen en het ordentelijk vóór Mij stellen, sedert dat Ik een eeuwig volk gesteld heb? En laat ze de toekomstige dingen en die komen zullen, hun verkondigen.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Jesaja 44:3
LITURGIE
Psalm 119:1 Jesaja 44:1-5 en Handelingen 2:1-13
Jongens en meisjes, wat betekent Pinksteren eigenlijk? Kerst is duidelijk. Dan denken we terug aan de geboorte van de Heere Jezus. Goede Vrijdag is de dag van Zijn kruisiging, Pasen de dag van Zijn opstanding. Hemelvaart is de dag dat de Heere Jezus terugging naar Zijn Vader in de hemel. Maar, Pinksteren, wat is er toen eigenlijk gebeurd? Als we lezen in Handelingen 2, het hoofdstuk dat we meestal lezen met Pinksteren, dan zien en horen we allerlei tekenen. Een geluid als van een geweldig gedreven wind, tongen als van vuur, op de hoofden van de 120 mensen die in Jeruzalem bijeen zijn. En ze worden vervuld met de Heilige Geest, volgegoten met de genade en de zegen van de Heilige Geest, ja, met de Heilige Geest Zelf. Ze worden volgegoten en ze beginnen ‘over te stromen…’ Ze worden volgegoten, maar het komt er weer uit, zo vol zitten ze, hun hart stroomt over. Ze gaan spreken in andere talen (Handelingen 2:1-4) en ze vertellen de grote werken van God (Handelingen 2:11). Dat, dat laatste is heel erg nieuw in het Handelingenboek. Ze spreken, ze vertellen de grote werken Gods.
Ja, dat zie en hoor je allemaal, maar, zo zeg je: ‘Wat gebeurt er nu eigenlijk precies?’ Dat zeiden de mensen destijds ook: ‘Wat wil toch dit zijn (Handelingen 2:12)? Wat heeft dit toch te betekenen, wat heeft dit ons toch te zeggen?’ Op de Pinksterdag hoor je en zie je dingen, 120 mensen gaan spreken, maar de vraag blijft een beetje: Wat gebeurt er nu eigenlijk? De vraag is: Wat is Pinksteren?
We gaan dat vanmorgen een keer van de andere kant bekijken. Ik bedoel dit: met Pinksteren is de belofte van de Heere vervuld. Vroeger heeft de Heere, in die belofte, precies vertelt, wat er in de toekomst met Pinksteren zou gaan gebeuren. Dus door daarnaar te kijken, door te luisteren naar die belofte, kunnen we hopelijk ook een beetje beter begrijpen wat Pinksteren inhoudt. De tekst voor de preek van vanmorgen staat in Jesaja 44. We overdenken samen vers 3 en 4 van Jesaja 44. Daarin zegt de Heere door de mond van Jesaja: Want Ik (dat is de belofte van de Heere!) zal water gieten op de dorstigen, en stromen op het droge; Ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten, en Mijn zegen op uw nakomelingen. En zij zullen uitspruiten tussen in het gras, als de wilgen aan de waterbeken.
Voordat ik thema en punten van de preek noem, wil ik eerst even iets vertellen. Het is alweer een tijd geleden, dat er een actie was van Albert Heijn. Misschien, jongens en
meisjes, weet je dat nog wel. Als papa of mama boodschappen deed, dan kon je (wat heet) een ‘moestuintje’ krijgen. Een klein potje, met een beetje droge aarde erin en een zakje zaadjes. Als je het papiertje er afhaalde, wat moest je dan doen? Je moest er een beetje water op gieten. Misschien heb je dat ook wel gedaan. En je moest er ook steeds een beetje water bij blijven doen, dan zouden uiteindelijk de zaadjes opkomen. Dan zouden daar uiteindelijk mooie plantjes uitkomen van radijs, spinazie of sla, of iets anders.
