7 juni 2015
Handelingen 8:9: En een zeker man, met name Simon, was tevoren in de stad plegende toverij, en verrukkende de zinnen des volks van Samaría, zeggende van zichzelven dat hij wat groots was;
INLEIDING
Simon de tovenaar trekt in Samaria alle aandacht naar zichzelf, tot Filippus het Evangelie van Gods koninkrijk preekt. Simon laat zich dopen, maar is vooral onder de indruk van de tekenen. Als Petrus en Johannes komen en de Heilige Geest wordt uitgestort, wil Simon die kracht kopen. Petrus ontmaskert zijn hart: vol boosheid, ondanks doop en belijdenis. Toch roept hij op tot bekering en gebed om vergeving. Simon vraagt slechts om voorbede, zonder eigen berouw.
Simon de tovenaar
HANDELINGEN 8:9-15
9 En een zeker man, met name Simon, was tevoren in de stad plegende toverij, en verrukkende de zinnen des volks van Samaría, zeggende van zichzelven dat hij wat groots was;
10 Welken zij allen aanhingen, van den kleine tot den grote, zeggende: Deze is de grote kracht Gods.
11 En zij hingen hem aan, omdat hij een langen tijd met toverijen hun zinnen verrukt had.
12 Maar toen zij Filippus geloofden, die het Evangelie van het Koninkrijk Gods en van den Naam van Jezus Christus verkondigde, werden zij gedoopt, beide mannen en vrouwen.
13 En Simon geloofde ook zelf, en gedoopt zijnde, bleef gedurig bij Filippus; en ziende de tekenen en grote krachten, die er geschiedden, ontzette hij zich.
14 Als nu de apostelen die te Jeruzalem waren, hoorden dat Samaría het Woord Gods aangenomen had, zonden zij tot hen Petrus en Johannes;
15 Dewelke afgekomen zijnde, baden voor hen, dat zij den Heiligen Geest ontvangen mochten.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Handelingen 8:9
THEMA
Simon de tovenaar
AANDACHTSPUNTEN
Gemeente, op de pinksterdag waren er grote tekenen en wonderen te zien en te horen. De apostelen verkondigden de grote werken van God. En dat Woord droeg vrucht. Maar als dat zo is, dan komt er altijd verzet. Dat is nog steeds zo. Als de Heere werkt, dan komt er verzet. Verzet van alle kanten. Dat zie je in Jeruzalem. Daar is het bedrog van Ananias en Saffira. De apostelen worden gevangen genomen. De diaken Stefanus wordt gestenigd. En er breekt een grote vervolging uit. Maar je ziet het niet alleen in Jeruzalem. Ook in Samaria zie je de duivel tekeer gaan. Na de dood van Stefanus neemt de tweede diaken als het ware de fakkel van het Woord over. Filippus, de evangelist, preekt de boodschap van de Heere Jezus Christus in de stad Samaria. Hij preekt en doet wonderen. Duivels gaan uit, roepend met grote stem. En zieken worden genezen. En zoals de 3000 op de pinksterdag het woord van Petrus met blijdschap hebben aangenomen, zo gebeurt dat ook in Samaria. En er komt grote blijdschap in de stad.
Maar, dan gebeurt er iets. Dan dringt zich een man naar voren. Iedereen kent hem. Simon de tovenaar. Over hem gaat de preek van vanmorgen. Het Bijbelgedeelte dat we samen overdenken kunt u vinden in Handelingen 8, daarvan vooral de verzen 9 tot en met 13 en 18 tot en met 24. Handelingen 8: 9-13 en 18-24. Het Schriftgedeelte is ons zojuist voorgelezen. Ik lees voor u samenvattend alleen nog het 9e vers. Daar staat: En een zeker man, met name Simon, was tevoren in de stad plegende toverij, en verrukkende de zinnen des volks van Samaria, zeggende van zichzelf, dat hij wat groots was.
