PREEK · KERKELIJK JAAR

Zoek de dingen die boven zijn - Kolossenzen 3

Weeszondag - 11 april 2021

Kolossenzen 3:1-2: Indien u dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods. Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn.

INLEIDING

Ware heiligmaking is geen zelfverbetering, zoals dwaalleraars in Kolosse leerden, maar kent drie tijden. Verleden: de gelovige is gestorven aan de wereld en de zonde. Heden: zijn leven ligt met Christus verborgen in God — verwacht alles van Hem, zoek de dingen die boven zijn. Toekomst: wanneer Christus verschijnt in heerlijkheid, zal ook dit verborgen leven openbaar worden. Zo leeft een kind van God met de voeten op aarde, maar het hart in de hemel, gericht op zijn ware Thuis.

THEMA

Hemelgericht leven

KERNPUNTEN

  1. Ware heiligmaking, een hemelgericht leven kent een verleden tijd.
  2. Ware heiligmaking, een hemelgericht leven kent een heden.
  3. Ware heiligmaking, een hemelgericht leven kent een toekomst

KOLOSSENZEN 3:1-7

1 Indien u dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods.
2 Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn.
3 Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God.
4 Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons Leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.
5 Doodt dan uw leden die op de aarde zijn, namelijk hoererij, onreinheid, schandelijke beweging, kwade begeerlijkheid, en de gierigheid, welke is afgodendienst;
6 Om welke de toorn Gods komt over de kinderen der ongehoorzaamheid;
7 In dewelke ook gij eertijds hebt gewandeld, toen gij in dezelve leefdet.

VOLLEDIGE TEKST

Zoek de dingen die boven zijn - Kolossenzen 3

ds. J. IJsselstein - Kolossenzen 3:1-2

THEMA

Hemelgericht leven

Stel, jongens en meisjes, dat je vroeger in de stad Kolosse (we hebben een stukje gelezen uit de brief van Paulus aan de gemeente van Kolosse), stel dat je in die stad Kolosse op de markt een kind van de Heere was tegengekomen. En je had hem gevraagd: ‘Meneer, waar woont u?’ Dan had hij vast gezegd: ‘Kind, ik woon hier, in Kolosse. Deze prachtige stad, dat is mijn thuis. Hoewel, jongen, wat bedoel je eigenlijk, precies…? Want dit is wel mijn thuis, hier woon ik wel en ik heb het hier in de stad goed naar mijn zin, maar aan de andere kant, ik voel me hier niet thuis... Ik voel me hier zo vaak een vreemdeling. Mijn echte thuis, lieve jongen, is ergens anders.’ ‘Waar dan, meneer?’ ‘Daar, in de hemel. Het echte leven, lieven, loven is waar men Jezus ziet. Hij, mijn Heere en Zaligmaker is opgevaren naar de hemel. Hij is daar! En ik verlang er zo vaak naar om bij Hem te zijn. Ik zie zo uit naar de dag van Zijn terugkomst.’ ‘Vroeger, jongen, was dat anders. Vroeger toen leefde ik (zoals de Bijbel dat noemt) als een heiden. Maar op een gegeven moment, op Gods tijd, is vanuit Efeze hier in de stad Kolosse het Evangelie gekomen. En toen is er een wonder gebeurd. Voorheen leefde ik in duisternis (1:13), voorheen was ik vervreemd van God, ik was een vijand door het verstand in boze werken, dat wil zeggen door mijn zonden (1:21). Ik was gebonden door de macht van de duisternis. Maar toen is er iets, toen is er veel, toen is alles in mijn leven veranderd. De Heilige Geest heeft dat Woord gezegend. En daardoor ben ik tot bekering en geloof gekomen. Ik heb van de Heere een nieuw hart en een nieuw leven gekregen. Ik ben, jongen, verlost door het bloed van Christus (Kolossenzen 1:14).’

Zo was het inderdaad gegaan in de gemeente van Kolosse. Kolosse was een stad in Turkije. Zo’n 175 km ten oosten van Efeze. De stad lag in de provincie Frygië. Je hoort voor het eerst in Handelingen 2 van mensen uit die provincie Frygië. Als de bezoekers van de Pinksterdag worden opgenoemd, dan zijn daar ook mensen bij uit Frygië en Pamfylië (Handelingen 2:10). Paulus is ooit op zijn zendingsreis langs Kolosse gekomen, maar de Heilige Geest had hem geen toestemming gegeven om daar het Woord van het Evangelie te brengen (Handelingen 16:6). Dat betekent dus dat de meeste mensen in de gemeente van Kolosse Paulus waarschijnlijk nooit persoonlijk hebben ontmoet.

