PREEK · VRIJE STOFFEN

Zoekt de HEERE, terwijl Hij te vinden is - Jesaja 55

18 juli 2020

Jesaja 55:6-7: Zoekt den HEERE terwijl Hij te vinden is; roept Hem aan terwijl Hij nabij is. De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot den HEERE, zo zal Hij Zich zijner ontfermen, en tot onzen God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk.

INLEIDING

Christus roept liefdevol op: zoek Mij, roep Mij aan, terwijl Ik nabij ben — nu, voordat de geschikte tijd voorbijgaat. Wie zijn zondige weg en eigengerechtigheid verlaat en zich bekeert tot de HEERE, zal ontferming en menigvuldige vergeving ontvangen, niet vanwege eigen verdienste maar uit vrije genade. Gods gedachten zijn hoger dan de onze: Hij vergeeft juist de goddeloze die terugkeert, hoe groot de schuld ook is. Vandaag is Hij nabij; morgen kan het te laat zijn.

THEMA

Een liefdevolle oproep tot bekering

KERNPUNTEN

  1. Wat u doen moet
  2. Wat u verlaten moet
  3. Tot Wie u zich bekeren moet
  4. Wat God doen zal
  5. Hoe anders God is en doet, dan wij denken

JESAJA 55:6-11

6 Zoekt den HEERE terwijl Hij te vinden is; roept Hem aan terwijl Hij nabij is.
7 De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot den HEERE, zo zal Hij Zich zijner ontfermen, en tot onzen God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk.
8 Want Mijn gedachten zijn niet ulieder gedachten, en uw wegen zijn niet Mijn wegen, spreekt de HEERE.
9 Want gelijk de hemelen hoger zijn dan de aarde, alzo zijn Mijn wegen hoger dan uw wegen, en Mijn gedachten dan ulieder gedachten.
10 Want gelijk de regen en de sneeuw van den hemel nederdaalt en derwaarts niet wederkeert, maar doorvochtigt de aarde en maakt dat zij voortbrenge en uitspruite, en zaad geve den zaaier en brood den eter;
11 Alzo zal Mijn woord, dat uit Mijn mond uitgaat, ook zijn, het zal niet ledig tot Mij wederkeren; maar het zal doen hetgeen dat Mij behaagt, en het zal voorspoedig zijn in hetgeen waartoe Ik het zend.

VOLLEDIGE TEKST

Zoekt de HEERE, terwijl Hij te vinden is - Jesaja 55

ds. J. IJsselstein - Jesaja 55:6-7

THEMA

Een liefdevolle oproep tot bekering

Gemeente, de tekst die wij met Gods hulp met elkaar overdenken, is een van de meest hartelijke en vriendelijke nodigingen van het Evangelie, gericht aan zondaars, zoals wij. En ik wil u in alle ernst en met liefde vragen, om deze woorden in uw harten aan te nemen en te ontvangen. We overdenken met Gods hulp het ons voorgelezen Schriftgedeelte uit Jesaja 55, daarvan de verzen 6 tot en met 9. Daar lezen we het Woord van God als volgt: Zoekt den HEERE, terwijl Hij te vinden is; roept Hem aan, terwijl Hij nabij is. De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot den HEERE, zo zal Hij Zich Zijner ontfermen, en tot onzen God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk. Want Mijn gedachten zijn niet ulieder gedachten, en uw wegen zijn niet Mijn wegen, spreekt de HEERE. Want gelijk de hemelen hoger zijn dan de aarde, alzo zijn Mijn wegen hoger dan uw wegen, en Mijn gedachten dan ulieder gedachten.

Het thema van de preek is: Een liefdevolle oproep tot bekering We letten samen op vijf aandachtspunten. In de eerste plaats op wat u doen moet: Zoekt den HEERE, terwijl Hij te vinden is; roept Hem aan, terwijl Hij nabij is. In de tweede plaats op wat u verlaten moet: De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten. In de derde plaats op tot Wie u zich bekeren moet: en hij bekere zich tot den HEERE, en tot onzen God In de vierde plaats op wat God doen zal: zo zal Hij Zich Zijner ontfermen, want Hij vergeeft menigvuldiglijk. En in de vijfde plaats op hoe anders God is en doet, dan wij denken: Want Mijn gedachten zijn niet ulieder gedachten, en uw wegen zijn niet Mijn wegen, spreekt de HEERE. Want gelijk de hemelen hoger zijn dan de aarde, alzo zijn Mijn wegen hoger dan uw wegen, en Mijn gedachten dan ulieder gedachten.

