PREEK · HEIDELBERGSE CATECHISMUS

Zondag 44: Niet begeren wat van uw naaste is (serie 2)

Zondag 44 · 3 mei 2026

Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 44 (serie 2)

INLEIDING

Hoe diep reikt de wet van God? Zondag 44 brengt ons bij het tiende gebod en legt onze verborgen begeerten, gedachten en neigingen open voor Gods aangezicht. De Catechismus confronteert ons met onze onvolkomenheid en ons kleine beginsel van gehoorzaamheid, maar wijst juist daardoor des te krachtiger heen naar de volkomen gerechtigheid in Christus. Wie leert zien op Hem, mag uitzien naar de dag waarop de zonde voorgoed voorbij is. Kijk video, download PDF.

THEMA

Wat wil God in het tiende gebod?

KERNPUNTEN

  1. Zondige begeerte
  2. Nieuwe begeerte
  3. Levenslange begeerte

ZONDAG 44

Vraag 113: Wat eist van ons het tiende gebod?
Dat ook de de minste lust of gedachte tegen enig gebod Gods in ons hart nimmermeer kome, maar dat wij ten allen tijde van ganser harte aller zonden vijand zijn en kust tot alle gerechtigheid hebben.

Vraag 114: Maar kunnen degenen, die tot God bekeerd zijn, deze geboden volkomenlijk houden?
Neen zij; maar ook de allerheiligsten, zolang als zij in dit leven zijn, hebben maar een klein beginsel dezer gehoorzaamheid; doch alzo, dat zij met een ernstig voornemen niet alleen naar sommige, maar naar al de geboden Gods beginnen te leven.

Vraag 115: Waarom laat ons dan God alzo scherpelijk de tien geboden prediken, zo ze toch niemand in dit leven houden kan?
Eerstelijk, opdat wij ons leven lang onzen zondigen aard hoe langer hoe meer leren kennen, en des te begeriger zijn, om de vergeving der zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken. Daarna, opdat wij zonder ophouden ons benaarstigen, en God bidden om de genade des Heiligen Geestes, opdat wij hoe langer hoe meer naar het evenbeeld Gods vernieuwd worden, totdat wij tot deze voorgestelde volkomenheid na dit leven geraken.

VOLLEDIGE TEKST

Zondag 44: Niet begeren wat van uw naaste is (serie 2)

ds. J. IJsselstein - Zondag 44

THEMA

Wat wil God in het tiende gebod?

LITURGIE

Psalm 26:1,2

Psalm 41:7

Lezen Psalm 27

Psalm 27:1,2,3

Psalm 119:83,84

Tien Geboden:8,9

Gij zult niet begeren uws naasten... Daarover gaat het vanavond. Het is niet goed als je graag iets wilt hebben of begeert wat van je naaste of van een ander is: iemands huis, iemands vrouw of iemands spullen.

Maar, het is wel goed als je de dingen van de Heere begeert. Uiteindelijk zegt Zondag 44 dat ook in het laatste antwoord: dat we des te begeriger moeten zijn om de vergeving van onze zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken.

Over die goede begeerte lazen we ook in Psalm 27:4. Laten we nog even samen kijken naar dat vierde vers: Eén ding heb ik van de HEERE begeerd, dat zal ik zoeken: dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des HEEREN, om de lieflijkheid des HEEREN te aanschouwen, en te onderzoeken in Zijn tempel. Dat is een goede begeerte! Is dat ook uw of jouw begeerte? En zoek je die ook? Dat je je leven lang mag wonen in het huis des HEEREN? Het zijn woorden die het verlangen uitdrukken naar het ervaren van de tegenwoordigheid en de nabijheid van de Heere. Naar het zien van Zijn liefelijkheid, Zijn schoonheid en Zijn gunst. Om die te onderzoeken, dat wil zeggen: om die te overwegen, om daarover na te denken en om daarover te mediteren. In Zijn tempel, dus in Zijn huis, hier in de kerk.

Is dat onze begeerte? Verlangen we ernaar om ’s zondags hier te zijn? Om hier iets te zien van de gunst, de goedheid en de liefde van de Heere? Om hier (zoals je destijds in de tempel een blik kon slaan op de offers), om hier een blik te slaan op het Lam Gods, Christus Jezus? Is dat het verlangen en de vreugde van ons leven? Is dat onze enige begeerte? Zoals Jesaja 26:9 zegt: Met mijn ziel heb ik U begeerd in de nacht, ook zal ik met mijn geest, die in het binnenste van mij is, U vroeg zoeken.

