Lofzang gezongen, het Hallel – Mattheüs 26

Lofzang gezongen – Het Hallel

Preek Mattheüs 26:30: En als zij de lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar den Olijfberg.

LEESPREEK

De lofzang gezongen – Het Hallel – De zingende Zaligmaker
Ds. J. IJsselstein – Mattheüs 26:30
 
Liturgie:
Psalm 16:3
Psalm 16:4
Lezen Mattheüs 26:26-35
Psalm 16:5,6
Psalm 118:14
Psalm 73:12
Psalm 117
 
Gemeente, wij luisteren vanmorgen/-middag met Gods hulp samen naar wat Mattheüs schrijft in Mattheüs 25:30. De tekst voor de preek vindt u in Mattheüs 26:30. Daar lezen we Gods Woord als volgt:
En als zij de lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar de Olijfberg.
 
We overdenken deze woorden in de hoop dat ze onze harten zullen vullen met schaamte, met verwondering en blijdschap. En dat ze ons zullen aansporen deze zingende Zaligmaker te volgen en Zijn voetstappen te drukken.
 
Het thema voor de preek is:
Een zingende Zaligmaker
 
Er zijn drie aandachtspunten:
1. Wat er gebeurt
     Dan kijken we naar de geschiedenis in de verzen hier omheen.

2. Wat de Zaligmaker zingt
     Zelf persoonlijk, en ook met en voor Zijn discipelen.

3. Wat dat ons te zeggen heeft
     Dan gaat het om de lessen die wij daaruit moeten trekken.
Als eerste dus:
 
1. Wat er gebeurt
Wat er hiervoor gebeurd is?
De Heere Jezus heeft samen met Zijn elf discipelen het Heilig Avondmaal gehouden. Het Pascha is op een natuurlijke manier overgegaan in het sacrament van het Heilig Avondmaal. Toen Hij hen het brood en de wijn gaf, nu als tekenen van Zijn lichaam en bloed. Dat voor hen verbroken en vergoten zou worden. 
 
En dan zingen ze de afsluitende liederen van de paasmaaltijd (waar ik straks verder op in zal gaan). Liederen van hoop en vertrouwen, van lof en dank. Als passend antwoord op de zegen die ze samen ontvangen hebben. En ook als passende voorbereiding voor dat, wat komen gaat.
 
Want, wat staat er voor deur?
De tekst zegt: En als zij de lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar de Olijfberg.
Als het laatste vers gezongen is – Psalm 118:29: Looft de HEERE, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid – dan valt het stil. Dan gaan ze naar buiten, in de richting van de Olijfberg.
 
Het is waarschijnlijk een uur of elf in de avond. Op straat is het doodstil. Niemand gaat de deur uit deze avond. Want dit is de avond om terug te denken aan de verderfengel, die rondging in het land Gosen (Ex. 12).

En alleen zij die in huis waren, in een huis waar het bloed van het paaslam aan de posten van de deur gestreken was, alleen zij zouden gespaard worden. Want het zwaard van de verderfengel ging rond. En eiste bloed. Van iedereen die niet veilig geborgen was, achter het bloed van het Lam.
 
Maar… dit is een bijzonder avond. Nu gaat het Lam van God Zelf het zwaard van de verderfengel tegemoet.
De Heere zegt het ook tegen Zijn discipelen, in vers 31: Toen zeide Jezus tot hen: U zult allen aan Mij geërgerd worden in dezen nacht; want er is geschreven: Ik zal de Herder slaan, en de schapen der kudde zullen verstrooid worden.

Dit is de nacht, waarin de Herder geslagen zal worden. Met scherpe slagen van handen, van vuisten en van wapens van mensen. Maar vooral met het zwaard van Gods gerechtigheid vanwege Gods toorn over de zonde.
 
Zoals Jesaja ooit profeteerde: Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg; maar de HEERE heeft ons aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen. De slagen om onze zonden, kinderen van God, kwamen op Hem.
Hij werd verdrukt, ter slachting geleid, in het gericht gebracht, afgesneden uit het land van de levenden. Want het behaagde de Heere Hem te verbrijzelen (Jes. 53:6-10).
 