Het thema voor de preek van vanmorgen is: Simon de tovenaar Er zijn dus twee stukjes uit het hoofdstuk, die wij samen met elkaar overdenken. De eerste twee punten van de preek gaan over het eerste stukje, vers 9 tot en met 13. Daar zien we in: de toverij van Simon (in vers 9, 10, 11) en het woord van Filippus (in vers 12,13) In het tweede stukje van het voorgelezen Bijbelgedeelte, in vers 18 tot en met 24, zien we de reactie van Simon (in vers 18, 19) en het antwoord van Petrus (in vers 20-24, waarin ook nog een laatste opmerking van Simon de tovenaar staat).
Dus de preek gaat over: Simon de tovenaar. Er zijn vier aandachtspunten 1. De toverij van Simon 2. Het woord van Filippus 3. De reactie van Simon 4. Het antwoord van Petrus Als eerste dus:
Simon… Wat is dat eigenlijk voor een man? Er staat dat hij toverij pleegt. Hij houdt zich bezig met toveren. Simon is een tovenaar. Wat doet zo iemand eigenlijk, jongens en meisjes? Nou, zo iemand probeert via gewone dingen, via dingen die je kan zien, contact te krijgen met de onzichtbare wereld, de wereld van de geesten, die je niet kan zien. Zo iemand probeert contact te krijgen met de wereld van kwade, duivelse machten. Misschien noemt hij of zij dat zelf wel anders. Misschien zegt zo iemand wel: ik zoek contact met de geesten van overleden mensen. Maar hoe zo iemand het ook noemt, eigenlijk is het contact zoeken met de donkere, duistere geestenwereld van de duivel.
Toveren is proberen contact te krijgen met geesten, met machten die (zo zegt men) de wereld van nu beïnvloeden en besturen. Occultisme noemen we het tegenwoordig. Dat contact maken kun je doen met van alles en nog wat. Alles wat helpt of werkt is meegenomen. Occulte spreuken, occulte rituelen, occulte boeken, occulte spelletjes, en als het nodig is kan je zelfs de godsdienst erbij gebruiken.
Toveren, bezig zijn met het occulte, dat is duister, onnavolgbaar. Het brengt je in contact met onzichtbare krachten. En wij, gewone mensen, zijn daarvan onder de indruk. Zo was het ook in Samaria: de mensen zijn er door gegrepen! Want, toveren verbaast. Toveren schokt… Maar tegelijkertijd is toveren toch ook weer intrigerend… Toveren maakt bang, je kan ervan in paniek raken… Maar toveren maakt toch ook weer nieuwsgierig…
Geweldig toch! Glaasje draaien. Als je contact zoekt met geesten, vragen stelt, en als dat glas dan zomaar heen en weer over het papier beweegt, letter voor letter aanwijzend om antwoord te geven, op de vraag die je gesteld hebt. Geweldig toch als de aanwijzer van een ouijabord langzaam over het bord beweegt, letter voor letter aanwijzend, om antwoord te geven, op de vraag die je gesteld hebt. Geweldig toch! Als die twee potloden op dat stuk papier, uit dat spel Charlie Charlie Challenge… Nee, wacht, je moet eerst proberen contact te maken met de geest van Charlie… ‘Charlie, Charlie, kunnen we spelen?’ En dan je vragen stellen en wachten en hopen dat die potloden gaan bewegen, hetzij in de richting van ja, hetzij in de richting van nee. De nieuwsgierigheid trekt. Dat wil je ook meemaken. Hoewel je voelt: dit is duister, dit is gevaarlijk. Maar misschien is dat tegelijkertijd wel de kick ervan.
