Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? – Mattheüs 27

Preek Mattheüs 27:46: En omtrent de negende ure riep Jezus met een grote stem zeggende: ELI, ELI, LAMA SABACHTHANI! dat is: Mijn God! Mijn God! Waarom hebt Gij Mij verlaten!

LEESPREEK

Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? 
Ds. J. IJsselstein – Mattheüs 27:46
Goede Vrijdag
 
Liturgie:
Psalm 43:1,2
NGB artikel 21
Psalm 22:1
Lezen Mattheüs 27:33-50
Psalm 22:2,4
Psalm 22:10
Psalm 77:6
 
‘t Is donker, ‘t is aardedonker…
De zonsverduistering duurt inmiddels al drie uur.
Alles is donker. Nergens is één enkel lichtpuntje.

De Heere Jezus, Die aan het kruis hangt, ziet niets…
Geen engel, geen discipel, geen mens.
Geen licht, geen gunst, geen ontferming.
 
En dan…
Al het lijden door mensen Hem aangedaan, heeft Hem geen enkele klacht kunnen ontlokken.
De verlating door Zijn discipelen niet. De minachting door de Joden niet.
De spot door de soldaten niet. De geselslagen op Zijn rug niet.


De doornenkroon op Zijn hoofd niet. De spijkers door Zijn handen en voeten niet.
Maar nu, nu de hitte van de toorn van God in alle hevigheid op Hem brandt, nu roept Hij uit met grote kracht: Mijn God! Mijn God! Waarom hebt Gij Mij verlaten?
 
Dit vierde kruiswoord gaan wij vanavond met Gods hulp samen met elkaar overdenken.
De tekst voor de preek op deze Goede Vrijdag vindt u in Mattheüs 27:46 (vooral het laatste gedeelte daarvan):

En omtrent de negende ure riep Jezus met een grote stem, zeggende: ELI, ELI, LAMA SABACHTHANI? Dat is: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?              
 
Het thema voor de preek is:

Waarom hebt Gij Mij verlaten?              

We letten samen op een viertal aandachtspunten:
1. De inhoud van die verlating (Wat was dat?)
2. De diepte van die verlating (Hoe was dat?)
3. De reden van die verlating (Waarom was dat?)
4. Het doel van die verlating (Waarvoor was dat?)
 
 
Als eerst dus:

1. De inhoud van die verlating

Wat was dat? Wat betekent dat woord: verlating?
Verlaten, dat wil zeggen: alleen gelaten.
U weet misschien wel hoe erg dat is…

In de steek gelaten door je man, door je vrouw, door je vriend of vriendin…
Als kind door je vader of moeder verlaten…
Verlaten door iemand die je door de dood ontvallen is…
Dat alles is al hartverscheurend. Reden genoeg om elkaar in zulke moeite en in zulk verdriet te helpen en te steunen. En om voor elkaar te bidden.
 
Maar wat hier gebeurt, is anders. Dit is het toppunt, dit is de climax van alle verlating.
Het dieptepunt van verlating door God.
 
Wat is de kern van deze verlating door God?
Laat ik eerst zeggen wat het niet betekent.
Het betekent niet, dat God feitelijk niet meer bij Hem is. God is altijd (ook nu) overal tegenwoordig.
Het betekent niet dat de Vader Zijn Zoon niet meer liefheeft. De wederzijdse liefde van de Vader tot de Zoon is van eeuwigheid en tot eeuwigheid.

Het betekent ook niet dat de Vader Zijn ondersteuning en bijstand in dit lijden intrekt.
Die had Hij beloofd in Jesaja 42: Ziet, Mijn Knecht, Die Ik ondersteun (Jes. 42:1).

De Heere Jezus heeft het kort geleden ook Zelf nog gezegd: Ziet, de ure komt, en is nu gekomen, dat gij zult verstrooid worden, een iegelijk naar het zijne, en gij Mij alleen zult laten; en nochtans ben Ik niet alleen; want de Vader is met Mij (Joh. 16:32).

Het is ook niet zo, dat de Zoon de Vader verlaat. Christus onttrekt Zich niet aan Zijn Vader. Maar Zijn ziel roept tot God!
Uit de diepten: Mijn God! Mijn God!
 
