PREEK · VRIJE STOFFEN

Ananias en Saffira – Handelingen 5

2 juni 2024

Handelingen 5:1-2: En een zeker man, met name Ananías, met Saffira, zijn vrouw, verkocht een have, En onttrok van den prijs, ook met medeweten van zijn vrouw, en bracht een zeker deel en legde dat aan de voeten der apostelen.

INLEIDING

Twee christenen die uiterlijk meeleven met de opbloeiende gemeente na Pinksteren, maar in hun hart hun eigen eer boven Gods eer stellen — dat is de aangrijpende geschiedenis van Ananias en Saffira in Handelingen 5. Petrus’ doorborende vraag “waarom heeft de satan uw hart vervuld, dat gij den Heiligen Geest liegen zoudt?” (vers 3) klinkt door tot in ons eigen hart: wie schijn voor werkelijkheid houdt, ontdekt hier dat de Heere hart en nieren doorgrondt.

THEMA

Ananias en Saffira

KERNPUNTEN

  1. Lessen voor het gemeenteleven
  2. Lessen voor het persoonlijke leven

HANDELINGEN 5:1-11

1 En een zeker man, met name Ananías, met Saffira, zijn vrouw, verkocht een have,
2 En onttrok van den prijs, ook met medeweten van zijn vrouw, en bracht een zeker deel en legde dat aan de voeten der apostelen.
3 En Petrus zeide: Ananías, waarom heeft de satan uw hart vervuld, dat gij den Heiligen Geest liegen zoudt en onttrekken van den prijs des lands?
4 Zo het gebleven ware, bleef het niet uwe, en verkocht zijnde, was het niet in uw macht? Wat is het dat gij deze daad in uw hart hebt voorgenomen? Gij hebt den mensen niet gelogen, maar Gode.
5 En Ananías deze woorden horende, viel neder en gaf den geest. En er kwam grote vrees over allen die dit hoorden.
6 En de jongelingen opstaande, schikten hem toe, en droegen hem uit, en begroeven hem.
7 En het was omtrent drie uren daarna, dat ook zijn vrouw daar inkwam, niet wetende wat er geschied was.
8 En Petrus antwoordde haar: Zeg mij, hebt gijlieden het land voor zoveel verkocht? En zij zeide: Ja, voor zoveel.
9 En Petrus zeide tot haar: Wat is het dat gij onder u hebt overeengestemd te verzoeken den Geest des Heeren? Zie, de voeten dergenen die uw man begraven hebben, zijn voor de deur, en zullen u uitdragen.
10 En zij viel terstond neder voor zijn voeten, en gaf den geest. En de jongelingen ingekomen zijnde, vonden haar dood, en droegen haar uit, en begroeven haar bij haar man.
11 En er kwam grote vrees over de gehele gemeente, en over allen die dit hoorden.

VOLLEDIGE TEKST

Ananias en Saffira – Handelingen 5

ds. J. IJsselstein - Handelingen 5:1-2

THEMA

Ananias en Saffira

LITURGIE

Psalm 72:2,4

Lezen Handelingen 4:32 – 5:11

Psalm 139:1,4,6

Psalm 95:5

Psalm 25:4,5

Geliefde gemeente, jongens en meisjes, de preek vanmorgen gaat over de geschiedenis van Ananias en Saffira. We gaan eerst vers voor vers kijken wat er gebeurt, dan zingen we, en daarna gaan we kijken welke lessen we daaruit kunnen trekken.

We beginnen (lees maar mee in je Bijbel) met Handelingen 4 vers 32: En der menigte van degenen die geloofden, was één hart en één ziel; en niemand zeide dat iets van hetgeen hij had, zijn eigen was, maar alle dingen waren hun gemeen. Het is in de tijd na Pinksteren. De Heere werkt. Er zijn heel veel mensen die geloven. En wat blijkt dan?