Zoals Zacharia profeteerde: Zwaard, ontwaak tegen Mijn Herder, en tegen de Man Die Mijn Metgezel is, spreekt de HEERE der heirscharen; sla die Herder, en de schapen zullen verstrooid worden; maar Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden (Zach. 13:7)
    
Zoals Paulus terugkijkend schrijft in Romeinen 8: Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven (aan slagen, smaad en spot), hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken? (Rom. 8:32)
 
Dit is de nacht, dat de Herder, de goede Herder, geslagen zal worden.
En dit is de nacht, discipelen, waarin jullie allemaal (niet één van jullie uitgezonderd) aan Mij geërgerd zullen worden. Jullie zullen allemaal struikelen. En vallen. En Mij daardoor diep en schandelijk beledigen.

En in deze zelfde nacht zullen jullie ook allemaal verstrooid worden. Als schapen zonder Herder. Maar jullie zullen niet verloren gaan. Want Ik wil jullie niet kwijt. Ik zal jullie vasthouden. En straks na Mijn opstanding, dat beloof Ik, zal Ik jullie voorgaan naar Galilea (vers 32).
Maar vóór die donkere nacht daarbuiten, lopend richting Olijfberg, zingt de Zaligmaker!
Ons tweede aandachtspunt:
 
2. Wat Hij zingt
Zelf persoonlijk, en ook met en voor Zijn discipelen.
Je zou verwachten, jongens en meisjes, dat de Heere Jezus, Die nu moet gaan lijden en sterven, snikkend en zuchtend met Zijn hoofd op tafel zou liggen.
Maar… Hij zingt!
 
Hij zingt, wat er eeuwenlang al gezongen werd aan het einde van de paasmaaltijd: de laatste psalmen van wat heette het Hallel. Dat waren de Psalmen 113 tot en met 118, waar nu aan het eind van de avond de Psalmen 115 tot en met 118 nog van over zijn.
Met als laatste, vlak voor Hij de deur uitgaat in de richting van Gethsémané: Psalm 118.
 
Luister stil mee. De Zaligmaker zingt. Vóór het bitterste lijden, dat ooit op aarde geleden is.
Uit de benauwdheid heb Ik de HEERE aangeroepen; de HEERE heeft Mij verhoord, stellende Mij in de ruimte (118:5).
De HEERE is bij Mij, Ik zal niet vrezen; wat zal Mij een mens doen (118:6)?

Straks zegt Hij: Mijn ziel is geheel bedroefd tot dood toe. Maar Hij gaat dat verdriet zingend tegemoet: Ik zal niet vrezen, wat zal Mij een mens doen?
Ik zal niet sterven, maar leven; en ik zal de werken des HEEREN vertellen (118:17).
Ik zal niet ondergaan. Maar Ik zal Mijn weg volbrengen (Luk. 9:31).
 
Hij zingt! Dit is de dag, die de HEERE gemaakt heeft; laat ons op denzelve ons verheugen, en verblijd zijn (118:24). Dit wordt in onze ogen de donkerste nacht van de wereldgeschiedenis. Maar de Zaligmaker zingt, uit liefde tot Zijn Vader, uit liefde tot Zijn Kerk, vlak voor het bitterste van Zijn lijden.
Dit is de dag die de Heere gemaakt. Een dag van vreugde! Want Ik heb lust, o Mijn God om Uw welbehagen te doen (Ps. 40:9).
 
Hij zingt! Bindt het feestoffer met touwen, tot aan de hoornen van het altaar (118:27).
Hier schieten mijn woorden te kort…
Wat een weergaloze liefde, wat een bereidheid, wat een onbegrijpelijke vreugde.

‘Mijn Vader, Mijn volk, hier is Uw Feestoffer!
Ik voor u, daar u anders de eeuwige dood moest sterven.
Ik ga die weg voor u. Met innige blijdschap om de eer van Mijn Vader. En omdat Ik u zo liefheb!
 
En dan de laatste woorden van Psalm 118: Gij zijt mijn God, daarom zal ik U loven; o mijn God, ik zal U verhogen. Looft de HEERE, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid (118:28,29).
Vlak voor dat bittere lijden. Terwijl Hij de verlating door Zijn Vader meer en meer voelt drukken: Loof de Heere, want Hij is goed!
 
