Hij zal Israel verlossen · Psalm 130

Preek 130: Drie Avondmaalspreken:
O.a.: En Hij zal Israël verlossen van al zijn ongerechtigheden.

Preken Psalm 130 rond Heilig Avondmaal

Voorbereidingspreek Psalm 130:1-4
Avondmaalspreek Psalm 130:5-6
Nabetrachtingspreek; psalm 130:7-8

PDF VOORBEREIDING PSALM 130:1-4
PDF NABETRACHTING PSALM 130:7-8

Voorbereiding
Avondmaalspreek
Nabetrachtingspreek

Preek Psalm 130: Nabetrachting

Gemeente, het woord van God wat wij in deze dienst van nabetrachting en dankzegging met elkaar overdenken kunt u vinden in Psalm 130, daarvan de verzen 7 en 8. Daar lezen we het Woord van God als volgt:
Israël hope op de HEERE; want bij de HEERE is goedertierenheid, en bij Hem is veel verlossing. En Hij zal Israël verlossen van al zijn ongerechtigheden.

Het thema voor de preek is:
Genade leert…
Ontvangen genade leert twee dingen. In de eerste plaats leert genade spreken over de hoop (dat ziet u in Psalm 130 vers 7a: Israël hope op de HEERE). En in de tweede plaats leert genade uitzien naar de vervulling (dat ziet u in psalm 130 vers 7b en 8: want bij de HEERE is goedertierenheid, en bij Hem is veel verlossing. En Hij zal Israël verlossen van al zijn ongerechtigheden).
Dus: Ontvangen genade leert….
1. Spreken over de hoop
2. Uitzien naar de vervulling

Als eerste dus:

1. Spreken over de hoop

Het zijn twee opvallende verzen, aan het eind van deze Psalm 130. Het grootste gedeelte van de psalm gaat over de persoonlijke strijd van de dichter, over de worsteling van zijn ziel met God. Vanuit de diepten roepend, biddend, belijdend, hopend en wachtend
op God. Bij Hem heeft hij houvast gevonden. Bij de HEERE, in het woord van Zijn belofte. Het is een stille, eenzame worsteling geweest tussen God en zijn hart…

Maar, kennelijk is er iets gebeurd.
U zegt: ‘toen kwam hij (zoals wij dat noemen) tot ruimte. Toen kreeg hij vergeving, vrede en blijdschap. En dus, vanaf nu is hij een verlost mens!’
Ja, ik begrijp wel wat u bedoelt, maar eerlijk gezegd staat dat er allemaal niet zo.
Wat staat er dan wel…?

Dit (en dat is genoeg!): de dichter van Psalm 130 heeft houvast gevonden in God.
Houvast buiten zichzelf. Hij wacht op God en hij hoopt op Zijn Woord (Psalm 130 vers 5).
Op wat God doen zal. Op Zijn tijd. Hij weet: bij U is vergeving (Psalm 130 vers 4), bij U is veel verlossing (Psalm 130 vers 7) en U zult Israël verlossen (Psalm 130 vers 8).
En, God is betrouwbaar. Hij houdt Zijn Woord. Zijn Woord is vast.
En daar kan de dichter mee verder. Met zijn hoop op Gods onfeilbaar Woord, met zijn hoop op de belovende God.

U zegt: ‘Ja, maar hij hoopt alleen maar. Dat klinkt zo magertjes… Als je het mij vraagt, dan zou ik het liever zien of hebben, in plaats van hopen. Dan weet je tenminste zeker, wat je hebt…’
Ja, maar zei de Heere Jezus niet ooit tegen Thomas: Omdat u Mij gezien hebt, Thomas, zo hebt u geloofd; zalig zijn zij, die niet zullen gezien hebben, en nochtans zullen geloofd hebben (Johannes 20:29).