Waar de Heere werkt, gebeuren er twee dingen. In de eerste plaats: ze zijn samen één. Er is heel veel onderlinge liefde. Er is geen ruzie, geen gemopper. Zoals Psalm 72 het zingt: Waar twist en wrok verdwijnt, zal alles door de vrede bloeien. En in de tweede plaats, zo staat er: zijn alle dingen hun gemeen. Dat wil niet zeggen dat ze al hun spullen en hun geld weggeven en onder elkaar verdelen. Maar: ze geven aan elkaar wat de ander nodig heeft.

Dus, de band met elkaar wordt sterker. En de band met de dingen van deze tijd, met geld en bezittingen, wordt losser. Want ze zijn andere dingen belangrijk gaan vinden: het dienen van de Heere, het Koninkrijk van Zijn genade, en het liefhebben van elkaar. Zoals de Heere Jezus ooit zei: Vrees niet, gij klein kuddeken, want het is uws Vaders welbehagen, ulieden het Koninkrijk te geven. Verkoopt hetgeen gij hebt, en geeft aalmoes. Maakt uzelven buidels die niet verouden, een schat die niet afneemt, in de hemelen, waar de dief niet bij komt, noch de mot verderft (Luk. 12:32-33).

En in die zegenrijke tijd doet, kijk maar naar vers 36 en 37, ene Barnabas, zo heet die man, iets opmerkelijks. En Joses, van de apostelen toegenaamd Bárnabas (hetwelk is, overgezet zijnde, een zoon der vertroosting), een Leviet, van geboorte uit Cyprus, alzo hij een akker had, verkocht dien, en bracht het geld en legde het aan de voeten der apostelen (Hand. 4:36-37). Barnabas, die later een van de meest geestelijk volwassen, betrouwbare en vriendelijke leiders van de kerk zal zijn. Hij verkoopt hier een stuk land, en brengt het geld bij de apostelen. Hij geeft het met liefde voor de armen.

En dan begint Handelingen 5, vers 1 en 2: En een zeker man, met name Ananías, met Saffira, zijn vrouw, verkocht een have, en onttrok van den prijs, ook met medeweten van zijn vrouw, en bracht een zeker deel en legde dat aan de voeten der apostelen. Dus, wat doen die twee mensen? Dit: ze zien het voorbeeld van Barnabas. Iedereen is onder de indruk en prijst hem om wat hij doet. Ze denken: “Dat zouden wij ook wel willen: dat de mensen ons ook heel goed zouden vinden. Maar ja, om daar nu zoveel geld voor over te hebben…”

Dus verkopen ze óók een stuk land. Maar alles weggeven? Nee, ze besluiten een deel weg te geven en een deel voor zichzelf te houden. Maar dat laatste vertellen ze aan niemand. Ze gaan gewoon zeggen: dit is de héle opbrengst van onze verkoop.

Barnabas hield met heel zijn hart van de Heere. Maar zij houden meer van hun geld; eigenlijk willen ze het helemaal niet kwijt. Maar ze willen ook de eer van de mensen. Ze hinken, zegt Matthew Henry, op twee gedachten. Waren ze helemaal van de wereld, dan zouden ze hun bezit niet verkocht hebben. Waren ze helemaal christen, dan zouden ze geen deel stiekem voor zichzelf gehouden hebben. Met andere woorden: hun hart is niet eerlijk.

Ze verkopen een deel van hun bezit. En, je ziet het voor je, met een dikke zak geld gaat Ananias naar de apostelen – Petrus, Johannes, Jakobus, en anderen. “Kijk”, zegt hij, “net als Barnabas hebben ook wij een deel van ons bezit verkocht; hier is al ons geld. Mensen…, vinden jullie ons óók niet bijzonder?”

Maar dan…, die blik van Petrus. Petrus voelt en ziet dat de duivel aan het werk is in het hart van Ananias. Dit, wat Ananias nu doet, botst met de liefde, de eenheid en de vrede van de kerk na Pinksteren. Hier is de duivel aan het werk, die probeert leugen en bedrog de gemeente binnen te halen.