Dus: Een liefdevolle oproep tot bekering 1. Wat u doen moet 2. Wat u verlaten moet 3. Tot Wie u zich bekeren moet 4. Wat God doen zal 5. Hoe anders Hij is en doet, dan wij denken

Als eerste dus:

a. Wat u doen moet Wat doen moet? Twee dingen: Zoek de HEERE, en roep Hem aan. Twee dingen, in twee omstandigheden: terwijl Hij te vinden is, en terwijl Hij nabij is.

a. ‘Zoek!’ Wanneer zegt iemand dat tegen je, jongens en meisjes? Wanneer zegt de meester of de juf dat, of je vader of moeder? ‘Zoek dit, of zoek dat?’ Als je iets kwijt bent. Je mist iets. Want als je niks mist, ga je ook niet zoeken.

En daar voel je gelijk al het probleem. ‘Zoek de Heere!’, zegt Jesaja. Ja, maar, ben ik Hem kwijt dan? Want ik mis Hem eigenlijk helemaal niet… En toch, en toch(!) zegt de Heere, toch zegt de Heere Jezus Christus (uit de verzen hiervoor blijkt het, dat Hij het is Die spreekt): Zoek! Zoek Mij!

Dat is bijzonder. De Heere had ook kunnen denken: zij zijn van Mij weggegaan, zij hebben Mij verlaten, zij zijn zelf de zonde en de duivel gaan dienen, ze hebben zichzelf in diepe ellende gestort en Mij vergeten, en ze zoeken Mij niet eens meer, laat ze maar!

Hier schittert Gods liefde voor en Gods bewogenheid met zondaars. ‘Zoek Mij! Ik weet het, je wilt Mij niet, je zoekt Mij niet, maar Ik zoek jou, Ik zoek u wel! En Ik zeg het vanmorgen voor de zoveelste keer, liefdevol en uit de grond van Mijn hart: Mens, jongen, meisje, zoek Mij!’

Zoek goede dingen? Zoek het eeuwige leven? Nee, zoek Mij! Voel wat je mist, en doe alles wat in je vermogen ligt, om Mij te zoeken en Mij terug te vinden. Zoek Mij als zilver, als een verborgen schat (Spreuken 2: 4) Zoek Mij met alles wat in je is. Zoek Mij vroeg, zoek Mij ijverig (Spreuken 8: 17?) Waar? In de Bijbel. Lees in je Bijbel. En in het gebed. Bid zonder ophouden. En, dat is het tweede:

b. Roep Mij aan. Je voelt, dat gaat verder dan gewoon bidden. Het heeft de gevoelswaarde van het moment dat je 112 belt, als iemand een hartstilstand heeft gekregen: ‘Alstublieft, help me!’ Het heeft de lading van een hulproep uit een brandend huis: ‘Help!’ Dat heeft de drang van het geroep van een drenkeling: ‘Help!’ Zo moet u dus bidden, zo moet u dus roepen, gericht op God: ‘Heere, help me, red me, wees me genadig!’

Want een ieder die de Naam des Heeren, de Naam van de verhoogde Heere Jezus, zo zal aanroepen, die zal zalig worden (Handelingen 2:21).

Het is een hartelijke, het is een dringende oproep: Doe dat! Zoek Mij! Roep Mij aan! Dus mag ik u de vraag wel stellen: Doet u dat ook? Zoeken, vragen, roepen? Omdat u God mist? Omdat u bent gaan inzien, dat u verloren bent? Omdat u voelt, dat u in levensgevaar bent?

Zijn de meesten van ons niet druk met het zoeken van de dingen van nu, met het zoeken van de dingen die voorbijgaan? Met het zoeken van een mooi huis, een mooie inrichting, een mooie tuin, een leuke baan, een leuke vriend of vriendin? Met het zoeken van een mooie toekomst? Wat een gevaarlijke dwaling, wat een dodelijke vergissing.

Wie van u zegt: Heere, ik zoek U in de dageraad? U zoekt Mijn hart? (Psalm 63:1, 119: 5) Wie van u zegt: In al mijn zielsverdriet, zoek ik de Heere? (Psalm 69:13) Wie van u zegt: In de dag van mijn benauwdheid zoek ik de Heere? (Psalm 77:3) Toekomst heb je alleen als je God zoekt.

