Adam, waar zijt gij? – Genesis 3

Adam, waar zijt gij?

Preek Genesis 3:9: En de HEERE God riep Adam, en zeide tot hem: Waar zijt gij? En hij zeide: Ik hoorde Uw stem in den hof, en ik vreesde; want ik ben naakt; daarom verborg ik mij. En Hij zeide: Wie heeft u te kennen gegeven, dat gij naakt zijt? Hebt gij van die boom gegeten, van welken Ik u gebood, dat gij daarvan niet eten zou?

LEESPREEK



Gemeente, de preek vanmorgen gaat over Genesis 3: 9. De tekst voor de preek kunt u vinden in het boek Genesis, hoofdstuk 3 vers 9, waar we het woord van God als volgt lezen:
En de HEERE God riep Adam, en zeide tot hem: Waar zijt gij?
 
Het thema van de preek is: God zoekt Adam

Er zijn vier aandachtspunten.
1. Adams val (dat ziet u in vers 6-8)
2. Gods roep (dat ziet u in vers 9-11)
3. Adams antwoord (dat ziet u in vers 12 – 13)
4. Gods belofte (dat ziet u in vers 15).
 
Als eerste dus:

1. Adams val

Hoe gemeen was de duivel, toen hij tegen Eva zei: als je van die boom eet, dan zal je als God zijn, kennende goed en kwaad.
En zij luisterde. En hij luisterde, naar de slang die hen bedroog.
En ze aten samen van de boom, waarvan God hen verboden had te eten.
 
En toen werd alles anders.
Voorheen was alles zo goed, zo mooi. Alles schitterde en blonk van Gods liefde en gunst.
Ze waren geschapen naar het beeld van God en naar Zijn gelijkenis. Volmaakt in alles.
Alles was zo harmonieus, alles was zo vol van vrede.
Maar nu: de band, het verbond met God is verbroken. Oneindig diep zijn ze gevallen. Nu zijn ze alles kwijt.
 
Wat wordt er dan allemaal anders?
Toen (zo staat er in vers 7): Toen werden hun beider ogen geopend, en zij werden gewaar, dat zij naakt waren; en zij hechtten vijgeboombladeren samen, en maakten zich schorten.

Ze voelen het, ze weten het, dat ze gezondigd hebben. Ze voelen dat hun binnenste zichtbaar is voor God. Ze voelen het: alle dingen zijn naakt en geopend voor God, met Wie wij te doen hebben.

En… ze plukken bladeren van de bomen en maken er schorten, rokken van. Om zich als het ware daar achter te verbergen, daar achter te verstoppen.
En even later verbergen ze zich weer, achter de bomen van de tuin, van de hof, van het paradijs.
 
Het kwaad is gekomen in hun hart. Het zit van binnen. Het is van binnen niet meer goed met God. Maar, ze verschuiven het probleem van binnen, naar buiten. Ze maken voor zich schorten, iets waardoor het uiterlijk nog wat lijkt.

Je ziet het als het ware voor je: ze plukken driftig bladeren van de bomen… Wat onhandig, dat hebben ze nooit eerder gedaan… En dan, dan dat wat trotse en zelfgenoegzame gezicht van Adam: niet slecht, voor de 1e keer…

Job zegt later: Adam heeft zijn overtredingen bedekt, hij heeft door eigenliefde zijn misdaad verborgen.
Het is eigenliefde. Onze eerste reactie op zonde is: verbergen! Laat het uiterlijk nog wat lijken.
Maar, God ziet het hart aan. God ziet naar waarheid in het binnenste
 
Wat wordt er allemaal anders? Hun ogen worden geopend, ze maken zich schorten…
En (vers 8) zij hoorden de stem van den HEERE God, wandelende in den hof, aan den wind des daags. Toen verborg zich Adam en zijn vrouw voor het aangezicht van den HEERE God, in het midden van het geboomte des hofs.