We gaan samen kijken, eerst naar slechte begeerten en dan naar die goede begeerte. We denken met elkaar na over het bekende tiende gebod uit Exodus 20:17: U zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets, dat uws naasten is.

Aan de beurt is Zondag 44 van de Heidelbergse Catechismus.

Vraag 113: Wat eist God van ons in het tiende gebod? Antwoord: Dat ook de minste lust of gedachte tegen enig gebod Gods in ons hart nimmermeer kome, maar dat wij te allen tijde van ganser harte aller zonden vijand zijn en lust tot alle gerechtigheid hebben. Dat gaat over: zondige begeerte

Vraag 114: Maar kunnen degenen, die tot God bekeerd zijn, deze geboden volkomenlijk houden? Antwoord: Neen zij; maar ook de allerheiligsten, zolang als zij in dit leven zijn, hebben maar een klein beginsel dezer gehoorzaamheid; doch alzo, dat zij met een ernstig voornemen niet alleen naar sommige, maar naar al de geboden Gods beginnen te leven. Dat gaat over: nieuwe begeerte.

Vraag 115: Waarom laat ons dan God alzo scherp de tien geboden prediken, zo ze toch niemand in dit leven houden kan? Antwoord: Eerstelijk, opdat wij ons leven lang onzen zondigen aard hoe langer hoe meer leren kennen, en des te begeriger zijn, om de vergeving der zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken. Daarna, opdat wij zonder ophouden ons benaarstigen, en God bidden om de genade des Heiligen Geestes, opdat wij hoe langer hoe meer naar het evenbeeld Gods vernieuwd worden, totdat wij tot deze voorgestelde volkomenheid na dit leven geraken. Dat gaat over: levenslange begeerte.

Het thema voor de preek van vanmiddag is: Wat wil God in het tiende gebod? We gaan samen letten op drie aandachtspunten, op: 1. Zondige begeerte 2. Nieuwe begeerte 3. Levenslange begeerte

Als eerste dus:

1. Zondige begeerte

U zult niet begeren... Wat is dat eigenlijk, begeren? Iets begeren betekent dat je iets graag wilt hebben. Je wilt graag eten als je honger hebt; dat mag. Je wilt getroost worden als je verdrietig bent; dat mag ook. Je wilt leuke cadeaus als je jarig bent; dat mag ook. Je wilt dat mensen jou ook aardig vinden; ook dat mag.

Hoewel je soms wel bij jezelf voelt, dat er ook iets in je gedachten of in je hart zit waarvan je denkt: zou dit wel goed zijn? Hij of zij heeft dat mooie … (vul zelf maar in). Dat wil ik ook zo graag! Maar het is méér dan dat je het alleen op je verlanglijstje zet. Je wilt het gewoon hebben! Je zou het, als het mocht of kon, het liefst gewoon pakken en meenemen.

Dat is begeren wat niet van jou is. En dat is niet alleen iets van kleine kinderen; volwassen mensen doen dat net zo, en waarschijnlijk nog wel meer. Terwijl het tiende gebod zegt: U zult niet begeren...

Betekent dit dat je helemaal niets mag begeren? Nee, dat zegt het gebod niet. Want er is in het gewone leven ook een goede begeerte. Naar eten en drinken. Naar een lieve man of vrouw (hoewel dat ook zo’n begeerte is die zo gemakkelijk kan ontsporen). Of naar het krijgen van kinderen.

Want begeren is iets wat de Heere Zelf ook doet. Psalm 68 zegt: Dezen berg (Sion) heeft God begeerd tot Zijn woning. En Psalm 132: Want de HEERE heeft Sion verkoren, Hij heeft het begeerd tot Zijn woonplaats. Ook de Heere Jezus was vol van begeren. Hij zei: Mijn spijs is, dat Ik doe de wil Desgenen, Die Mij gezonden heeft, en Zijn werk volbrenge. En Hij zei tegen Zijn discipelen: Ik heb grotelijks begeerd, dit pascha met u te eten, eer dat Ik lijde. En ook Paulus schrijft aan Timotheüs: Dit is een getrouw woord: zo iemand tot eens opzieners ambt lust heeft, die begeert een treffelijk werk. Het is dus goed als je in je hart verlangt naar een ambt. En Jakobus zegt dat je de wijsheid van God mag begeren.

