Hemelvaart, Weeszondag - 29 mei 2022
Hebreeën 4:16: Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden om geholpen te worden te bekwamer tijd.
INLEIDING
Deze leespreek over Hebreeën 4:14-16 belijdt Christus als de altijd blijvende Koning en Hogepriester. Hij is door de hemelen doorgegaan als de Zoon van God, groter dan alle aardse hogepriesters, en blijft Zijn kerk nabij. Als medelijdende Hogepriester heeft Hij, Zelf in alles verzocht doch zonder zonde, mededogen met onze zwakheden. Daarom mogen gelovigen met vrijmoedigheid, eerbiedig en biddend, toegaan tot de genadetroon in de hemel, waar geen oordeel maar genade heerst. Wie zo komt, ontvangt barmhartigheid en hulp op Gods tijd; wie wegblijft, ontmoet straks niet de genadetroon, maar de rechterstoel.
De altijd blijvende Koning en Hogepriester
HEBREEËN 4:11-16
11 Laat ons dan ons benaarstigen om in die rust in te gaan, opdat niet iemand in datzelve voorbeeld der ongelovigheid valle.
12 Want het Woord Gods is levend en krachtig, en scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard, en gaat door tot de verdeling der ziel en des geestes, en der samenvoegselen en des mergs, en is een oordeler der gedachten en der overleggingen des harten;
13 En er is geen schepsel onzichtbaar voor Hem; maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen Desgenen met Welken wij te doen hebben.
14 Dewijl wij dan een groten Hogepriester hebben, Die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, den Zone Gods, zo laat ons deze belijdenis vasthouden.
15 Want wij hebben geen Hogepriester Die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen gelijk als wij is verzocht geweest, doch zonder zonde.
16 Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden om geholpen te worden te bekwamer tijd.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Hebreeën 4:16
THEMA
De altijd blijvende Koning en Hogepriester
AANDACHTSPUNTEN
De discipelen hebben Hem nagekeken, op het moment van Zijn hemelvaart. Lukas schrijft: En Hij, Jezus, leidde hen buiten tot aan Bethanië, en Zijn handen opheffende, zegende Hij hen. En het geschiedde als Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde, en werd opgenomen in de hemel (Luk. 24:50-51En Hij leidde hen buiten tot aan Bethanië, en Zijn handen opheffende, zegende Hij hen. En het geschiedde, als Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde, en werd opgenomen in den hemel.). En toen bleven ze alleen achter. Verdrietig om Zijn heengaan…? Want: Hun Meester, de Heere Jezus was weg…? ‘We hadden Hem, maar nu hebben we Hem niet meer…?’
Nee. Lukas schrijft verder: En zij aanbaden Hem, Die nu in de hemel was, en keerden weder naar Jeruzalem met grote blijdschap! (Luk. 24:52)
Want? Want de discipelen hadden geen Meester, maar ze hebben (ook na de hemelvaart van de Heere Jezus) een blijvende Heere in de hemel. Dat lezen ook in de tekst voor de preek van vanmorgen, in Hebreeën 4:14-16Dewijl wij dan een groten Hogepriester hebben, Die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, den Zoon van God, zo laat ons deze belijdenis vasthouden. Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde. Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd.. In Hebreeën 4:14-16, waar we Gods Woord als volgt lezen: Dewijl wij dan een grote Hogepriester hebben (niet hadden, maar hebben!), Die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, de Zoon van God, zo laat ons deze belijdenis vasthouden. Want wij hebben (niet hadden, maar hebben) geen Hogepriester Die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen gelijk als wij is verzocht geweest, doch zonder zonde. Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden om geholpen te worden te bekwamer tijd.
Het thema voor de preek van vanmorgen is: De altijd blijvende Koning en Hogepriester
We letten samen op drie aandachtspunten. In de eerste plaats op: Hij is door hemelen doorgegaan. Dat ziet u in vers 14. In de tweede plaats op: Hij heeft medelijden met onze zwakheden. Dat ziet u in vers 15. En in de derde plaats op: Hij geeft barmhartigheid en genade. Dat staat in vers 16.