Wie hoopt op God, door te geloven wat de Heere zegt, die heeft een vaste grond.
Wat je hebt, wat je bezit, dat kan je kwijtraken. En dan moet je misschien wel met de dichter zeggen: ‘Heeft God vergeten genadig te zijn (Psalm 77:10)? Ik zie het allemaal niet meer, ik weet het allemaal niet meer…’
Gods kinderen moeten leren om niet op het zichtbare te zien, maar om hogerop te zien.
Wat is vast? Wat je ziet, wat je voelt, wat je hebt?
Nee, dat is vast, wat je hoopt, gelovend en vertrouwend op het Woord van de Heere.

Dat is voor altijd vast en zeker. Omdat?
Omdat God het gezegd heeft. En: God is geen man, dat Hij liegen zou, noch eens mensen kind, dat het Hem berouwen zou; zou Hij het zeggen, en niet doen, of spreken, en niet bestendig maken (Numeri 23:19)?
De apostel zegt in Hebreeën 11: Het geloof nu is een vaste grond der dingen, die men hoopt(!), en een bewijs der zaken, die men niet ziet (Hebreeën 11:1).

De Heere heeft David hier (dat zien we in Psalm 130 vers 7 en 8) door het geloof en het vertrouwen op het Woord weer opgetrokken uit de diepten, en gezet boven op de ladder van de blijdschap en de gunning van het geloof.
U ziet datzelfde terug in de psalm die we gezongen hebben, in Psalm 33. Daar zegt de dichter: onze ziel verbeidt (verwacht, hoopt op) de HEERE. Hij is onze Hulp en ons Schild (hoort u, hoe zeker het is: Hij is!). Want ons hart is in Hem verblijd, omdat we op de Naam Zijner heiligheid vertrouwen. Uw goedertierenheid, HEERE! zij over ons; gelijk als wij (en daar ziet u weer precies hetzelfde: gelijk als wij) op U hopen (33:20-22).

Het leven van een kind van God is een leven van leren geloven, van leren hopen op Gods onfeilbaar Woord. Ook al zie ik het niet, ook al voel ik het niet, ook al ziet alles er anders uit, ook al zegt de satan: u hebt geen heil bij God, dan toch…! Dan toch (zoals de dichter zingt in Psalm 147) nederig naar Hem vragen, Hem vrezen, Zijne hulp verbeiden, en door Zijn hand zich laten leiden; en hoe het ook moog’ tegenlopen, gestadig op Zijn goedheid (daar is het weer!) hopen!
Omhoog zien dus, naar de HEERE en Zijn goedheid.
Want de vastheid van het geloof ligt niet in ons, niet in onze ervaring, niet in onze beslissing of keuze, niet in ons hebben, niet in ons bezitten, maar de vastheid van het geloof ligt buiten ons. En daar, in God en in Zijn Woord, daar ligt het voor altijd vast.

Dus (even dichterbij) het leven van een christen is niet: Ik heb ooit genade gekregen, nou dat heb ik dan, dat bezit ik gewoon, en dus: klaar!
Maar het leven van een oprecht christen is een leven van vertrouwen, van geloven, van hopen. Terwijl ik van mezelf niets heb.
Maar in alle omstandigheden, in al mijn nood, ondanks alles van mijzelf, richt mijn blijvend ellendige hart zich omhoog! Terwijl het zegt: Heere, ondanks alles van mij, vertrouw en hoop ik op U en op Uw beloftewoord.
En dat geloof, en die hoop, is vaster dan alle bezit.

En wie nu vanmorgen, misschien wel na een nacht van diepte en strijd, zo aan het Heilig Avondmaal iets heeft mogen geloven van de vastheid die er is in God, die volgt ongetwijfeld de dichter van Psalm 130 in dat vertrouwen en in dat geloof.
En de psalmist (die vaste grond en houvast gevonden heeft in Gods genade en vergeving, zo vast beloofd, voor zo’n slecht mens), de psalmist wordt evangelist en roept het uit: Israël hope op de HEERE!
Eigenlijk is het een gebiedende wijs: Israël, hoop op de HEERE!