Terwijl Hij te vinden is, als je Hem aanroept, terwijl Hij nabij is. Dat wil dus ook zeggen, dat er een tijd is die bijzonder geschikt is om te zoeken en om te vinden. Een tijd waarin de Heere heel dichtbij is. Je voelt als het ware Zijn adem in je nek. De Heere is dichtbij. Hij laat zich vinden. Wanneer? Nu, terwijl Hij je aanspreekt en zegt: Kom, bij Mij is levend water, Ik ben het Brood des levens. God is, zegt Paulus, niet ver van een ieder van ons (Handelingen 17:27). Wanneer is de Heere dichtbij? Nu, terwijl u nog leeft. Terwijl u hier in de kerk of thuis meeluisterend Zijn hartelijke nodiging hoort. Die Hij extra indringend laat horen in tijden van rouw, ziekte en zorg, en ook in de tijd van deze corona-epidemie. Want God slaat niet uit lust tot plagen, maar om u tot inkeer te brengen. De Heere is nabij, de Heere is te vinden. Nu. Nu moet je Hem zoeken. Want, zo, zoals het nu is, zal het niet blijven.

Deze geschikte tijd gaat voorbij. Nog even, dan is de aan u gegeven tijd om te roepen en te zoeken voorbij. Dan zwijgt de nodigende stem van Christus. Dan is het… te laat. Dan breekt er een nieuwe tijd aan, waarvan geldt wat de Spreukendichter zegt: Nu zult u tot Mij roepen, maar Ik zal niet meer antwoorden. Nu zult u Mij vroeg zoeken, maar Mij niet meer vinden. Nu is het te laat. Nu is Mijn geduld voorbij. Nu is de deur gesloten (Spreuken 1:24-28).

Beste vrienden, laat de meest geschikte tijd van de Evangeliebediening niet voorbijgaan. Als u sterft, is het te laat. U staat op het punt (ik citeer dominee Hellenbroek), u staat op het punt in de hel te vallen. Als u het nog een dag uitstelt, ligt u er misschien wel in.

Als u op uw sterfbed ligt (uitstellers, u speelt met vuur!), als u op uw sterfbed ligt, is het ook te laat. Als u ooit aan een sterfbed stond, weet u dat dat geen geschikt moment is om te zoeken en te roepen. En daarbij, God laat Zich niet bespotten. Zou u willens en wetens uw leven lang willen zondigen en God het laatste uur van uw leven willen geven? En trouwens, daarbij, de dood kan u onverwachts overvallen, als een dief in de nacht. Dan is het echt te laat.

Zoek de Heere, terwijl Hij te vinden is. Roep Hem aan, terwijl Hij nabij is. Ook u, ook wij, die door de Heere gezocht en gevonden zijn, als mensen die niet naar God vroegen en niet naar Hem zochten (Jesaja 65:1). Want ook na ontvangen genade zijn wij zo geneigd, om zo weinig en bij tijden zelfs helemaal niet meer te zoeken en te roepen. Terwijl genade juist blijkt, uit gemis van en verlangen naar meer genade. Zegt David niet in Psalm 32: Hierom (omdat u Mijn zonden vergaf) zal u ieder heilige aanbidden in vindenstijd? Terwijl U te vinden bent? (32:6) Laten we de Heere blijvend zoeken, in moeilijke, maar ook een zegenrijke tijden. Hem zoeken en aanroepen om Hem meer te mogen kennen, om meer in Zijn nabijheid te mogen leven, om meer heiligmaking, om meer vertroosting en om meer gehoorzaamheid.

Heden, nu is het voor ons allemaal de welaangename tijd, de dag der zaligheid, om te zoeken en te roepen, en… om onze weg te verlaten. Dat brengt me bij het tweede aandachtspunt:

2. Wat u verlaten moet

Vers 7 zegt: De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten. Bij vers 1 (o, alle gij dorstigen), zou je nog kunnen denken aan een beperking. Alleen mensen die dorst hebben, worden aangesproken. Maar hier niet meer. Hier wordt iedereen aangesproken. De goddeloze. Dat wil zeggen: iedere goddeloze. En de ongerechtige man. Dat wil zeggen: iedereen met een slecht en leeg hart, vol van ijdelheid en afgoden.