Kijk maar naar vers 3: En Petrus zeide: Ananías, waarom heeft de satan uw hart vervuld, dat gij den Heiligen Geest liegen zoudt en onttrekken van den prijs des lands? Ananias, je hart is vol van de duivel. Je liegt tegen de Heere! Want je doet alsof dit alles is, terwijl je stiekem geld hebt achtergehouden. Je probeert niet alleen mensen te bedriegen, maar zelfs de Heilige Geest. Je denkt dat niemand het weet, maar de Heere weet alles.

Vers 4: Zo het gebleven ware, bleef het niet uwe, en verkocht zijnde, was het niet in uw macht? Je wordt, Ananias, niet gedwongen om iets te geven. Je had het gerust mogen houden. Want God heeft een blijmoedige gever lief (2 Kor. 9:7). Je had zelfs ook een deel mogen geven en een deel voor jezelf mogen houden. Maar dan wel eerlijk. En niet doen, tegen God en tegen de mensen, alsof dit alles was.

Wat is het (vers 4b), dat gij deze daad in uw hart hebt voorgenomen? Gij hebt den mensen niet gelogen, maar Gode.

Ananias, dit is, zo zegt vers 3, een leugen tegen de Heilige Geest. En dit is, zo zegt vers 4, een leugen tegen God. Waaraan je trouwens ook kunt zien dat de Heilige Geest echt God is. Liegen tegen de Heilige Geest is liegen tegen God. Dus: de Heilige Geest is God. God, Die alles ziet en weet (Spr. 15:3).

En dan, vers 5: En Ananías deze woorden horende, viel neder en gaf den geest. En er kwam grote vrees over allen die dit hoorden. Ananias valt plotseling levenloos op de grond. Het oordeel van de Heere voltrekt zich onmiddellijk aan hem. En er kwam grote vrees over allen die dit hoorden. Dat kun je je voorstellen, dat mensen als aan de grond genageld staan, bleek, vol huiver en angst. Nu blijkt: God laat Zich niet bedriegen. En God wil dat de gemeente zuiver blijft.

Vers 6: En de jongelingen opstaande, schikten hem toe, en droegen hem uit, en begroeven hem. Een overledene werd altijd op dezelfde dag begraven. Maar in het geval van een dood door Gods oordeel, dan gebeurde dat echt direct (Lev. 10:4).

Saffira, de vrouw van Ananias, voelt zich ondertussen een beetje ongemakkelijk… Waar blijft haar man? Waar blijft Ananias?

Drie uur later komt zij ook binnen, bij de apostelen. Als de vrouw van de gulle, vrijgevige Ananias. Net als hij, wachtend op bewondering en lof van mensen, vanwege… die grote zak geld. Dat haar man niet meer leeft, weet ze niet. Hoewel ze zich misschien wel wat ongerust maakt. Maar ondertussen is zij in haar hart al net zo verblind als dat hij was.

En Petrus (vers 8) antwoordde haar: Zeg mij, hebt gijlieden het land voor zoveel verkocht? En zij zeide: Ja, voor zoveel. Let op: Saffira krijgt nog twee waarschuwingen. a. Waar is haar man? Die had hier moeten zijn. Want die zak geld komt van hem. b. En dan die indringende vraag: Saffira, is dit echt alles? Waarom doe je dit, Saffira?

Vers 9: En Petrus zeide tot haar: Wat is het dat gij onder u hebt overeengestemd te verzoeken den Geest des Heeren? Zie, de voeten dergenen die uw man begraven hebben, zijn voor de deur, en zullen u uitdragen. Dit is de kern van hun zonde. Samen hebben ze een plan gemaakt om de Heere te verzoeken. Terwijl (dat weten we) de Heere heeft gezegd in Deuteronomium 6 vers 16: Gij zult den HEERE, uw God, niet verzoeken, gelijk als gij Hem verzocht hebt te Massa, in de woestijn. Ze hebben samen geprobeerd de Heere te testen, de Heere uit te proberen. Zo van: zou de Heere dit zien? Vast niet! Laten we het gewoon doen!