Maar het is, jongelui, gevaarlijk. Sterker nog, eerst even nuchter nadenken voordat je iets doet. God heeft dit soort dingen heel nadrukkelijk verboden. In het Oude Testament, bijvoorbeeld in Deuteronomium 18:10-12Onder u zal niet gevonden worden, die zijn zoon of zijn dochter door het vuur doet doorgaan, die met waarzeggerijen omgaat, een guichelaar, of die op vogelgeschrei acht geeft, of tovenaar. Of een bezweerder, die met bezwering omgaat, of die een waarzeggenden geest vraagt, of een duivelskunstenaar, of die de doden vraagt. Want al wie zulks doet, is den HEERE een gruwel; en om dezer gruwelen wil verdrijft hen de HEERE, uw God, voor uw aangezicht, uit de bezitting.. Daar staat: onder u zal niet gevonden worden (…) een tovenaar of een bezweerder, die met bezwering omgaat, of die een waarzeggende geest heeft, of een duivelskunstenaar, of die de doden vraagt. Want… al die zulks doet, is de HEERE een gruwel. Dat soort dingen is een gruwel in de ogen van God in de hemel. Ook in het Nieuwe Testament vind je die waarschuwing. Bijvoorbeeld in Galaten 5:20Afgoderij, venijngeving, vijandschappen, twisten, afgunstigheden, toorn, gekijf, tweedracht, ketterijen,. Daar gaat het over de werken van het vlees. Die zulke dingen doen, zullen het koninkrijk van God niet beërven. En in de rij van alle dingen die daar genoemd worden staat onder andere ‘venijngeving’. Een woord dat we eigenlijk niet meer kennen. Venijn is gif. Eigenlijk staat er zoiets als: gif mengen. Toveren dus. Je wordt door dat gif betoverd. Toveren hoort bij de werken van het vlees. Bij de dingen die je buiten het koninkrijk van God houden. Dat zie je ook in Openbaring 21:8Maar den vreesachtigen, en ongelovigen, en gruwelijken, en doodslagers, en hoereerders, en tovenaars, en afgodendienaars, en al den leugenaars, is hun deel in den poel, die daar brandt van vuur en sulfer; hetwelk is de tweede dood.. Daar staat: maar de (…) tovenaars en afgodendienaars, hun deel (is) in de poel, die daar brandt van vuur en sulfer; hetwelk is de tweede dood. Met andere woorden: het loopt slecht af met tovenaars.
Toveren is je bewegen in een occulte wereld waar je de krachten niet van kent. Het is je begeven op gevaarlijk terrein. En het is de Heere een gruwel. Dus, jongelui, maar dat geldt ons ouderen net zo goed, laten we ons daar ver van houden. Heel concreet: breek ermee, stop ermee. En als je er aan meegedaan hebt, of als je er nog steeds mee bezig bent… Nou, dan krijg je advies van Petrus, in vers 22. Het is geen reden voor een volgend magisch ritueel om de duivel uit te bannen. Dan blijf je bezig met magie. Het is reden om je te bekeren van je boosheid. Dat wil zeggen God te erkennen als Koning, dit kwaad af te zweren, en eenvoudig te bidden om vergeving. Ik kom er aan het eind van de preek nog even op terug.
Maar, je kan je voorstellen, de duivel is niet altijd zo herkenbaar. Die is wel wijzer. Hij wil zich ook nog wel eens vermommen. Zich beter voordoen. Misschien zich voor het oog wel heel geestelijk en godsdienstig voordoen. Dus de vraag die zich voordoet is deze: waar aan kan je nu het werk van de duivel nog meer, nog duidelijker aan herkennen? Kijk even in vers 9. Simon pleegde toverij. Hij toverde. En hij bracht iedereen in staat van opperste verbazing. Verrukkende de mensen. En het tweede wat van hem staat in vers 9 is dit: hij zei van zichzelf dat hij wat groots was. En hij laat (en dat is het derde wat staat in vers 10), hij laat ook toe dat de mensen dat van hem zeggen: deze man is de grote kracht, de grote kracht van God.
De duivel (daar herken je hem aan) vraagt aandacht voor zichzelf. Wie aangeblazen wordt door de geest uit de afgrond (zoals Simon), die trekt de aandacht naar zichzelf toe. Die zegt: ik ben groot, ik ben bijzonder! Kijk mij nu! Zeg nu toch ook van mij, dat ik groot ben!