Ik weet nog, toen ik zelf zo’n doosje openmaakte, hoe droog de aarde, hoe droog de grond was, die in dat potje zat. Ik dacht toen: ‘Weet je wat, ik zet er ook een op mijn studeerkamer in de vensterbank.’ Ik heb er water in gedaan, de zaadjes heb ik netjes neergelegd, en toen (niet glimlachen), toen ben ik ze vergeten water te geven... Inmiddels is het weken later. Het potje staat er nog steeds, kurkdroog, in mijn vensterbank. Er is geen enkel zaadje opgekomen. Denk vanmorgen in de preek eens aan zo’n moestuintje, of aan een ander potje waar je iets in gezaaid hebt, misschien een pit van een appel of van een mandarijn.
Nu eerst het thema van de preek. Het is de vraag die ik stelde: Wat betekent Pinksteren? Wat gebeurt er met Pinksteren? We zullen dat zien in de antwoorden op drie vragen: 1. Hoe was het daarvoor? Daarvoor was, zegt Jesaja, de aarde dorstig en droog 2. Wat deed God toen? God beloofde door de mond van Jesaja: Ik zal water gieten, Ik zal stromen gieten, Mijn Heilige Geest en Mijn zegen zal Ik uitgieten. 3. Wat gebeurde er toen? De Heere zei: dan zullen zij uitspruiten tussen in het gras, als wilgen aan de waterbeken. Dus als eerste de vraag: 1. Hoe was het voor Pinksteren?
Hoe was het voor de uitstorting van de Heilige Geest? Het antwoord is: toen was het dor en droog. Want toen Jesaja vooruitkeek naar deze dag, toen zei hij: de Heere zal water gieten op de dorstigen, of: op het dorstige, en stromen op het droge. Zo droog als dat moestuintje van Albert Heijn, zo droog als dat potje grond dat geen water heeft, zo droog als een woestijn, zo droog was het daarvoor.
En die droogte is een beeld. Die droogte wijst ergens op. Hier in de profetie van Jesaja wijst het als eerste op de toestand van het volk Israël, op hun miserabele toestand in de ballingschap. Omdat ze de Heere verlaten hebben, daarom zijn ze weggevoerd naar Assyrië en Babel. Maar ook later, als de Heere Jezus, als de Messias gekomen is, dan is de toestand van het volk Israël zo dor, zo droog en zo geesteloos. Zeker, er waren mensen die uitzagen naar Zijn komst, zoals Simeon en Anna en anderen die de verlossing in Israël verwachtten, maar de meesten deden dat niet.
En ook nu is het niet veel anders. Wat is er veel dorheid, veel geestelijke droogte, veel ingezonkenheid in de kerk, ook in de kerk bij ons.
Droogte is ook een beeld van onze persoonlijke toestand. In geestelijke zin is ons hart als droge grond. Daar is geen leven, daar is geen groei, daar is niets. Droogte is een beeld van hoe slecht ons hart en leven door de zonde, door de val in het paradijs geworden zijn. Er is geen leven in ons hart. Hooguit vijandschap. Dat zien we ook op de Pinksterdag. Petrus zegt het eerlijk tegen de mensen: ‘U hebt de Zaligmaker gekruisigd! Zo groot is uw vijandschap tegen God!’ (Handelingen 2:23)
Voelen we, ervaren we die droogte ook zo vanbinnen in ons hart? Ja en nee. We voelen wel dat we iets missen, dat we niet compleet zijn, dat het bij ons van binnen niet goed zit. En dus dorsten we naar van alles en nog wat. Naar dingen die ons een beetje een goed gevoel geven en die ons gevoel van gemis en ellendigheid een beetje opzij drukken. We verlangen naar van alles en nog wat, maar… niet naar God. Er is niemand van ons die van zichzelf uit naar God verlangt, die van zichzelf uit naar de Heere zoekt (Romeinen 3:11Er is niemand, die verstandig is, er is niemand, die God zoekt.). Niemand, tenzij…
Wanneer gebeurt er iets met je moestuintje? Wanneer gebeurt er iets met dat potje, waar je je pitje in gezaaid hebt? Precies, als er water bij komt. En dat is wat de Heere beloofd heeft. Dat doet Hij op de Pinksterdag. En dat doet Hij nog steeds. Wat? Dat gaan we zien in ons tweede aandachtspunt, in het antwoord op de tweede vraag:
2. Wat deed God toen? Op de Pinksterdag? En wat doet Hij sindsdien nog steeds? Jesaja zegt, God zegt in vers 3: Want Ik zal water gieten op de dorstigen, en stromen op het droge; Ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten, en Mijn zegen op uw nakomelingen.