Weet je wat opvalt? Het lijkt alsof Adam en Eva de Heere God totaal vergeten zijn. We weten niet hoe lang de tijd geduurd heeft tussen het eten van de boom en de komst van de Heere in de namiddag. Maar Adam en Eva doen verder helemaal niets. Ze lijken God totaal vergeten te zijn.
 
Totdat ze Hem horen. De adem van God, de stem van God.
Zo horen de stem van God, wandelend in de hof, aan het geluid van de koele wind van de namiddag.
En dan… Dan staan ze als versteend aan de grond… En dan rennen ze weg. Weg! Weg!
 
Zoals het gaan zou, als jij op bezoek zou zijn bij een heel gewichtig iemand. Bij een adellijke dam of een baron bijvoorbeeld. In dat grote, prachtige landhuis, in die grote hal, staat een hele dure, kostbare, antieke vaas. Je kijkt naar die prachtige vaas, maar ineens, je stoot ertegenaan, en door jou, valt die vaas om. Hhh… Hij is stuk, helemaal stuk.

Je staat er stil en geschrokken bij te kijken…
Totdat je ineens je voetstappen dichterbij hoort komen… Daar komt…
Je staat als versteend aan de grond. Maar dan, dan ren je weg! Je adem is diep, je hart bonkt, je bent bang!
Daar gaan ze! Adam en Eva, rennend voor hun leven!
 
Ze moesten naar God toe rennen. Maar ze rennen van Hem weg.
Waarom?
God is toch niet veranderd? Is er nu ineens zoveel reden om bang te zijn?
Er is geen donder of bliksem van de hemel. Het is stil als altijd.

Het is niet in de brandende hitte van de dag. Het is niet in het donker van de nacht. Dat is om bang van te worden. Maar het is in de koelte van de namiddag.
En God komt ook niet plotseling en onverwacht. Hij komt niet rennend, maar rustig wandelend…
God is niet veranderd. Maar Adam en Eva zijn veranderd.
 
En in plaats van te komen, zoals altijd, vluchten ze weg: weg! Bij God vandaan!
Zoals jij, zoals wij…
Het zou zó goed zijn, als we naar God tóe zouden vluchten. Maar we gaan van hem af, steeds verder en verder weg.
Zoals Paulus zegt: er is niemand, niemand (!) Die God zoekt.
 
Want… voor God moet ik me schamen, dus verberg ik me.
Want… voor God voel ik me schuldig, dus ren ik hard weg.

Je zegt: ja, ik voel me ongemakkelijk voor God. Daarom blijf ik soms ook wel eens thuis, hoewel ik eigenlijk naar de kerk zou moeten gaan. Of soms luister ik maar met half oor. Want ik voel me ongemakkelijk voor God. Ik voel me ongemakkelijk als God naar me toekomt. Zoals bij Adam in het paradijs.

Zoals Hij ook hier, vanmorgen, naar ons toekomt. Je hoort Gods voetstappen. Je hoort de adem van God in de preek, in Zijn woord…
En dan voelen we in ons hart: die zelfgemaakte schorten, God kijkt er dwars doorheen.
En dus vlucht ik weg. Er is niemand die God zoekt. We zijn allemaal op drift, we zijn allemaal op de vlucht. Vluchtelingen voor God.
 
Ja, want u denkt wel, en u zegt soms wel: ik bid al zo lang, ik zoek de Heere al jaren, mijn leven lang, maar Hij wil niet naar mij luisteren…
Maar, is dat wel eerlijk? Is dat wel waar?

Want de Heere zegt het anders. Hij zegt door de mond van Jesaja (65: 2): Ik heb Mijn handen uitgebreid, den ganse dag tot een wederstrevig volk, die wandelen op een weg, die niet goed is, naar hun eigen gedachten. U zoekt Mij niet, maar Ik zoek u. Ik zoek u, maar u wilt niet. U rent door op uw eigen weg, steeds verder bij Mij vandaan. Vluchteling voor God.
 