Wat je misschien ook wel eens denkt… Zou God dit echt zien? Laat ik het maar doen, ik zal wel zien…

Zie, zo gaat Petrus verder in vers 9b, de voeten van degenen die uw man begraven hebben, zijn voor de deur, en zullen u uitdragen. En ook zij valt dood neer.

Vers 10 en 11: En zij viel terstond neder voor zijn voeten, en gaf den geest. En de jongelingen ingekomen zijnde, vonden haar dood, en droegen haar uit, en begroeven haar bij haar man. En er kwam grote vrees over de gehele gemeente, en over allen die dit hoorden. Plotseling beseft iedereen in de gemeente: hier is God, de Allerhoogste, de Almachtige. De Alziende, de Alwetende. We zijn gemeente in de aanwezigheid van de heilige God van Israël. Die ons niet veroordeelt als we bezit hebben, ook niet als we veel bezittingen hebben. Maar Die het niet duldt, als we Hem proberen te bedriegen. Laten we de waarschuwende woorden van deze geschiedenis ter harte nemen, gemeente.

Voordat we verder gaan kijken naar de lessen die wij uit deze geschiedenis kunnen leren, gaan we eerst zingen uit Psalm 95:5:

Verhardt u niet; neemt Zijn genâ Ootmoedig aan. Laat Meriba, Laat Massa u ten afschrik wezen, Waar 'k door uw vaders ben verzocht, Toen alles, wat Mijn almacht wrocht, Hen niet bewoog, om Mij te vrezen.

- - - - -

Gemeente, jongens en meisjes, we hebben gezien wat er gebeurd is in de geschiedenis van Ananias en Saffira. We gaan nu kijken welke lessen we daaruit kunnen trekken. Eerst heel kort een drietal lessen voor het gemeenteleven. Daarna gaan we uitgebreider in op de persoonlijke lessen die in deze geschiedenis liggen. Als eerste dus:

1. Lessen voor het gemeenteleven

a. Als eerste roept deze geschiedenis ons op om waakzaam te zijn, alert op de aanvallen van de satan. Die gaat immers rond als een briesende leeuw, zoekende wie hij zou mogen verslinden (1 Petr. 5:8). Als we leven voor nu, en de Heere niet zoeken, niet dienen en niet vrezen, dan zal hij ons met rust laten. Dan heeft hij hier in de gemeente niets te zoeken.

Maar als we als gemeente, net als toen, dicht bij de Heere leven, in onderlinge liefde en vrede, dan moeten we op onze hoede zijn. Dan moeten we waken en bidden dat we niet in verzoeking vallen. En dan moeten ook wij, als gemeente en als ambtsdragers, de zonde ernstig nemen. We zien in deze geschiedenis dat God de zonde in de gemeente niet tolereert. Dus moeten wij die, met liefde tot de zondaar of zondares zelf, ook niet tolereren. Want God is heilig, en daarom moet de tempel van God heilig zijn (Ef. 2:21, 1 Petr. 1:16).

b. De tweede les is deze: laten we nederig en ootmoedig worden, zijn en blijven. Wij zijn een gemeente van zondige mensen. Als de eerste christengemeente al niet volmaakt was, dan zijn wij dat helemaal niet. Een perfecte kerk bestaat niet. Mocht je die toch zoeken, dan is je illusie, zodra je zélf lid van die kerk wordt, direct weer voorbij. Want je neemt jezelf mee.