Meer dan ooit opgenomen in, en in beslaggenomen door de liefde tot Zijn Vader, en door de liefde tot Zijn kerk!
En als zij de lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar de Olijfberg

En terwijl die laatste lofpsalm, vol hemelse aanbidding wegsterft…, gaat de deur open, en gaat Hij samen met Zijn discipelen de donkere nacht tegemoet.
Na het zingen van de woorden, die wij nu samen eerbiedig en met verwondering nazingen uit Psalm 118:14 (zingen)
 
Het gaat vanmorgen/-middag, gemeente, over de zingende Zaligmaker.
We hebben als eerste gelet op wat er gebeurt. Als tweede op wat de Zaligmaker zingt (het laatste deel van het Hallel, Psalm 115 tot en met 118).
Nu ons derde aandachtspunt:
 
3. Wat dat ons te zeggen heeft
Dan gaat het om de lessen, die wij daaruit moeten trekken.
 
a. Dit is als eerste een aansporing voor ons, om ook (persoonlijk en samen) de Psalmen te zingen.
Slechts één keer lezen we in de Bijbel dat Jezus zingt. Dat Hij psalmen zingt.
En Wie kon dat beter dan Hij? Wie kan beter een boek of gedicht voorlezen dan de dichter zelf?

Wie kan beter de psalmen zingen, dan de grote Dichter van de psalmen Zelf? Hij zingt Zijn Eigen Woorden, ingeblazen door de Heilige Geest in de harten van de psalmdichters: Halleluja. Looft, gij knechten des HEEREN, looft de Naam des HEEREN (113:1). Niet ons, o HEERE, niet ons, maar Uw Naam geef eer, om Uwer goedertierenheid, om Uwer waarheid wil (115:1).
 
Daarom roept Paulus de gemeente ook op om psalmen te zingen, om elkaar de goede weg te wijzen, te onderwijzen, te troosten en te bemoedigen.
Niet vol van de dingen van deze tijd. ‘dronken in wijn’, maar vervuld met de Heilige Geest.

Zoals Paulus schrijft in Efeze 5 en ook in Kolossenzen 3: Het woord van Christus wone rijkelijk in u, in alle wijsheid; leert en vermaant elkander met psalmen en lofzangen en geestelijke liedekens, zingende de Heere met aangenaamheid in uw hart. Met, zoals de kanttekening zegt: met drie soorten van psalmen, om elkaar de weg te wijzen en de Heere te loven (Ef. 5:18,19; Kolos. 3:16).
 
b. Dit is in de tweede plaats tot aansporing om al zingend meer met ons hart te zingen.
Zingen wij ook zo van harte als de Zaligmaker hier zingt? Zingen we niet vaak onnadenkend?
Zingt u met heel uw hart, als u uit dit Hallel de bekende woorden van Psalm 116 zingt?

Ik heb lief, want de HEERE hoort mijn stem, mijn smekingen (116:1)?
Want Hij neigt Zijn oor tot mij; dies zal ik Hem in mijn dagen aanroepen (116:2)?
De HEERE is genadig en rechtvaardig; en onze God is ontfermende (116:5)?
De HEERE bewaart de eenvoudigen; ik was uitgeteerd, doch Hij heeft mij verlost (116:6)?

Wat zal ik de HEERE vergelden voor al Zijn weldaden, aan mij bewezen (116:12)?
Ik zal de beker der verlossingen opnemen, en de Naam des HEEREN aanroepen (116:13)?
Wat zingen we vaak onnadenkend! Terwijl we in ons hart met andere dingen bezig zijn!
 
Komt het misschien omdat deze psalmen onze harten niet (of niet meer) betoveren kunnen?
Omdat we ons liever al slapend mee laten nemen naar de onbereikbare hoogten van liefde en vreugde en vrede, zonder te willen zingen (zoals de Zaligmaker Zelf deed) van moeite en verdriet, van strijd en aanvechting, van nood en dood?
 
Maar als dat de weg was van de Zaligmaker, is dat (kinderen van God) toch ook onze weg? Zingend in lijden? Zingend in diepe aanvechting? Zingend van het kruis?  
Mijn God, ik roep des daags, maar Gij antwoordt niet; en des nachts, en ik heb geen stilte. Doch Gij zijt heilig, wonende onder de lofzangen Israëls (Ps. 22:3-4)? O God, Gij zijt mijn God, ik zoek U in den dageraad; mijn ziel dorst naar U, mijn vlees verlangt naar U, in een land, dor en mat, zonder water (Ps. 63:2)?
 
c. Dit is in de derde plaats tot onze schaamte.
In het bijzonder van ons, die Gods kinderen mogen zijn. De discipelen hebben meegezongen. Zoals ook wij, zo vaak, hebben wij meegezongen:
Ik zal wandelen voor het aangezicht des HEEREN, in de landen der levenden (116:9). Mijn geloften zal ik de HEERE betalen, nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk (116.14).