Zo is het ook bij Simon de tovenaar. En niet maar voor even. Al een hele lange tijd heeft hij de mensen in Samaria in de ban gebracht van hemzelf. Simon zegt: ik ben groot! Maar Filippus, de evangelist, zegt iets anders. Dat zien we in onze tweede gedachte:
Als we lezen in vers 12: Maar toen zij Filippus geloofden, die het Evangelie van het Koninkrijk Gods, en van den Naam van Jezus Christus verkondigde, werden zij gedoopt, beiden, mannen en vrouwen. Trouwens, Filippus is niet de enige die een andere toon aanslaat dan Simon de tovenaar. Er loopt wat dat betreft een duidelijke lijn door het Handelingenboek. Als we even terug kijken naar Handelingen 3:11En als de kreupele, die gezond gemaakt was, aan Petrus en Johannes vasthield, liep al het volk gezamenlijk tot hen in het voorhof, hetwelk Salomo's voorhof genaamd wordt, verbaasd zijnde., dan lezen we daar dat Petrus en Johannes een kreupele man gezond gemaakt hebben. Iedereen komt er op af. Iedereen is stomverbaasd. Maar wat is het antwoord van Petrus en Johannes? Wij zijn de grote kracht van God? Wij hebben bijzondere gaven ontvangen om mensen te genezen? Nee, het antwoord is: wat ziet u zo sterk op ons? Mensen, de andere kant opkijken! Naar boven kijken! De apostelen, en ook de evangelist Filippus, zij laten het niet gebeuren dat mensen gaan denken dat zij bijzondere mensen zijn, bijzondere mensen met bijzondere gaven.
Zo is het ook met Filippus. Hij heeft wat anders te zeggen. Hij preekt, zo staat er, het evangelie van het Koninkrijk Gods. God is Koning! In het Handelingenboek komt die uitdrukking niet zo vaak voor, in totaal maar vier keer. En hier wordt die uitdrukking door Filippus heel bewust gebruikt. Want in Samaria gonst het van de geruchten dat Simon (met zijn contacten met de duistere wereld van de geesten) geweldig is! Simon is koning? Nee. Simon niet, ik niet, maar: God is Koning! Het evangelie dat Filippus spreekt, gaat een radicale confrontatie aan met het volksgeloof in Samaria. Simon is groot? Nee! God is groot! Niet de duistere machten, en niet de machten van een individu zoals Simon, maar God, en God alleen heeft macht, alle macht in de hemel en op de aarde.
Filippus preekt het koninkrijk van God, en de Naam van Jezus Christus. Jezus: Mens, Zaligmaker. Christus: God, Gezalfde. Hij preekt de naam van Jezus Christus, als de enige Weg. Hij preekt de Heere Jezus Christus als de Waarheid, in Wie het leven te vinden is. Als de enige Weg tot de redding en herstel van de vrede met God. En ook als de enige Naam tot genezing van zieken, zoals blijkt uit de wonderen die gebeuren.
En… er gaat een schok door de stad. Het Woord dat Filippus preekt, raakt harten. De mensen geloven zijn woorden, zo staat in vers 12. Dat is niet een soort van verstandelijke afweging geweest, zo van: dit klinkt beter dan dat verhaal van Simon, dus knop om, we gaan anders denken… Nee, de woorden van Filippus dringen door in het binnenste van de harten van de inwoners van Samaria. De woorden die Filippus preekt, raken hen innerlijk zo, dat ze
overtuigd worden van de waarheid ervan. De Heere, de Heilige Geest werkt met kracht in hun harten. En de Heere werkt ook door. Heel veel mensen nemen afstand van hun verkeerde denken. Doen belijdenis van hun geloof. En worden gedoopt.
De Heilige Geest voegt een nieuwe groep van mensen toe aan de gemeente. De groep van de Samaritanen: half joods, half heidens. Ze geloven het Woord van het Evangelie. Ze breken met hun andere koning, ze breken met hun oude adat. En ze buigen door Gods genade voor Koning Jezus.
En… zelfs Simon gaat overstag. Er staat in vers 13: hij gelooft en wordt gedoopt. Hij gelooft het Woord. Maar wat opvalt is: hij is vooral onder de indruk van de tekenen. Het gaat deze Simon meer om de wonderen, om de tekenen, dan om God en Zijn woorden. Hij is er diep van onder de indruk. Zo diep is hij onder de indruk, dat hij besluit neemt: hij zal zich samen met al zijn stadsgenoten bij de gemeente voegen. En dus vraagt hij om gedoopt te worden.