Dus: De altijd blijvende Koning en Hogepriester. Drie aandachtspunten: 1. Hij is door hemelen doorgegaan 2. Hij heeft medelijden met onze zwakheden 3. Hij geeft barmhartigheid en genade Als eerste dus:
Immers, we lezen in vers 14: Dewijl wij dan een grote Hogepriester hebben Die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, de Zoon van God, zo laat ons deze belijdenis vasthouden.
Wij hebben een grote Hogepriester. Vroeger hadden we gewone hogepriesters, uit de lijn van Aäron. Gewone, sterfelijke mensen. Eén keer per jaar ging die hogepriester tot binnenin het heiligste deel van de tabernakel. Volledig uit het zicht van de mensen die buiten wachtten. Hij ging eerst het Heilige binnen. Maar daarna ging hij ook door het volgende gordijn, tot in het Heilige der Heilige. Even was hij daar, alleen voor God. Hij sprengde bloed op en voor het verzoendeksel (Lev 16:14-17En hij zal van het bloed van den var nemen, en zal met zijn vinger op het verzoendeksel oostwaarts sprengen; en voor het verzoendeksel zal hij zevenmaal met zijn vinger van dat bloed sprengen. Daarna zal hij den bok des zondoffers, die voor het volk zal zijn, slachten, en zal zijn bloed tot binnen in den voorhang dragen, en zal met zijn bloed doen, gelijk als hij met het bloed van den var gedaan heeft, en zal dat sprengen op het verzoendeksel, en voor het verzoendeksel. Zo zal hij voor het heilige, vanwege de onreinigheden der kinderen Israëls, en vanwege hun overtredingen, naar al hun zonden, verzoening doen; en alzo zal hij doen aan de tent der samenkomst, welke met hen woont in het midden hunner onreinigheden. En geen mens zal in de tent der samenkomst zijn, als hij zal ingaan, om in het heilige verzoening te doen, totdat hij zal uitkomen; alzo zal hij verzoening doen, voor zichzelven, en voor zijn huis, en voor de gehele gemeente van Israël.). Daar woonde God. Maar daarna ging hij weer naar buiten.
Maar die tijd is nu voorbij. Nu er Eén gekomen is, een grote Hogepriester, Die al die hogepriesters (van al die eeuwen) eindeloos ver overtreft: Wij hebben een grote Hogepriester Die door de hemelen doorgegaan is (vers 14). Dus niet door de gordijnen van de tabernakel, om daar binnen te gaan. Maar door de hemelen, om door die weg de hemel der hemelen binnen te gaan. De discipelen hebben het gezien. Hoe Hij door de wolkenhemel, door de door hemel van zon, maan en sterren is doorgegaan (Ps. 19:1Een psalm van David, voor den opperzangmeester.). Daarna zagen ze Hem niet meer (Hand. 1:9-10En als Hij dit gezegd had, werd Hij opgenomen, daar zij het zagen, en een wolk nam Hem weg van hun ogen. En alzo zij hun ogen naar den hemel hielden, terwijl Hij heenvoer, ziet, twee mannen stonden bij hen in witte kleding;). Toen Hij, nadat Hij daar door gegaan was, de hemel der hemelen, de derde hemel binnen ging (1 Tim. 3:16En buiten allen twijfel, de verborgenheid der godzaligheid is groot; God is geopenbaard in het vlees, is gerechtvaardigd in den Geest, is gezien van de engelen, is gepredikt onder de heidenen, is geloofd in de wereld, is opgenomen in heerlijkheid.). Hij is, zegt de apostel in Hebreeën 7: hoger dan de hemelen geworden (Hebr. 7:26). En Hij zit tot in eeuwigheid aan Gods rechterhand in de hemel (Ef. 1:20).
Wie? Vers 14 zegt: Jezus. Het roept ons in herinnering Zijn komen in deze lage wereld. De engel zei tegen Maria en Jozef: U zult Zijn Naam heten Jezus, want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden (Mat. 1:21). Jezus, Zijn Naam herinnert ons aan Zijn lijden, aan Zijn kruis, aan Zijn sterven en begrafenis, aan Zijn opstanding en hemelvaart.