U verbergt u, die verstopt u, net als Adam. U verbergt u, u verstopt u voor het aangezicht van de Heere God. Maar wat is dat dwaas.
Want niemand kan zich voor Hem verbergen. Hij weet en ziet alles. Waar zou u Zijn aangezicht kunnen ontvluchten?

En bovendien, het maakt onze ellende alleen maar erger. Want alle goede gaven en giften komen bij God vandaan en dus, al wegrennend verliezen we steeds meer hoop, wordt onze toestand steeds uitzichtlozer!
 
Is een merkbare toorn bij God, Adam? Adam, hoor je donder en bliksem?
Waarom ren je dan weg? Waarom verberg je je dan?
Waarom ren je steeds verder weg, steeds verder bij God vandaan?

Dat komt niet door God. Dat komt echt door onze zonde. Dat: je schamen, God niet zoeken, God niet om vergeving willen vragen, God vergeten, je verbergen, je verstoppen, rennen: weg! Weg!
 
Maar onze goede God (zegt artikel 17 van onze geloofsbelijdenis) heeft door Zijn wonderlijke wijsheid en goedheid, ziende dat zich de mens zo in de lichamelijke en geestelijke dood geworpen en geheel ellendig gemaakt had, Zichzelf begeven om hem te zoeken, om Adam te zoeken, toen hij al bevende voor God vluchtte.
 
Ons tweede aandachtspunt:

2. Gods roep

We lezen in Vers 9 en 10:En de HEERE God riep Adam, en zeide tot hem: Waar zijt gij?  En hij zeide: Ik hoorde Uw stem in den hof, en ik vreesde; want ik ben naakt; daarom verborg ik mij.
Dit is een van de wonderlijkste gebeurtenissen van het Oude Testament. Wat een vriendelijke stem!

Hoe terecht was het geweest, hoe rechtvaardig was het geweest, als vuur uit de hemel onze eerste ouders had weggevaagd.
Maar hier blijkt dat het waar is, wat Jesaja later opschreef uit de mond van God: Grimmigheid is bij Mij niet.
 
Als in het suizen van een zachte stilte, klinkt de stem van de Heere: Adam, waar zijt gij? Adam, waar ben je?
God zoekt Adam.
Wij zoeken God niet. Er is niemand die God zoekt.
Maar God zoekt u. Waar bent u?
 
Weet de Heere dan niet waar Adam is? Is de Heere hem kwijt? Heeft Adam zich zo goed verstopt, dat de Heere hem niet meer kan vinden?
Nee, dat kan niet. De Heere ziet en weet alles.

Dus is niet de vraag: waar zit je? Dat weet de Heere huis wel. Net als papa en mama heus wel weten waar je zit, als je je op de zolder verstopt hebt, omdat je iets hebt uitgespookt.
En toch roepen ze: waar zit je?
 
Waar zijt gij? Waar ben je, Adam? Het betekent zoveel als: hoe zit je daar? Adam, in welke toestand ben je? Hoe ben je daar, achter de bomen?
 
Zoals God vanmorgen mij, u zoekt en roept: waar bent U? In welke toestand bent U?
U zegt: ik ben ver weg, ik ken God niet, ik leef in de zonde, ik ben op de brede weg naar het verderf.
 
Nee, wacht! U kunt dat niet zomaar van achter de bomen zeggen, u kunt dat zomaar niet antwoorden terwijl u zich verbergt achter die zelfgemaakte schort. Kom tevoorschijn!
Voor God. U staat vanmorgen voor God! U staat voor God in de prediking van het evangelie.

God staat voor u, voor mij, voor jou. En zegt: waar bent u? In welke toestand bent u?
Hoor toch de vriendelijke stem van de Heere (grimmigheid is bij Hem niet!) en: komt te voorschijn!
Mijn zoon, mijn dochter, waar bent u?
 