Wat zal dominee Filippus blij geweest zijn! De man die iedereen verleid heeft met zijn toverij, komt ook over naar de gemeente, laat zich dopen en wordt lid van de gemeente.
Maar… dat alles is vooral opgeschreven tot onze waarschuwing. Want diep in zijn hart, dat zullen we straks zien, is Simon een bedrieger. Als het gaat over zijn doop, dan zegt onze Nederlandse Geloofsbelijdenis in artikel 35: hij heeft het sacrament wel ontvangen, het teken wel, maar de betekenis, de be-teken-de zaak ervan, de Christus Zelf niet. Maar vooralsnog is er niemand die dat ziet. Ook Filippus niet. Ook ambtsdragers zijn geen hartenkenners.
Voordat we verder gaan met onze derde gedachte gaan we nu samen eerst zingen uit Psalm 139:14: Doorgrond m', en ken mijn hart, o HEER’, Is 't geen ik denk niet tot Uw eer? Beproef m', en zie, of mijn gemoed Iets kwaads, iets onbehoorlijks voed'; En doe mij toch met vaste schreden Den weg ter zaligheid betreden
Ons derde aandachtspunt:
(zoals we die lezen in vers 18 en 19) Een menigte van mensen in Samaria heeft het Woord van God aangenomen, zo staat in vers 14. We mogen ze optellen bij de 3000, bij de 5000. Maar dit is wel nieuw voor de kerk. Want de gemeente is ontstaan in Jeruzalem. Daar hebben de apostelen ook voor het eerst het Evangelie gepreekt. Maar nu is het Woord een
nieuwe grens overgegaan. Het is weer een stap verder, de wereld ingaan. Samaria ligt eigenlijk op de grens tussen joden en heidenen.
En we zien in het Nieuwe Testament dat op grensovergangen God steeds de apostelen op pad stuurt om die nieuwe uitbreiding van de gemeente als het ware te bevestigen, te sanctioneren. Er zit ook iets in van toezicht houden op de groei van de kerk. De kerk in Jeruzalem, de apostelen hebben de taak om toezicht te houden, om goed op te letten. De gemeente groeit, eerst Jeruzalem, Samaria, straks zijn met de heidenen… Maar gaat het allemaal wel goed? En dus komt er een soort kerkvisitatie. Bezoek uit Jeruzalem. Om antwoord te geven op de vraag: gaat het wel goed met de nieuwe gemeente in Samaria en met de evangelist Filippus? We zien trouwens ook in het Nieuwe Testament dat iedere keer als een nieuwe groep bereikt wordt (zoals de Samaritanen en de heidenen), dat de Geest opnieuw op mensen valt, opnieuw wordt uitgegoten, net als destijds in Jeruzalem op de pinksterdag. Dat zien we hier in Handelingen 8 in Samaria, even later in Handelingen 10 bij de heiden Cornelius, en weer later in Handelingen 19 als de discipelen van Johannes de Doper overgaan tot het christelijke geloof.
De Heilige Geest werkt. Mensen zijn bekeerd, gegrepen in hun hart. Maar als de apostelen op visitatie, op bezoek komen, dan zet de Heilige Geest als het ware nog heel nadrukkelijk de kroon van Zijn goedkeuring op Zijn Eigen werk. Als teken en bewijs: hier werk Ik, hier werkt God. Dat de Heilige Geest komt is trouwens geen automatisme. De apostelen hebben de Geest niet in hun zak. De Heilige Geest is niet hun bezit. Kijk maar in vers 15. Daar staat: zij baden dat ze de Heilige Geest ontvangen mochten. Ze moeten er om bidden, ze moeten erom vragen. De Geest is niet ‘iets’ wat je hebt, is geen bezit in je hart of in je handen. Dat zou grenzen aan toverij. Als je denkt dat de Geest ‘iets’ is, wat je kunt hebben: ‘ik heb de Geest’. In de zin van: ik heb een bijzondere kracht, ik heb een bijzondere gave, en die is van mij. Mijn bezit…. Zo mag je niet denken van de Persoon van de Heilige Geest. Dat is ten diepste God de Heilige Geest verlagen tot iets van ons, tot ons bezit.