U die nog onbekeerd bent, u allemaal, u bent op weg. U gaat uw eigen weg. U hebt uw eigen manier van leven. Een weg van God vandaan. Een weg van zonde, van leven voor de dingen van nu, van consumeren, van leven op zoek naar geluk en plezier. Een weg van godsdienst, netjes en voorbeeldig, maar zonder God en zonder Christus. ‘Die’, zo zegt u, ‘ken ik helaas nog niet…’ Een weg vooral van op uw eigen manier hopen op vergeving en op een goede toekomst. Immers, u denkt: ‘Zou God me echt in de hel gooien? God is toch liefde? God ziet toch wel dat ik mijn best doe? Zou Hij echt geen rekening houden met mijn goede bedoelingen, met mijn eigen gerechtigheid?

Die weg, die weg van zonde, van leven op zoek naar geluk en plezier, van leven om te consumeren, die weg van eigen godsdienst, van eigen gerechtigheid…

Die moet u bijsturen? Nee! Voordat u het weet, noemt de Heere u een witgepleisterd graf. Uiterlijk mooi geworden, maar van binnen onveranderd. U moet die weg verlaten! Want die weg, hoe mooi die misschien ook lijkt, die weg is een weg van zonde. En die weg leidt tot de dood.

Schaam u over die weg. Heb berouw over die weg. Veroordeel die weg. En neem een vast besluit (en laat het niet bij woorden, maar doe het) om die weg te verlaten en daar nooit meer naar terug te keren. En (ons derde aandachtspunt):

3. Tot wie u zich bekeren moet

En (vers 7) hij bekere zich tot de HEERE, en tot onze God. Want het is niet genoeg, om die eigen weg te verlaten en vervolgens verder te dolen en te dwalen in deze wereld. Bekeer u, zo staat er, tot de HEERE. U gaat de verkeerde kant op, dus: Keer u om! Kom terug. Keer u terug naar God toe. Wend u naar Hem toe. Tot de HEERE, tot onze God. Bekeer u tot onze God, Die trouw Zijn verbond houdt, en daarom zo indringend roept. Tot Hem, Die uit enkele genade, ondanks alles, nog steeds uw God wil zijn. Om Immanuël, God met ons.

Het is Christus, gemeente, Die hier nodigt: Kom! Als u een trouwkaart krijgt, van een stel dat binnenkort gaat trouwen, dan zegt: ‘O, kijk es, wat mooi! En we zijn uitgenodigd! Daar gaan we heen!’ Eén trouwkaart, één uitnodiging voor een feestje is genoeg om u over de streep te halen en te komen. Hoe vaak heeft Christus u al genodigd? Om uw weg te verlaten en tot Hem te komen? Waarom komt u niet?

Als Hij u nodigt, als met een hemels huwelijksaanzoek, en zegt: Kom! Kom door Mij. Ik ben de Weg. Verlaat uw eigen weg. En komt door Mij terug tot God. U kunt, met alles wat u zelf probeert, nooit bij God terugkomen. Want Hij is heilig. Voor u alleen, is Hij een verterend vuur en een eeuwige gloed. Maar kom tot Mij. Ik zal u rust geven. Ik zal u brengen, waar u zelf nooit wilde en kon komen. Ik zal u geven, wat u zelf niet hebt. Niet alleen eerlijk zicht op uw zonden en verlorenheid. Maar ook zicht op Gods barmhartigheid en op Zijn weg tot behoud. Zicht ook op de zondaarsliefde van Mijn Vader, en zicht op Mijn weergaloze liefde voor mensen zoals u. Ik zal u geven, wat u zelf niet hebt. Mijn gerechtigheid in plaats van uw eigen gerechtigheid. Mijn genade in plaats van uw schuld.

Goddelozen, mensen vol van ongerechtigheid, met een leeg en ijdel hart, gerust lopend op uw eigen weg: uw weg brengt u nergens.

Beter gezegd: uw weg brengt u in de eeuwige ondergang. Christus is de Weg, de Waarheid en het Leven. Wend u naar Hem toe en word behouden. Hij die geen zonde gekend heeft, is door de Vader zonde gemaakt voor zondaars. Hij heeft Zijn leven afgelegd voor overtreders. Door Zijn striemen wil God u genezing geven. Door Zijn dood aan het kruis, wil God u verlossen van de vloek die op u ligt.