Verlaten-zijn betekent hier, dat de Vader alle gevoelige ervaring van Zijn liefde, van Zijn gunst en van Zijn troost intrekt. De Vader trekt alle tekenen van Zijn liefde, gunst en genade in. Ook in die zin is de zon verduisterd. En wat overblijft, is een stikdonkere nacht in de ziel van de Zaligmaker. Zonder enig gevoel van troost, vanwege het ervaren van de nabijheid van Zijn Vader.
 
Hij draagt de helse straf, de angsten van de hel, het gevoel van de toorn van God over de zonde. Zonder enige blijk van liefde en troost. Juist nu Hij die het meeste nodig heeft. Want iedereen heeft Hem verlaten. Ook Zijn discipelen.


En nu trekt ook Zijn Vader de glans van Zijn troost en liefde, het gevoel van Zijn nabijheid en gunst in.
Hoe dat was, wat de diepte daarvan was, dat zien we in ons tweede punt:

2. De diepte van die verlating

Want: Hoe was dat? Hoe erg is deze verlating?
Hoe erg verlating is, dat heeft alles te maken met wat je voorheen voor elkaar betekende. Daarom doet verlating door iemand van wie je heel veel hield, zoveel pijn!
 
Wie was de Vader voor de Heere Jezus? Wat betekende Hij voor Hem?
De Vader had de Heere Jezus lief, al van voor de grondlegging van de wereld. De Heere zegt in Johannes 17: U hebt Mij liefgehad, voor de grondlegging der wereld (Joh. 17:24).
En ook nu Hij op de aarde is, heeft Hij al meer dan dertig jaar geleefd in de meest intieme verbondenheid, liefde en gunst met en van Zijn Vader.

De Vader zei het Zelf (kortgeleden bij de verheerlijking op de berg): Deze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelke Ik Mijn welbehagen heb (Matth. 17:5). En de Heere Jezus drukte het kortgeleden nog zo uit: Ik wist dat U Mij altijd hoort (Joh. 11:42).
Nooit eerder had Hij Zich in Zijn menselijke natuur door Zijn Vader verlaten gevoeld.
 
En dus is dit een uitroep van ontsteltenis en van grote beroering. Dit is voor Hem nauwelijks te dragen. Zonder enige troost. Zonder het gevoel dat de Vader Hem liefheeft. Zonder enige blijk van liefde. Zonder één vriendelijk woord.
Sinds Gethsémané ligt die last al op Hem. Daar was Zijn ziel al bedroefd tot de dood toe.
Maar hier drukt die last Hem op het allerzwaarst. Het scheurt Hem uiteindelijk Zijn hart.
 
Zeker de ondersteuning door Zijn Vader blijft. Dat had de Heere beloofd.
Maar de gevoelige ervaring van Vaders liefde en nabijheid is geweken.
Hij ervaart wat veroordeelden enigszins zullen ervaren, als de Rechter spreekt: Ga weg van Mij, gij vervloekten (Matt. 25:41).

Een vloek geworden (zegt de apostel) voor ons (Gal. 3:13). Dit is verlating onder het dragen van de ondragelijke last van de toorn van de Almachtige over de zonden van Zijn Kerk. Het behaagde de Heere Hem te verbrijzelen (Jes. 53:10).
 
Hier draagt Christus de ondragelijke last van de toorn van God over onze zonden, kinderen van God. En juist nu (nu Hij meest de troost en de gunst van Zijn Vader nodig heeft), juist nu trekt de Vader die in.
En dus…? Is er niets meer…?

Nee, dat is niet waar. En dus blijft er maar één ding over, ook voor onze lijdende Zaligmaker. Die nu in Zijn menselijke natuur zo nameloos diep moet lijden.
Nu alle gevoel van liefde en troost geweken is, nu blijft er maar één ding over:
Zijn geloof. Zijn geloof in God. Zijn geloof in het woord van Gods belofte!
 
En dus roept de Borg, onze lieve Heere en Zaligmaker niet in wanhoop. Maar nog voordat Hij roepend uiting geeft aan Zijn grote zielesmart, roept Hij met twee woorden van geloof. Terwijl het zicht op Zijn Vader en het gevoel van Zijn gunst Hem ontvallen is: Mijn God, mijn God!

Eerst twee woorden van geloof: Mijn God, Mijn God!
En dan één woord van verlating: Waarom hebt U Mij verlaten?
In het diepst van Zijn lijden, is het vertrouwen van Zijn geloof sterker dan de schrik van Zijn lijden. Alle vertroosting is ingetrokken. God voelt tegen Hem. Alle golven en baren van Gods toorn gaan over Hem heen.

