HEERE zal het voor mij voleinden – Psalm 138 – nabetrachting

HEERE zal het voor mij voleinden

Preek Psalm 138:8: De HEERE zal het voor mij voleinden; Uw goedertierenheid, HEERE ! is in eeuwigheid; en laat niet varen de werken Uwer handen.

LEESPREEK

Zingen van de wegen des HEEREN
Ds. J. IJsselstein – Psalm 138
 
Liturgie dienst:
Psalm 138:1
Psalm 138:2
Lezen Psalm 138
Psalm 111:1,2,3
Psalm 138:3
Psalm 89:1,7,8
 
Gemeente in deze dienst van nabetrachting zingen wij mee met de dichter van
Psalm 138. Woorden van dank, van verlangen, van aanbidding en van gebed die ons hart wel mogen vervullen. We overdenken het geheel van Psalm 138. Ik lees u samenvattend alleen het 8e vers nog voor:

De HEERE zal het voor mij voleinden, Uw goedertierenheid, HEERE!
Is in eeuwigheid, en laat niet varen de werken Uwer handen.
 
Het thema voor de preek van vanmiddag is:
Drie soorten van overdenking naar de bediening van het Heilige avondmaal.
 
Er zijn drie gedachten.
1. Innig danken
2. Oprecht verlangen
3. Hoopvol bidden
Als eerst dus:
 
1. Innig danken

Er is heel wat gebeurt. Nooit gedacht dat het zo zou aflopen. Want wat is het donker geweest in het leven van David. Achtervolgd door koning Saul en meer dan eens gedacht dat hij in de hand van Saul zou omkomen, dat het zijn leven zou kosten.

Hoe vaak heeft hij niet getwijfeld in die tijd? Zou God Zijn genade vergeten? Nooit meer van ontferming weten? Wordt de belofte dan nooit vervuld? De belofte koning te zullen worden in Israël?
En nu, nu is het toch zover gekomen. David is koning geworden.
 
Maar juist dan als de belofte vervuld is, dreigen er gevaren.
Jongens en meisjes, je hebt altijd al iets heel graag willen hebben van je vader en moeder en je hebt het zo vaak gevraagd aan papa en mama: mag ik alstublieft dit? Mag ik alstublieft dat? Die hele grote legodoos, dat hele mooie spel, die computer, die fiets?

En je hebt vaak gedacht: volgens mij…, krijg ik het nooit. Het is vast te duur, het is vast te groot. En toen ineens op die dag, misschien was het wel je verjaardag, toen kreeg je het toch! Wat was je blij, wat was je dankbaar en wat hield je veel van papa en mama! Je vond ze zo lief, ze hadden zoveel gegeven, zo’n duur cadeau.

Ja, dat was toen. En nu een paar weken, een paar maanden later denk je bij jezelf: die fiets die is van mij. Je bent er trots op geworden: die is van mij, die mooie fiets.
En je zegt misschien wel tegen je vriend of vriendinnetje: die is lekker van mij! Moet je kijken hoe mooi die van mij is. Je bent trots geworden…

Dus wat is het gevaar als je iets gekregen hebt? Als je heel veel gekregen hebt? Ondankbaarheid. Dat je denkt: dit is van mij, ik heb het zelf verdiend.
Trots. Dat je vergeet dat je het gekregen hebt, en van wie je het hebt gekregen.
 
En dat gevaar bestaat ook voor ons mensen die vanmorgen hier aan het Heilig Avondmaal gezeten hebben. We hebben veel gekregen van de Heere en we zeggen: het was niet verdiend, het was genade. Weet je wat dat woordje betekent? Het betekent: ik heb het niet verdiend.
En dan toch, even later dan komt het in ons hart toch weer naar boven: vergeten, ondankbaar, trots, hoogmoedig…
 
En daarom is het goed om een dienst van nabetrachting te hebben. Zo heet het: nabetrachting. Betrachten betekent: doen. Dus je doet iets ‘na’, na het avondmaal,
na-betrachting.

Hoe ging het eigenlijk bij David, toen hij eindelijk had gekregen waar hij zo naar had verlangd en zo vaak om had gebeden? Wat doet hij daar-na? Wat is zijn na-betrachting? Hij gaat zingen. Hij gaat, en dat is onze eerste gedachte, innig danken. Ik zal U loven met heel mijn hart in de tegenwoordigheid der goden zal ik U, o Heere psalmen zingen.
 