Voorheen waren de meeste mensen uit de gemeente van Kolosse heidenen. Dat wil zeggen: mensen die het Woord van God niet kenden, die niet wisten van God en van de Heere Jezus. Voorheen waren de meeste mensen uit de gemeente heidenen, maar vanuit Efeze is het Evangelie ook in Kolosse gekomen, waarschijnlijk door het werk van Epafras. Maar, zoals het nu ook nog steeds zo is, zo was het toen ook. De jonge christenen in de gemeente hadden het Woord van God met blijdschap ontvangen. Ze hadden gebroken met de wereld en met de zonde. Maar toen kwam er strijd. En toen bleken de jonge christenen nog niet vast te staan in het Woord. En dus werden ze gemakkelijk een prooi van de duivel.

Want zij dachten waarschijnlijk, en de mensen om hen heen zeiden waarschijnlijk: nu is God wel in je leven gekomen, maar het moet natuurlijk wel verder. Je moet beter, je moet volmaakt worden! Je moet komen tot volheid. En daar moet je jezelf wel een handje bij helpen. Door? Nou, dan komen al die dwalingen: door filosofieën, door theorieën, door overleveringen, door ideeën van mensen (2:8), door nieuwe regels te maken van oude, ceremoniële wetten (2:17, 21), door proberen door te dringen tot geheimenissen, tot mysteries (2:18), door een leven van onthouding van eten en drinken, door een heel ascetisch leven (2:21), en ga zo maar door. Hoe dan ook, doe je best! Dan ga je vooruit! Zoek verbetering in jezelf! Doe je best ervoor! Dan kom je tot de volmaaktheid! Verleiders, dwaallichten waren het, die de jonge christenen in de gemeente van Kolosse drongen tot (wat Paulus noemt) schijn en eigenwillige, eigenwijze godsdienst (2:23).

Daartegenover zet Paulus iets anders. Het leven van een kind van God ziet er, als het goed is, anders uit. Maar het is geen leven van werk-heiligheid, van verbetering die je zelf presteert, die je zelf werkt (vandaar dat wordt werk-heiligheid), het is geen leven waar je zelf iets mee verdient. Maar, het is wel een leven in heiligheid. En het is een leven gericht op de hemel.

Dat is ook het thema voor de preek van vanmorgen: Leven in echte, in ware heiligmaking. Of (zo zou ik het ook kunnen zeggen): Hemelgericht leven De tekst kunt u vinden in de brief van Paulus aan de gemeente van Kolosse, Kolossenzen 3, daarvan de verzen 3 en 4. In Kolossenzen 3:3-4 staat het woord van de Heere als volgt geschreven: Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God. Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.

Als u goed kijkt in deze tekst, dan ziet u daarin drie tijden, drie werkwoordstijden. U bent gestorven. Dat is verleden tijd. Uw leven is verborgen. Dat is tegenwoordige tijd. En u zult geopenbaard worden. Dat is toekomstige tijd.

Dus dat leven in heiligmaking, dat hemelgerichte leven, dat kent drie tijden. En dat zijn ook de drie punten van de preek: 1. Verleden 2. Heden 3. Toekomst Als eerste dus:

1. Ware heiligmaking, een hemelgericht leven kent een verleden tijd.

Want Paulus zegt: U bent gestorven. Dat is verleden tijd. Als je terugdenkt aan vroeger, jongens en meisjes, en ik zeg tegen je: Hoe leefde jij vroeger? Dan zeg je: ‘Gewoon, net als nu. Want ik ging altijd al naar de kerk, ik ben altijd al christelijk geweest.’ Als ik dat gevraagd zou hebben aan iemand uit de gemeente van Kolosse, dan zou die gezegd hebben: ‘Vroeger? Vroeger, toen was ik niet christelijk. Vroeger was ik (zo noemt de Bijbel dat) heiden. Ik kende de God van hemel en aarde niet. Ik diende andere goden, ik diende afgoden. En ik leefde vooral voor nu, voor het geluk van deze tijd, voor het genieten van iedere dag. Maar ik was zonder God en dus zonder hoop.’