De verbinding met de liefde van Zijn Vader voelt als verbroken. Maar Zijn geloof zegeviert: Mijn God Mijn God! 
Mijn God, Ik voel U niet meer, Ik zie U niet meer, Ik ervaar U niet meer.
Maar Ik steun op Uw vermogen! U bent de sterkte van Mijn hart.
Hij blijft staande, Hij blijft overeind door het geloof.
 
Geloof is geloven aan Gods Woord, niet omdat wij zien of voelen dat het waar is. Maar omdat God het gezegd heeft.

Zoals Jona bad in de stikdonkere nacht, in de diepte van de zee, in het hart van de aarde.
Ik ben uitgestoten van voor Uw ogen; nochtans(!) zal ik de tempel Uwer heiligheid weder aanschouwen (Jona 2:3-4). Hij is letterlijk op de bodem van de zee. Zonder uitzicht, zonder licht. Maar toch gelooft hij aan Gods beloftewoord.
 
Maar meer dan Jona is hier (Matt. 12:41). Door God verlaten. En toch gelovend.
Zich vasthoudend aan Gods belofte: U zult Mijn ziel in de hel niet verlaten (Ps. 16:10).
Hij ziet het niet. Maar Hij gelooft het.
En dus roept Hij. Niet eenmaal, maar tweemaal (als dubbele blijk van Zijn geloof en vertrouwen): Mijn God, Mijn God.

Terwijl Hij ondertussen volkomen buigt onder de wil van Zijn Vader. Want Hij roept niet ‘slaande God, wrekende God’, maar ‘Mijn God’. Zoals de oude Eli ooit zei: Hij is de Heere, Hij doe wat goed is in Zijn ogen (1 Sam. 3:18). Buigend onder Gods slaande hand.
 
Niets voelen. Niets zien. Maar geloven en roepen in de diepte van de verlating door Zijn Vader. Niet tegen Zijn Vader, maar tot Zijn Vader.
Als een kind tot Zijn Vader: Mijn God, Mijn God.
Dat is het voorbeeld dat de Zaligmaker Zijn volk hier geeft…
 
Het is een roep die uitdrukking geeft aan Zijn verbazing, aan Zijn beroering, aan Zijn ontsteltenis. Kreunend onder het loodzware gewicht van de last van de toorn van God.
Waarvan Hij tegelijkertijd weet, dat het nodig is. Dat het moet. Want Gods rechtvaardigheid eist vergelding. En Hij draagt die, uit liefde tot Zijn bruidskerk.

3. De reden van die verlating

Waarom was dat? Wat is de reden van deze diepe verlating? Van dat intrekken van het licht, van de ervaring van Gods liefde en gunst?
 
Dit, gemeente, is het loon op de zonde. Het loon op elke zonde.
Dit is, kinderen van God, ons verdiende loon. Dit hadden wij moeten uitschreeuwen in onze diepste verlating in de hel. Wij hadden die wrekende toorn van God moeten dragen.

De prijs van Gods vlekkeloze heiligheid en onkreukbare rechtvaardigheid. Die vloek lag op ons. Wij hadden weggestuurd moeten worden: Gaat weg van Mij!
Maar nu is Christus een vloek geworden voor ons; want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk die aan het hout hangt (Gal 3:13).
 
Hij draagt onze vloek. Die Hem wegbant uit de tegenwoordigheid van God.
Hij draagt onze vloek. Hij draagt onze straf. En wordt verlaten in onze plaats, opdat wij nimmermeer door God verlaten zouden worden.
 
Hier vindt de meest wonderlijke ruil plaats, die in de wereldgeschiedenis ooit heeft plaatsgevonden. De mens geworden Zoon van God daalt vrijwillig af in de diepte van de verlating door Zijn Vader. Om mensen, die zelf vrijwillig en opzettelijk God verlaten hebben, terug te brengen. En weer met God te verzoenen.
Christus wordt verlaten om weglopers en verlaters van God terug te brengen.
 
Dit, kinderen van God, is een dag om te zingen over het onbegrijpelijke wonder van Gods eeuwige welbehagen. Want nauwelijks zal iemand voor een rechtvaardige sterven; want voor den goede zal mogelijk iemand ook bestaan te sterven; Maar God bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is als wij nog zondaars waren.