Mensen, wat biedt uw weg u toch meer, dan wat Christus u biedt en geven wil? Bieden de zonde u echt en blijvend plezier? Nee! U komt er voor eeuwig mee om. Bieden de dingen van deze tijd u echt blijvende vreugde? Nee! Want ze gaan voorbij. Bieden uw goede werken en uw nette levensstijl u een gerede kans om zalig te worden? Nee! Dat is uitgesloten! Want vervloekt is een ieder, die niet blijft in al wat geschreven is in het boek der wet om dat te doen (Galaten 3:10). En door de werken der wet zal geen vlees gerechtvaardigd worden voor God (Romeinen 3:20).

O, kom daarom toch nu, nu het nog kan, tot Christus. Hij is machtig, Hij is gewillig om uw zonden op Zich te nemen en u door Zijn genade met God te verzoenen. Maar, verlaat uw eigen weg. Wijs die niet alleen af, veroordeel die niet alleen met woorden, matig niet alleen uw gedrag, zegt niet alleen sorry, maar: breek met die weg. Verlaat die! En bekeer u tot God. Kom terug naar God toe. Zeg met de verloren zoon in uw hart: Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan. En ga.

En als u nu voelt, dat alles in uw hart zich daartegen verzet, dan hebt u het… goed gevoeld. Want niet uw onvermogen belemmert u het meest, maar uw onwil om te komen (John Owen). Maar het is uw plicht om te komen, om te zoeken en om te roepen.

Als u dan nu merkt, dat u diep in uw hart niet wilt, roep dan toch des te harder! ‘Heere, mijn ziel wil niet. Maak me toch gewillig en geeft U me toch alstublieft een nieuwe wil! Ik wil de zonde niet verlaten, maar scheur me er toch van los? Ik wil het vertrouwen op mijn eigen inzet niet opgeven, maar verlos me er toch van! Ik wil niet als een arme zondaar tot Christus komen, maar brengt U mij toch bij Hem, door de kracht van de Heilige Geest?’ ‘Ik heb geen recht, waarom U mij zou moeten verhoren, waarom U mij zou moeten aannemen. Maar doe het toch, om Jezus’ wil. Om Hem, Die toch juist gekomen is, voor dit soort van mensen, zoals ik: goddeloos, vol van ongerechtigheid, vijandschap en onwil. Maak mijn ziel toch gewillig om Christus de hand te geven, om voor Hem te buigen en om in te stemmen met Uw gedachten, met zoals U me zalig wilt maken.

We zien in de vierde plaats: wat God dan, door die weg doen zal.

Maar laten we samen eerst zingen uit Psalm 25:3: Denk aan 't Vaderlijk meêdogen, HEERE, waarop ik biddend pleit; Milde handen, vriendelijk ogen, Zijn bij U van eeuwigheid. Sla de zonden nimmer ga, Die mijn jonkheid heeft bedreven; Denk aan mij toch in genâ, Om Uw goedheid eer te geven.

Ons vierde aandachtspunt:

4. Wat God doen zal

Vers 7 zegt: Zo zal Hij Zich Zijner ontfermen, want Hij vergeeft menigvuldiglijk. U zegt: dat lijkt een beetje remonstrants. Dit is niet het Evangelie, dit lijkt meer op wat de wet zegt. Want de wet zegt: dit moet je doen (zoeken, aanroepen, bekeren en komen), en dan en daarom vergeeft God. Nee, dat zegt de wet niet. De wet zegt helemaal niets over berouw en bekering. De wet zeg maar één ding: u staat schuldig!

En het Evangelie zegt: God is machtig en bereid om uw schuld te vergeven. En daarvoor moet je (of je het nu wilt of niet, of je het nu kunt of niet) deze weg gaan. Daar verdien je helemaal niets mee, maar dit is de weg, dit is de routekaart van God. Zo wil God het. Zo is Gods weg. Er is gratie te krijgen voor iedereen misdadiger, die daarvoor een verzoekschrift indient. Wie dat niet doet, wordt alsnog gestraft. Maar, wie een verzoekschrift indient (zo is de belofte), wie om gratie, wie om genade vraagt, die krijgt de vrijheid.

Waarom? Om wat hij deed, of om hoe hij het vroeg? Nee, natuurlijk niet! Maar om de goedheid van de Koning. Omdat de Koning gratie wilde geven. Maar alleen in de weg, die Hij Zelf had vastgesteld. Dus voeg nu aan al uw eigenzinnigheid ten opzichte van God, niet nog een laatste en ergste eigenzinnigheid toe. Namelijk dat u zegt: ‘Ik wil het wel graag, maar zo wil ik niet.’ U beledigt als veroordeelde misdadiger, wachtend op de voltrekking van uw doodvonnis, de hoogste Koning. Maar Zijn plan om gratie te verlenen zal er niet door veranderen.