Je zegt: ‘Dat is echt een wereld van verschil met ons!’ Ja, dat klopt. Maar, niet te snel… Want op een bepaalde manier waren die heidense mensen in Kolosse hetzelfde als dat wij zijn. Aan de buitenkant wel verschillend, maar van binnen…?

Je ziet dat ook (het is een nare gedachte, maar denk toch maar even mee) als je op een begraafplaats loopt. Misschien heb je dat weleens gedaan. Daar zijn van die oude graven, die helemaal stuk zijn, die soms zelfs een beetje in elkaar gezakt zijn. Je zegt: ‘Kijk, mam, dat is erg, dat ziet er naar uit…’ Maar er zijn ook, zeker als je iets verder loopt naar het nieuwe deel van de begraafplaats, er zijn ook hele mooie graven, met hele mooie stenen, met glimmend glas, met mooie foto’s, met bloemen. Je zegt: ‘Kijk, mam, die zijn veel mooier...’ Ja, zo lijkt het aan de buitenkant. Maar, daaronder, daarachter ligt ook iemand die gestorven is. De buitenkant lijkt anders, maar eigenlijk is er geen verschil. Achter jou, achter uw, achter mijn gezicht zit (van nature, dat wil zeggen zoals we geboren zijn) hetzelfde hart, als dat van de mensen in Kolosse.

Wat was dat voor hart, wat is dat voor hart bij ons? Paulus zegt in deze zelfde brief, in Kolossenzen 2:13: U was dood in de misdaden. Dus, je mag, je moet inderdaad echt denken aan een graf, aan een begraafplaats.

Levend was Adam geschapen! En Eva leefde! En ze leefden samen met God, ze leefden samen voor God. God was alles in hun hart en voor hun leven! Maar Adam brak met God. En toen kwam niet alleen de dood, zoals je die misschien wel gezien hebt bij het sterven van opa of oma of op een begraafplaats, maar toen kwam ook de dood in ons hart. Wat we noemen dat de geestelijke dood.

Dat wil zeggen: er is in ons hart geen band meer met God, daar klopt bij ons van binnen geen hart meer, daar is geen liefde meer, daar is niets meer voor God, daar is alles dood.

Maar niet zo stil als op de begraafplaats. Want ons hart is niet zo stil. Paulus noemt ons hart vijandig (1:21). Jongens en meisjes, denk daar nu, vandaag, en in de komende week eens over na. Over dat hart van je. Daar zit het probleem! Zoals je geboren bent (of je in de kerk zit, of heiden bent zoals de mensen in Kolosse dat waren), je hart is door al het slechte van Adam en door alle zonden van onszelf dood, slecht en vijandig.

Er is een wonder nodig, er is een almachtige kracht van God nodig, om je dode hart op te wekken tot leven, om je dode hart levend te maken. Daar bid je om, jongens en meisjes, als je vraagt om een nieuw hart. Dan zeg je eigenlijk, en zo mag je het ook zeggen: Heere, mijn oude hart is slecht, stout, zondig, ja, zelfs geestelijk dood. Geeft U me toch alstublieft een nieuw hart, een levend hart?

Zo was het ook gegaan bij de mensen in de gemeente van Kolosse. Vroeger waren ze dood in hun hart, zondig en vijandig. En toen… Wat gebeurde er toen? Toen het Evangelie uit Efeze ook in Kolosse kwam? Je zegt: ‘Toen is dat oude hart, toen is die oude mens, die geestelijk dood was, door de Heere opgewekt uit de dood. Toen heeft de Heere dat dode hart van die mensen (die nu kinderen van God zijn) levend gemaakt.’ Ja, ik snap wel dat je dat zo zegt en het klopt ook, maar Paulus zegt het hier (heel opvallend) iets anders. Hij zegt: Toen bent u gestorven.

U leefde voor uzelf, voor de wereld, voor de dingen van nu. Maar dat oude leven is nu voorbijgegaan. Dat oude leven is gestorven. U hebt het leven in de wereld de rug toegekeerd. Uw leven ligt niet meer hier. Niet dat alles van hier verkeerd is. U bent bijvoorbeeld getrouwd. Dat is een zegen. Maar toch is uw schat niet meer hier op de aarde. En u bent blij, u koopt, u bezit, maar u weet dat alles van hier voorbij gaat, dat alles van hier maar voor even is. U bent gestorven aan het leven voor nu. Uw hart is waar uw schat is, niet hier, maar boven (1 Korinthe 7:29-31)! En dus (dat is de andere kant van de medaille) doet het leven van nu u ook minder pijn. Het is anders geworden. Het is allemaal anders geworden. Uw hart gaat nu uit naar andere dingen. U bent gestorven.