Jezus… Hij is groot. Een grote Hogepriester. Zoals Hij elders in de Hebreeënbrief wordt genoemd: de grote Priester over het huis Gods (10:21), de grote Herder der schapen (Hebr. 13:20De God nu des vredes, Die den grote Herder der schapen, door het bloed des eeuwigen testaments, uit de doden heeft wedergebracht, namelijk onze Heere Jezus Christus,). Groter dan iedere hogepriester uit de tijd van Aäron. Want hogepriesters stonden (als zondige en sterfelijk mensen) maar één keer per jaar een ogenblik voor God.
Maar (zegt vers 14) deze grote Hogepriester is Jezus, de Zoon van God. De eeuwige, zondeloze Zoon van de Vader, samen met Heilige Geest: de Drie-enige God. God uit God, Licht uit Licht. Jezus, de Zoon van God. Die zondaars zalig maakt. Die redt van de toekomende toorn. Hij is heengegaan. Maar niet van Zijn discipelen gescheiden. Hij is opgevaren ver boven al de hemelen. Maar is Hogepriester gebleven van Zijn Kerk (Ef. 4:10).
Wat een troostvolle wetenschap is, midden in dit moeilijke leven... Voor die elf discipelen. Die Hem zo nakijken. Wij verliezen Hem niet. Hij zal bij ons blijven, zoals Hij beloofd heeft (Mat. 28:20). Wat een troostvolle wetenschap is, midden in dit moeilijke leven... Voor de lezers van deze Hebreeënbrief, levend in vervolging, moeite en isolement. Wat een troostvolle wetenschap is, midden in dit moeilijke leven... Voor Gods kinderen in deze tijd, levend met een hart dat blijvend moet vechten tegen zichzelf, in een leven en in een wereld vol van moeite en verdriet.
Het is een wetenschap vol troost. Maar ook een wetenschap die aangevochten wordt. Daarom zegt apostel: Laat ons deze belijdenis vasthouden! Laat ons die vasthouden! De kanttekening zegt: ondanks al de zwarigheid en vervolging. Omstandigheden kunnen moeilijk zijn, wegen onbegrepen, ons geloof kan wankelen, maar deze belijdenis mogen en moeten we vasthouden! Namelijk de belijdenis van Jezus Christus, de Apostel en Hogepriester van onze belijdenis (Hebr. 3:1Hierom, heilige broeders, die der hemelse roeping deelachtig zijt, aanmerkt den Apostel en Hogepriester onzer belijdenis, Christus Jezus;). Wat dat inhoudt? Dat zien we in ons tweede punt. Wat we belijden we van deze altijd blijvende Hogepriester?
We lezen in vers 15: Want wij hebben geen Hogepriester Die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen gelijk als wij is verzocht geweest, doch zonder zonde.
Gemeente, dit schetst met één enkel woord al het geluk van al Gods kinderen: Wij hebben een Hogepriester. En voordat ik verderga, om u te zeggen Wie Hij als Hogepriester is en wat Hij als Hogepriester doet, wil ik u vragen: Kunt u dit nazeggen? ‘Ik heb een Hogepriester?’ Want dat is allesbepalend voor het antwoord op de vraag: Hoe staat u voor God? Hoe bent u op weg eeuwigheid? Hebt u een Hogepriester? Kent u persoonlijk de grote Hogepriester, Jezus Christus, de Zoon van God? Die met het bloed van Zijn verdienste aan het kruis de hemel binnengaan is, om verzoening te doen voor uw hemelhoge schuld? Alle andere vragen vallen in het niet, bij deze ene vraag! Heeft Hij met Zijn eigen bloed een eeuwige verlossing ook voor u verdiend? (Hebr. 9:12Noch door het bloed der bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed, eenmaal ingegaan in het heiligdom, een eeuwige verlossing teweeggebracht hebbende.)