Het is Bijbels om precies andersom te denken. Het gaat er niet om dat wij Hem bezitten, maar het gaat erom dat Hij ons bezit. En vervolgens met ons doet wat Hij wil. Zoals dat ook te lezen is in Handelingen 13, waar de Heilige Geest opdracht geeft: zondert Mij af beide Barnabas en Paulus tot het werk waar Ik hen toegeroepen heb. En dus moeten de apostelen eerbiedig bidden en vragen om de uitstorting van de Heilige Geest. En bij dat bidden ligt weer niet het accent op hen. Het is niet zo, dat zij zo goed kunnen bidden, en dat daarom dus de Heilige Geest komt. Nee, want God hoort zelfs het geroep van de jonge raven. Daar hoef je helemaal niet bijzonder voor te zijn. De apostelen weten het: wij zijn machteloze mensen, en wij kunnen niet bidden. En dus zeggen ze ook niet: zie op ons! Maar ze vragen ootmoedig om dat wat ze zelf niet bezitten.
Maar dan…, als de Geest uitgestort wordt, en Simon dat ziet… Dan denkt hij: dit is geweldig! Dit zou voor mijn vak, voor mijn positie als ‘grote kracht’ werkelijk geweldig zijn! Als ik die kracht ook zou hebben! Kon ik dit ook maar…!
En, wat doet hij dan? Nee, hij heeft de zaak goed op een rij. Hij maakt geen conflict, hij maakt geen ruzie… Hij gaat niet Filippus als oneerlijke concurrent aanklagen bij de burgemeester van de stad… Hij maakt hem niet zwart… Nee, hij blijft poeslief en aardig als voorbeeldig, gelovig en gedoopt mens meelopen. Maar… (en daar heeft hij niet goed gerekend)… hij valt ineens en voor hemzelf onverwachts door de mand. Als hij zegt in vers 19: geef ook mij deze macht. Het gaat hem dus om macht! En daar wil hij best wat voor betalen. Geen probleem. Macht mag best wel wat kosten. Maar, als ik dit ook zou kunnen, dan is mijn toekomst weer gegarandeerd. Dan heb ik iets, wat dominee Filippus ook niet heeft. En straks, dan gaan die andere twee mannen (Petrus en Johannes) weg, en als ik dit dan ook kan… Nou, dan kan ik weer jaren vooruit. Toveren, dat kan ik al, dat is geen kunst meer… Maar dit…?
En (vers 18) hij biedt hen geld aan. Voor wat hoort wat. Als u met dat geeft, dan geef ik u geld. Dan kan u weer verder, en dan kan ik ook weer verder. Geld geven voor een bijzondere positie, voor bijzondere gaven of talenten. Ineens blijkt dat Simon de tovenaar er helemaal niets van begrepen heeft.
Dat gaan we verder zien in ons vierde aandachtspunt:
(in vers 20-23; en daarna is er nog een korte opmerking van Simon zelf in vers 24). Uw geld (vers 20) zij met u ten verderve. Dat geld van u, dat is u tot verderf en ondergang. En u (vers 21) hebt geen deel noch lot in dit woord. U hebt wel de naam dat u leeft, maar het is niet waar. En dat blijkt nu! U bent een huichelaar! U bent wel gedoopt, en u hebt een mooie belijdenis uitgesproken, maar uw hart is niet veranderd. En u dient nog steeds uzelf, en u dient nog steeds uw afgoden: geld en macht.
Uw hart (vers 21) is niet terecht voor God. Dat kan dus blijkbaar…: geloofd, belijdenis gedaan, gedoopt…, maar je hart is niet recht voor God. Een hart vol leugen en bedrog. Je wil wel goede sier maken met God, maar diep in je hart dien je de tegenpartij.
Simon, je woorden zijn goed, maar… je hart is niet recht. Je hart is (vers 22) vol van boosheid. Pervers, kwaadaardig slecht. Bitter als gal: smaak bedervend slecht, en besmettelijk ook voor anderen wat betreft geur en smaak. Ondanks al die mooie woorden…, een hart dat een samenknoping is, één bol, één knoop, één kluwen van ongerechtigheid en zonde.