Ik zal U loven met heel mijn hart.
Volmaakt, perfect, niets op aan te merken? Nee, dat staat er niet.
Er staat dat hij het doet met heel zijn hart, met alle liefde van zijn hart. Met mijn hart en met mijn ziel en met al wat binnen in mij is, zal ik U loven.
 
Ik zal U loven!
Wat zou jullie het liefste doen, jongens en meisjes? Stel, je was al groot en je was ook aan het avondmaal geweest, wat zou je dan het liefste zeggen? Zou je dan zeggen: kijk eens mensen, goed hè? Ik houd ook zoveel van de Heere, ik heb ook een nieuw hart gekregen, dat heb je toch gezien? Want ik ben aan het avondmaal geweest…

Wat zegt u het liefst, u die vanmorgen aan het avondmaal geweest bent? Bent u nu vanmiddag geneigd om te zeggen: ja, vanmorgen, toen ik daar zat, toen ervoer ik dit in mijn hart en toen voelde ik dit en toen voelde ik dat…?

Hoort u? Het gaat allemaal over ik… en over ik
Het is alsof David zijn eigen hart ook kent en daaraan denkt, en vanmiddag tegen u en tegen mij zegt: het is goed, het is zoveel beter om de Heere te loven.
 
De Heere loven met heel je hart. Dus met alles! Want weet je, jongens en meisjes, een nieuw hart hebben dat betekent dat alles nieuw wordt: je ogen, je oren, je mond, je handen, je voeten, alles. Dus de Heere loven met heel je hart, dat wil zeggen de Heere loven met alles wat in je is, met heel je innerlijk: ‘Mijn lof, o Heere, mijn dank en roem zijn voor U, o grote God.

Want U hebt mijn ziel gered van de dood en mijn ogen van tranen. U hebt mijn ziel beveiligd voor de dood’.
 
Met je innerlijk, met alles wat in je is.
Ook met de ogen waar je mee kijkt en met de oren waarmee je luistert. Ook met de handen waarmee je alles doet wat je doet, met de mond waarmee je zegt wat je zegt.

Met alles wat in je is zeggen en zingen. Zoals de dichter hier in de tegenwoordigheid van de goden (dat wil zeggen: van belangrijke mensen, van koningen en rechters) zegt: Ik zal U psalmzingen, o Heere.
Met andere woorden: ik zal me voor niets en voor niemand schamen.
 
Als de Heere dan, avondmaalgangers, zoveel gedaan heeft in uw leven, als Christus dan Zijn leven gegeven heeft om uw leven te redden, dan kan het toch niet anders, dan ga je hoe dan ook, hoe eenvoudig ook, toch Gods lof zingen.

Dan komt er een begeerte in je hart om altijd, in heel je leven, te laten zien (niet alleen op zondag, maar ook op maandag, dinsdag, woensdag en ga zo maar door), om iedere dag van je leven te laten zien, te laten merken wie de Heere voor je is.

Om te laten zien en te laten merken, dat het leven met de Heere geen zure toestand is, maar een leven (naast alle tranen en verdriet, want die zijn er ook), een leven van blijdschap en vrede in de Heere. Dat het een liefdedienst is, die je echt iedereen zou willen toewensen.

Als God je hart vult met liefde van Christus, dan kan dat toch niet anders? Anders is het  
niet goed. Die liefde vervult dan je hart ook weer met wedeliefde, met ‘terugliefde’ tot God en tot andere mensen. En dan zeg je met woord en met daad: kom, mensen, het is zo goed om de Heere te vrezen, het allerhoogst en het eeuwig Goed.
 
Ja, ik zal het je zeggen, jongelui, namens alle mensen die hier zaten, ik moet eigenlijk beter zeggen ‘namens de Heere’: het is zo goed om de Heere te dienen! Nog nooit heeft iemand van de mensen die hier vanmorgen zaten daar spijt van gekregen.

Als u spijt gekregen heeft, mag u opstaan en mag u het nu zeggen…
Niemand kreeg ooit spijt van de dienst van de Heere.

We hebben veel ingeleverd. We hebben de zonde en onze liefde tot de zonde ingeleverd. Maar ik zal je eerlijk zeggen, het ging vanzelf. We hebben het uitgespuugd en gezegd: ‘de zonde? Eruit! We willen de zonde niet meer; we willen God dienen!’