Gij zijt mijn God, daarom zal ik U loven; o mijn God, ik zal U verhogen (118:28).
En toen… was het Heilig Avondmaal afgelopen. De deur ging open. De nacht in, van dit aardse leven.
En wat kwam ervan terecht, van al die mooie woorden?
‘t Klonk zo mooi… Maar het hield geen stand. Niets van ons heeft ooit stand gehouden.
 
De Heere wist het. Hij weet het: U zult allen aan Mij geërgerd worden in deze nacht.  Verstrooid in het donker van de nacht. Maar Ik zal u voorgaan naar Galilea. Ik zal u weer opzoeken.
Wat een wonder! Zij, en wij, gaan Hem vergeten. Maar Hij gaat hen en ons niet vergeten.
 
Omdat Zijn stem meer en meer moet gaan zwijgen, in zuchten en in lijden… Daarom mogen wij nu zingen: De Heere hoort mijn stem, mijn smekingen, mijn klagen.
Omdat Hij nu meer en meer moet gaan bezwijken onder de last van Gods toorn, tot de dood toe… Daarom mogen wij nu zingen: Als ik omringd door tegenspoed, bezwijken moet, schenkt Gij mij leven.
 
Kinderen van God, heel ons leven hangt aan de opzoekende, trouwe liefde van Hem!
Dus laten we niet hoog gevoelend, niet trots en hoogmoedig zijn. Maar vrezen, waken en bidden. Want toen en nu gaat de duivel rond als een briesende leeuw, zoekende wie hij zou mogen verslinden.
En wij zijn (meer dan de discipelen!) geneigd om in slaap te vallen. 
 
Maar laten we midden in al ons onvermogen, midden in al ons ongeloof, midden in onze verwarring en kwetsbaarheid, toch (hoe dan ook, terwijl we op Hem zien) Hem nazingen:
 
d. In de vierde plaats: met diepe verwondering in ons hart.
Want wat zou u doen? Als u nu wist dat u vanavond gevangen genomen, gespuugd en geslagen zou worden? Een doornenkroon op uw hoofd gedrukt zou krijgen, geselslagen zou krijgen? Aan handen en voeten gebonden naakt aan een kruis gespijkerd zou worden?

Zou u dan bij het uitgaan van de kerk ook nog zingen?
Dit…? De laatste verzen van Psalm 118? De HEERE is God, Die ons licht gegeven heeft. Bindt het feestoffer met touwen, tot aan de hoornen van het altaar. Gij zijt mijn God, daarom zal ik U loven; o mijn God, ik zal U verhogen (Ps. 118:27-28)?
 
Het zou genade zijn als we zouden mogen zeggen: Niet Mijn wil, Heere, maar de Uwe geschiede (Matt. 26:39). Wat een onvergelijkbare, wat een weergaloze Zaligmaker hebben we toch.
Hij stijgt boven alles en iedereen uit. Zegt u ook niet met koning Salomo: Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk (Hoogl. 5:16)?
Zo weergaloos, zo ongeëvenaard is Hij, Christus, Die ons leven is. 
 
e. Tegelijkertijd is dit zingen van Zaligmaker ons (in de vijfde plaats) ook tot diepe troost.
We hebben een troost, onbekeerde vrienden, die u mist. Zoek die toch, voordat het te laat is. We hebben een Zaligmaker, onbekeerde vrienden, die u mist. Zoek Hem toch, voordat het te laat is.
 
Al is er in ons leven rouw of eenzaamheid, ziekte of pijn, tegenspoed of stil verdriet, we mogen (vanwege deze zingende Zaligmaker) zingend onze weg gaan.
Vanuit de diepten Hem nazingen: De afgrond roept tot den afgrond, bij het gedruis Uwer watergoten; al Uw baren en Uw golven zijn over mij heen gegaan. Maar de HEERE zal des daags Zijn goedertierenheid gebieden, en des nachts zal Zijn lied bij mij zijn, het gebed tot de God mijns levens (Ps. 42:8,9).
 