Wat is het antwoord?
Ik hoor niets… Het is doodstil… In de hof… Zoals het ook in uw leven doodstil is, terwijl God nu aan u vraagt: waar bent u? U rent van Me weg, u verstopt u, maar Ik (de alziende God) haal u tevoorschijn.
Daar staat u, voor God. Waar bent u? Maar blijft stil… Doodstil…
 
En dan? Wat een onbegrijpelijk wonder van Goddelijk geduld: de Heere gaat verder.
We lezen in vers 11: En Hij zeide: Wie heeft u te kennen gegeven, dat gij naakt zijt? Hebt gij van dien boom gegeten, van welken Ik u gebood, dat gij daarvan niet eten zoudt?

Waarom die vraag? Weer zo’n vraag. God weet toch wat Adam gedaan heeft, Hij weet toch wat Eva deed?
Ja, maar dit klinkt weer als een vriendelijke uitnodiging: Adam, zeg het maar.
Zoals papa of mama voor je staat en zegt: ik weet wel wat je gedaan hebt, zeg het maar eerlijk…
Zo staat God vanmorgen voor u en zegt: Ik weet wat u gedaan hebt, zeg het maar eerlijk tegen Mij.
 
O, wie heeft ooit zoveel vriendelijkheid en goedheid gezien en gehoord?
Gebroken met God, de Almachtige naar de troon gestoten, afscheid genomen van onze Schepper, van Hem weggerend, voor Hem gevlucht…

En dan… Een vriendelijke stem: kom terug, en zeg Me wat je gedaan hebt.
Scharlakenrode zonden? Vlucht niet weg, maar kom en zeg ze tegen Mij.
Karmozijnrode misdaden? Vlucht niet weg, maar kom en zeg ze eerlijk tegen Mij
 
Dit is niet voor goede mensen. Dit is voor slechte mensen. Dit is voor de allerslechtsten.
Kom. Zegt toch alles tegen Mij, alles wat u gedaan hebt.
 
Als de Heere vanmorgen zo voor u staat, is er dan iets wat u tegenhoudt?
Is er donder? Is er bliksem? Is er vuur?
Is er toorn, is er grimmigheid in Zijn stem, in Zijn hart?
Nee.
Het is de vriendelijke, liefdevolle stem van Hem met Wie wij gebroken hebben, die zegt: Kom, en zeg me alles wat u gedaan hebt.
 
Oh, geef dan vanmorgen antwoord en zeg met de dichter van Psalm 32 (wat we nu samen gaan zingen):
Ik beken, o Heere, aan U oprecht mijn zonden. En ik verberg geen kwaad dat in mij wordt gevonden. Het is
 
Ons derde aandachtspunt:

3. Het antwoord van Adam

We lezen in vers 12 en 13: Toen zeide Adam: De vrouw, die Gij bij mij gegeven hebt, die heeft mij van dien boom gegeven, en ik heb gegeten.  En de HEERE God zeide tot de vrouw: Wat is dit, dat gij gedaan hebt? En de vrouw zeide: De slang heeft mij bedrogen, en ik heb gegeten.
 
De schuldbelijdenis wordt hen in de mond gelegd. Adam, Eva, zeg het Mij maar na. U hebt van die boom gegeten, toch?
Maar Adam doet het niet.
Jij hebt die vaas omgegooid, toch? Kijkend naar de stukken en het gruis op de grond…
Eh…, nee, papa, het was de wind door het raam… Of, nee, iemand anders deed het, de schoonmaker, of…
 
Adam, heb je van die boom gegeten? Die boom waarvan Ik tegen je zei (vers 11): daar mag je niet van eten?
God plaatst Adam voor de spiegel van Zijn gebod, van Zijn wet. Hij houdt hem de spiegel voor. Ik heb toch gezegd dat dat niet mocht, Adam?
Zoals God vanmorgen ook die spiegel ons weer voorgehouden heeft: Ik heb het u toch gezegd…?
 