En we hebben zoveel meer van de Heere terug gekregen: vrede met God, door het bloed van de Heere Jezus Christus.

En ik zal je zeggen, jongelui, sindsdien ziet de wereld er anders voor me uit. Je mag het allemaal hebben. Want de liefde van God in Christus gaat ver boven alles van deze tijd. De schatten van nu? Je mag ze hebben, allemaal. Want, weet je waarom? We zien uit naar een Vaderland. We zien uit naar de grote dag van de bruiloft van het Lam.
 
Die lof zingen met heel je hart. Lof zingen, daar hoef je geen lid voor te zijn van een andere kerk. Dat kan en dat mag en dat moet ook als gereformeerd, als Bijbels christen. God loven, met je mond, met je handen, met heel je leven.
 
En zegt de dichter: ik zal mij nederbuigen naar het paleis van Uw heiligheid, naar Uw tabernakel, en Uw Naam loven.

De tabernakel, dat weet je jongelui, daar staat in het heilige der heilige: de ark. Daar woonde de Heere Zelf, boven het verzoendeksel. Daar was Zijn troon, de genadetroon. Daar woonde God, in waarheid en goedertierenheid.

In waarheid, dat wil zeggen: wat God zegt is waar. Dat is eerlijk waar, daar kun je van op aan, dat is betrouwbaar, de Heere liegt niet.

In goedertierenheid, dat wil zeggen: de Heere is trouw. Hij laat Zijn kinderen nooit, echt nooit los. Hij houdt ze altijd vast, wat ze ook doen en wat ze ook gedaan hebben, en Hij blijft altijd van ze houden. En daarom zegt deze dichter: omdat U Heere nu zo bent (betrouwbaar en trouw), daarom zal ik U loven.
 
Want U hebt vanwege Uw ganse Naam Uw woord groot gemaakt.
Eigenlijk staat er: U hebt boven Uw Naam, dat wil zeggen, boven alles wat U gedaan hebt (boven het werk van Uw handen), daarboven hebt U Uw woord groot gemaakt.

De dichter zegt als het ware: ik zie het en ik heb het gezien: U hebt Uw woord vervuld. Het woord van Uw belofte, van Uw belofte van verzoening, van het zenden van de Messias, van de Christus.

Alles in de tabernakel wees vooruit, alles wees heen naar de komende Christus. En nu (door het geloof in het Woord van de belofte), nu mag ik geloven en vertrouwen: Hij is gekomen, Uw woord is vervuld. En daarom is er reden om Uw Naam te loven.

En daarbij, ook Uw woord in mijn persoonlijke leven hebt u vervuld. U hebt Uw naam groot gemaakt. Jarenlang zegt David (als het ware), heb ik er naar uitgezien. Jarenlang heb ik er naar verlangd, gehoopt op de belofte. Hoe vaak heb ik niet getwijfeld?

Maar nu is het gebleken: U bent, o God, een Waarmaker van Uw woord, van Uw belofte, van Uw toezegging. Groot is het werk Uwer handen. Het werk van U, o God, in de natuur, in de
schepping. U hebt alles gemaakt: de bomen, het gras, de dieren, de mensen: alles! Maar nog groter, boven het werk van Uw handen, is het werk van Uw genade in mijn hart.
 
Want zegt de dichter in vers 3: toen ik riep, toen hebt U mij verhoord.
Het was mij genoeg Heere dat U me hoorde. Zoals de dichter van Psalm 116 zingt: God heb ik lief, want die getrouwe Heere, hoort mijn stem, mijn smekingen en Hij neigt Zijn oor tot mijn geroep.
En het is alsof de dichter zegt: en ik wachtte en ik verwachtte en ik hoopte op Uw onfeilbaar woord. En toen…, toen hoorde God. Hij is mijn liefde waardig!
 
U hebt verhoord en mijn wankele geloof is gesterkt, zo staat er in vers 3: met kracht in mijn ziel.
Hebt ook u dan geen reden, als het ook zo is in uw persoonlijk leven, om de Heere te loven? Ja toch? Met uw hele hart, met uw hele ziel en met alles wat in u is?
 
En hebt u trouwens geen reden om treurig te zijn? Ik bedoel u, die vanmorgen niet hier aan de tafel was? Misschien hebt u in de afgelopen weken al dat gepreek over zuchten en treuren, over tranen en dorst wel een beetje veracht in uw binnenste. Totdat u vanmorgen zag en straks zien zult dat het waar is, wat een andere dichter zegt: die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien.