Laten we nederig en ootmoedig zijn en blijven. Want de zonde is dichtbij, ze leeft in ons hart. Laten we de Heilige Geest niet verzoeken, maar eerbiedigen. Door geen plaats te geven aan welke zonde dan ook. En door hier te zitten in het besef van de aanwezigheid van de Heilige Geest, zodat er geen ban in de gemeente zal zijn of komen.

c. Dit brengt me bij de derde les: deze geschiedenis wijst ons ook op het belang van de kerkelijke tucht. God stelt de zonde niet rechtstreeks aan de kaak, maar schakelt Petrus daarvoor in. Op de ambtsdragers in de gemeente rust een zware taak om toe te zien of niet iemand van ons in openbare zonde leeft, hetzij door gedrag, door woorden, of door een van de Bijbel afwijkende leer. En wij, op wie deze moeilijke taak rust, moeten voortdurend bidden om de genade van de Heilige Geest, zodat we niet stiekem onze eigen doelen nastreven, of onze eigen eer meer achten dan de eer van God. En die tucht, dat toezien op ons leven door de ouderlingen, gaat als het goed is, niet naar willekeur, en wordt ook niet geleid door menselijke emotie of medelijden, maar wordt geleid en gestuurd door het Woord van God. Laten we verder vooral gaan kijken naar de persoonlijke lessen, voor onszelf.

2. Lessen voor het persoonlijke leven

a. In de eerste plaats laat dit zien dat je kunt denken, dat je gedachten en je plannen onzichtbaar zijn voor God. Maar de Heere weet en ziet alles: Er is geen schepsel onzichtbaar voor Hem, zegt de Hebreeënbrief, maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen Desgenen, met Welken wij te doen hebben (Hebr. 4:13).

Niets is bedekt voor Gods alwetendheid. Dus als je iets doet, of iets wilt gaan doen, en er is hier van binnen of in het Woord, een stem die zegt: “Niet doen, dat wil de Heere niet, dit is zonde tegen God”, leg die stem dan niet het zwijgen op, maar bid, buig de knieën en zeg: “Heere, red me en bewaar me?”

b. In de tweede plaats is hier een ernstige oproep tot zelfonderzoek. Dit is ‘de godsdienst’ van Ananias en Saffira, twee geziene leden van de gemeente. Voor het oog godsdienstig en voorbeeldig, maar in hun hart is alles schijn. Wat is uw godsdienst? Want dit kan ook nu, in deze tijd. Je kunt een sierlijk, een gezien lid van de gemeente zijn. Bezig met de dingen van God en van de kerk. Je kunt geraakt zijn door het Woord, diep onder de indruk van het spreken van de Heere. Je kunt veel weten, en je kunt het allemaal ook zo mooi zeggen. Je kunt ervan getuigen. Maar, hier van binnen? Daar regeert je eigen, hoogmoedige ik. Hoogmoedig, eerzuchtig en onoprecht voor God – zoals we allemaal van nature zijn.

Want waarom kómt het zover in het leven van Ananias en Saffira, dat ze openlijk de gemeente en de Heere willen bedriegen? Het komt omdat hun eigen ik regeert. Dat zit op de troon van hun hart. En omdat hun eigen ik, omdat hun hoogmoed regeert, daarom zijn ze een gewillige prooi voor de satan. Ze willen zichzelf handhaven. Ze willen vroom en godsdienstig lijken. Maar ze willen hun eigen ik niet opgeven. Ze willen meer schijnen dan ze in werkelijkheid zijn.

Is dat ook uw leven? Nogmaals: dit is een ernstige oproep tot zelfonderzoek. Wie bent u? Lijkt u op Ananias en Saffira? Wilt u ook zo graag meer lijken dan u in werkelijkheid bent? Ernstig pratend, ogenschijnlijk eerlijk, maar hier van binnen onbewogen? Het is allemaal schijn voor God. Nooit op uw knieën terechtgekomen. Nooit zondaar voor God geworden. En dus draait alles nog steeds om uzelf.