Begeren, iets graag willen, is op zichzelf genomen dus goed. Maar het tiende gebod luidt ook anders. Er staat niet simpelweg: u zult niet begeren. Er komt nog wat achter: U zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets, dat uws naasten is. Het gaat dus om het begeren of graag willen hebben van iets wat van een ander is. Het huis van een ander, de spullen van een ander, de vrouw of de man van een ander. Het inkomen, het aanzien of de goede naam van een ander. Het zijn allemaal dingen van een ander.

We gaan kijken naar Zondag 44. Vraag 113 zegt: Wat eist het tiende gebod van ons? Het antwoord noemt twee dingen. a. Ten eerste: Dat ook de minste lust of gedachte tegen enig gebod Gods in ons hart nimmermeer kome. Let dus goed op: het gaat niet alleen om wat ik doe of om wat andere mensen zien of merken. Nee, het gaat om mijn hart! Want de Heere proeft onze nieren en ons hart. Daarom hebben we gezongen uit Psalm 26: Beproef vrij, van omhoog, mijn hart, dat voor Uw oog, Alwetende, steeds open lag. Kijk, Heere, maar in mijn hart!

Doorzoek mij; toets mijn gangen; Doorgrond al mijn verlangen (mijn begeren) en stel mijn oogmerk in de dag. Kijk, Heere, maar heel eerlijk naar mijn verlangens en laat U maar zien of het is zoals ik denk of zeg, of dat er toch iets anders of verkeerds achter zit. Zie of mijn gemoed (mijn hart) iets kwaads, iets onbehoorlijks voedt. Of er toch, terwijl het goed lijkt, iets verkeerds zit in mijn hart.

Met andere woorden: in dit gebod gaat het niet om wat er in je huis staat en wat iedereen ziet. Het gaat om wat er in je kelder staat, waar nooit iemand komt. Dit gaat over het verborgen deel van ons hart. En de Catechismus zegt dat het heus niet alleen gaat om iets van bezit van iemand anders wat je graag wilt hebben. Het gaat veel verder! Het gaat om het allerkleinste, de minste verlangen of begeerte tegen welk gebod dan ook.

Dus ineens, aan het eind van de behandeling van de Tien Geboden, komt er een ongelooflijke verdieping, een ongelooflijke verzwaring. God verbiedt het minste verlangen, de minste begeerte of gedachte tegen al Gods geboden. De minste gedachte om iemand anders of jezelf te eren boven God, of om iets of iemand te verafgoden. Het vluchtige idee om op zondag wat anders te doen dan naar de kerk gaan, of om ongehoorzaam te zijn. De vage neiging om een ander kwaad te doen of te haten. Die onzichtbare onreine gedachten. Die onuitgesproken afgunst dat die ander het zo goed heeft. Iedere gedachte die niemand ziet of weet - maar God kijkt naar ons hart - die niet klopt met alles wat we hiervoor besproken hebben, iedere gedachte die niet in overeenstemming is met Gods heilige geboden.

Het wijst ons weer terug naar de keten van hoe zonde werkt en ontstaat. We kijken naar andermans spullen of naar de vrouw van een ander. Maar dat kijken komt ergens vandaan. Dat komt uit ons hart; daar zit de kwade en slechte begeerte. Dat is de bron. En dat kijken leidt ergens toe. Jakobus zegt: Een ieder wordt verzocht (meegesleept), als hij door zijn eigen begeerlijkheid afgetrokken (verleid) en verlokt wordt. Daarna de begeerlijkheid ontvangen hebbende (die wordt zwanger) baart zonde; en de zonde voleindigd zijnde baart de dood (Jak. 1:14-15).