We mogen zelfs bij het naderen van de dood, blijmoedig zingen!
U zult Mij het pad des levens bekendmaken; verzadiging der vreugde is bij Uw aangezicht; lieflijkheden zijn in Uw rechterhand, eeuwiglijk (Ps. 16:11).
Ik zal in vrede tezamen nederliggen en slapen; want Gij, o HEERE, alleen zult mij doen zeker wonen (Ps. 4:9).
Stervend zingen, vol blijde verwachting!

‘k Zal dan gedurig bij U zijn, in al mijn noden, angst en pijn; U al mijn liefde waardig schatten, wijl Gij mijn rechterhand woudt vatten.
Dat, mensen, is: stervend leven. Vastgehouden, zelfs in het dal van de schaduw van de dood, door deze zingende Zaligmaker.
 
Kinderen van God, geliefde medechristenen, we zingen vanmiddag, stil luisterend naar onze zingende Zaligmaker.
 
f. Zijn zingen dringt ons (in de zesde plaats) ook tot dankbaarheid.
Onze dienst is dienst van dankzegging. Dankzeggend voor onze gekregen verlossing. Zoals men destijds ook pascha vierde, terugdenkend aan de verlossing uit de slavendienst van Egypte. Zo spoort de Zaligmaker ons ook aan, om met oneindige dank terug te denken, aan onze verlossing uit de slavendienst van de zonde. Daaruit vrijgekocht met de prijs van Zijn kostbare bloed.
 
Zoals de tweede Hallel-psalm, Psalm 114 zingt: Toen Israël uit Egypte toog, het huis Jakobs van een volk dat een vreemde taal had, zo werd Juda tot Zijn heiligdom, Israël Zijn volkomen heerschappij (114:1-2).
Vrijgekocht uit de slavendienst van de zonde, eigendom geworden van Jezus Christus.
 
Niet ons, o HEERE, niet ons, (zingt de volgende Psalm 115), maar Uw Naam geef (daarvoor) eer, om Uwer goedertierenheid, om Uwer waarheid wil (115:1).
Want het is alles door U, door U alleen, om het Uw eeuwige welbehagen!
Wat zal ik de Heere toch vergelden voor al Zijn weldaden, aan mij bewezen? (116:12)
 
Dit was het grote doel van het zware werk, dat de Heere Jezus hier gaat doen. Om slaven vrij te kopen, om zondaars weer terug te brengen tot God. Om (zo zegt de Kleine Catechismus van Westminster), om God te verheerlijken en zich eeuwig in Hem te verheugen.

g. Het zingen van de Zaligmaker is (in de zevende plaats) ook een aansporing tot een nieuwe gehoorzaamheid.
Onze Heere zingt het Hallel, als inzetting van Zijn Vader.  Tot de laatste dagen van Zijn leven, houdt Hij Gods geboden. Zoals Hij ooit zei tegen Johannes de Doper, bij Zijn doop in de Jordaan: Aldus betaamt ons alle gerechtigheid te vervullen (Matt. 3:15).

In alles gehoorzaam aan de wil van God. Zo volgt Hij ook hier het spoor van Gods geboden. En doet wat iedere Israëliet moest doen: het Hallel zingen.
 
Het roept ons op, avondmaalgangers, om ook met liefde en vol ijver het pad van Gods geboden te gaan. Om niet onze wil te doen, om niet onze verlangens te volgen, maar Zijn voetstappen te drukken. Bereid om Hem in alles te volgen, ook in kruis dragen en lijden. Zingend in ons hart: Uw liefdedienst heeft Mij nog nooit verdroten.
 
Laten we niet zoeken de dingen die van beneden zijn. Maar de dingen die boven zijn. Waar Christus is, aan de rechterhand van God. Die ook voor ons bidt. Omdat in ons geen kracht (Kol. 3:1-2; Rom. 8:34).
Want: zonder heiligmaking zullen we Hem nooit zien (Hebr. 12:14).  

Wees dan op uw hoede (juist nu!) voor de zonde, en voor de verleiding door de duivel. Waak en bid. De apostel zegt in Efeze 5: Ziet dan hoe u voorzichtiglijk wandelt, niet als onwijzen, maar als wijzen, de tijd uitkopende, dewijl de dagen boos zijn. Daarom, wees niet onverstandig, maar verstaat welke de wil des Heeren is. En wordt niet dronken in wijn, waarin overdaad is, maar wordt vervuld met de Geest (Ef. 5:15-18).
 