Uit heel hun houding, uit heel hun opstelling blijkt dat ze schuldig zijn. Het is zonneklaar wat ze gedaan hebben. Maar wat is hun antwoord?
Adam, heb je van die boom gegeten?
Antwoord? Geen ja, geen nee, maar een wijzende vinger. Naar? Eva.

Zij gaf me, en toen heb ik gegeten. Die vrouw, die U mij zo pas gegeven hebt. Toen was ik zo blij met haar, maar nu? Een wijzende vinger naar Eva, een wijzende vinger naar God.

U, Heere, bent eigenlijk medeplichtig. Wat U hebt Eva aan mij gegeven en nu heb ik gezondigd. U had het kunnen voorkomen, door haar niet aan mij te geven. En dat hebt U niet gedaan.
U herkent dat wel. Dat soort van gedachten, die wij ook vaker denken en gedacht hebben…
 
Eva, heb je van die boom gegeten?
Antwoord? Geen ja, geen nee, maar een wijzende vinger. Die slang, die heeft mij bedrogen.
 
En uiteindelijk zeggen ze allebei in koor: ik heb gegeten.
Fraaie belijdenis… Maar zo halfslachtig als het maar kan. Het is maar een halve bekentenis, zonder voelbaar berouw. Ze geven toe wat niet te ontkennen valt, maar verder beroepen ze zich op verzachtende omstandigheden en wijzen ze met hun vinger naar de ander, en zelfs naar God.
 
Zoals wij dat ook zo vaak doen. Onder de preek, in de kerk. Zoals ook nu.
Staande voor God: ja, Heere, ik heb gezondigd, maar… En dan komt er van alles en nog wat.
Tenminste zolang dat nog kan. Want er komt een moment, wie weet hoe snel, dat we weer voor God geroepen worden. En dan valt die tweede helft (dat ‘maar’) van die halfslachtige schuldbekentenis zonder twijfel weg.

Als we in de dag van het Goddelijke gericht opnieuw voor God zullen staan. Maar dan zonder vriendelijkheid. Het geduld is op, de liefde is veranderd in toorn.
O, stelt het toch niet uit tot die dag, om uw schuld voor God te belijden.

Want als u het zo ver laat komen, dan moet u wel en dan zult u wel zeggen: ja, Heere, U hebt gelijk. Maar dan zal Hij zeggen: ja, maar nu is het te laat.
Heden, nu God voor u staat, hier vanmorgen in de kerk: zeg Hem alles wat u gedaan hebt.
 
Het is een vriendelijke oproep aan… gevoelige, berouwvolle zondaars?
Nee! Dit is een oproep aan mensen die van God weglopen, die zich voor Hem verbergen, die altijd en ook nu weer onder de schuld uitkruipen. Dit is een hartelijke oproep aan mensen die geen berouw hebben en die niet willen belijden, die niet willen buigen!

Dit is Gods roep: kom, belijd uw schuld voor Mij.
De Heere is goed en vriendelijk en weldadig, barmhartig, mild, lankmoedig en genadig.
Kijk maar!
 
Het is ons vierde en laatste punt:
 
4. Gods belofte
Lees maar mee in vers 14 en 15: Toen zeide de HEERE God tot die slang: Dewijl gij dit gedaan hebt, zo zijt gij vervloekt boven al het vee, en boven al het gedierte des velds! Op uw buik zult gij gaan, en stof zult gij eten, al de dagen uws levens.  

En Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad; datzelve zal u den kop vermorzelen, en gij zult het de verzenen vermorzelen.
Terwijl de weigerachtige Adam voor God staat, klinkt uit de mond van God de eerste belofte van de komende Zaligmaker.

De duivel is de grote verliezer. Hij zal van nu af aan stof eten, hij zal het stof lekken, dat wil zeggen hij zal altijd verliezer zijn en blijven.
Maar hier opent God een weg voor… voor gevoelige en aangedane zondaars?
Nee, hier opent God een weg voor een weigerachtige Adam en voor weigerachtige, harde Adamskinderen.
 