We worden dus verlokt door onze eigen begeerte. En ons hart zit er vol mee; met verkeerde begeerten die ons meesleuren en uiteindelijk doden. Want? Want die begeerten van ons hart sleuren ons niet alleen mee op de weg van de zonde, maar ze verstikken ook het Woord. Het zaad van het Woord valt daardoor onder de doornen. Omdat er zóveel van die verkeerde gedachten in ons zitten, kunnen we niet goed meer luisteren. De Heere Jezus zegt dan ook dat er mensen zijn die het Woord wel horen, maar: de zorgvuldigheden dezer wereld, en de verleiding des rijkdoms, en de begeerlijkheden omtrent de andere dingen, inkomende, verstikken het Woord, en het wordt onvruchtbaar (Mark. 4:18-19). Dit gebod eist dat die begeerten en verkeerde verlangens nooit in ons hart zijn: dat ook de minste lust of gedachte tegen enig gebod Gods in ons hart nimmermeer kome.

b. Maar (dat is het tweede): dat wij te allen tijde, dus altijd, van ganser harte, met heel ons hart, vijand zijn van alle zonden (van alles wat verkeerd is). En dus alle zonden haten. En dat we lust hebben tot alle gerechtigheid (tot alles wat goed is). En dus alles wat goed is liefhebben. Kortom: God eist in dit gebod volstrekte heiligheid.

Dus alles goed doen, voor het idee van jezelf en voor het oog van een ander, dat is niet genoeg. Een net kerkmens of een nette dominee zijn, dat is niet genoeg. God kijkt dieper, door de buitenkant naar de binnenkant. Hij kijkt in ons hart of we de zonde haten en het goede liefhebben.

Het gaat er dus niet om dat je je als een slaaf aan alle regels houdt; het gaat om liefde. Zoals de dichter zingt: Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdriet gedaan. Het gaat er niet om dat je alles doet met een diepe zucht omdat het allemaal zo zwaar is, maar dat je het vrijwillig doet met al de liefde van je hart.

En zo komen we bij ons tweede aandachtspunt. Maar laten we eerst met elkaar gaan zingen uit Psalm 119:83,84: Wat vreê heeft elk, die Uwe wet bemint! Zij zullen aan geen hinderpaal zich stoten. Ik, HEER, die al mijn blijdschap in U vind, Hoop op Uw heil met al Uw gunstgenoten; 'k Doe Uw geboôn oprecht en welgezind; Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten.

Mijn ziel bewaart Uw trouw getuigenis; Dat heb ik lief, ook doe ik Uw bevelen. Uw woord kan mij, ofschoon ik alles mis, Door zijnen smaak, èn hart èn zinnen strelen. Gij weet mijn weg, en hoe mijn wandel is; 'k Wil niets daarvan voor U, mijn God, verhelen. - - -

Ons tweede aandachtspunt:

2. Nieuwe begeerte

Vraag 114 zegt: Maar kunnen degenen, die tot God bekeerd zijn, deze geboden volkomen houden? Het antwoord luidt: Neen zij; maar ook de allerheiligsten, zolang als zij in dit leven zijn, hebben maar een klein beginsel dezer gehoorzaamheid; doch alzo, dat zij met een ernstig voornemen (of: begeerte) niet alleen naar sommige, maar naar al de geboden Gods beginnen te leven.

Waarom deze vraag? Omdat het vorige de harten van kleingelovigen heel diep raakt.

Zij zeggen: Het is waar! Ik ben zonde. Ik heb wel de begeerte tot het goede, maar mijn hart... Zij zeggen met Paulus in Romeinen 7:19: Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik. Ik struikel zo vaak en dat maakt me zo moedeloos. Ik denk: Zou het wel waar zijn met mij? Als ik naar mijn zonde kijk, dan vraag ik me af: Ben ik wel een kind van God? Heb ik de Heere wel echt lief? Bedrieg ik mezelf niet? En de duivel fluistert zo iemand in: Zie nou, kijk nou! Zo is dat toch niet bij een kind van God? Kijk maar, lees maar in 1 Johannes 3. Daar staat dat wie uit God geboren is, de zonde niet doet. Nou, dan is het toch duidelijk?

De Catechismus zegt echter: Maar ook de allerheiligsten, zolang als zij in dit leven zijn, hebben maar een klein beginsel dezer gehoorzaamheid. Hoe kun je dan weten of je een nieuw hart hebt? Dat kun je niet weten door te kijken naar of je zondigt of niet. We kennen de kinderen van God uit de Bijbel immers als zondaars. Abraham, David, Petrus; stuk voor stuk kinderen van God die eens en weer in zonde gevallen zijn. De apostel Johannes schrijft ook: Als wij zeggen dat wij geen zonde hebben, dan verleiden wij onszelf. Dat is bedrog! Als je denkt dat je goed of perfect geworden bent, dan stap je ergens overheen: over je eigen onvermogen en je verdorvenheid. Dan heb je geen oog voor de slechtheid van je hart.