Gemeente, zeg eens eerlijk: Bent u gestorven aan de wereld, bent u gestorven aan de zonde? Heel veel mensen proberen te geloven in en te hopen op een soort van geestelijke tussentoestand. ‘Nee, zeggen ze, ik ben niet bekeerd, maar…’ en dan komt er van alles en nog wat aan moois.

Maar het is eenvoudiger, het is scherper. Het is één van twee. U bent nog steeds geestelijk dood zoals u was, of u bent levend gemaakt. En dat kan je (met alle strijd en aanvechting die er in je leven kan zijn), dat kan je weten. Dat kan je hieraan weten: wie levend gemaakt is, zegt Paulus, die is gestorven aan de zonde. Dat wil zeggen: dat, dat leven in de zonde, dat genieten van de zonde, dat gericht zijn op de dingen van nu, dat gericht zijn op jezelf, dat is voorbij! Weg wereld, weg schatten! Er is maar één ding, wat mijn hart kan vervullen met verlangen, hoop en blijdschap, en dat is God, dat is Christus, mijn Liefste, mijn Alles. Gemeente, zeg eens eerlijk: Bent u gestorven aan de wereld, bent u gestorven aan de zonde?

De ware heiligmaking kent drie tijden. Een verleden tijd, dat hebben we zojuist gezien. Nu onze tweede gedachte:

2. Ware heiligmaking, een hemelgericht leven kent een heden.

Want, zo zegt Paulus in vers 3: U bent gestorven (dat is verleden tijd) en uw leven is (dat is tegenwoordige tijd) met Christus verborgen in God. Leven met Christus. Nooit los van Hem. Los van Hem is er geen leven. Je kan niet, je kan nooit leven op eigen kracht. Denk maar aan de wijnstok. Ingeënt zijn in de wijnstok, dat betekent dat je alleen maar kan leven van het water, van het voedsel, van het leven dat uit de wortel komt.

Hoe is dat begonnen? Wel, Paulus zegt in vers 1: Doordat u toen met Christus bent opgewekt. U was geestelijk dood. Maar God heeft u door en met Christus opgewekt uit de dood.

Je zegt: ‘Hoe kan je dat weten? Hoe is dat, hoe gaat dat dan?’ In vers 3 zegt Paulus: Als je opgewekt bent, dan leef je echt en dan is je leven met Christus verborgen in God.

Dan is je leven met Christus. Met Christus, dat wil zeggen: dan ben je aan Hem verbonden, één met Hem, zoals een ingeënt takje één is geworden met de wijnstok. Dan is Hij alles voor je geworden, omdat je zelf niets meer had. Dat zie je ook terug in deze brief. Paulus zegt op andere momenten: U bent met Hem gedoopt, u bent ondergegaan, u bent verdronken in Zijn dood, u bent met Hem begraven en opgewekt (vers 11-15). En op een andere plaats zegt Paulus: U bent met Hem gezet in de hemel (Efeze 2:6). Met andere woorden: U leeft in en met en door Hem.

Maar wat betekent dat dan? Dat betekent dat je dus je leven niet meer zoekt en niet meer moet zoeken in andere dingen buiten Hem. Denk niet dat je leven zult vinden in, dat je meer perfect zult worden door of dat je de volmaaktheid zult vinden in allerlei regeltjes, filosofieën, in allerlei vormen van onthouding en ascese.

Doe uit liefde Mijn geboden en weet dat uw leven in Mij ligt. In Mij, in Christus, ligt de oorsprong van uw nieuwe leven, het begin en de voeding ervan, de bewaring ervan, en ook de vervolmaking ervan, de heiligmaking, het ligt allemaal in Mij. Verwacht dus alles van Mij!

En Ik ben het, Christus, die u door Mijn opstanding en hemelvaart heb meegenomen naar God. Uw leven is met Mij verborgen, daar, in God! Dus, zegt Calvijn, zijn we buiten gevaar. Wat er ook gebeurt in ons leven, God zal ons bewaren (2 Timotheüs 1:12). En dat ‘zijn in Christus’ geeft ons, ook al kunnen we dat niet altijd zien, ook iets van een zekere hoop en van een vaste zekerheid (Romeinen 8:24). Die ligt niet in ons, maar die ligt in Hem, in Christus, bij God.

