/ / Orpa, ga met ons mee (Ruth 1) – nabetrachting IV

Orpa, ga met ons mee (Ruth 1) – nabetrachting IV

Orpa, ga met ons mee!
Preek Ruth 1:16: Maar Ruth zei: Val mij niet tegen, dat ik u zou verlaten, om van achter u weder te keren; want waar gij zult heen gaan, zal ik ook heen gaan, en waar gij zult vernachten, zal ik vernachten; uw volk is mijn volk en uw God mijn God.

Thema preek 1 Korinthe 11: Orpa, ga met ons mee!

Preek Ruth 1: Orpa, ga met ons mee! | Ds. J. IJsselstein
Preek Ruth 1: Orpa, ga met ons mee! | Ds. J. IJsselstein

Schriftgedeelte over Orpa, ga met ons mee – Ruth 1
1 In de dagen als de richters richtten, zo geschiedde het dat er honger in het land was; daarom toog een man van Bethlehem-Juda om als vreemdeling te verkeren in de velden van Moab, hij en zijn huisvrouw en zijn twee zonen.
2 De naam nu van dezen man was Elimélech, en de naam zijner huisvrouw Naómi en de naam zijner twee zonen Machlon en Chiljon, Efrathers, van Bethlehem-Juda; en zij kwamen in de velden van Moab en bleven aldaar.
3 En Elimélech, de man van Naómi, stierf; maar zij werd overgelaten, met haar twee zonen.
4 Die namen zich Moabitische vrouwen; de naam der ene was Orpa en de naam der andere Ruth; en zij bleven aldaar omtrent tien jaren.
5 En die twee, Machlon en Chiljon, stierven ook; alzo werd deze vrouw overgelaten, na haar twee zonen en na haar man.
6 Toen maakte zij zich op met haar schoondochters en keerde weder uit de velden van Moab; want zij had gehoord in het land van Moab, dat de HEERE Zijn volk bezocht had, gevende hun brood.
7 Daarom ging zij uit van de plaats waar zij geweest was, en haar twee schoondochters met haar. Als zij nu gingen op den weg om weder te keren naar het land van Juda,
8 Zo zeide Naómi tot haar twee schoondochters (waaronder Orpa): Gaat heen, keert weder, een iegelijk tot het huis van haar moeder; de HEERE doe bij u weldadigheid, gelijk als gij gedaan hebt bij de doden en bij mij.
9 De HEERE geve u, dat gij rust vindt, een iegelijk in het huis van haar man. En als zij haar kuste, hieven zij haar stem op en weenden;
10 En zij zeiden (Orpa en Ruth) tot haar: Wij zullen zekerlijk met u wederkeren tot uw volk.
11 Maar Naómi zeide: Keert weder, mijn dochters; waarom zoudt gij met mij gaan? Heb ik nog zonen in mijn lijf, dat zij u tot mannen zouden zijn?
12 Keert weder, mijn dochters, gaat heen; want ik ben te oud om een man te hebben. Wanneer ik al zeide: Ik heb hoop, of ik ook in dezen nacht een man had, ja, ook zonen baarde,
13 Zoudt gij daarnaar wachten, totdat zij zouden groot geworden zijn; zoudt gij daarnaar opgehouden worden om geen man te nemen? Niet, mijn dochters, want het is mij veel bitterder dan u; maar de hand des HEEREN is tegen mij uitgegaan.
14 Toen hieven zij haar stem op en weenden wederom; en Orpa kuste haar schoonmoeder, maar Ruth kleefde haar aan.
15 Daarom zeide zij: Zie, uw zwagerin is wedergekeerd tot haar volk en tot haar goden; keer gij ook weder, uw zwagerin na.
16 Maar Ruth zeide: Val mij niet tegen, dat ik u zou verlaten, om van achter u weder te keren; want waar gij zult heen gaan, zal ik ook heen gaan, en waar gij zult vernachten, zal ik vernachten; uw volk is mijn volk en uw God mijn God.
17 Waar gij zult sterven, zal ik sterven en aldaar zal ik begraven worden; alzo doe mij de HEERE en alzo doe Hij daartoe, zo niet de dood alleen zal scheiding maken tussen mij en tussen u.
18 Als zij nu zag, dat zij vastelijk voorgenomen had met haar te gaan, zo hield zij op tot haar te spreken.

TERUG RUTH