Er zijn zondaars die zich niet schamen voor hun zonden. En er zijn kerkmensen die zich niet schamen voor hun oneerlijkheid. Beiden diep in hun hart geregeerd door hun eigen ik, door hun hoogmoed. Beiden geven God niet de eer. Beiden zijn eerrovers van God. Ze beroven niet alleen, zoals Ananias en Saffira, de Heere van geld, maar vooral en veel meer van Zijn eer.

c. En dus is dit, in de derde plaats, vooral ook een ernstige waarschuwing voor alle huichelaars en schijngelovigen. Wat Ananias en Saffira doen, is vooral: zich beter voordoen dan ze in werkelijkheid zijn. Om lof en waardering van de mensen te krijgen. Ten diepste in de veronderstelling, dat God en de mensen hen zullen bewonderen om wie ze zijn, om wat ze zeggen, om wat ze doen: zo mooi, zo aangenaam, zo indrukwekkend... Maar de HEERE ziet het hart aan (1 Sam. 16:7).

Ze willen met al hun vroomheid en hun godsdienst, God bestelen en het werk van de Heilige Geest na-apen. Maar God laat Zich niet bespotten. Hij laat Zich niet om de tuin leiden. Herinnert u zich de woorden van de Heere Jezus niet? En Hij zeide tot hen: Gij zijt

het die uzelven rechtvaardigt voor de mensen; maar God kent uw harten; want wat hoog is onder de mensen, is een gruwel voor God (Luk. 16:15).

Dat is de kern van hun kwaad: hoog zijn voor God, en hoog doen voor de mensen. Ananias en Saffira zijn nooit vernederd voor de Heere. Ze zijn nooit door de Heilige Geest overtuigd van hun slechtheid. Daarom zijn ze nog altijd op zoek naar hun eigen eer. Daarom proberen ze nog steeds de eer van de Heere te roven. Ananias en Saffira zijn nog nooit door de Heilige Geest ontmaskerd als eerrovers van God.

Luister! Als je dit herkent... Als dit je een beetje onrustig maakt, omdat je gelukkig nog niet helemaal verhard bent, zoals Ananias en Saffira… Breek dan nu met die schijn. Nee, schijngelovigen en bedriegers vallen niet allemaal direct dood op de grond, zoals Ananias en Saffira. Maar vroeg of laat wél. Laat je masker dan aftrekken. Laat je dan vanmorgen eerlijk maken. Bid dan nu en ga dan straks je knieën buigen en bidden: “Heere, ontdek mij, laat me zien wie ik werkelijk ben. Want ik bedrieg niet alleen U en anderen, maar ook mezelf. Doorgrond en ken mijn hart, Heere. Breek toch mijn trots, mijn hoogmoed, mijn eigen ik. En haal me van de troon af. Laat Uw Heilige Geest me overtuigen van mijn zonde. En laat Hem mijn hart en leven vernieuwen. Heere, geef me toch een nieuw hart, dat mijn eigen eer niet meer zoekt, maar Uw eer alleen.” Bid alstublieft om genade. Want nu kunt u nog terug. Straks niet meer!

d. Dat is de vierde persoonlijke les: er zijn nog momenten dat je terug kunt, maar die gaan wel voorbij. Ananias had immers vanaf de eerste kritische blik van Petrus op zijn knieën kunnen vallen, smekend om vergevende genade. Maar hij deed het niet. In al zijn verharding had hij de satan gelegenheid gegeven zijn hart te vervullen.

En Saffira kreeg, zoals ik eerder zei, voor haar dood zelfs twee voelbare waarschuwingen. De eerste was: Saffira, waar is je man? En de tweede was de vraag van Petrus: Saffira, is dit écht alles? Een ongekend kruispunt in haar leven. Maar ze negeerde de laatste rode lichten en reed bewust door rood.

Zoals sommigen van u misschien vanmorgen ook op een ongekend kruispunt in uw leven staan. U staat voor de keus: gaat u kleur bekennen, buigen, breken? Of niet… Gaat u uw zonde, uw schijngodsdienstigheid, uw bedrog belijden? Of niet... Gaat u uw masker voor God en voor de mensen afdoen? Of niet... Gaat u als een schuldige openbaar komen en bidden om genade...? Of gaat u willens en wetens verder? Door het rode licht? Maar dan verongelukt u! Dat wordt uw dood, uw ondergang!