Dus: Wie doet er iets? God. En God alleen. God zegt: Ik! Ik zal het doen. Dat begint trouwens al in vers 1: Ik heb u, Mijn volk (Jakob en Israël) verkoren (zie ook Deuteronomium 7:7-8De HEERE heeft geen lust tot u gehad, noch u verkoren, om uw veelheid boven alle andere volken; want gij waart het weinigste van alle volken. Maar omdat de HEERE ulieden liefhad, en opdat Hij hield den eed, dien Hij uw vaderen gezworen had, heeft u de HEERE met een sterke hand uitgevoerd, en heeft u verlost uit het diensthuis, uit de hand van Farao, koning van Egypte.). Pinksteren begint in de eeuwigheid, in het onbegrijpelijke plan van Gods verkiezend welbehagen. Waarin God, toen al, gezegd heeft: Ik zal het doen. We zien het ook in vers 2, weer is daar dat ‘Ik’: Ik ben uw Maker, uw Formeerder, van de buik af. Met tere liefde heb Ik u gemaakt. En Ik heb u liefgehad, o Jakob, Mijn knecht, o, Jeschurun (dat wil zeggen: Mijn oprechte, Mijn beminde), die Ik uitverkoren heb.
Ik zal het doen, Mijn volk! Met andere woorden: verwacht het nu niet van iemand anders. Verwacht het nu niet van deze of gene dominee of ouderling. Verwacht het nu niet van uzelf, van die droge grond, van die dorstige woestijngrond. Want die zal van zichzelf nooit vruchtbaar worden. Ik, God, zal het doen. Wat een troost is dat, voor mensen die zelf niet meer weten hoe het moet. Voor die ballingen destijds in Babel en Assyrië. Maar ook nu voor geestelijke ballingen, die zo moeten inleven dor, vruchteloos, droog, arm en ellendig te zijn.
Ze roepen met de dichter van Psalm 143: Ik breid mijn handen uit tot U; mijn ziel is voor U als een dorstig land (Psalm 143:6). Maar God zegt, hoor het toch tot uw troost: Ik zal het doen.
Wat dan? Wat zal de Heere dan doen? Wat doet hij op de Pinksterdag? Dit: water gieten op het dorstige en stromen op het droge. Ik (zegt God) zal Mijn Geest op uw zaad gieten en Mijn zegen op uw nakomelingen. Sommige mensen zien verschil tussen het dorstige, dat verlangt naar water, en het droge, dat nergens naar verlangt. Maar misschien is dat toch wat te gekunsteld. Dominee Abraham Hellenbroek, bekend van zijn uitgebreide uitleg van de profetie van Jesaja, schrijver van het boek ‘de Evangelische Jesaja’, zegt in dit verband: ‘droogte veroorzaakt dorst, een droog land is ook een dorstig land (…) En bij alle dorst doet zich ook droogte voor. Deze twee uitdrukkingen mogen met elkaar verwisseld worden.’
Water zal Ik gieten. Zoals jij water giet op je moestuintje, op de grond in dat potje, waarin je zaadjes hebt gelegd. Water zal Ik, de Heere, gieten op het dorstige. En Mijn Geest zal Ik gieten op uw zaad. Nee, niet zoals jij dat doet, met zo’n klein pierig straaltje uit een gietertje. Maar Ik (zegt God) zal water gieten met stromen op het droge. Zo zal Ik Mijn zegen uitgieten op uw nakomelingen. Met Pinksteren wordt de Heilige Geest, wordt de zegen van de Heilige Geest uit de hemel uitgegoten, als water op het droge, als stromen op het dorstige.