Wij hebben, het klinkt als een belijdenis vol verwondering, hoop en blijdschap, wij hebben geen Hogepriester Die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden. Die hoogheid van de verhoogde Heere Jezus, als Koning der koningen en als Heere der heren, bekleed met glorie en majesteit, als de Zoon van God, zittend aan de rechterhand van Zijn Vader, ver boven al de hemelen, die hoogheid kan gemakkelijk de indruk wekken, dat Hij ver van ons af staat, dat Hij ons niet begrijpt, of dat Hij niet met ons begaan is. Zeker als we, als kinderen van God, naar onze zonden en gebreken kijken. Zou die grote Hogepriester wel van ons afweten? Zou Hij wel ons lot bewogen zijn? Zou er wel wetenschap zijn bij de Allerhoogste? (Ps. 73:11Dat zij zeggen: Hoe zou het God weten, en zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste?)
Ja, zegt de apostel: Wij hebben geen Hogepriester Die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden. Het is een dubbele ontkenning, met als heel nadrukkelijke betekenis: Wij hebben wel een Hogepriester, Die medelijden kan hebben met onze zwakheden. Een Hogepriester Die wil en kan afdalen tot ons niveau. En Die ook echt bewogen is, Die ook echt sympathie, medelijden heeft met onze zwakheden. Met onze ziekte, met onze vrees (1 Kor. 2:3En ik was bij ulieden in zwakheid, en in vreze, en in vele beving.). Met onze geestelijke zwakheid, met ons gebrek aan geloof, hoop en moed. Maar vooral ook met onze zwakte in verzoeking, in vervolging en in geestelijke strijd.
Want, zo zegt vers 15b: Hij is in alle dingen gelijk als wij verzocht geweest, doch zonder zonde. Hij kende als geen ander tijdens Zijn leven op aarde de kracht van de verzoeking door satan. Maar Hij doorzag zijn listen, Hij voelde waar de duivel heen wilde, Hij wist hoe hij wilde toeslaan. Hij heeft gevaren doorstaan van gebreken, van honger en dorst, van de uitdaging van spot en laster. En dat alles zonder zonde. Nooit is Hij in zonde gevallen, nooit werd Hij in verleiding verstrikt. Hij verdroeg het allemaal, Hij bleef overeind en overwon.
Zo’n Hogepriester, zegt de apostel, geliefde Hebreeën en kinderen van God, hebben wij. Hij weet wie wij zijn. En Hij weet wie de verzoeker, de duivel is. Hij ziet onze strijd. En Hij kent onze aanvechting. En uit de hoge hemel der hemelen heeft Hij medelijden met onze zwakheden. En komt Hij ons te hulp (Hebr. 2:18Want in hetgeen Hij Zelf, verzocht zijnde, geleden heeft, kan Hij dengenen, die verzocht worden, te hulp komen.)! Daarom zegt Paulus in 1 Korinthe 10: Ulieden heeft geen verzoeking bevangen dan menselijke; doch God is getrouw, Die u niet zal laten verzocht worden boven hetgeen u vermoogt; maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven, opdat u ze kunt verdragen (1 Kor 10:13). Schoon g' in 't verdriet, nergens uitkomst ziet. Groter dan de Helper, is de nood toch niet.
Wij hebben een grote en medelijdende Hogepriester, die medelijden heeft met onze zwakheden.
En dus is er alle reden om samen te zingen uit Psalm 31, het eerste vers: Op U betrouw ik, HEER’ der heren, Op U, gelijk 't betaamt; Ai, laat mij nooit, beschaamd, Van Uwen troon teruggekeren; Help mij, op mijn gebeden, Door Uw gerechtigheden.
Gemeente, het gaat vanmorgen in de preek over de altijd blijvende Koning en Hogepriester. Hij is door de hemelen doorgegaan, dat was ons eerste punt. Hij heeft medelijden met onze zwakheden, dat was ons tweede punt. En nu ons derde aandachtspunt:
Vers 16 zegt: Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade Nu dat zo is, nu Hij de hemelen door gegaan is, en hemel der hemelen binnen gegaan is, en nu Hij daar blijvend zit in grote heerlijkheid en glorie aan de rechterhand van Zijn Vader, als medelijdende Hogepriester, nu dat alles zo is: Laten wij dan met vrijmoedigheid toegaan tot Zijn troon, tot de troon der genade.