Hoe kun je dan weten of je een nieuw hart hebt? Het verschil zit in je hart! Vroeger was je hart vol van verlangen en begeerte om je eigen wil te doen en niet de wil van de Heere. Maar nu de Heere je een nieuw hart heeft gegeven, is alles anders geworden. Het oude is er nog wel, maar er is iets nieuws bijgekomen dat totaal tegenovergesteld is aan het oude. En die twee vechten tegen elkaar. De Bijbel noemt dat de strijd tussen de oude en de nieuwe mens.

Zelfs de allerheiligste — degene die het dichtst bij de Heere leeft, die de meeste liefde voor de Heere heeft en die het kleinst over zichzelf denkt — zelfs de allerheiligste heeft maar een klein begin. Zoals een groen knopje aan een boom in de lente. De allerheiligste is nog steeds onheilig. We struikelen nog steeds en vallen zo vaak in de zonde. Maar doet ons wel veel verdriet. Nee, we leven niet meer in de zonde als een vis in het water. De zonde overrompelt ons en verstrikt ons. En dat komt uit ons hart! En dus bidden we: Herschep mijn hart, en reinig Gij, o HEERE, die vuile bron van al mijn wanbedrijven. Maak mij toch vrij van mijn verborgen afdwalingen. Ontzondig toch mijn binnenste met hysop, en ik zal rein zijn.

Want er is door Gods genade een diep verlangen in het hart gekomen, een nieuwe begeerte. Daarom zeggen we met de dichter van Psalm 38: Heere, voor U is al mijn begeerte, en mijn zuchten is niet verborgen. Daarom zeggen we met de dichter van Psalm 19: Uw geboden, Heere, zijn begeerlijker dan goud.

En daarom zeggen we met de dichter van Psalm 119: Ik heb een begeerte tot Uw bevelen. We zeggen met Jesaja 26: Tot Uw Naam en tot Uw gedachtenis is de begeerte van onze ziel. Ja, we zeggen met Hebreeën 11 dat we begerig zijn naar het hemelse vaderland.

Wat maakt dat ons leven, als kinderen van God, tot een gelukkig leven. Want in al ons zielsverdriet over al onze zonden tegen al Gods geboden, is er dit geheiligde verlangen. En in dat verlangen is al iets van de vervulling. Mijn ziel bezwijkt van sterk verlangen; Mijn hart roept uit tot God, Die leeft, en (Die ook) aan mijn ziel het leven geeft.

We willen geen zonde doen, maar we doen het toch. Jongelui, zeg je dat wel eens tegen de Heere? Ik wil niet zondigen, en toch doe ik het weer. Heere, ik wil het niet meer. Help me toch, iedere dag! Geef me toch kracht in mijn strijd tegen de zonde. Maar iedere avond moet je ook weer zeggen: Heere, het is weer mislukt. Vergeef mij al mijn zonden, die Uw hoogheid schonden. Het blijft, zolang we hier op aarde zijn, tobben met ons zondige hart.

De Catechismus zegt dat zelfs de allerheiligsten maar een klein beginsel van deze gehoorzaamheid hebben, om niet alleen naar sommige, maar naar al de geboden van God te beginnen te leven. Zelfs bij de liefste kinderen van God, die het meest van de Heere geleerd hebben en die in onze ogen het meest voorbeeldig zijn, is het nog maar net begonnen. Hun kale boom begint nog maar net uit te lopen; hier en daar zit een groen knopje. Een klein beginsel.

Dat klinkt trouwens wel hoopvol en vertroostend, want dat groene knopje leeft. Het groeit en zal door genade toenemen. Het wordt straks een goede boom die goede vruchten van goede werken zal voortbrengen door het werk van de Heilige Geest. Hij doet het, Hij werkt het! Door ons, Gods kinderen, te verbinden aan Christus.

Dat verbonden zijn aan Christus door het geloof laat een diep verlangen in ons opkomen om de Heere lief te hebben en te dienen. Zoals Paulus zegt in Filippenzen 3:12: Daar jaag ik naar, of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben. Hoe jaagt Paulus daarnaar? Hoe moeten wij daarnaar jagen? Niet door zelf te vechten voor steeds meer heiligheid, maar door een steeds inniger verbondenheid te zoeken met de Heere Jezus. Door op Hem te zien. Door te verlangen dat Hij meer en meer alles voor ons wordt. Onze vergeving, onze vrede met God, ons leven, iedere dag ver bij de zonde vandaan..., we zoeken, zien en vinden het allemaal in Hem; in Christus, Die ons leven is. Christus is alles voor ons!