Waarom zou de Bijbel de Heilige Geest vergelijken, soms met wind of adem, maar nu met water, met stromen van water? Ik zal het proberen uit te leggen. Wat doet water?
a. Water wast in de eerste plaats schoon. Het is het werk van de Heilige Geest om vieze, door zonde bevuilde harten schoon te wassen. Zoals Paulus later zegt tegen de kinderen van God in de gemeente van Korinthe: U bent afgewassen, u bent geheiligd, u bent gerechtvaardigd, in de Naam van de Heere Jezus en (en dan komt het!) door de Geest van onze God (1 Korinthe 6:11En dit waart gij sommigen; maar gij zijt afgewassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd, in den Naam van den Heere Jezus, en door den Geest onzes Gods;). Water wast schoon. In de tweede plaats:
b. Water dringt overal door. Als je water giet op je moestuintje of in het potje waar je iets in gezaaid hebt, dan zie je dat dat water wordt helemaal opgenomen, dat wordt helemaal opgedronken. Het dringt door tot ieder plekje in dat potje. De Heilige Geest dringt door met Zijn werk in harten van mensen. En dat werk komt waar geen mens komen kan. Ik kan zeggen wat ik wil, maar mijn woorden komen tot aan uw oren. Maar de Heilige Geest dringt veel dieper door, tot in de binnenste delen van het menselijke hart (DL III/IV, 11). Water dringt overal in door. In de derde plaats:
c. Water maakt het harde zacht. Als de grond in je moestuintje of in je potje droog en hard is en je giet er water op, dan wordt het zacht. Ons menselijke hart is van nature hart als steen. Als de Heilige Geest komt, dan wordt het harde hart zacht gemaakt. Dan gaat het smelten. Dan wordt het week van tranen van berouw en boetvaardigheid. Dat zie je op de Pinksterdag. Vijanden waren ze, bikkelhard. En nu? Nu huilen ze: Wat zullen wij doen, mannen broeders? (Handelingen 2:37) Water maakt het harde zacht. In de vierde plaats:
d. Water maakt vruchtbaar. Die zaadjes van je moestuintje, die pitjes in dat potje, die doen niets van zichzelf. Die liggen te liggen, maar er gebeurt verder niets. Totdat er water bij komt. Dan wordt de grond vruchtbaar, dan ontkiemt het zaad, dan komt er leven en groei. Wat is dat toch wonderlijk, wat is dat toch onbegrijpelijk: ineens komt er leven! Het zaad van het Woord in de preek van Petrus wordt gestrooid op de Pinksterdag. Maar het valt op keiharde grond, op de rotsachtige bodem van de hoogte van de bergen (Psalm 72:16Is er een hand vol koren in het land op de hoogte der bergen, de vrucht daarvan zal ruisen als de Libanon; en die van de stad zullen bloeien als het kruid der aarde.), zo onvruchtbaar! Maar als de Heilige Geest komt (wat is dat toch wonderlijk, wat is dat toch onbegrijpelijk), dan komt er leven! Dan wordt de bodem van het hart door de Heere zacht en vruchtbaar gemaakt. In de vijfde plaats:
e. Water verfrist en verkwikt. Als je je plantjes water geeft, jongens en meisjes, dan hoor je ze als het ware zeggen: ‘Dank je, heerlijk fris, we hadden dorst’. Droogte veroorzaakt dorst. Dat geldt de grond, de aarde, maar dat geldt ons mensen ook. Er zijn ook geestelijk droge en dorstige harten. Mensen die zeggen: Heere, mijn ziel dorst naar U, in een land dor en mat zonder water (Psalm 63:2O God! Gij zijt mijn God! ik zoek U in den dageraad; mijn ziel dorst naar U; mijn vlees verlangt naar U, in een land, dor en mat, zonder water.). Ik roep tot U, uit het land van de Jordaan en Hermon. Ik hoor het water, ik weet dat het er is, maar ik kan mezelf