Met andere woorden: dat is wat ik mocht doen, doet u dat toch alstublieft ook!
Hoop op de HEERE! Wil je leven, wil je toekomst? Hoop op de HEERE!
De dichter leerde iets van die hoop in het verborgen van de worsteling van zijn ziel met God.
En u, avondmaalgangers, mocht er (naar ik hoop en bid) persoonlijk ook iets van geloven voor eigen hart en leven toen u aanzat aan de bediening van het Heilig Avondmaal. Maar als dat dan zo is, laten we dan nu de dichter van Psalm 130 ook volgen en zeggen: Israël, hoop op de HEERE!

Israël!
I. We mogen in de eerste plaats denken aan het volk Israël: ‘Hoop op de God van Abraham, Izak en Jakob. Die de belofte van het zaad van Abraham vervuld heeft, die Zijn Woord gehouden heeft en Zijn Zoon als de Messias naar deze wereld gezonden heeft.’
II. Maar we mogen zonder twijfel in de tweede plaats ook dichterbij denken aan: de gemeente. Wij roepen u, gemeente, vanmiddag toe: Israël, hoop op de HEERE!

a. Wij roepen in de eerste plaats u toe, mede avondmaalgangers (en ik heb niemand van u persoonlijk op het oog als ik dit zeg), u die wel hoopte en hoopt, maar… op iets anders. Op uzelf, op uw eigen keuze, op uw ‘bezitten’, op uw ‘hebben’, op uw geestelijke rijkdom. Hoop toch op de HEERE!
Want als u leeft van wat u hebt, van wat uw bezit, dan bent u ten diepste nog steeds zonder hoop, en misschien nog wel steeds zonder God in de wereld. Dan zou het kunnen zijn dat u een naam hebt dat u leeft, maar dat u nog steeds geestelijk dood bent.
Kom toch tot inkeer! Uw eigen bezit, uw eigen keuze, dat is geen vaste grond. Dat is drijfzand. Steun niet op een valse hoop, bouw niet op een valse grond.
Als u uw hoop bouwt op wat u hebt, op wat u bezit, dan hebt u geen toekomst. En als u zo doorleeft, zult u uiteindelijk nog omkomen.
U moet door genade als een arme zondaar op God leren hopen.

b. Wij roepen in de tweede plaats u toe, geliefde gemeenteleden (en ik spreek namens al Gods kinderen): Hoop op de HEERE!
U hoopt misschien op van alles en nog wat: op uw gezondheid, uw inzichten, uw netheid, uw kennis. Maar het is allemaal bedrieglijke grond, het is valse hoop.
Als u zonder God leeft, dan bent u werkelijk zonder hoop in deze wereld (Ef. 2:12).
Het is een hopeloos leven, als u hoopt (op wat of wie dan ook), maar niet op God.

Ja, nu hebt u nog wel hoop, maar de Spreukendichter zegt: Als de goddeloze mens sterft, vergaat(!) zijn verwachting; zelfs is de allersterkste hoop vergaan (Spr. 11:7).
Uw hoop, uw verwachting zal vergaan. Als uw leven als een schaduw voorbijgegaan zal zijn, als u gegaan zult zijn door het dal van de schaduw van de dood en zult staan voor God, op Wie u niet hebt gehoopt…, dan zal uw hoop en uw verwachting vergaan!
Werp uw ijdele hoop toch weg! Slaap niet! Droom niet! Ontwaak uit uw dodelijke rust!
En leer als een arme zondaar uw hoop op God stellen. Hoop op de HEERE!

c. Wij roepen u in de derde plaats toe, kinderen van God, uitziend, hopend, wachtend…: Hoop op de HEERE!
Hoop op de HEERE, gij vromen; is Israël in nood, er zal verlossing komen.