Beste vrienden, u mist zoveel. Hier hebt u gezien, en u weet het ook in uw hart en uit wat u soms gezien hebt in het leven Gods kinderen: dat de hemel niet daar, niet daar boven begint, maar dat de hemel hier, hier op aarde begint: God loven met heel je hart! Er is zoveel vreugde in de dienst van de Heere.

Juist ook als we door het geloof op de tekenen mogen zien en daarin iets mogen ontwaren met ogen van geloof van de onnaspeurlijke rijkdom die in Christus is. Voor zulke slechte mensen als wij zijn.
Beste vrienden, ik maak u geen verwijt, maar ik maak me grote zorgen om uw ziel. Hoe moet u straks voor God verschijnen?

Ons tweede aandachtspunt:
 
2. Oprecht verlangen
We lezen in vers 4 en 5: Alle koningen der aarde zullen U, o Heere! Loven, wanneer zij gehoord zullen hebben de redenen Uws monds. En zij zullen zingen van de wegen des HEEREN, want de heerlijkheid des HEEREN is groot.

Zij zullen U loven en zij zullen zingen, staat er. Je kunt het trouwens ook lezen als een gebed, als een wens: laten zij U toch, Heere, loven en laten zij toch ook zingen van de Uw wegen.

Het is ons gebed, jongens en meisjes, dat ook jullie als kinderen (hoe klein je ook bent, of
groter), dat je de Heere zult loven. En dat je ook als je jong bent, zult gaan zingen in je hart, met je mond en met alles wat je doet, zingen van de wegen des Heere.
 
De Heere loven, zo was het vroeger in het paradijs: zingen van de wegen van de Heere.
Als de Heere je laat kijken in je hart, dan ga je de sombere tonen zingen van het: ‘Genâ, o God, genâ, want ik heb tegen U gezondigd en ik ben het niet waard dat U ooit nog naar me omkijkt. Ik ben het niet waard, om Uw kind te zijn’.

Maar als de Heere je ogen richt op de Heere Jezus Christus, op de tekenen van brood en wijn en je daardoor heen mag zien de liefde van een stervende Heere Jezus aan het kruis, dan ga je ook andere tonen zingen, tonen van blijdschap en verwondering, zoals hier staat: zingen van de wegen des Heere.

Dan ga je echt zingen: ‘God heb ik lief, want die getrouwe Heere hoort mijn stem, mijn smekingen, mijn klagen’.
Het is ons hartelijke gebed, jongens en meisjes, dat je de Heere zult gaan loven. En dat je terwijl je nog jong bent, ook zult gaan zingen van de wegen des Heeren.
 
En het is ons gebed, gemeente, dat ook u die hier vanmorgen niet was, eerdaags de Heere zult gaan loven en zult gaan zingen van de wegen des Heeren.

a. Ik bedoel in de eerste plaats u die genodigd was en die ook komen mocht vanwege het werk van God in uw hart. U had toestemming om te komen en toch…, in ongeloof, in twijfel bleef u zitten in uw bank. O, onverstandigen en tragen van hart om te geloven alles wat Christus tot u sprak.

Zijn liefdebevel kon uw twijfel niet overmeesteren, zo leek het althans. Maar u was het zelf, die Zijn inzetting naliet. Wees niet innerlijk tevreden. Alsof het beter en vromer is, om in je bank te blijven zitten dan om aan te gaan. Schaam u diep voor de Meester en verneder u, want Hij ziet de nederige aan.

b. Het is in de tweede plaats ook ons gebed dat u die niet genodigd werd (omdat u het werk van de Heere in uw hart niet kent), het is ook onze hartelijke bede dat u eerdaags toch zult gaan zingen van de wegen des Heeren.

En ik vraag u vanmiddag in alle liefde en ernst: hebt u er nu vanmorgen niets van gezien?  Hebt u nu helemaal niets gezien van de heerlijkheid van de dienst van de Heere? Was u hart dan echt helemaal van steen? Was u nu echt al alleen maar in uw bank bezig om anderen te beoordelen, terwijl de dank van de farizeeër in uw hart was: dank u, Heere, dat ik niet ben als die, en die, en die?

Of was er begeerte in uw hart en het gebed: ‘Och, dat ook mijn oog dat goede aanschouwen zou?’ Weet u, u kunt ook zo gelukkig worden. Er is een weg, voor mensen zoals u, een weg voor slechte mensen, harde mensen, ongevoelige mensen, onverschillige mensen, er is een geopende weg voor vrome farizeeërs.
 