niet bij. Mijn ziel schreeuwt naar het genot van de frisse waterstromen, mijn hart verlangt naar U, o God (Psalm 42:2-3Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God! Mijn ziel dorst naar God, naar den levenden God; wanneer zal ik ingaan, en voor Gods aangezicht verschijnen?). Zo kan het voor het eerst zijn in het hart, als de Heere daarin werkt: ‘Heere, mijn ziel versmacht van dorst, maar ik zie geen water’. Zo kan het ook zijn in het leven van Gods kinderen, na eerder gekregen genade: ‘Heere, waar bent U? Mijn ziel, mijn hart is zo onvruchtbaar en droog. Mijn ziel dorst naar U! Neem toch Uw Heilige Geest niet van mij (Psalm 51:13Verwerp mij niet van Uw aangezicht, en neem Uw Heiligen Geest niet van mij.)’. Er is maar één ding, dat het hart van zo’n geestelijk dorstig mens kan vervullen, het hart van zo iemand die hongert en dorst naar de gerechtigheid, naar de gerechtigheid van de Heere Jezus Christus. Waardoor het weer goed kan komen tussen God en zijn of haar hart. Eén ding: water! Want het zesde wat water doet is:
f. Water lest dorst. Als je je plantjes water gegeven hebt, dan zie je ze als het ware denken: ‘Dank je, zo is het goed, zo is het genoeg. Mijn dorst is nu weer even over’. Ik moet denken aan wat de Heere Jezus zegt in Johannes 4:14Maar zo wie gedronken zal hebben van het water, dat Ik hem geven zal, dien zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven.: Maar zo wie gedronken zal hebben van het water, dat
Ik hem geven zal, die zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven.
Het is Pinksteren (geweest). God zelf geve u, mensen, die zo dorst naar God, naar de levende God, de vervulling van deze belofte. Zodat u het voor eigen hart en leven mag geloven en ervaren: Want Ik zal water gieten op de dorstigen, en stromen op het droge; Ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten, en Mijn zegen op uw nakomelingen.
Geen druppels, maar stromen. Als een stroom, niet van een gietertje, maar als van een bruisende rivier: overvloedig en blijvend. Waardoor de woestijn gaat bloeien als een roos. Het volle hart stroomt ervan over.
Eerst was er een stroom van ongerechtigheden, toen was er in het hart een stroom van tranen van verdriet over de zonden, van droefheid naar God, en nu zingen we met Psalm 65 over een overstromende Godsrivier. We zingen Psalm 65 vers 2 en 7:
Een stroom van ongerechtigheden Had d' overhand op mij; Maar ons weerspannig overtreden Verzoent en zuivert Gij. Welzalig, dien Gij hebt verkoren, Dien G' uit al 't aards gedruis Doet naderen en Uw heilstem horen, Ja, wonen in Uw huis.
De Godsrivier doet G' overvloeien, En op 't bereide land, Het nuttig koren welig groeien; Uw Goddelijke hand Maakt d' opgeploegde voren dronken, Tot uit de weke kluit, Waar 't droppelend nat is ingezonken, Gezegend voedsel spruit.
Gemeente, tegen drie soorten van mensen wil ik graag iets zeggen. Hoewel, misschien worden het er uiteindelijk maar twee…
1. In de eerste plaats: Er zijn mensen die geestelijk zo droog zijn als de woestijn. Je kan ze vergelijken, jongens en meisjes, met een moestuintje van Albert Heijn of met een droog potje grond, dat nooit water heeft gezien. Als het zo blijft, dan blijft het niet alleen zo droog, maar ook zo onvruchtbaar! Nee, dat ligt niet aan de zaadjes die gestrooid zijn, dat ligt aan die droge, dode grond. Aan die droge en dode grond, die je kan zien als je kijkt naar de grond, naar de bodem van je eigen hart.