Veel meer dan, zijnde nu gerechtvaardigd door Zijn bloed, zullen wij door Hem behouden worden van den toorn (Rom. 5:7-9).
Dit, kinderen van God, is een dag om te zingen over de onbegrijpelijk liefde van Christus.
Die hier midden in de diepte van Zijn verlating om onze zonden roept, in geloof: ELI, ELI, LAMA SABACHTHANI? Dat is: Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?              
 
Ons vierde aandachtspunt:

4. Het doel van die verlating

Ik zal u, denkend aan het doel van deze verlating, een aantal dingen noemen:
 
1. Zijn verlating wil ons als eerste iets laten zien van de deugden, van de volmaaktheden van God.
Van Zijn vlekkeloze heiligheid, van Zijn onkreukbare rechtvaardigheid.

God is zo heilig, dat de heilige Abraham zichzelf, staande voor God, stof en as noemt (Gen. 18:27).
God is zo heilig, dat de heilige Jesaja uitroept: Wee mij, want ik verga, dewijl ik een man van onreine lippen ben, en ik woon in het midden van een volk dat onrein van lippen is. Want mijn ogen hebben de Koning, de HEERE der heirscharen, gezien (Jes. 6:5).

Ja, zelfs de heiligen engelen bedekken hun gezicht voor God (Jes. 6:2).  
Voor die God, tegen Wie zij niet, maar wij wel opgestaan zijn. Met Wie wij gebroken hebben. Tegen Wie wij in vijandschap geleefd hebben.
 
Dit krenken van Gods heiligheid moet God wel rechtvaardig straffen. En het wordt hier (terwijl, kinderen van God, wij dit verdiend hebben) gestraft door de Vader aan Hem, Zijn Eniggeliefde Zoon. En… Hij buigt onder dat oordeel.


Geen woord van verzet, geen woord van opstand. Hier is de vervulling van Psalm 22: Mijn God! Ik roep des daags, maar U antwoordt niet; en des nachts, en ik heb geen
stilte… Doch Gij zijt heilig (Psalm 22:3,4).
Ik buig. In alle verberging schrijf Ik U, Mijn Vader, geen onrecht toe.
 
2. Zijn verlating wil ons als tweede iets laten zien van de ernst van onze zonde.
God wil dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede (Zondag 5). En hier blinkt die volmaaktheid van God. Terwijl onze zonde zich meer dan ooit inktzwart aftekent.

Gemeente, denk niet gering over de zonde. Iedere zonde, zelf de minste lust of gedachte om te zondigen, verdient de eeuwige straf, verdient dit. Omdat ze botst met Gods heiligheid.
 
Meer dan ooit hebben we in ons gemeenteleven nodig, twee dingen: Zicht op de heiligheid van God. En zicht op de ernst van de zonde. En dat in het perspectief van de komende eeuwigheid.
Alleen dan krijgt deze Christus waarde in Zijn diepe vernedering en in Zijn verlating door de Vader.
 
3. Zijn verlating wil ons als derde iets laten zien van wat onze zonden Christus aangedaan hebben.
Want, onze zonden, kinderen van God, zijn de oorzaak van deze diepe verlating. Het is de eeuwige verlating, die wij verdiend hebben. Die hier nu in al zijn zwaarte en ernst neerkomt op het hoofd van het Lam van God.

Hier vindt de afrekening plaats. Hier wordt het loon op onze zonde uitbetaald.  
Hier draagt Christus onze zonden op het hout. Hier worden onze ongerechtigheden op Hem gelegd. Hier draagt Hij de straf, die ons de vrede aanbrengt (Jes. 53:5).

Door ons was het heilige der heilige, was de nabijheid van God, voor altijd gesloten. Maar nu wordt die voor Hem gesloten. Om die voor ons weer te openen.
 
a. Hier is reden om te huilen, van schaamte, van berouw…
Wee mij, dat ik zo gezondigd heb. Zo gezondigd, dat de slagen van Gods toorn terecht moesten komen en kwamen op Zijn liefste Zoon. Die nooit zonde gedaan had.

b. Hier is ook reden tot verwondering, tot vreugde en blijdschap.
Want door Zijn striemen is ons genezing geworden (Jes. 53:5).

c. Hier is ook reden voor onbekeerden om te vrezen. Want: zou u het minste deel van dit lijden kunnen verdragen? Toch moet u straks, als u doorgaat op uw weg zonder God, niet alleen het minste deel, maar de volle last ervan eeuwig dragen.
 