Want zegt vers 6: de Heere is hoog nochtans ziet Hij de nederige aan en de verhevene kent Hij van verre.
Een weg voor u en een troost voor alle avondmaalgangers: Hij ziet de nederige aan.
Hij ziet vanuit de hoge neer op wie bukt, op wie buigt, op wie zijn of haar knieën buigt voor de Heere. Wie u dan ook bent, verneder u dan voor de Heere. En buig toch voor Hem.

Want wie laag is in zijn eigen oog en wie zich vernedert voor de Heere, die wordt hier als bemoediging gewezen op hoe God is: de hoge God in de hemel, Hij ziet uit de hoge neer op hen die nederig knielen.
Maar, de dichter zegt ook: wie trots is, wie trots is op zijn wijsheid, op zijn kennis, op zijn vroomheid, op zijn rijkdom, op zijn heiligheid, op zijn voorbeeldige leven, en wie anderen veracht, die kent God van verre.

Wees op uw hoede, ook u avondmaalgangers, wie op anderen neerkijkt, de Heere zegt: de verhevene, de trotse, die neerkijkt op een ander, die ken Ik van verre. Letterlijk staat er: die wordt verstoten. Die zal Ik verwerpen.
 
Hier valt, gemeente, vanmiddag in de dienst van het Woord, de grote scheiding.
Wie overeind blijft, trots en fier overeind, die gaat het verliezen. Die zal het echt verliezen. Die zal, staat hier, voor altijd verstoten worden. O, laat u dan toch waarschuwen, voordat het te laat is. Voordat straks de bruiloft van het Lam gevierd zal worden en u zult aankloppen, maar zult beginnen buiten te staan.

U zult terugdenken aan zoveel zondagen in deze kerk. U zult zonder twijfel ook terugdenken aan deze dag, aan deze zondagmorgen en aan deze zondagmiddag. Toen u de tekenen zag van de liefde van de Heere Jezus Christus en toen u Zijn liefdevolle stem opnieuw hoorde, maar toch… niet luisterde.
En u zult eeuwig spijt hebben. O, laat u toch met God verzoenen, voordat het voor altijd te laat is.
 
Hier valt de grote scheiding. Wie overeind blijft, die zal vallen. Maar wie hier op aarde door genade bukt en buigt en breekt, die valt in de handen van een goedertieren en genadig God. Die, ofschoon oneindig hoog, het oog genadig slaat op hen die nederig knielen.
 
Ons derde aandachtspunt:
 
3. Hoopvol bidden
We lezen in vers 7 en 8: Als ik wandel in het midden der benauwdheid, maakt Gij mij levend; Uw hand strekt Gij uit tegen den toorn mijner vijanden, en Uw rechterhand behoudt mij. De HEERE zal het voor mij voleinden; Uw goedertierenheid, HEERE! Is in eeuwigheid; en laat niet varen de werken Uwer handen
 
Misschien was dat vanmorgen wel de ervaring van uw hart. Avondmaalganger, u was in het midden van, dat wil zeggen omringd door, benauwdheid. Uitwendige zorgen en tegenspoed, die vaker het deel zijn van Gods kinderen. Inwendig strijd, zonde en twijfel. De duivel die twijfel zaait: zou het wel waar zijn? Misschien is het allemaal opvoeding. Is het niet allemaal van mezelf? En dan nog de trekkracht van de wereld…
 
En dan, midden in de benauwdheid, maakt U mijn ziel levend. Mijn ziel, mijn hoop, mijn moed, mijn geloof weer levend gemaakt. En toen mocht ik weer zingen van de wegen des Heeren. Niet van mezelf, niet van mijn wegen met Hem, maar ik mocht zingen van Zijn wegen met mij. ‘Ik zal nu, ik mag ademhalen na zoveel bange tegenspoed al mijn geloften U betalen’.

In het midden van de benauwdheid maakt U mij levend, door mijn oog te richten op Hem Die in mijn plaats wilde staan. Als de Heilige Geest het oog opnieuw richt op Christus, dan wordt het hart weer levend. Dan wordt de moed weer verlevendigd en dan komt het geloof weer in beoefening.
 