Wat u doen moet? Zijn bevel (voelend dat u dat niet kunt en niet wilt), maken tot een smeekgebed. Zoek! ‘Heere, ik dwaal als een verloren schaap, zoekt U mij alstublieft?’ Bid! ‘Heere, wilt U mij leren bidden?’

Bekeer u! ‘Heere, alstublieft, bekeert U mij, dan zal ik bekeerd zijn.’ Als U alles doet, dan is alle eer voor U.

Zo, in en door die weg belooft de Heere, dat Hij doen zal, wat Hij belooft. Want u komt de belofte toe en uw kinderen, zo velen als God er roept: als u Zijn Naam aanroept, zal Hij u verhoren. En dan zult u zalig worden (Handelingen 2:21,39).

Zo, op die manier, zal ik Mij over u ontfermen, want Ik (zegt God) vergeef menigvuldiglijk. Heb toch, o zondaars, o kinderen van God, geen verkeerde gedachten van God. Vertrouw Hem toch. U vereert God het meest met dat u Hem vertrouwt en Zijn woorden gelooft. Anders maakt u Hem stilletjes uit voor een leugenaar. Het is Zijn liefste werk om Zich te ontfermen over het verlorene. Hij wil niet dat u verloren gaat. Hij wil dat alle mensen zalig worden, en tot kennis der waarheid komen (1 Timotheüs 2:4). Hij heeft geen lust in de dood van de stervenden, daarom bekeert u en leeft (Ezechiël 18:32).

Als u uw weg maar verlaten, met de zonde breken en tot Christus komen wil, dan zal Hij u hartelijk ontvangen. En Zich over u ontfermen, zoals een moeder zich ontfermt over haar kind. Christus zal nooit de oorzaak zijn van uw ondergang. En Hij biedt Zich heden aan, om de oorzaak te worden van uw eeuwige zaligheid.

Wat bezielt u toch, lieve mensen, om de zonde en de dingen van deze tijd, om uw eigen weg en uw eigen werk liever te hebben dan Christus? Hij is het grootste Wonder dat God in deze wereld gestuurd heeft, om zielen van verloren mensen zoals u te redden van de ondergang. Volmaakt gehoorzaam was Hij, voor ongehoorzame mensen. De vloek wilde Hij dragen, voor opstandelingen. Sterven wilde Hij, voor Zijn vijanden. En nu staat Hij opnieuw aan de deur van uw hart. Voor u, letterlijk. En zegt, en bidt: Laat u met God verzoenen (2 Korinthe 5:20). Want om alles wat Ik deed, en om Wie God Zelf is, vergeeft God menigvuldig.

Het betekent letterlijk zoveel als: Hij vermenigvuldigt het vergeven. Hebt u 10 keer gezondigd (veel meer toch?), dan is Mijn Vader bereid u 10 x 10, dat is 100 maal de vergeven. Hebt u dat 20 keer geweigerd (veel vaker toch?), dan is Mijn vader bereid u 20 x 20, dat is 400 x te vergeven. U voelt de eindeloze reikwijdte van de bereidheid in God om te vergeven. Geen zonde is teveel, geen zondaar is te slecht.

U zegt: ‘Dat zou ik zo nooit doen. Zo ben ik zeker niet. Hoe kan dat, dat God zo vergevingsgezind is?’

Dit is de reden, en dat brengt ons bij ons vijfde punt:

5. Hoe anders God is en doet, dan wij denken.

Want, zo staat in vers 8 en in vers 9: Want Mijn gedachten zijn niet ulieder gedachten, en uw wegen zijn niet Mijn wegen, spreekt de HEERE. Want gelijk de hemelen hoger zijn dan de aarde, alzo zijn Mijn wegen hoger dan uw wegen, en Mijn gedachten dan ulieder gedachten.

Mijn gedachten zijn anders. Mijn wijsheid, Mijn grootheid is ondoorgrondelijk (Psalm 145: 3). Maar uw gedachten daarentegen, o mens, zijn ijdelheid (Psalm 94: 11). Mijn gedachten zijn anders. Ook Mijn binnenste gedachten zijn, ook Mijn hart is anders. Ik vergeef vrij en menigvuldig.