Want, bid je weleens in het verborgen? Is er in je hart behoefte om het Woord van de Heere te lezen en te horen? Verlang je daarnaar? Zie je uit naar de zegen van de Heere? Hebt u de Heere lief, meer dan alles van deze wereld? Zucht uw hart naar vergeving en verzoening met God? Hebt u Christus lief? Nee? Dan is jouw hart, dan is uw hart dor en droog en dood. Weet u, dat u dan hoort bij de mensen die de zegen van Pinksteren het meest nodig hebben? Jij, u moet hier het meest om bidden, het meest naar vragen, het meest om zuchten, om roepen: ‘Heere, water! Heere, geef me toch Uw Heilige Geest en Zijn werk in mijn hart?’
‘2’. Er zijn in de tweede plaats ook mensen bij wie het even anders leek te worden of lijkt te worden. Ik moet een beetje denken aan mijn eigen moestuintje, aan mijn eigen potje wat in de vensterbank staat van mijn studeerkamer. Ik ben geen goede tuinman. Eén keer heb ik de grond heel nat gemaakt, even leek de grond week te worden, maar sindsdien is de grond harder en droger dan dat hij ooit geweest is. Zo zijn er mensen, die door het werk, door het algemene werk van de Heilige Geest soms even onrustig zijn. Hun hart lijkt zachter geworden. Het woord raakt hen. U voelt het: ik ben op weg naar de eeuwigheid…
Sommigen van u zijn ontwaakt. Lieve mensen, nooit is uw toestand gevaarlijker geweest dan nu! Want daar is het gevaar dat u gaat rusten. Het gevaar dat u tevreden bent en blijft met wat indrukken. U dankt de Heere. Zo zal het goedkomen, denkt u. U bent tevreden met de eerste druppel water, die ondertussen allang verdampt is. Maar het heeft helemaal niet geleid tot leven en vruchtbaarheid. O, als uw ziel wakker geschud is, maak dan toch ernstig werk van het werk van uw zaligheid. Want als de grond van uw hart verder indroogt, zal die harder geworden dan ooit tevoren. Buig toch uw knieën en de roep toch in het verborgen tot God om genade, om een stroom van water, om een stroom van zegen uit de hemel. Voordat u weer wegzakt in rust, in slaap en droogte. Even levenloos als voorheen. Droger dan de woestijn en harder dan u ooit geweest bent. Uw hoort, vergis en bedrieg uzelf toch niet, u hoort eigenlijk nog steeds bij die eerste groep van mensen. Eigenlijk zijn het dus maar twee soorten van mensen. Dit is de tweede soort:
2. U, die werkelijk bedauwd bent met de dauw uit de hemel, u, op wie het water van de Heilige Geest gegoten is. Water maakte de droge aarde zacht, week en vruchtbaar. Het zaad van het Woord ontkiemde en kwam in u tot leven. En juist daardoor kwam er meer dorst naar water dan ooit tevoren. Want een beginnend plantje roept en schreeuwt om water, maar een groter geworden plant heeft nog veel meer water nodig. Uw ziel dorst, naar God, naar de levende God (Psalm 42:3). Uw hart roept uit tot God die leeft (Psalm 84:1Voor den opperzangmeester, op de Gittith; een psalm, voor de kinderen van Korach., ber.).
Juist voor u, zoekende en biddende mensen, dorstend naar het levende water, naar het werk van de Heilige Geest in uw hart (nee, zo zult u het misschien niet durven zeggen, maar zo zegt de Heere het, en zo staat het ook in vers 2: zo zegt de HEERE!) Juist voor u, ontrouw Jacob, Gods beminde Jeschurun, die Hij verkoren heeft. Juist voor u, volk van Israël, van wie in het vorige hoofdstuk gezegd wordt: U hebt Mij niet aangeroepen, o Jakob! als u u tegen Mij vermoeid hebt, o Israël! U hebt Mij arbeid gemaakt, met uw zonden, u hebt Mij vermoeid met uw ongerechtigheden (43:22-24). Juist voor u geldt deze vervulde pinksterbelofte: Ik zal het doen! Ik zal water gieten op de dorstigen, en stromen op het droge; Ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten, en Mijn zegen op uw nakomelingen
Een belofte met een troostvolle verborgenheid ook. Ook al lijkt het er in de verste verte niet op, maar toch zegt de Heere het: Ik giet water op u, en Ik zal (als de trouwe God van het verbond, HEERE met vijf hoofdletters) ook water gieten op uw nakomelingen. Ik moet denken aan wat de Heere zegt in Jesaja 54: Al uw kinderen zullen van de Heere geleerd zijn, en de vrede van uw kinderen zal groot zijn (54:13).