4. Zijn verlating wil ons als vierde iets laten zien van de weergaloze liefde van Christus voor Zijn kerk.
En daarachter schittert, kinderen van God, de liefde van de Vader tot ons.
De Vader heeft ons zo uitnemend liefgehad, dat Hij de slagen van Zijn rechtvaardige toorn liet neerkomen op Hem.

Wij hadden voor altijd verlaten moeten worden. Maar nu wordt Hij, onze Heere Jezus Christus, door Zijn Vader verlaten. Door Zijn Vader, van Wie Hij kortgeleden nog zei:
Ik wist dat U Mij altijd hoort, en: Die Mij gezonden heeft, is met Mij. De Vader heeft Mij niet alleen gelaten (Joh 11:42; 8:29).
 
Maar nu toch… Nee. Niet verstoten. De liefde is niet verbroken. Maar de glans en de troost van Zijn liefde en gunst zijn ingetrokken. Nu de last van de toorn van God tegen de zonden van al de Zijnen op Hem drukt.
En dus is er nu niets meer om op te rusten, dan alleen op de wetenschap (niet ervaren, niet gevoeld, maar wel geloofd): Hij is met Mij. Mijn God, Mijn sterke God!

Het gevoel van Uw gunst heeft Mij verlaten. Maar Uw woord en belofte zijn vast!
U zult Mij ondersteunen, en U zult niet toelaten dat Uw Heilige de verderving zal zien (Ps. 16:10, Hand. 2:27).
 
Hier, kinderen van God, ligt de vaste grond van onze zaligheid.
Die ligt verankerd in eeuwige, verkiezende liefde. In het eeuwige verbond dat God sloot met Zijn Christus.
En hier is de prijs betaald, een oneindige prijs, voor een oneindig kwaad.

Maar de prijs is betaald. Het werk van de verzoening is volbracht.
De straf is gedragen. En de vloek is weggenomen.
Onze schuld is uit Gods boek gedaan, door het bloed des Verbonds, door het bloed van Christus.
 
5. Zijn verlating wil ons, kinderen van God, als vijfde ook leren wat wij moeten doen, in tijden van geestelijke verlating, tegenspoed en duisternis.  
Ons kleine hart kan schreeuwen onder gemis en verlating. Het was ons zo goed om nabij God te zijn. En de troost, de zorg, de liefde en de genade van de Heere te voelen, te proeven en te smaken.

Maar dan… trekt de zon haar liefelijke licht en haar warme stralen in. En verdwijnt achter een wolk. En roep ik: ‘Mijn God, ik zoek U in de dageraad. Maar ik ben U kwijt. Waar bent U, Heere? Ik kan niet zonder u. Maar ik zie U niet meer!’

Zoals Job zegt: Zie, ga ik voorwaarts, zo is Hij er niet, of achterwaarts, zo verneem ik Hem niet (Job 23:8).
Zoals Jesaja schrijft: Gij verbergt Uw aangezicht voor ons, en Gij doet ons smelten, door middel van onze ongerechtigheden (Jes. 64:7).

‘Maar, Heere!’, roept ons hart!
Uw goedertierenheid is beter dan het leven; mijn lippen zouden U prijzen (Ps. 63:4).
De verberging van Uw aangezicht is voor mij bitterder dan de dood (DL, V, 13)!

Zou U Uw genade vergeten? Nooit meer van ontferming weten?
Hebt U Uw barmhartigheden, door Uw gramschap over mijn zonden afgesneden?
Dit krenkt mij ’t leven…
 
De redenen van die geestelijke verlating kunnen verschillend zijn.
Soms is het vanwege onze zonden, om slordigheid in onze levenswandel, om nalatigheid.  
Onze zonden kunnen ons neerdrukken, omdat we weten dat we geroepen zijn tot heiligheid.

Soms is het beproeving van ons geloof. Zoals bij de gelovige Abraham, die al jaren met de Heere leefde.
Soms oefent de Heere zo ook het geloof van de pas beginnenden in de genade. Die zo hoopvol waren, zo vol verwachting en blijdschap. Steunend op hun gevoel, op hun blijdschap, op hun ervaring, die wegspoelt door een golf van beproeving. En de zon die eerst zo troostvol scheen, verdwijnt achter de wolken…
 
Maar kom, bedroefde mensen, in duisternis, er is troost in de verlating van Christus voor u, die zich verlaten voelt…
Laat me u een paar dingen zeggen.
 