Als dat zo is, hoe moet je dan leven? Wat moet je dan verder doen? Eigenlijk is dat de verkeerde vraag. Je kan misschien beter vragen: Welk leven hoort daarbij? Immers, als je getrouwd bent, dan zeg je ook niet: Wat moet ik nu allemaal? Moet ik nu trouw zijn en houden van? Nee, je zegt: Trouw en liefde, dat hoort er echt helemaal bij.

Dit hoort bij een nieuw leven, in Christus, met God. Daar zie je dat leven in, daar herken je dat nieuwe leven aan. Aan drie dingen:

a. Als eerste: Het zoekt de dingen die boven zijn. Vandaar de oproep: Zoekt de dingen die boven zijn. Want daar is Hij, Christus. Daar is God. Wat zoek jij? Wat zoekt u? Wat domineert uw leven, uw denken, de besteding van uw tijd, de keuzes die u maakt, de beslissingen die u neemt? Is het alleen maar eten, drinken, geld, kleding en dat soort zaken? De Heere Jezus zei: ‘Die dingen? Die zoeken de heidenen’ (Matth. 6:31-32). Maar een nieuw hart, een nieuw leven zoekt de dingen die boven zijn. Het heeft voeten op de aarde, maar een hart in de hemel. Alsof daar een onzichtbare magneet is, die het hart daarnaar toe trekt.

Het nieuwe leven zoekt God. U zoekt mijn hart! Wie heb ik nevens U omhoog? Ik zoek Hem die mijn ziel liefheeft. Het nieuwe leven zoekt het bezig zijn met de dingen van de hemel. Het nieuwe leven vermaakt zich met hemelse dingen, zoekt het hemelse. Het nieuwe leven zoekt niet wat het mijne is, maar wat het Zijne is: de eer van God, de eer van Christus. Ds. McCheyne zegt: Sommige mensen praten als christen, maar doen niets voor Christus. O, hoe komt dit? Dat komt omdat u de Geest van Christus niet ontvangen hebt. Als Gods Geest in u zou wonen, denkt u werkelijk dat u dan alleen uw eigen dingen zou zoeken? Zou een engel zijn tijd doorbrengen met niets doen of met een leven van slaafse arbeid alleen voor zichzelf, zoals velen van u doen?

b. Het eerste waar je nieuw leven aan herkent, is: het zoekt de dingen die boven zijn. Het tweede waar je nieuw leven aan herkent, is dit: het is een leven met Christus.

Gemeente, spiegel uw eigen leven daaraan: Is het leven u Christus (Filippenzen 1:21)? Is uw leven een leven met Christus? De rest lijkt allemaal mooi, maar het is niet mooi meegenomen, het is zelfs van geen enkele waarde voor nu en straks. Dit hebt u onmisbaar nodig, voordat u sterven moet: Niet alleen een godzalig en vredig sterven, maar een leven(!) met en door Christus. Hij alleen is uw Leven geworden en u verwacht alles van Hem. Omdat alle verwachting van uzelf gebroken is. En u niets meer van uzelf verwacht. c. Dit is het derde waar je nieuw leven aan herkent: het is een verborgen leven. In vers 3 staat: het is een leven met Christus verborgen in God. Verborgen, opgeborgen in Hem. Al voor de tijden der eeuwen: van eeuwigheid verkoren in Hem en sindsdien veilig en bewaard. Door het verborgen werk van de Heilige Geest één plant geworden met Hem, nauw aan Hem verbonden. En sindsdien verborgen en geborgen in Hem. Verborgen, want wij zien Hem niet, Christus, maar hebben Hem wel lief (1 Petrus 1:8). En voor de mensen om ons heen is het voor een deel ook verborgen, als we in stilte bidden, denken, mediteren en God zoeken. Dat is een deel van ons leven wat anderen niet altijd direct aan ons kunnen zien en merken.

Hoe netjes ons leven eruitziet, voor het oog, dat ziet iedereen. Maar, zeg eens eerlijk: Kent u een verborgen leven van gebed? Kent u een verborgen leven, met Christus verborgen in God? Vraag uzelf dat zingend ernstig af, als we nu samen gaan zingen uit Psalm 25, het zevende vers:

Gods verborgen omgang vinden Zielen, waar Zijn vrees in woont; 't Heilgeheim wordt aan Zijn vrinden, Naar Zijn vreêverbond, getoond. d' Ogen houdt mijn stil gemoed Opwaarts, om op God te letten; Hij, die trouw is, zal mijn voet Voeren uit der bozen netten.