Misschien durfde u vanmorgen wel niet aan het Heilig Avondmaal te gaan.
U riep uit de diepten, u beleed uw ongerechtigheden, maar… u zag op uzelf.
U durfde niet omhoog te kijken, te hopen en te vertrouwen.
Terwijl de Heere wel gezegd had, juist tegen u, dat u dat wel doen mocht.
Hoe nu verder? Lieve vrienden, gelooft toch Zijn heil- en troostrijk woord.
En hoop op de HEERE!
Geef de allerlaatste hoop op uzelf toch op. De gedachte dat er ooit nog iets van u zal kunnen komen. Door de werken der wet zal immers geen vlees gerechtvaardigd worden voor God! (Rom. 3:20)
En richt uw hart en oog door Gods genade toch meer buiten uzelf.
Opdat u geloven mag, in een vaste hoop: bij U, HEERE, is vergeving. Zelfs voor mij!
Opdat u komen mag, zoals de profeet Hosea zegt, vrezende tot de Heere en Zijn goedheid (Hos. 3:5).

Misschien ging u wel aan de bediening van het Heilig Avondmaal, maar was er strijd.
Misschien is er nu wel strijd en aanvechting in uw hart.
Hoop op de HEERE!
Want, zegt Jesaja: die de HEERE verwachten, zullen de kracht vernieuwen; zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden; zij zullen lopen, en niet moede worden; zij zullen wandelen, en niet mat worden (Jes. 40:31).
Misschien hebt u met stille verwondering en met vreugde en blijdschap aan de bediening mogen aanzitten. Zeg dan maar tegen uzelf en tegen anderen: Hoop op de HEERE!
Wat is dat een zegen, als je anderen hierin ook de weg mag wijzen, zoals de dichter van Psalm 130 dat doet. Ieder op de plaats waar de Heere ons gezet heeft.
Opdat het navolgende geslacht die weten zou, de kinderen, die geboren zouden worden; en zouden opstaan, en vertellen ze hun kinderen; en dat zij hun hoop op God zouden stellen (hoop op de HEERE!), en Gods daden niet vergeten, maar Zijn geboden bewaren (Ps. 78:6-7).

Dat laatste hoort er overigens ook echt bij, bij dat leven in hoop: Gods geboden bewaren.
Johannes schrijft: Een iegelijk die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zichzelf, gelijk Hij rein is (1 Joh. 3:3). En de dichter van Psalm 119 zingt: O HEERE! Ik hoop op uw heil, en doe uw geboden (119:166).

Gemeente, dat hoort echt bij dat leven in hoop: Gods geboden bewaren.
Zoals de dichter zingt: O HEERE! Ik hoop op uw heil, en doe uw geboden (Ps. 119:166).

Laten we, kinderen van God, de grond van onze hoop niet verliezen, door een slordig en werelds leven. In de zonde, ver bij de Heere vandaan, ver weg van de Schrift en van het verborgen gebedsleven.
Maar laten we ook, als we uit zwakheid in zonden vallen, aan Gods genade niet vertwijfelen en in de zonden blijven liggen. Want (zo staat in Psalm 130 vers 7): Bij de HEERE is goedertierenheid, en bij Hem is veel verlossing.
Bij de HEERE is trouwe liefde, blijvende liefde: goedertierenheid.
En: veel verlossing. Verlossing in de zin van ‘bevrijding, door de benodigde prijs te betalen, door vrij te kopen, door los te kopen.’

Zoals Christus dat deed in de diepten van Zijn lijden in Gethsémané, in de nacht van Zijn Godverlating aan het kruis. Daar heeft Hij de prijs betaald. En daardoor is er veel verlossing bij God.
Hij heeft de weg naar de verlossing geopend. Hoewel de diepste reden (dat ziet u in onze tekst), hoewel de diepste reden van de verlossing ligt in de drie-enige God. Want er staat: Bij de HEERE(!) is goedertierenheid, en bij Hem is veel verlossing.