Er is in hemel een genadetroon. God had een rechtbank kunnen oprichten en naar strikt recht zonde kunnen belonen met de straf op de zonde, de dood (Rom. 6:23Want de bezoldiging der zonde is de dood, maar de genadegift Gods is het eeuwige leven, door Jezus Christus, onzen Heere.). Maar God heeft in vrije en eeuwige ontferming een troon van genade opgericht. Het woord genadetroon wijst terug naar het Oude Testament. In het Heilige der Heilige in de tabernakel en in de tempel stond de ark van Gods verbond. Daar woonde God, boven het verzoendeksel, op de genadetroon. Daar kwam de hogepriester één keer per jaar, om bloed te sprengen op en voor het verzoendeksel. Maar nu, nu Jezus, de Zoon van God is ingegaan in het heiligdom van de hemel, nu is vanaf nu daar de genadetroon: in de hemel!
Het wordt genoemd een troon. Dat wijst op de macht van Jezus als Koning. Dat wijst op Zijn autoriteit, almacht, eer en majesteit. Het wordt genoemd een genade-troon. Genade is het fundament van die troon in de hemel. Alles blinkt daar van genade. Daar is geen plaats voor angst, schrik, vrees of twijfel. Want het is geen troon van oordeel. Daar wordt aan verloren, schuldige en zichzelf veroordelende zondaars de gouden scepter toegereikt. Daar wordt het bloed van het kruis gesprengd op verloren zondaars.
Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan, zegt de apostel, tot de troon der genade. Laten we daar biddend heengaan met vertrouwen en verwachting. Want de Heere heeft medelijden met onze zwakheden. Maar laten we daar vooral ook heengaan zonder vrees, angst of twijfel.
Niet met zelfverzekerdheid. Want rechten gelden niet aan een genadetroon. Maar wel met vertrouwen op het Woord van de Heere Zelf. Om Wie Hij is: de medelijdende Hogepriester. Om wat Hij beloofd heeft: dat Hij ons, tot Hem komend, niet zal uitwerpen (Joh. 6:37Al wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen; en die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.). Wij zullen nooit beschaamd van Zijn troon terugkeren (Ps. 31:1, ber.) Hij zal onze gebeden niet afwijzen (Ps. 66:20Geloofd zij God, Die mijn gebed niet heeft afgewend, noch Zijn goedertierenheid van mij.). Hij zal Zijn Heilige Geest zeker geven aan degenen die Hem daarom bidden (Luk. 11:13Indien dan gij, die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal de hemelse Vader den Heiligen Geest geven dengenen, die Hem bidden?).
Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan. Dat klinkt als een hartelijke uitnodiging: Kom toch! Kom toch, met vertrouwen en geloof. Niet twijfelend aan de goede wil en aan de geschiktheid van deze Hogepriester Jezus. Al moet u roepend komen, en met tranen: Heere, ik geloof, help me, mijn ongeloof. Maar toch: Kom! (Mark. 9:24En terstond de vader des kinds, roepende met tranen, zeide: Ik geloof, Heere! kom mijn ongelovigheid te hulp.).
Kom. Er is een plaats waar u met al uw noden heen mag gaan. Wat is dat toch een groot wonder. Dat God een plaats heeft, waar zondaars mogen komen om te vragen. Mensen als wij zouden elders overal afgewezen en weggestuurd worden. Maar de Heere zegt: Kom maar aan Mijn voeten, aan Mijn genadetroon. Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven (Mat. 11:28). Bij Mij is plaats voor schuldige en zichzelf veroordelende zondaars. Voor alle man die benauwd is, voor alle vrouw die een schuldeiser heeft, voor ieder mens wiens ziel bitterlijk bedroefd is (1 Sam. 22:2En tot hem vergaderde alle man, die benauwd was, en alle man, die een schuldeiser had, en alle man, wiens ziel bitterlijk bedroefd was, en hij werd tot overste over hen; zodat bij hem waren omtrent vierhonderd mannen.). Kom met vrijmoedigheid tot de grote Davidszoon, Die eeuwig op de genadetroon zit. Om het bloed, om het kruisbloed van deze gekroonde Koning. Tot Wie we mogen gaan. Door Wie we nooit geweigerd zullen worden
Het is een plaats waarvan de toegang open is. Zonder restrictie, zonder beperkingen. Iedereen is welkom. Nooit zal iemand teruggestuurd worden. Nooit zal gezegd worden: nu buigen er teveel mensen voor troon.