En daarbij, ook Mijn weg, Mijn manier van vergeven is zo anders dan de uwe. Wij zeggen: dat is een hemelsbreed verschil. Jesaja zegt: nee, dit is veel verder, het is een hemelhoog verschil. ‘Ik, de Heere, vergeef. Zonder iets van u. U hoeft, u kan, u mag er niets aan toe doen. En daar moet u tevreden mee zijn. Het is vrije genade. Om Mij, om Mijn eeuwige welbehagen.’ ‘En, Ik, de Heere, vergeef totaal, volledig. Ik denk (u doet dat wel, maar Ik doe dat niet), Ik denk er na het vergeven nooit meer aan terug. Als Ik u vergeef, dan werp Ik uw zonden in de diepten van de zee (Micha 7:19). En daarbij, Ik vergeef geen vrienden, maar vijanden. Ik vergeef geen beste mensen, maar slechte mensen. Die tot Mij terugkeren, in een weg van berouw en boetvaardigheid. Calvijn zegt: aan Gods goedertierenheid hoeft geen enkele berouwvolle zondaar te wanhopen. Bij de mensen is het onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk (Matth. 19:26).

En dat geldt ook ons, kinderen van God, geliefde medechristenen, dat geldt ook ons na ontvangen genade. Altijd zijn Gods wegen hoger dan de onze, altijd zijn Zijn gedachten hoger dan onze gedachten. Zeker, dat geldt de leiding van God in ons leven, dat geldt de weg van Gods voorzienig- heid, hoewel de nadruk daar hier zeker niet op valt. Het geldt vooral Gods weg met ons in het geestelijke leven. Waar we onszelf een beetje hebben leren kennen als hard, onwillig, en ook weinig bereid om te vergeven. Waar we vaak bezig zijn met eigen wegen te gaan, met te vallen in de zonde, met te hangen aan de dingen van deze tijd. Waar we vooral ook vaak bezig zijn (ondanks alles wat we gekregen hebben) met onze eigen weg van zalig willen worden. Een weg van toch zelf iets willen bezitten, zelf iets willen geven of teruggeven. Een weg van toch zelf iets willen doen, van zelf, in eigen kracht beter willen worden. En dus een weg van: groter willen worden voor God.

Maar Gods gedachten zijn hoger. Er is een hemelhoog verschil tussen onze gedachten en onze weg, en hoe God het wil. De Heere zegt door de mond van Zefanja: Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk; die zullen op den Naam des HEEREN betrouwen (Zefanja 3:12). Mijn weg is dat u krimpt, dat u steeds verder krimpt. Mijn gedachten zijn dat u buigt, dat u steeds verder buigt. Totdat u niets anders overhoudt dan: Mij. Dan de Naam des Heeren, de Naam van Immanuël, God uit genade met ons. God, Die om Christus wil rijk is in barmhartigheid en menigvuldig vergeeft. Met ons, met wie het alleen maar slechter lijkt te worden. Omdat? Omdat we door Gods genade steeds meer zien, dat we van onszelf horen bij die mensen, die de Heere in vers 7 noemt: goddelozen, mensen van ongerechtigheid.

Maar, wonder van Gods gedachten: hoe dieper we buigen, hoe meer we daarmee instemmen, hoe meer we ook mogen zien en geloven: er is geen reden om aan Gods genade te vertwijfelen. We kunnen Hem vertrouwen. Hij vergeeft menigvuldig. Hoe meer ik gezondigd heb, hoe groter de rekensom, hoe groter de keersom van Zijn vermenigvuldigde genade en vergeving uitvalt. Zo hoeven (zegt Calvijn) berouwvolle zondaars niet te wanhopen aan Gods genade. Hoewel dat (en het is goed om dat ook te zeggen), hoewel dat nooit een vrijbrief mag worden, om misbruik te maken van Gods genade, door in de zonde verder te gaan.