1. Dit hoort bij het gaan in de voetstappen van Christus.
Wie nooit het vriendelijk aangezicht van de Heere gemist heeft, lijkt niet erg op Christus.                    De kinderen des lichts kennen ook perioden van duisternis.
 
2. Maar er is (als tweede) ook troost in die verlating,
Onze Heere werd meer dan wie ook ooit, verlaten. Opdat wij nooit meer voor eeuwig verlaten zullen worden.
Onze geestelijke donkerheid is maar tijdelijk. Zing daarom maar met de dichter van Psalm 77: Dit krenkt mij ’t leven. Maar God! Maar God zal verandering geven. De Allerhoogste maakt het goed, na het zure geeft Hij ’t zoet.
 
3. Geef de Heere (in de derde plaats) in uw duisternis, en in de verberging van Zijn aangezicht ondertussen geen ongelijk.
Zeg met de dichter van Psalm 22: Mijn God, U hebt mij verlaten, maar… U bent heilig. Buig ook onder wegen van duisternis en gemis. Zijn verlating was niet verdiend. Wij verdienen meer dan tijdelijke verlating. Hij handelt nooit met ons naar onze zonden.
 
4. Doe (in de vierde plaats) wat de Heere Christus deed: Hij riep naar omhoog.
Zoek Hem met tranen, zoals de bruid dat doet in Hooglied 3: Ik zocht des nachts op mijn leger Hem Dien mijn ziel liefheeft; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet.

Ik zeide: Ik zal nu opstaan en in de stad omgaan, in de wijken en in de straten; ik zal Hem zoeken Dien mijn ziel liefheeft; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet (Hoogl. 3:1-2).
Zoek Hem met tranen, zoals de dichter van Psalm 63 doet: O God, Gij zijt mijn God, ik zoek U in den dageraad; mijn ziel dorst naar U, mijn vlees verlangt naar U, in een land, dor en mat, zonder water.

Als ik Uwer gedenk op mijn legerstede, zo peins ik aan U in de nachtwaken.
Want Gij zijt mij een Hulp geweest, en in de schaduw Uwer vleugelen zal ik vrolijk zingen.
Mijn ziel kleeft U achteraan; Uw rechterhand ondersteunt mij (Ps. 63:1, 7-9).
 
Uw roepen uit de diepten wordt gehoord.
Al bent u alle gevoelige nabijheid van de Heere kwijt, al hoont de vijand u, al bespringt de satan u, zeg toch: Mijn God, Mijn sterke God, ik roep tot U!
Hoor mijn stem, als ik tot U roep (Ps. 28:2).
 
5. Bedenk ondertussen tot uw troost dat Heere Christus ons voorgegaan is en zo ook deze weg van verlating voor ons heeft geheiligd.
Doe wat Hij deed. Hij klampte Zich, terwijl Hij niets meer zag en voelde, vast aan God. Aan Zijn Woord, Aan Zijn belofte en aan Zijn trouw.

Zeggend met Job: Zie, zo Hij mij doodde, zou ik niet hopen (Job 13:15)?
Want ik vertrouw, hoe het ook zal gaan, op Zijn onfeilbaar woord. Midden in mijn verlating bent en blijft U toch: mijn God!
 
In de diepte van verlating, waar we niets meer zien, voelen of ervaren, waar alles ons ontvalt, wil de Heere ons leren geloven (zonder te zien of te voelen) dat Hij betrouwbaar is. Wil de Heere ons leren ons te werpen op Zijn beloftewoord.
          
6. Weet (als zesde) tot uw troost, dat onze sterke God machtig is.
Machtig is om die duisternis op een wenk van Zijn almacht spoedig te doorbreken.
Zoals Psalm 30 zingt: ‘s Avonds vernacht het geween, ‘s morgens is er gejuich (Ps. 30:6).

Zoals ook op Golgotha, na deze droeve klacht spoedig de roep volgt (omdat God nooit laat varen het werk van Zijn handen!): Het is volbracht! De hitte van Gods gramschap is geblust!
En zo ligt de diepte van verlating vaak dichtbij grote vreugde.
 
Geliefde gemeente, ik sluit af met de woorden van Jesaja 50:10:
Wie is er onder ulieden, die de HEERE vreest, die naar de stem Zijns Knechts hoort?
Als hij in de duisternissen wandelt, en geen licht heeft, dat hij betrouwe op de Naam des HEEREN, en steune op zijn God.
 
Amen.