Hier is de ruimte voor u, onbekeerde vrienden.
U moet eerlijk zeggen: bij mij is… zonde, schuld, verlorenheid, geestelijke nood en dood.
Maar de Heere zegt: bij Mij is… goedertierenheid en veel verlossing.
O, laat u dan vanmiddag toch met God verzoenen!
Hoort u in deze woorden niet Gods bereidwilligheid doorklinken?
God wil niet dat u zo doorgaat.
God wil niet dat u verloren gaat!
Bij Hem, de trouwe God van het verbond, Die altijd doet wat Hij zegt en belooft, is trouwe liefde, roepende liefde, opzoekende liefde. Hij zoekt u op en Hij roept u toe: Kom toch tot Mij, want bij Mij is veel vergeving (zie Jes. 55:3).
Uw zonden zijn groot en veel, maar niet te groot en niet te veel.
Onze God (dat hebt u vanmorgen toch gezien!) vergeeft menigvuldiglijk (Jes. 55:7).
Het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt van alle zonden (1 Joh. 1:7).
En dat bloed is beschikbaar voor u!
Roep toch de Naam des Heeren aan. Want een iegelijk die de naam des Heeren zal aanroepen, die zal zalig worden (Hand. 2:21).
Want de HEERE is goed, en gaarne vergevende (Hij vergeeft zo graag!), en van grote goedertierenheid (voor) allen, die Hem aanroepen (Ps. 86:5).

Bij de HEERE is goedertierenheid, en bij Hem is veel verlossing.
Daar is de ruimte voor u, onbekeerde vrienden.
En daar is troost voor u, die de Heere vreest. De troost, die we nu samen gaan zien in onze tweede gedachte

2. Uitzien naar de vervulling

Want, zo staat er in Psalm 130 vers 7b en 8: Want bij de HEERE is goedertierenheid, en bij Hem is veel verlossing. En Hij zal Israël verlossen van al zijn ongerechtigheden.

In de hoop op de HEERE, is de zekerheid van de vervulling. Want de HEERE houdt altijd Zijn Woord.
Dus in zekere zin is de hoop op de belofte, gelijk aan de vervulling van de belofte.
En toch blijft hoop ook vooruitzien, de hoop verwacht meer…
Hopen op de Heere, dat is een vaste grond voor nu. Maar ook verwachting voor verdere vervulling van het Woord van de Heere in de toekomst.

Dat was destijds zo bij de dichter van Psalm 130. Hij verwachtte als gelovige Israëliet de komende Verlosser. Later deden de herders, Simeon en Anna, en heel veel anderen precies hetzelfde: hopen op de HEERE (Luk. 2: 38).
Sommigen van hen hebben, net als Simeon, door het geloof het Kind mogen zien en in de armen mogen nemen. Anderen bleven meer van verre staan. Maar hun hoop was in al hun klachten en verwachten op Gods onfeilbaar Woord.

Zij verwachtten de komst van de Messias, die aangekondigd was door de engel Gabriël.
Maria, (u zult) een Zoon baren, en u zult Zijn naam heten JEZUS; want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden (Matt. 1:20-21).
Want Hij zal(!) Zijn volk zalig maken van hun zonden. Hij, de Zaligmaker, de beloofde Messias. Van Wie de apostel later zegt: In Wie wij hebben de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving der misdaden, naar de rijkdom van Zijn genade (Ef. 1:7).

Die rijkdom ziet u ook in onze tekst. In twee, kleine, onopvallende woordjes:
Bij Hem, bij die gekomen Zaligmaker is verlossing…? Nee, veel verlossing. Veel!
En Hij zal Israël verlossen van ongerechtigheden…? Nee, van al zijn ongerechtigheden. Van alle!

Hij zal het doen.
De Heere Zelf zal het doen.
Hij zal nooit loslaten het werk van Zijn handen.
Het ligt vast in de trouw van Zijn eeuwige genadeverbond.
Het ligt vast in Gods eeuwige, verkiezende welbehagen.