Als ik mag zien en mag geloven wat hier staat: Uw rechterhand behoudt mij.
Uw rechterhand. De rechterhand van de Almachtige. Een teken van geweldige kracht, van almacht in de strijd tegen al mijn vijanden. Ons staat een sterke Held ter zij.

De rechterhand van de Allerhoogste, vooral heenwijzend naar de Man van Gods rechterhand. Die zit aan de rechterhand van de Vader in de hemel, met andere woorden: Uw rechterhand, Uw Christus behoudt mij, Hij redt mij.

Dat is toch de vreugde van het leven van een kind van God. Hier op aarde. Bij alle wisselingen die in het leven der genade zijn.

Misschien zegt u: het is vaak donker en er zijn vaak wolken. Het is net als in dit voorjaar. Het is eigenlijk meer bewolkt dan dat de zon schijnt. Maar als u eerlijk bent, zegt u toch ook: ja, maar soms breekt de zon door, en dan zeg ik met heel mijn hart: Uw rechterhand o God, Uw Christus, Mijn Zaligmaker behoudt mij en redt mij.

‘Hij voor mij’, dat is bron van blijvende verwondering, vreugde, blijdschap en hoop.
Zijn scheppende handen hebben mij gemaakt, Zijn doorboorde handen hebben mijn ziel gered. En zijn verheerlijkte handen aan de rechterhand van de Vader zullen mij behouden, zullen mij vast houden.
 
Want, zo staat er in vers 8, de Heere zal het voor mij voleinden. Hij zal het voltooien. Hij zal Zijn werk in mijn hart afmaken. Hij begon ermee. Hij was het begin, de Alfa. En Hij is ook het einde, de Omega. En daarom komt het goed.

Daarom, Godvruchte schaar, houd moed. Want Hij laat nooit varen de werken van Zijn handen. En als Hij werkt, wie zal het dan keren?
De duivel niet, de zonde niet, de wereld niet en vooral u en ik niet: niets. Zoals Hij Zijn belofte vervulde vanmorgen, zo zal Hij doorgaan.

Primair gaat het hier om het koningschap van David. Dat zal zijn tot in eeuwigheid. Maar het geldt ook voor al Gods kinderen: God laat nooit varen, Hij laat nooit los de werken van Zijn handen.
Eigenlijk, zo zou je kunnen zeggen, is dit de oudtestamentische versie van wat staat in Filippenzen 1: Vertrouwende ditzelve, dat Hij, Die in u een goed werk begonnen heeft, dat voleindigen zal tot op den dag van Jezus Christus (1:6).
 
Daar gaat het heen, daar gaat het op aan: op de dag van Jezus Christus. Dan is het werk in onze harten af. Dan is het voltooid, dan is het volmaakt. Dan is het weer zoals het ooit was in het paradijs: volmaakt, tot eer van God. Ja, dan is het nog veel heerlijker.

Want dan zullen we niet alleen maar roemen en zingen van de werken van Gods hand in de schepping. Maar we zullen nog veel meer zingen van de wegen des Heeren met ons hart. Van Zijn trouw in de vervulling van Zijn woord, in de vervulling van Zijn belofte. Dan zullen we eeuwig zingen van Zijn goedertierenheden.

Daarvan, dat Hij ons opgeraapt heeft uit een ruisende kuil en uit modderig slijk en onze voeten gezet heeft op de weg des levens. Dat Hij ons altijd heeft vast gehouden en nooit heeft losgelaten. We zullen zingen, zegt de dichter, van de wegen des Heeren voor altijd. Niet van onze wegen met Hem, maar van Zijn weg met ons.

Dan is de benauwdheid voorbij, dan zijn de tranen weg, dan is er geen honger meer, geen dorst meer, geen donkerheid meer, maar vooral, dan is de zonde er niet meer. Eeuwig verenigd met de Hemelse Bruidegom, Die vanmorgen voor het eerst of opnieuw de ring van Zijn ondertrouw aan onze vingers schoof.
 
De dag van Jezus Christus komt. De dag, kinderen van God, van onze eeuwige bruiloft. Hier is het avondmaal maar een kort moment van ontmoeting met Christus, van dicht bij Hem zijn. Maar straks zal Hij de armen, die hongeren, die dorsten, die treuren in Zijn armen nemen en in Zijn schoot dragen. En omhelzen en zeggen: kom, gezegenden van mijn Vader.