Dat leven dicht bij de Heere en dat zien op Jezus laat ons steeds meer zien wat er leeft in ons hart. Wie dicht bij de Heere leeft, ziet zichzelf steeds meer als een zondaar en als onheilig in zichzelf. Dat maakt klein. Wie zijn zondige bestaan dieper leert kennen, wordt zelf kleiner en gaat de waarde van Jezus steeds meer zien.

Dat leven dicht bij de Heere brengt tot verootmoediging, tot belijdenis van zonden en tot het blijvend vragen om vernieuwing van ons hart. Wie zo dieper bukt en zichzelf onheiliger vindt, klemt zich te meer vast aan Hem. Dat verinnigt het leven met God en de afhankelijkheid van Christus.

Dan zie ik meer en meer wie ik ben, maar ook meer en meer wie Hij is. Dat doortrekt mijn hart met Zijn liefde en trouw voor mij, onwaardige. Dat doortrekt mijn hart ook met mijn liefde tot Hem. Dan ga ik met de dichter zeggen: Ik zal U hartelijk liefhebben, Heere, mijn Sterkte! Uw wet heeft de liefde van mijn hart.

Een klein beginsel bij Gods liefste kinderen klinkt misschien niet zo optimistisch. Daarom vraagt vraag 115: Waarom laat ons dan God alzo scherpelijk (zo nauwkeurig) de tien geboden prediken, zo ze toch niemand in dit leven houden kan? Het antwoord zegt: Eerstelijk, opdat wij ons leven lang onzen zondigen aard hoe langer hoe meer leren kennen, en des te begeriger zijn, om de vergeving der zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken. Daarna, opdat wij zonder ophouden ons benaarstigen, en God bidden om de genade des Heiligen Geestes, opdat wij hoe langer hoe meer naar het evenbeeld Gods vernieuwd worden, totdat wij tot deze voorgestelde volkomenheid na dit leven geraken.

Dat brengt ons bij het derde aandachtspunt:

3. Levenslange begeerte

Als onze zondige aard dan zo diep zit, en als zelfs de allerheiligste maar een klein beginsel heeft, moeten we dan maar niet ophouden om iedere zondagmorgen de wet voor te lezen? Nee, want dat heeft doel en nut. a. Ten eerste: opdat wij ons leven lang onze zondige aard hoe langer hoe meer leren kennen. Er is in het leven van Gods kinderen voortgang wat betreft de kennis der ellende; ook dat beginsel groeit. Hoe ouder je wordt, hoe langer je op de weg van de genade bent, hoe meer je je zondige aard leert kennen. b. Ten tweede: opdat wij ons leven lang des te begeriger zijn om de vergeving van de zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken. Zonder goed zicht op onze ellende is er geen begeerte naar vergeving en verzoening. Maar hoe meer je je ellendige hart gaat zien, hoe meer je hart gaat verlangen naar Christus. Wat krijg je Hem dan nodig!

Altijd is er weer zonde. In bidden, in niet bidden. In lezen en niet lezen. In luisteren naar een preek, in avondmaalsgang. Altijd en overal. Het komt uit mijn hart! En ik zucht met Romeinen 7:18: Want ik weet, dat in mij, dat is, in mijn vlees, geen goed woont; want het willen is wel bij mij, maar het goede te doen, dat vind ik niet. Ik ben verkocht onder de zonde. Waarom graaft de Heere steeds dieper in mijn hart? Waarom stoot de wet steeds dieper door tot op de bodem van mijn hart? Anderen zeggen misschien dat u een voorbeeldig kind van God bent, maar u zegt: Nee, ik ben een ellendige zondaar. Je hebt altijd jezelf op het oog. Je vraagt je af: wanneer komt het toch goed? Wordt het dan nooit beter?

Waarom is dat zo? Opdat we Christus nodig zouden hebben en Zijn vergevende bloed. Christus, Die nodig is voor vergeving. Ja, maar Die we ook nodig hebben om voor de Heere te léven en om vrucht te dragen.