En toen, wat gebeurde er toen? En nu, wat gebeurt er dan? Als God dat doet? Nu God dat doet? Die vraag is ons derde aandachtspunt:
3. Wat gebeurde er toen? Wat gebeurt er dan nu? De Heere zegt in Jesaja 44: En zij zullen uitspruiten tussen in het gras, als de wilgen aan de waterbeken. Zeker, Jesaja zegt dit tegen Jakob en tegen Israël. Ze zullen teruggebracht worden uit de ballingschap en delen in de overvloedige zegen van de Heere: Joden en Jodengenoten. Maar het perspectief is wijder. Hier is de belofte van het heil, ook voor de heidenen. En dat begint, dat is begonnen met Pinksteren. Het droge, dorstige land komt het leven. De woestijn gaat bloeien als een roos (Jesaja 35:1De woestijn en de dorre plaatsen zullen hierover vrolijk zijn, en de wildernis zal zich verheugen, en zal bloeien als een roos.).
Wat wil dat zeggen? Wat gebeurt er dan? Water maakt de grond vruchtbaar, de zon schijnt erop, en dan ineens komt dat moestuintje tot leven, ineens lopen je sinaasappel pitjes uit. Water, uitgegoten uit de hemel, de Zon der gerechtigheid gaat stralen. Ineens wordt het gras groen, ineens schieten de bloemen omhoog. Ineens komt er leven in geestelijk dode, harde en droge harten. Voorheen zo droog, zo dor en zo hard. Denk maar aan Psalm 72. Er is een hand vol koren gestrooid op de hoogte van de bergen, op rotsachtige grond. Zo onvruchtbaar! Maar (het is Gods werk) nu is er vrucht, als op de Libanon. En die van de stad zullen bloeien als het kruid ter aarde (Psalm 72:16) Ineens schieten de wilgen uit de grond. Bomen die heel snel groeien, met takken die aan alle kanten uitspruiten.
Ineens, als de Geest een stroom van zegen uitgiet in het hart. Je ziet, op de Pinksterdag wat er dan gebeurt: a. Dan pas blijkt hoe hard en droog de grond van ons hart is. Als de Geest komt met het beschuldigende en veroordelende Woord, met het Woord van de Wet: u hebt gezondigd,
u bent een moordenaar van de Gekruisigde (Handelingen 2:36). Overtuigend van zonde. Dan worden de mannen op de Pinksterdag verslagen in het hart, dan gaan ze onderuit. Dan komt er leven! Wat is dat toch wonderlijk, wat is dat toch onbegrijpelijk, als God het doden tot leven gaat wekken! Als in die verslagen harten de roep geboren wordt: ‘Mannen broeders, wat moeten we doen?’ Ineens gaat het niet meer om de wereld, om eigen godsdienst, om de dingen van nu. Ineens gaat het om God, om het herstel van de verhouding met Hem. Biddeloze mensen worden bidders die gaan smeken om genade. Zondaars worden mensen die zich bekeren en gaan vragen om genade en vergeving. b. Maar dan (in de 2e plaats), als de Geest een stroom van zegen uitgiet, dan wordt dat voor die verwonde harten, voor die omgeploegde aarde, ook een stroom van troost, verkwikkend, zoals water het dorstige niet alleen week maakt, maar ook verkwikt. Verkwikt, omdat de Heilige Geest ook gaat wijzen op de weg tot ontkoming, die er is in Jezus Christus, de Gekruisigde, Die in deze wereld kwam om te zoeken en zalig te maken dat verloren was. Die in deze wereld kwam om vijanden met God te verzoenen. Hij, Die ik doorstoken heb!