Laat ons dan vrezen - zegt vers 1 -, dat niet te eniger tijd, de belofte van in Zijn rust in te gaan nagelaten zijnde, iemand van u schijne achtergebleven te zijn. Blijf, lieve mensen, niet achter! Maar kom ook. Buk en buig ook aan de genadetroon! Kom, u allemaal, kinderen van God, klein en groot: Werpt dan uw vrijmoedigheid (om te komen) niet weg, welke een grote vergelding des loons heeft (Hebr. 10:35Werpt dan uw vrijmoedigheid niet weg, welke een grote vergelding des loons heeft.).
Kom ook! Hoe? a. Zoals David zegt in Psalm 51: met een gebroken en verslagen hart. Zoals de hogepriester vroeger het heiligdom mocht binnengaan: met grote eerbied, met het bloed van het offer in zijn handen. Kom zo. Op diezelfde manier: eerbiedig en nederig. Zonder gevoel van rechten te hebben. Want het is een genadetroon. Met, door Gods genade, in uw binnenste een gebroken
geest. Want, zo zegt David in Psalm 51: een gebroken en verslagen hart dat zal God niet verachten (Ps. 51:9). Want dat is Zijn Eigen werk.
Kom ook! Hoe? b. Eerbiedig en nederig, en: zonder schrik of vrees. Want dit is de genadetroon. Dit is geen veroordelende rechtbank. Op Golgotha is het oordeel geveld, en nu heerst hier genade. Zeker, deze Koning blijft soeverein. Als de grote Koning der koningen: vrij in Zijn wil, in Zijn doen, in Zijn antwoorden. Maar Hij heeft Zichzelf gebonden met de band van de beloften van Zijn genade. En dus zult u nooit tevergeefs buigen. En dus zult u nooit beschaamd van Zijn troon terugkeren (Ps. 31:1, ber.).
Kom ook! Hoe? c. Eerbiedig en nederig, zonder schrik of vrees, en: biddend Al is het zonder woorden, al is met alleen maar zuchten. Want de grote Hogepriester is degene, Die die woordeloze gebeden uit onze harten leest en ze woorden geeft bij de Vader. Als de grote Voorbidder, als de grote Voorspraak aan Gods rechterhand, Die ook voor ons bidt (1. Joh 2:1En op den derden dag was er een bruiloft te Kana in Galilea; en de moeder van Jezus was aldaar.; Rom. 8:34Wie is het, die verdoemt? Christus is het, Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt.). Zoals ouders hun kinderen helpen om te praten als ze er zelf niet uitkomen, zo komt ook de grote en biddende Hogepriester Zijn kinderen in hun bidden te hulp.
Terwijl ook Zijn Heilige Geest onze zwakheden te hulp komt. Want wij weten niet wat wij bidden zullen gelijk het behoort, maar de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen (Rom. 8:26).
Kom ook! Hoe? d. Eerbiedig en nederig, zonder schrik of vrees, en biddend: om barmhartigheid te mogen verkrijgen, en genade te vinden, om geholpen te worden te bekwamer tijd (vers 16).
Om barmhartigheid te verkrijgen. Zeker, je mag bij dit woord barmhartigheid denken aan vergeving van zonde en schuld. Maar het gaat hier in de Hebreeënbrief vooral om de verzoeking, om de vervolging en om de strijd in het leven van de gelovige Hebreeën. En dus om hulp in benauwdheid en gevaar! Waarbij de Heere nu belooft, dat zij door die weg van biddend vragen aan de genadetroon, zullen ervaren wat de dichter van Psalm 46 zingt: God is ons een Toevlucht en Sterkte; Hij is krachtig bevonden een Hulp in benauwdheden. Daarom zullen wij niet vrezen, al veranderde de aarde haar plaats, en al werden de bergen verzet in het hart van de zeeën (Ps. 46:2-3). Aan de genadetroon vinden strijdende en moegestreden kinderen van God barmhartigheid, dat wil zeggen: hulp in en verlossing uit gevaar, uit verzoeking en benauwdheid.