U kunt terug. Nu. Straks misschien niet meer. Wie God nederig valt te voet, zal van Hem Zijn wegen leren.

e. De vijfde persoonlijke les. Er kwam, zo staat er in vers 11, grote vrees over de gehele gemeente, over iedereen die hoorde wat er gebeurd was. Laat die vrees ook over ons komen. Ons hart, zegt Jeremia, is bedrieglijk. Arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja, dodelijk is het; wie zal het kennen? (Jer. 17:9) God laat Zich niet bespotten! Zeker niet door kerkmensen. Laten we vrezen voor bedrog.

Wat was het doel van die vrees, die de Heilige Geest op de gemeente liet vallen? Om iedereen te brengen tot eerlijk zelfonderzoek. De onbekeerden, zoals ik net zei. Maar ook Gods kinderen. Wat is dat zelfonderzoek steeds weer nodig. Dat gebed: Doorgrond en ken mijn hart, Heere, en zie, of bij mij een schadelijke weg zij; en leid mij op den eeuwigen weg (Ps. 139:24).

Veel mensen hebben een hekel aan dat zelfonderzoek. En dat is een slecht teken. Het zijn meestal de schijngelovigen die dat niet willen. Het kost hen moeite om eerlijk te zijn. Echt eerlijk worden zou hen onrustig maken. Anderzijds: degenen die er echt onrustig van worden, dat zijn vaak Gods oprechte kinderen. Het zijn meestal de tobbende kinderen van God, die bang zijn dat ze op Ananias en Saffira lijken. Waarom is dat zo? Omdat de Heere hun iets leerde kennen van de bedrieglijkheid van hun eigen hart.

Het zelfonderzoek lijkt de schijngelovigen niet te raken, als ze zich al willen onderzoeken. Maar het grijpt Gods oprechte kinderen aan. Want ze zien nog zoveel in hun hart wat botst met de eer van de Heere: hun hoogmoed, hun zoeken van eigen eer, hun zonden die Gods hoogheid schenden.

Maar we verbergen het voor de Heere niet. En daar zit het cruciale verschil tussen de oprechte kinderen van God en de huichelaars. Schijngelovigen duiken weg voor het eerlijke onderzoek van hun hart. Maar Gods kinderen komen tevoorschijn in het licht van Gods alwetende aangezicht. Ze leggen hun hart voor de Heere open, biddend: Doorgrond, o Alwetende, mijn hart.

Juist omdat u uw hart, in al uw vrees, biddend en zuchtend, voor de Heere openlegt, daarom hoeft u nu juist niet te vrezen. Want de Heere weet alle dingen. Hij weet dat u Hem liefhebt.

Dat zelfonderzoek, dat zuchten om uw zonden, wil de Heere ondertussen wel gebruiken om u voor het eerst, en steeds meer, Christus nodig te laten hebben.

f. En dat is de zesde en laatste persoonlijke les: voor mensen met een gebroken ik. Voor mensen die hebben leren zeggen: ik ben een eerrover van God. Voor zulke mensen werpt deze droevige geschiedenis licht op Christus.

Want hier is een verborgen, groot contrast: tussen deze volgelingen van de eerste Adam enerzijds, en de laatste Adam anderzijds. Die door Zijn Heilige Geest deze grote vrees laat vallen op de gemeente, bedoeld om de lichtbundel te richten op Hém! Op Hem, op Christus, Die God nooit van Zijn eer heeft bestolen. Zijn leven was: Ik zoek niet Mijn eer, maar de eer van Hem Die Mij gezonden heeft.

Hij kwam naar deze wereld om bedriegers, om eerrovers van God, met God te verzoenen. Hij is de vervulling van de profetie van Psalm 69: Wat ik niet geroofd heb, moet ik alsdan wedergeven (Ps. 69:5). Nooit heeft Hij Gods eer geroofd. Nooit heeft Hij Zijn Vader bedrogen. Hij is het, Die naar deze verloren wereld kwam om de schuld van Zijn volk te betalen. De schuld van hoogmoedige bedriegers en doortrapte eerrovers van God. In Gethsémané, op Golgotha, gaf Hij terug aan Zijn Vader wat Hij niet geroofd had, maar zij wel.