Waar komt die stroom van de Geest eigenlijk vandaan? Waar is de bron van die bruisende Godsrivier? Die komt uit God! De stroom van dat levende water wordt voortgedreven, enerzijds door de veroordelende kracht van de rechtvaardigheid van God, die de zondaar ontdekt, verbrijzelt en brengt aan de voeten van de Heere, met hartelijk berouw en belijdenis van schuld. Anderzijds wordt die Godsrivier voortgedreven door de liefde en de genade van God, die de zondaar wijst en uiteindelijk brengt op de weg van genade. En dus gaan die veroordeelde en gebroken harten uitroepen: Heere, wat moeten we doen om zalig te worden? Ik buig, Heere, onder Uw veroordeling. En ik bid U, Heere, om Uw genade.
Gemeente, wat hebben ook wij deze overvloedige zegen van de Heere nodig. In ons kerkelijke leven. Voor een geestelijke opwekking in ons kerkelijke leven. Kinderen van God, laten we daarom bidden. Laten we niet egoïstisch tevreden zijn met de genade die we voor onszelf gekregen hebben. Er zijn nog zoveel ongeredde zielen onder ons, op weg naar de eeuwigheid. Laten we bidden of er door de stroom van de Geest meer leven, meer gerichtheid op God en de hemel zal komen, ook in ons gemeenteleven.
Wat hebben we die overvloedige zegen van de Heere nodig ook voor een hernieuwde liefde en ijver om het Evangelie van genade in deze wereld te verspreiden. Immers die bruisende Godsrivier van stromend water wil niet beperkt blijven, die wil verder stromen over deze wereld. Opdat, ook waar men ooit de wildste volken vond, God zal ontvangen aanbidding, eer en dankbare lofgezangen (Psalm 22:14Zij hebben hun mond tegen mij opgesperd, als een verscheurende en brullende leeuw., ber.).
Wat hebben we deze overvloedige zegen van de Heere nodig, ook en vooral in ons persoonlijke leven.
O, dode zielen, dor en droog, bid toch met grote ijver en ernst om water. Dat alleen zal het zaad van het Woord in uw hart laten ontkiemen. Lieve mensen, uw toestand is niet hopeloos. Er is, ook voor u, een weg. Bij God vandaan geopend. Bid toch, zonder ophouden: Laat toch van die stromen vallen, ook op mij.
Naar God dorstende zielen, schep moed. Wat zeg ik? Schep water met vreugde uit de fonteinen des heils (Jesaja 12:3En gijlieden zult water scheppen met vreugde uit de fonteinen des heils;). Want er is, dat is de zegen van Pinksteren, een overvloed van genade en zegen in Christus, nu uitgestort door de Heilige Geest. Voor U, o Jakob, voor u, o beminde Jeschurun! Kom en drink van de wateren des levens om niet. Het komt niet uit ons. Er komt niets uit ons. Het komt allemaal uit God! Wie in Christus is en blijft, drinkend van dat levende water, die leeft en die draagt veel vrucht (Johannes 15:5Ik ben de Wijnstok, en gij de ranken; die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt gij niets doen.).
Het was de belofte. En de belofte is vervuld. Dus gaan we zingend en biddend onze weg: Stort op ons en stort ook op hen (dichtbij en ver weg!) een milde regen, en regen die ons overdekt, verkwikt en ons tot zegen strekt (Psalm 84:3, ber.).
Amen.
Slotzang Psalm 84:3:
Welzalig hij, die al zijn kracht En hulp alleen van U verwacht, Die kiest de welgebaande wegen; Steekt hen de hete middagzon In 't moerbeidal, Gij zijt hun bron, En stort op hen een milde regen, Een regen, die hen overdekt, Verkwikt, en hun tot zegen strekt.
Andere preken over Jesaja
Andere preken voor Pinksteren
Andere gerelateerde preken