Dan zal de echo van Golgotha doorklinken tot in de hemelse heerlijkheid. Want daar op Golgotha klonk: het is volbracht. De prijs is betaald en de schapen zijn gekocht. Dan zal klinken uit de mond van God de Heilige Geest: het werk in hen is ook af, het is voltooid, het is volmaakt, het is volbracht.
 
En dan blijft er werkelijk niets anders meer over dan te zingen, te zingen van de wegen des Heeren. Want de heerlijkheid des Heeren is groot.
Wat zal de toon zijn, wat zal de inhoud zijn van onze lof? Kijk maar in vers 8: Uw goedertierenheid, o Heere, is in der eeuwigheid.

Uw goedheid straalde ons toe. Uw macht hield ons vast in het lijden. Uw onverwinb’re trouw hield ons staande. En Uw onbezweken trouw liet nooit onze val toe. Het is door U, Heere, door U alleen om het eeuwige welbehagen’.
 
Hier zijn we nog veel geneigd tot struikelen en vallen. En het is goed dat wij bedenken, geliefde medechristenen, kinderen van God, dat ook de volharding der heiligen, het staande blijven geen werk is van ons. We kunnen dat niet in eigen kracht.

En ik zeg u ook: wees gewaarschuwd. In tijden van grote zegen, als de Heere Zijn woord en Zijn belofte vervult, dan ligt de duivel op de loer om ons aan te vallen, om ons te verleiden tot zonde of om ons te brengen in grote twijfel.

En dat mag ons wel aansporen om te volharden in het gebed. En om meer te leven in het geloof. Het geloof in de blijvende trouw van God, in Zijn genade, die alleen bewaart voor afval en die de Zijnen vasthoudt.

In alle moeilijke omstandigheden van het leven, het zij binnen ons hart of daarbuiten, altijd alleen maar zien (en wat hebben we de hulp van de Heere daarbij nodig) op de trouw van de Heere. Dan zeggen we: Heere, U zult het voor mij voleindigen. Want Uw goedertierenheid is in eeuwigheid.
 
En dan bidden we: laat toch niet varen, Heere, het werk van Uw handen.
Want dat vertrouwen op de trouw en de goedertierenheid van de Heere maakt ons gebed niet overbodig. Dat wil ons gebed juist intenser, inniger en vuriger maken. ‘Heere, ik ben toch het werk van Uw handen. Als dat dan zo is Heere, laat me dan toch niet los’.
 
De Heere, mag dat uw lof zijn, kinderen van God, aan het einde van deze dag: de Heere zal het voor mij voleinden. Die Hij lief gehad heeft, die heeft Hij liefgehad tot het einde. En dat einde is de dag van Jezus Christus.

En de grote vraag gemeente, die ik in alle ernst aan het einde van deze dag aan u meegeef is: waar bent u dan, op de dag van Jezus Christus?
Wat zult u dan zingen?

Als de bazuin zal klinken en de stem van de archangel gehoord zal worden, en de
hemelen weggerold zullen worden als een dunne doek, en u de Zoon des mensen zult zien komen in grote kracht en heerlijkheid.
Wat zult u dan zingen?
 
Ik wou vluchten, maar ik kon nergens heen?
O, ik wenste wel, dat die dag dan werkelijk uw laatste dag zou zijn. Maar het zal de eerste dag zijn van een eindeloze eeuwigheid. O, vlucht toch voor de toekomende toorn, voordat het te laat is.
 
Of zult u dan zingen van de wegen des Heeren? Zult u dan zeggen: ja, dat is mijn Liefste. Die mij hier riep, als Zijn duive, zijnde in de kloven des steenrots, weggekropen in het verborgen van een steile plaats: ‘Doe Mij uw stem horen, Mijn liefste. Doe Mij uw stem horen en toon Mij uw gedaante. Want uw stem is zoet en uw gedaante is liefelijk…’

En u zegt, terwijl de wolken weggerold worden: ‘zie, ja, dat is mijn Liefste. Zie, Hij komt, springend over de bergen en huppelend over de heuvelen. Want nu is de grote dag gekomen, de dag waarop Zijn werk in mijn hart voltooid is. De grote dag van de bruiloft des Lams is gekomen.
 
Onze blijdschap zal dan onbepaald door het licht dat van Zijn aangezicht straalt, ten hoogste toppunt stijgen. En dan zullen we, niet meer voor een ogenblik zoals vanmorgen, maar voor altijd met de Heere zijn.
Zo dan vertroost elkander met deze woorden.
 
Amen.