Gemeente, bent u gestorven aan de wereld? Bent u levend gemaakt, bent u opgewekt uit uw geestelijke dood? Bent u gebracht tot een nieuw leven, dood voor de wereld, levend voor God en gericht op Hem? Meer denkend aan de dingen van de andere wereld, dan aan de dingen van de tegenwoordige wereld? Kent u iets van dat leven? Het grote gevaar is, dat u nu in uw hart gaat zeggen: ‘Nee, maar…’ En dan komt er iets. ‘Maar, ik kan er ook niets aan doen.’ Of: ‘Maar, ik doe mijn best en ik ben toch netjes?’

Stop! Zeg eens eerlijk: Is het nu ja, of is het nee? Als het nee is, als u nee moet zeggen, luister dan. Dan komt de Heere vanmorgen in alle vriendelijkheid naar u toe en zegt: Hoor dode, Mijn stem! Luister toch naar Mij!

Neigt uw oor, en komt tot Mij, hoort en uw ziel zal leven (Jesaja 55:3). Het woord van het Evangelie is scherp, maar niet met het doel om u te veroordelen en weg te doen. Het veroordeelt u opdat u komen zou. Het steekt, maar niet met het doel om u te doden, maar juist om levend te maken, opdat u komen zou met smeking en geween. Ga toch niet door op de weg van de zonde, op de weg van uw vertrouwen op uiterlijke vroomheid. Maar verlaat de slechtigheden, en bekeer u tot de Heere, en buig en belijd uw dood, uw misdaden en uw vijandschap.

Bent u levend gemaakt? Leeft u een nieuw leven door de opwekking met Christus uit de dood? Een nieuw leven, verborgen met Christus in God? Nee, ik vraag niet, Paulus vraagt niet naar volmaaktheid in u. Dat deden en dat doen de dwaalleraars. Maar hij wijst naar boven. De volmaaktheid ligt daar, in Christus, bij God! En er is maar één weg om te wandelen met God. Dat is de weg van: uit Hem ontvangen, wat ik niet heb.

Bent u levend gemaakt? Als u ‘ja’ mag zeggen op die vraag, dan zeg ik, dan zegt Paulus: Oog en hart omhoog! Matthew Henry zegt: We moeten de hemel tot ons deel maken, we moeten zoeken de gunst van God die boven is. Ik citeer: onze beste Vriend, ons Hoofd, is daar verheven tot de hoogste waardigheid en eer in de hemel en is vooruitgegaan om ons de hemelse gelukzaligheid te verzekeren; en daarom moeten wij zoeken (…) wat Hij ons tot zo’n dure prijs gekocht heeft, en waarvoor Hij zoveel zorg draagt. We moeten een beter vaderland zoeken, we moeten het hemelse vaderland zoeken (Romeinen 8:6, Hebreeën 11:14,16) en niet de dingen die van de wereld zijn.

Dat de kerk er zo beroerd uitziet, dat de wereld om ons heen wegsterft en dat wij zo gerust leven voor onszelf, dat ligt niet aan God. Dat ligt niet aan de onbekeerden. Dat ligt niet aan de duivel. Dat ligt in de eerste plaats aan ons, die de Heere mogen dienen en vrezen. Want (ik zeg het ook tegen mezelf) wie door Christus met God leeft, die ruikt naar leven, naar het hemelleven, die verspreidt licht, die is een zoutend zout dat voor bederf bewaart en die trekt als een magneet, magnetisch geworden door die hemelse magneet, ook anderen aan tot de goede dienst van God.

Kinderen van God, wees ondertussen getroost. Er is in ons leven veel verdriet om wie we zijn. We zuchten zo vaak om onze zonden, om ons gebrek aan liefde, om onze lauwheid en biddeloosheid, om ons verlaten en dwalen. We klagen zo vaak met de dichter: Hoe kleeft mijn ziel aan 't stof! Ai, zie mijn nood. Herstel mij, doe mij naar Uw woord herleven (Psalm 119:13, ber.). We zuchten met Paulus: Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? (Romeinen 7:24) Maar is er in dat zuchten en klagen ook niet altijd iets van wat we samen zongen: d' Ogen houdt mijn stil gemoed, opwaarts, om op God te letten. Hij, die trouw is, zal mijn voet, voeren uit der bozen netten.