Heeft de Heere u daar ooit iets van geleerd, geliefde gemeente? Wat brengt dat tot diepe schaamte, tot groot verdriet. Als je dat door het ontdekkende werk van God de Heilige Geest voor het eerst gaat zien, en ook opnieuw na ontvangen genade: Ik heb God van Zijn eer willen beroven. Door tegen Hem op te staan, door tegen Hem te rebelleren. In het paradijs, maar ook steeds weer, tot op de dag van vandaag.

Wat breekt je hart, als je daar iets van gaat zien, door het ontdekkende licht van de Heilige Geest. Dan ga je, wie je ook bent, met al je hoogmoed en godsdienst, onderuit. Dan val je om. Dan breek je voor God. Dan word je, voor het eerst of opnieuw, een arme zondaar voor God, die het niet waard is dat de Heere ooit nog naar je zou omkijken.

Wat wordt Christus dan kostbaar. Als de Heere Zelf je ook op Hem gaat richten. Wat gaat je ziel dan naar Hem verlangen. En wat gaat je eigen ik dan meer dan ooit breken. Want wat Hij niet geroofd had, dat wilde Hij wedergeven, in mijn plaats. Ik voor u, daar u anders, als eerrover van God, de eeuwige dood had moeten sterven.

Maar wat blijft er, ook na ontvangen genade, een strijd in het leven van Gods kinderen. Dat eigen ik van mij wil steeds weer op de voorgrond. Wat hebben we veel ik-afbrekende, heiligmakende genade nodig. En de zucht van Paulus, om verlost te mogen worden van dat eigen ik. Ik, ellendig mens, wie zal mij verlossen van dit eigen ik? Maar toch ook: Gode zij dank voor Zijn onuitsprekelijke gave (2 Kor. 9:15). Voor de nooit genoeg te waarderen gift van Zijn lieve Zoon, Die aan God teruggaf wat ik van Hem had willen roven.

Die ontdekking, die nadere ontdekking aan ons verdorven, hoogmoedige ik… En die genade, als eerrover van God, uit vrije gunst van Hem ontvangen… Die beiden brengen tot diepe vrees, heilig ontzag en eerbiedig buigen. Daaraan ken je het blijvende werk van de Heere. Aan dat, zoals Hosea zegt: Zij zullen vrezende komen tot den HEERE en tot Zijn goedheid, in het laatste der dagen (Hos. 3:5). Aan dat vrezende, eerbiedige en buigende komen tot de Heere en Zijn goedheid. Aan dat vrezende komen tot Hem, Die ooit door Zijn genade mijn eigen ik brak. En Die nooit zal laten varen het werk dat Zijn hand ooit begon.

Totdat mijn eigen ik voor altijd gebroken zal zijn. En de voor mij gebroken Christus alles zal zijn in allen, tot eer van Zijn Vader, door het werk van de Heilige Geest.

Geliefde gemeente, onderzoek blijvend en eerlijk uw hart. En laat de schrik om uw ontdekte zelf u brengen, voor het eerst of opnieuw, aan de voeten van Christus.

Amen.

Slotzang Psalm 25:4,5

's HEEREN goedheid kent geen palen; God is recht, dus zal Hij door Onderwijzing hen, die dwalen, Brengen in het rechte spoor. Hij zal leiden 't zacht gemoed In het effen recht des HEEREN. Wie Hem need'rig valt te voet, Zal van Hem zijn wegen leren.

Lout're goedheid, liefdekoorden, Waarheid zijn des HEEREN paân Hun, die Zijn verbond en woorden, Als hun schatten, gadeslaan. Wil mij, Uwen naam ter eer; Al mijn euveldaân vergeven! Ik heb tegen U, o HEER’, Zwaar en menigmaal misdreven.