Laat ik, gemeente, tot slot een paar vragen beantwoorden, die wellicht bij u opgekomen zijn. Twee vragen en twee antwoorden.

a. U zegt: God vraagt hier allerlei dingen van mij (en u vraagt ze nu ook weer van me), maar ik kan(!) dat allemaal niet. Mijn antwoord is: ‘Dat moet u maar tegen de Heere zeggen.’ En dan krijgt u van God dit antwoord: ‘Goddeloze, verlaat deze weg. Ongerechtige man of vrouw, verlaat deze gedachten en bekeer u tot de Heere. Dit is nu juist het antwoord op uw bezwaar, waar u al jaren mee loopt te zeulen. En als God dan nu antwoord geeft, moet u niet weer hetzelfde blijven zeggen. Dat zijn uw gedachten: God moet geen moeilijke, God moet geen onmogelijke dingen van mij vragen. Dat zijn nu juist uw gedachten, die u verlaten moet!

Blind bent u (God geve u geopende ogen!), blind bent u voor de goedheid van God en voor de rommelende ingewanden van Zijn barmhartigheid en ontferming, waarmee Hij juist tegen u zegt: ‘Luister, vriend, je wil niet, je verzet je al jaren, maar kom. Verlaat die weg, verlaat die gedachten. Keer je daarvan af en kom terug, naar Mij, Die je verlaten hebt. Heb berouw in het diepst van je gedachten. En kom. Ik ben bereid (verbaas je daarover!), Ik ben bereid om je alsnog, na al die jaren, te vergeven. Ik ben nu nabij. Dus maak haast. Want je weet niet hoe lang dat nog duren zal.’

De tweede vraag: b. U zegt: Mag ik wel terug gaan, mag ik wel terugkeren naar de Heere, na alles wat ik gedaan heb? U moest eens weten wie ik ben, u moest eens weten wat ik allemaal heb gedaan? Ik antwoord: ‘Ja, de Heere weet dat heus wel. Want Zijn gedachten zijn hemelhoog boven u. Hij weet alle dingen.’ En toch, juist daarom nodigt Hij u. Omdat u zo slecht bent. Geloof Zijn heil- en troostrijk woord. Laat u toch met Hem verzoenen. Hij kent u door en door. Hij zegt niet voor niets tegen u: ‘Goddelozen, ongerechtige man of vrouw.’ Tegen u zegt Hij: Kom. Mijn Zoon is juist voor zulke verloren mensen in deze wereld gekomen, om de zonden weg te dragen van de goddelozen, om de schuld te dragen van mensen vol van ongerechtigheid. Denk maar aan wat Jesaja schrijft in hoofdstuk 1: Wast u, reinigt u, doet de boosheid uwer handelingen van voor Mijn ogen weg, laat af van kwaad te doen. Leert goed doen, zoekt het recht, helpt den verdrukte, doet den wees recht, handelt de twistzaak der weduwe (wat wil zeggen: Bekeer u!) Komt dan (in die weg), en laat ons samen rechten, zegt de HEERE; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol (1:16-18).

Als laatste: nog één waarschuwing en een bemoediging.

a. Een laatste waarschuwing: Hoe zult u ontvlieden, als u op zo grote zaligheid geen acht genomen hebt? (Hebr. 2:3) Als u Gods raad, als u Zijn gedachten verworpen hebt, als u Gods bestraffing (om u wakker te schudden) niet gewild hebt, dan zal Hij straks in uw verderf lachen. Hij zal spotten, wanneer uw vrees komt, wanneer uw vrees komt gelijk een verwoesting en uw verderf aankomt als een wervelwind, wanneer u benauwdheid en angst overkomt. Dan zult u tot Hem roepen, maar Hij zal niet meer antwoorden. Dan zult u Hem vroeg zoeken, maar u zult Hem niet meer kunnen vinden. Vandaag is de Heere nabij. Morgen is voor uw bekering te laat.

b. Een laatste bemoediging: Maar voor iedereen die komt, door de weg van bekering, berouw en schaamte, geldt: Ik (zo zegt de Heere) delg uw overtredingen uit als een nevel, en uw zonden als een wolk. Keer weder tot Mij, want ik heb u verlost (Jesaja 44: 22). Ik, ik ben het, die uw overtredingen uitdelg om Mijnentwil, en ik gedenk uwer zonden niet (Jesaja 43: 25). Want Ik vergeef menigvuldig!

Amen.

Slotzang Psalm 86:3:

HEERE, door goedheid aangedreven, Zijt Gij mild in ’t schuld vergeven. Wie U aanroept in den nood, Vindt Uw gunst oneindig groot. HEERE, neem mijn gebed ter oren; Wil naar mijne smeking horen; Merk, naar Uw goedgunstigheên, Op de stem van mijn gebeên.