Hij zal Israël verlossen.
Al Zijn kinderen. Niemand van die roepende, wachtende, verwachtende en hopende zondaars uitgesloten. Het ligt voor hen allemaal vast. In God. Hij zal ze allemaal verlossen.
Het lijken vaak van die arme tobbers. Ze zijn ook arm in zichzelf. Maar ze zijn rijk in God. Want tegenover hun armoede, staat hier de rijkdom en de vastheid van het Woord van de HEERE: Hij zal verlossen!

Hij zal Israël verlossen.
Wat schittert in deze woorden de rijkdom van de verlossing door het bloed van Christus.
Petrus schrijft: Hij heeft ons verlost niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, (…) maar door het dierbaar bloed van Christus, als van een onbestraffelijk en onbevlekt Lam (1 Petr. 1:18-19).
Hij heeft ons, door Zijn gehoorzaamheid en lijden, verlost van de vloek van de wet, een vloek geworden zijnde voor ons (Gal. 3:13).
Een vloek geworden zijnde voor ons. Om ons te verlossen, van de satan, die ons zo kan influisteren: ‘u hebt toch geen heil bij God.’ Maar Hij heeft de satan overwonnen!
Om ons te verlossen van de wereld, van onze hang naar de dingen die van de wereld zijn.
Om ons te verlossen van al onze ongerechtigheden.

Hij heeft al de Zijnen verlost.
En Hij zal ons verlossen: van de zonde, van de verleidende kracht van de zonde, van onze onheiligheid.
Hij zal het doen. Hij doet het. Want Zijn Woord is getrouw en waarachtig.

Sterker nog: hij zal Israël verlossen van al zijn ongerechtigheden.
Zoals de dichter zingt in Psalm 103: Die al(!) uw ongerechtigheid vergeeft, die al(!) uw krankheden geneest (103:3).
En schrijft Paulus dat ook niet aan Titus? Die Zichzelf voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons zou verlossen van alle(!) ongerechtigheid, en Zichzelf een eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken (2:14).

Daarom, kinderen van God, laten we moed houden. Houd moed in de strijd tegen de zonde en de verdorvenheid van uw hart.
Want de verlossing is zeker. Van al onze ongerechtigheden.
De strijd is gestreden en de overwinning is behaald.
En Hij die overwonnen heeft, roept u toe: Hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen (Joh. 16:33).

Zeker, hier op aarde is voor ons het leven van de overwinning nog niet aangebroken. Paulus zegt: wij zuchten… Want ook in dezen zuchten wij, verlangende met onze woonstede die uit den hemel is, overkleed te worden (2 Kor. 5:2).
Zeker, er zijn ook momenten dat we zingen: Blij vooruitzicht dat mij streelt.
Maar als we kijken naar ons immer nog zondige hart en leven, dan moeten we zuchten.

Dat deed Paulus ook. We lezen in Romeinen 8: Want wij weten, dat het ganse schepsel tezamen zucht, en tezamen als in barensnood is tot nu toe. En niet alleen dit, maar ook wij zelf(!), die de eerstelingen des Geestes hebben, wij ook zelf, zeg ik, zuchten in onszelf, verwachtende (we verwachten!) de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing onzes lichaams (Rom. 8:22-23).
Met andere woorden: onze verlossing is nog niet compleet!
Zeker, Gods kinderen zijn door het bloed van Christus verlost van de vloek van de wet, van de schuld van de zonde, van de overheersende macht van de zonde, maar nog niet van het lichaam van de zonde, en nog niet van die altijd zo pijnlijke strijd van binnen, tegen de zonden van ons hart.