Barmhartigheid en genade. Genade, dat is de reden, dat is de oorzaak van die verlossing.
Kom vrijmoedig, zonder angst, eerbiedig en nederig, zonder schrik of vrees, biddend: om barmhartigheid te verkrijgen en genade te vinden. Dat heeft ook de betekenis in zich van: om geaccepteerd te worden, om aanvaard te worden. Zoals de koningin Esther naderde tot de troon van koning Ahasveros. Vrijmoedig! En zij verkreeg genade in zijn ogen, zodat de koning de gouden scepter die in zijn hand was Esther toereikte, en Esther naderde en roerde de spits van de scepter aan (Esther 5:1-2). Hij accepteerde haar, hij aanvaardde haar en haar verzoek.
Om barmhartigheid te verkrijgen en genade te vinden. Dat wil zeggen: om genade te vinden in Gods ogen. Zeker, ook als het gaat om zonde en schuld. Maar in het verband van Hebreeën 4 vooral waar het gaat om speciale hulp in moeitevolle omstandigheden, van zorg, van pijn, van verdriet, van vervolging, van verzoeking, van aanvechting.
We vinden barmhartigheid en genade. Dat wil niet zeggen, dat we altijd verlossing vinden van alles wat ons benauwt. Het kan zijn, dat de doorn in ons vlees (zoals bij Paulus) blijft. Maar niet zonder de woorden, die klinken vanaf de genadetroon, door het Woord: Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht (2 Kor. 12:7En opdat ik mij door de uitnemendheid der openbaringen niet zou verheffen, zo is mij gegeven een scherpe doorn in het vlees, namelijk een engel des satans, dat hij mij met vuisten slaan zou, opdat ik mij niet zou verheffen.,9).
Wanneer vinden we barmhartigheid en genade? Te bekwamer tijd. Op Gods tijd. Op het juiste moment. Op Gods beste tijd. In het uur van de nood. Nooit te laat! Hij staat immers gereed om ons in verzoeking te hulp te komen (Hebr. 2:18)?
Wanneer vinden we barmhartigheid en genade? Als wij het van onszelf niet meer verwachten, als wij alle hoop op onszelf opgeven en ons op genade werpen aan de voeten van Hem, Die zit op de genadetroon. Want dan blijft er voor ons niets te roemen over. Dan is alle eer voor Hem: voor Jezus, de Zoon van God.
Gemeente, tot slot. Als u deze Hogepriester niet kent, als u nooit biddend, vrijmoedig, nederig en met een gebroken hart toegaat tot Gods genadetroon om barmhartigheid, genade en hulp, dan gaat u een slechte toekomst tegemoet. Dan is er voor u straks geen genadetroon, maar een rechterstoel. De rechterstoel van Dezelfde Koning, de rechterstoel van Christus (2 Kor. 5:10Want wij allen moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdrage, hetgeen door het lichaam geschiedt, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.). Maar zonder Hogepriester, zonder verzoenend bloed. Hoe zult u ontvlieden, als u op deze grote Zaligheid geen acht gegeven zult hebben (Hebr. 2:3)? Zie, de Rechter staat voor de deur (Jak. 5:9Zucht niet tegen elkander, broeders, opdat gij niet veroordeeld wordt; ziet, de Rechter staat voor de deur.).
Maar, kinderen van God, geliefden in de Heere. Dewijl wij dan een grote Hogepriester hebben, Die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, de Zoon van God, zo laat ons deze belijdenis vasthouden. Want wij hebben geen Hogepriester Die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen gelijk als wij is verzocht geweest, doch zonder zonde. Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden om geholpen te worden te bekwamer tijd. Deze Koning en Hogepriester is ons door Israëls God gegeven. Hem zij daarvoor alle eer! Amen.
Slotzang Psalm 20:5:
Behoud, o HEER’, wil bijstand zenden, Verlos, bewaar, verschoon. Die Koning hoor', als w' in ellenden Aanbidden voor Zijn troon.
Andere preken over Hebreeën
Andere preken voor Hemelvaart
Andere gerelateerde preken