Hij breekt in de donkere nacht van het verloren paradijs de Evangeliedag aan. Hier spreekt de komende Christus, met woorden uit Hebreeën 10: Zie, Ik kom, in het begin des boeks is van Mij geschreven, om uw wil te doen, o God.
Onze eerste vader Adam, heeft Gods wil niet gedaan.
Maar God belooft hier de tweede Adam, die in alles de wil van God zal doen en gedaan heeft.
 
Hier is de belofte (voor deze Adam, die met zijn verwijtende en beschuldigende vinger naar God wijst!), hier is de belofte van de komende Christus.
Hij zal mens worden uit een vrouw.
Hij zal lijden en sterven. Zijn verzenen, zijn hielen zullen door de duivel vermorzeld worden.

Maar hij zal de satan overwinnen. Hij zal de kop van de satan vermorzelen.
De moeder van alle beloftes in de Schrift, gedaan aan: een schuldverslagenen zondaar?
Nee, aan een hardnekkige weigeraar, die zijn zonde niet wil belijden.
 
Zo staan wij vanmorgen voor God. Door Hem opgezocht, door Hem opgeroepen.
Hoor, weigerachtige, wegvluchtende zondaars, met uw koude, harde en berouwloze harten.
Er is een weg geopend voor u. Er is een Zaligmaker gekomen, en Die is beschikbaar voor u.
In u zal Hij niets goeds vinden. Maar Hij wil alles voor u doen.

Die wil, die neme van de vruchten van de Boom des levens om niet.
Die wil, die kome en drinke van het Water des levens om niet.

Want er is een fontein geopend van genade tegen de zonde en tegen de onreinheid.
O, kom dan met uw verloren leven, op deze dag, tot Hem die gekomen is om te zoeken en zalig te maken dat verloren is.
 
Heden staat u opnieuw voor God. Uw leven wordt afgekeurd. Alles. Ook alles wat u verbergt, ook wat anderen niet zien, wat anderen niet weten.
Uw schuldbelijdenis, uw berouw is halfslachtig en onvoldoende.
Maar uw vonnis wordt uitgesteld. Er is een weg om te ontkomen.
 
Maar maak grote haast! Dit is de dag van het Evangelie. Een dag die snel voorbij gaat. Want Evangeliekalender kent maar één dag. Deze dag. Heden.

Morgen moet u misschien wel voor God verschijnen. Wilt u zich dan verbergen, in de spelonken, in de steenrotsen van de bergen, voor Hem die op de troon zit, en voor de toorn van het Lam?
Het zal vergeefs zijn. Want alle dingen zijn naakt en geopend voor Hem die op de troon zal zitten.
 
Maar vandaag is het nog de dag van het Evangelie.
Kom heden! Waarom zou u sterven?
Kom vandaag met uw verloren leven, met uw harde hart door Christus tot God. Als u heden tot Hem komt, zal Hij u geenszins uitwerpen.
 
Hij heeft Zijn handen nóg uitgestrekt tot een ongehoorzaam en tegensprekend volk.
Grimmigheid is bij Hem niet.
 
Amen.

FAQ’s

Wat staat er in Genesis 3?

In Genesis 3 gaat het over de zondeval in het paradijs. Adam en Eva overtreden het gebod van God. Maar God zoekt Adam op en roept: Adam, waar ben je? En belooft hem de komst van de Messias: Jezus Christus.

Wat staat er in Genesis 3 vers 15?

De moeder van alle beloftes: Ik (God) zal vijandschap zetten tussen u (de slang, de duivel) en tussen deze vrouw (Eva). Dat zal u de kop vermorzelen en haar de verzenen vermorzelen.
De eerste belofte van de komst van de Messias Jezus Christus.

Waarom heet Genesis 3:15 de ‘moederbelofte’?

Omdat het de moeder van alle beloftes is, die God eerst aan Eva in het paradijs gedaan heeft, en daarna eeuwenlang aan het volk Israël, tot de geboorte van Jezus Christus.