Petrus, de apostel, die als chirurg opnieuw het mes van het Woord diep steekt in het hart van… dit keer in het hart van een huichelaar. Simon, je woorden en belijdenis zijn mooi. Maar je hart is vol van boosheid, vol van dodelijk vergif.
Moet dat misschien ook van u gezegd worden? U zegt: ja, maar wilt u dat dan wat vriendelijker zeggen? Dan raakt het me niet zo scherp. Ja, Petrus is scherp. Maar had de Heere Jezus het niet, toen het hierover ging, ook (en zelfs) over witgepleisterde graven? Het Woord van de Heere is scherp, als een tweesnijdend scherp zwaard, als het hier om gaat. Maar niet om te doden. Maar om tot bekering te brengen.
Geloven…, het allemaal zo goed weten…, gedoopt zijn…, belijdenis gedaan…, meegegaan met anderen…, liefst een voorname plek hebben…, maar… een hart zonder bekering en berouw. En (zoals ik u vorige week zei): geloof en berouw zijn tweelingen. Dus als je denkt dat je de ene helft hebt, en de andere helft niet, dan vergis je je. Dan heb je helemaal niets.
Zien wij dat? Zien wij dat, als ambtsdragers? Nee. Vaak zien we dat helemaal niet. Filippus had het ook niet door. Totdat (en ten diepste is dat een zegen van de Heere en blijk van Zijn geduld!), totdat het misschien toch ineens blijkt… Het glipt als het ware uit je hart…
Ongemerkt laat je het zien… Ineens blijkt het door wat je zegt, door wat je doet… Dat je nooit zondaar voor God geworden bent. En dat je hart daar nog vol mee zit: met zonden. En dat die je nooit door een weg van overtuiging, bekering en berouw tot een last geworden zijn. Moet je dan boos worden op Petrus? Moet je je dan heel erg op je tenen getrapt voelen? Nee, dan mag je de Heere wel danken, dat het nu aan het licht gekomen is, en niet straks. Want straks, heeft de Heere Jezus gezegd, zullen er heel veel mensen zijn die denken dat ze binnen kunnen gaan in de hemel, terwijl ze daar niet welkom zijn. Want de Heere zal zeggen: ik ken u niet.
Dit, wat Petrus hier zegt, hoewel het messcherp is, dit is Gods geduld met Simon! Petrus zegt niet: en nu, Simon, maak dat je wegkomt, naar huis! Het is niet zoals bij Ananias en Saffira, die dood op de grond vielen. Nee, wonder van geduld. Op het scherp van de snede, in het vuur van de confrontatie tussen die twee machten (de macht van de duisternis en de macht van het koninkrijk van de verhoogde Christus), in dat vuur van die confrontatie daar blijkt nog een ander kenmerk van de Geest die hier werkt. De duivel is hard, bikkelhard. Maar de Geest van de Heere zoekt het behoud van zondaars, van vijanden (zoals we vorige week zagen), maar ook van huichelaars.
Kom, huichelaars, bedriegers! U die God wel uiterlijk dient, maar uw hart is er niet bij! Er is weg terug. U bent welkom. Niet alleen vijanden en moordenaars zijn welkom, maar u ook! Keer terug, huichelachtige kinderen, Ik zal (zegt God) uw afkeringen genezen
Dus: word niet boos! Ga niet klagen, ga niet roddelen, ga niet tegenwerken, als je ziet dat het van binnen in je hart niet klopt. Maar luister naar wat Petrus zegt in vers 22: Bekeer u dan van deze uw boosheid en bid God of misschien u deze overlegging uws harten vergeven wierd.