De Catechismus zegt dat het zien van onze zonden door de wet ons wil aansporen: dat we ons echt gaan inspannen en dat we de Heere nog meer gaan bidden om de genade van de Heilige Geest. Opdat wij hoe langer hoe meer naar het evenbeeld van God vernieuwd worden. We hebben dus niet alleen de Heere Jezus nodig, maar ook de Heilige Geest. Om ons te vernieuwen naar het beeld van de Heere Jezus. Dat beeld hadden we verwoest door de zonde, maar de Heilige Geest maakt het weer nieuw en herstelt het.

Komt die vernieuwing dan ooit af op aarde? Is er één kind van God dat bijna nooit meer zondigt? Nee. Daarom verlangen we naar de voltooiing en naar het einde. De Catechismus zegt: totdat wij tot deze voorgestelde volkomenheid na dit leven geraken. Ons verlangen om heilig voor de Heere te leven is dus een eindig verlangen. Daar komt een einde aan. Met andere woorden: de prediking van de wet wil in het hart van Gods kinderen ook verlangen wekken naar de hemel.

Als ons hart tranen huilt omdat we weer tegen God gezondigd hebben, dan wekt dat in ons hart het verlangen naar de dag waarop die tranen gedroogd zullen worden. Als het hart gedrukt wordt door verdriet omdat we weer uit zwakheid in de zonde zijn gevallen, dan wekt dat verlangen naar de dag dat we de Heere volmaakt zullen dienen. Als onze ijver voor de Heere weer zo zwak en onvolmaakt was, dan wekt dat verlangen naar de dag dat we ontwaken zullen om Zijn lof te ontvouwen.

U en jij die de Heere dient, kom, denk een ogenblik met me vooruit. Het gaat hier in de Catechismus om de dag van de volkomenheid en van de volmaaktheid. Misschien zal het nog even duren, maar wie weet hoe snel het gaat. Als ons lichaam afgemat de laatste adem weg snikt of als de levensadem plotseling wordt afgesneden, en we onze ogen opslaan in Immanuëlsland. Dan zullen we nooit meer onszelf zoeken of onze eigen eer bedoelen. Onze handen zullen nooit meer zondigen en ons hart zal nooit meer zondig begeren. Onze ogen zullen nooit meer tranen vanwege ons struikelen. Dan is het voorbij. De zonde is voorbij, voor altijd!

Dan zullen we altijd God de eer toebrengen en Hem dag en nacht dienen in Zijn tempel. We zullen eeuwig zingen: Hoe lief heb ik U, Heere. En hoe lief heb ik Uw wet! En dus: houd moed, onheilige heiligen. We hebben veel zonden en we hebben maar een klein beginsel van heiligheid in ons hart. Dat is zo, opdat we zonder ophouden zouden bidden en zuchten om de kennis van Christus en het werk van de Heilige Geest.

Maar het duurt nog maar even, en dan is ons zuchten voorbij. Dan zal Abraham niet meer liegen, David niet meer doden of overspel plegen en Petrus niet meer vloeken.

Daar zal geen zonde meer zijn, want in de hemel is alles heilig. Johannes zegt in Openbaring 21:27: En in haar zal niet inkomen iets, dat ontreinigt, en gruwelijkheid doet, en leugen spreekt; maar die geschreven zijn in het boek des levens des Lams.

Zij die slechts uiterlijk christen waren — dus niet in hun hart — zullen op de deur kloppen, maar die zal gesloten blijven. Zij die komen in het kleed van hun eigen heiligheid, zullen buitengesloten worden. Maar zij die hier gezucht hebben onder dat kleine beginsel, zullen binnengaan en zullen de Heere dag en nacht dienen in Zijn tempel.

Daar zal geen zonde meer zijn, want de hemel is heilig. En daar zal het gevaar van de zonde ook niet meer zijn, want de hemel is ook veilig.

Alzo zullen de vrijgekochten des HEEREN wederkeren, en met gejuich tot Sion komen; en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen; vreugde en blijdschap zullen zij aangrijpen, treuring en zuchting zullen wegvlieden (Jes. 51:11).

Onheilige heiligen, vertroost elkaar met deze woorden.

Amen.

Slotzang Tien Geboden:8,9

Uw hart zal nimmer iets begeren Van alles, wat uws naasten is; Uw ziel zal, als uw mond, God eren, En houden Zijn getuigenis.''

Och, of wij Uw geboôn volbrachten! Genâ, o hoogste Majesteit! Gun door 't geloof in Christus krachten, Om die te doen uit dankbaarheid.