Dit zingen van Zaligmaker spoort ons als laatste aan tot uitzien en verwachten.
Want deze zingende Zaligmaker, hier nog in de diepte van Zijn lijden, is nu verhoogd.
Hij zit aan de rechterhand van God, zingend in hemelse heerlijkheid en glorie.

Zingend, zoals staat in Zefanja 3: De HEERE uw God is in het midden van u, een Held Die verlossen zal; Hij zal over u vrolijk zijn met blijdschap, Hij zal zwijgen in Zijn liefde, Hij zal Zich over u verheugen met gejuich (Zef. 3:17).
 
De Heere, de Drie-enige God, uitgedrukt in het beeld van de verhoogde Zaligmaker (Hebr. 1:13), zingt in de hemel!
Zingend in het midden van de engelen en van de zielen van de gezaligden, voor de troon. Waar Zijn gezang wordt beantwoord met hun echo: U bent geslacht, en hebt ons Gode gekocht met Uw bloed uit alle geslacht en taal en volk en natie (Openb. 5:9).
 
Hij zingt in de hemel. En Hij zingt ook op de aarde.
Waar…? Hier, in het midden van Zijn gemeente, in de kring van Zijn discipelen.
De apostel citeert Psalm 22, als hij schrijft in Hebreeën 2: Hij schaamt Zich niet ons broeders te noemen, zeggende: Ik zal Uw Naam Mijn broederen verkondigen; in het midden der gemeente zal Ik U lofzingen (Ps. 22:23; Hebr. 2:11-12).

Hier in de gemeente van God, hier in de harten van Gods kinderen in het bijzonder, zingt de allerhoogste Christus. In de psalmen, Die Hij Zelf gedicht en gezongen heeft. En in de verkondiging van Zijn eeuwige Evangelie. Zoals Hij ook in Psalm 117 zingt onder de volken: Looft de HEERE, alle heidenen; prijst Hem, alle natiën. Want Zijn goedertierenheid is geweldig over ons, en de waarheid des HEEREN is in der eeuwigheid. Halleluja (Ps. 117).
 
Totdat (en dat is onze zekere hoop en blijde verwachting) ons gezang, hier nog zo doorspekt met klanken van aanvechting en verdriet, straks voor eeuwig zal overgaan in het Hallel hierboven.
Eeuwig zingend met de laatste woorden van Psalm 118, die dan nooit meer zullen wegsterven in het donker van de nacht: U bent voor eeuwig onze God, daarom zullen wij U loven; o onze God, wij zullen U verhogen. Looft de HEERE, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid (Ps. 118:28,29).

Troost elkaar, zingend en sprekend, met deze woorden en met dit vooruitzicht.
 
Tot slot,
Onbekeerd vrienden, waar u vanmorgen ook was of zat, ik kan het niet over mijn hart verkrijgen om dit zielsontroerende zingen van de Zaligmaker, af te sluiten met een ernstige waarschuwing uw adres.
Mag ik u dan, al nazingend, namens Mijn Meester dit nog wel meegeven?

Want Hij is onze God, en wij
Zijn ’t volk van Zijne heerschappij,
De schapen, die Zijn hand wil weiden;
Zo u Zijn stem dan heden hoort,
Gelooft toch ook Zijn heil- en troostrijk woord;
Verhardt u niet, maar laat u leiden.
 
Kunnen de liefde en de trouw van de Zaligmaker, kan Zijn liefdevolle bereidheid om naar deze wereld te komen en Zijn ziel te geven om mensen zoals ik en u vrij te kopen van de zonde, u niet bewegen om Hem te gaan zoeken?

Niet?
Dan geef ik uw ziel aan het einde van deze dienst in de handen van Mijn Meester.
Voor u is nog maar één hoop. Zonder dat is alles voor u: verloren…
En die hoop is…: Jezus (dat zag u toch?) ontvangt zondaars en eet met hen.

Alle dingen zijn gereed. U hoeft niets te doen, u hoeft niets mee te brengen. Dan alleen uw zonde en schuld.
Ga door uw knieën. Grijp Zijn voeten vast. En roep de Naam van de HEERE aan.
En zeg: Och HEERE, bevrijd mijn ziel! Want onze HEERE is genadig en rechtvaardig.
En onze God ontfermt Zich op het gebed (Ps. 116:4-5).
 
Amen.