Want het ligt vast in God. Meegenomen naar de hemel, vanwege de liefde van Christus, met Hem verborgen in God. Daarom zegt Paulus niet alleen ‘Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?’, maar hij voegt er ook aan toe: Ik dank God, door Jezus Christus, onze Heere (Romeinen 7:25).

Leven, door genade, met en in en door Christus. Die zei: ‘Nee, Vader, Ik ga niet alleen. Ik neem ze mee, die U Mij gegeven hebt. Opdat Wij één zijn. U hebt ze aan Mij gegeven, van voor de grondlegging der wereld. Maar nu, nu Ik opgestaan ben, nu kan Ik niet zonder hen heengaan. Zonder hen ben Ik niet compleet.’ Zo heeft Christus door Zijn opstanding en hemelvaart Zijn kinderen meegenomen naar God in de hemel. Christus heeft Zijn kinderen teruggebracht bij God. En daarom ligt ons leven, daarom ligt onze toekomst vast in Hem.

Kort daarover nog iets in ons derde en laatste punt. Echte heiligmaking (en dat is Gods werk!) kent drie tijden.

3. Ware heiligmaking, een hemelgericht leven kent een toekomst

Immers Paulus zegt in vers 4: Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.

De dag komt, dat Christus zal terugkomen op de wolken des hemels, geopenbaard, gezien in heerlijkheid. Lieve mensen, dat zal voor velen van u tot een grote schrik zijn. Als onze Heere en Zaligmaker komt op de wolken, met vele miljoenen van Zijn engelen. Hij zal tot u, die onbekeerd bent, zeggen: Gaat weg van Mij. Nu zegt Hij nog: Kom! Haast u en spoed u toch omwille van uw leven. Want de dag van genade gaat als kaf voorbij.

Waarom zien Gods kinderen uit naar die dag? En waarom zegt Paulus dat hier? Omdat die dwaalleraars zeggen: Die volmaaktheid, daar moet je zelf voor zorgen, daar moet je hier zelf je best voor doen. Maar Paulus (hij heeft eigenlijk twee antwoorden) zegt: Onze volmaaktheid ligt in de hemel, in Christus. Dat is het eerste. En het tweede wat hij daaraan toevoegt is: Die volmaaktheid, die komt! Als Hij, als Christus komt, springend over de bergen en huppelend over de heuvelen (Hooglied 2:8). Als we Hem (Die we niet gezien hebben en toch liefhebben) zullen zien, onze oudste Broeder, die Zich niet voor ons heeft geschaamd (Hebreeën 2:11).

Hoe dat zal zijn, weten we niet. Maar we weten het ook wel. Want Johannes schrijft: Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is (1 Johannes 3:2).

Hier bedrukt met tranen gezaaid, zoveel last gehad van moeite en zorg, van een kruis dat we moesten dragen, van de aanvechting van de duivel, van vertwijfeling, maar vooral zoveel last gehad van onszelf. En dan: verlost! Van de zonde, van onszelf! Dan zal dat verborgen leven aan het licht treden. Dat verborgen leven, met Hem en door Hem. Wat een heerlijke toekomst!

Hij zal geopenbaard worden in heerlijkheid, in eer, glorie en majesteit. Schrik daarvoor, goddelozen! Verblijd u daarin, u die de Heere vreest. Want u zult Hem volgen in die heerlijkheid. Laat ons aardse leven, kinderen van God, staan in het perspectief van die toekomst. En (zo vraagt Matthew Henry), zullen wij ondertussen (levend met onze voeten op de aarde, met ons hart in de hemel) uitzien naar die gelukzaligheid, en toch niet onze liefde geven aan die wereld en dat leven, die daarboven zijn? Wat is hier, dat ons gelukkig maken kan? Wat is daar, dat niet onze harten tot zich trekken kan? Ons Hoofd is daar, ons thuis is daar, onze schat is daar, en wij hopen eeuwig daar te zijn!

Amen.

Slotzang Psalm 87:5:

Dan wordt mijn naam met lofgejuich geprezen; Dan zullen daar de blijde zangers staan, De speelliên op de harp en cimbel slaan, En binnen u al mijn fonteinen wezen.