Want zegt Paulus verder in Romeinen 8: Wij zijn in hoop zalig geworden!
In de levende hoop, die verbindt aan de Zaligmaker, aan Christus.
De hoop nu die gezien wordt, is geen hoop; want hetgeen iemand ziet, waarom zou hij het ook hopen? Maar indien wij hopen, hetgeen wij niet zien, zo verwachten(!) wij het met lijdzaamheid (Rom. 8:24-25).
Het is de nieuwtestamentische echo van Psalm 130: Israël hope op de HEERE; want bij de HEERE is goedertierenheid, en bij Hem is veel verlossing. En Hij zal Israël verlossen van al zijn ongerechtigheden.

Dat is onze gelukkige verwachting, dat is onze zekere hoop!
Dat de tijd komt, dat dit Avondmaal veranderd zal worden in het Avondmaal van de bruiloft des Lams (Openb. 19:9).
En dus, kinderen van God, laten we ons hart en leven niet zetten op de dingen van nu.
Ons wacht een hemelse erfenis. En het is goed dat wij die ook verwachten.
Hebben we dat verdiend? Nee, maar daarom heet het ook een erfenis.
Paulus spreekt in Kolossenzen 1 over: de hoop die voor u weggelegd is in de hemelen, van welke u tevoren gehoord hebt, door het woord der waarheid, namelijk des Evangelies (Kol. 1:5).
Als dat uw hoop is, uw uitzien, uw verlangen: zo zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods (Kol. 3:1).

Wij leven, kinderen van God, in de laatste dagen. Dagen waarin we steeds verder gaande tekenen zien en horen van dag van de terugkomst van onze Heere Jezus Christus.
Toen onze Heere nog op aarde was, toen heeft Hij gezegd: Als nu deze dingen beginnen te geschieden, zo ziet omhoog, en heft uw hoofden opwaarts, omdat uw verlossing nabij is (Luk. 21:28). Dan is de definitieve verlossing nabij…

Want, jongens en meisjes, voor ons wacht nog een andere, een laatste verlossing. Die hebben we nog niet gekregen.
Waarom verlangen we soms (misschien vind je dat wel een rare of nare gedachte maar), waarom verlangen we soms zo naar de dag van ons sterven, naar de dag van onze hemelvaart?
Nee, ik wil niet gemakkelijk denken en spreken over het ingrijpende van het lijden van de naderende dood, maar toch, voor al Gods kinderen geldt: Maar na de dood is het leven mij bereid!

Waarom verlangen we soms zo naar de dag van ons sterven?
Omdat we dan voor altijd bij de Heere zullen zijn.
Hier op aarde zijn het vaak maar korte momenten. In persoonlijk gebed, in het lezen van het Woord van de Heere, onder de preek, en zeker ook aan de bediening van het Heilig Avondmaal. Dan is het zo goed om nabij God te zijn, om zo dicht bij de Heere te zijn (Ps. 73:28).
Maar, na ons sterven zal dat voor altijd zo zijn. Omdat we dan voor altijd bij de Heere zullen zijn. En omdat we dan voor altijd verlost zullen zijn.

Hier op aarde zijn we door de Heere uit genade verlost van de vloek van de wet, van de schuld die we hadden, en van de overheersende macht, van de dictatuur van de zonde.
Maar dan zijn we helemaal verlost, zoals de Heere het ons heeft beloofd.
Want dan (en daarom kijken we daar zo naar uit), dan zijn we eindelijk verlost van ons zondige hart. De dood zal ons als laatste verlossen van… onszelf.

Daarom verwachten wij die dag met groot verlangen (NGB, artikel 37). Omdat het dan ten volle werkelijkheid zal zijn, de belofte wordt dan totaal, helemaal, volkomen vervuld:
Hij zal Israël verlossen van al zijn ongerechtigheden.

Halleluja, amen.

Links bij Psalm 130: Hij zal Israël verlossen
– Preek Psalm 147: God hoort roepen van jonge raven
Preek 2 Koningen 4: Weduwe en olie in lege vaten
Lees meer:
– Kanttekeningen bij Psalm 130

TERUG PSALMEN

preek psalm 130
Preken Psalm 130