Keer u om. Weg van dat verkeerde zoeken van eigen eer, eigen positie, eigen naam. Weg van dat liefhebben van geld en goed. Keer om, keer terug naar God toe. Met belijdenis van schuld, met boete en berouw om zoveel kwaad. En bid, of misschien u deze overlegging van uw hart vergeven zou worden. Misschien… Dat is geen twijfel aan God. Die hoort zelfs de jonge raven als zij roepen. En onze God ontfermt Zich op het gebed. Maar dit is twijfel aan Simon. Aan zijn bereidheid en wil om te buigen. Er is een weg. De weg van bekering en berouw. Maar zal Simon die weg wel gaan? Of zal hij volharden in zijn verzet? En wat zegt Simon…? Wat zegt u…? Er is een weg geopend. Er is een weg terug, een weg van bekering en berouw. Petrus wijst hem erop. Maar wat zegt hij? Hij zegt… in vers 24 staat het: Doch Simon, antwoordende, zeide: Bidt gijlieden voor mij tot den Heere, opdat niets over mij kome van hetgeen gij gezegd hebt. Je voelt dat de woorden van Petrus wel gezag hebben en indruk maken. Dat zal me zonder twijfel overkomen, wat u gezegd hebt… Zoals u misschien ook wel de ernst van die waarschuwende woorden gelooft… Ja, en daar is hij vooral ook bang voor. Als het maar niet fout met me afloopt.
Maar daar, beste vrienden, daar zit bij Simon, en misschien bij u ook wel, niet het probleem. Het probleem zit daar, in mijn hart. Het moet goed komen tussen God en mijn hart. Ik heb verzoening, ik heb vergeving nodig voor mijn zonden. Voor wie ik ben, voor wat ik deed. Vergeving en verzoening, ook voor mijn huichelarij. Heb toch berouw, omdat u zo tegen God gezondigd hebt. Omdat u geprobeerd hebt om Zijn eer te treffen. Omdat u uw eigen leven hebt geleefd. En omdat u Zijn genade (die Zijn Zoon het leven kostte) veracht hebt. Omdat al zo lang de schijn ophoudt dat u een kind van God bent, maar uw hart is zo ver weg!
Simon blijft steken in een vraag om voorbede: bidt u voor mij. Alsof dat gebed van Petrus en Johannes, alsof dat gebed van mensen zoals zij, een bijzondere of magische kracht zou hebben. Maar zo is het niet. God hoort eenvoudige, gewone bidders. Die in verborgen hun knieën buigen. God doet het ook nooit om het gebed van een mens!
Want zo zegt de Geest der genade en der gebeden in Jesaja 48: 11: Om Mijnentwil, om Mijnentwil zal Ik het doen (…) En Ik zal Mijn eer aan geen ander geven. Hij is het Zelf, die mensen die niet kunnen bidden, een gebed geeft om te bidden, en die zulk gebeden verhoort.
Wat zijn dat voor soort gebeden die verhoord te worden? Dit gebed (en het is een stille oproep aan Simon de tovenaar, en aan ons allemaal, om zo te bidden): Hoor, Heere, hoe een boeteling pleit, en reinig mij van al mijn vuile zonden. Simon, bekeer je. Dan zal Hij op je noodgeschrei grote wonderen doen.
Nog even terug, jongelui, ter afsluiting, naar dat occulte getover van Simon. Wat moet je nu doen, als je erin getrapt bent… Als je mee bent gaan doen met glaasje draaien of Charlie Charlie Challenge. Ik geef je graag drie concrete dingen mee. Ga drie C’s van Charlie Charlie Challenge veranderen in drie B’s.
1. De eerste B is van je ‘Bijbel’ Mensen die zich met dit soort dingen bezig houden hebben niet per se altijd verkeerde bedoelingen. En het resultaat, het gevolg van wat ze doen is ook niet altijd per se nadelig, zo lijkt het. Maar dat is niet het criterium. Niet de bedoelingen van mensen, niet de gevolgen, maar luister in de eerste plaats naar het woord van God, dat dit soort dingen nadrukkelijk verbiedt. De B van Bijbel.
2. De tweede B is van ‘breken met’ Als je opgevoed bent bij die Bijbel, dan zijn er momenten waarop je hoe dan ook voelt (in je hoofd, in je hart) dat er een lampje gaat branden. Mag dit wel? Klopt dit wel? Dat is je geweten dat spreekt. Dat geweten heb je van God gekregen. Luister daarnaar. Rood licht betekent: Stop! En ben je toch doorgegaan: Breek ermee. Luister naar je Bijbel, breek met de zonde…
3. De derde B is van ‘biddend belijden’ Wat moet je doen, als je je met dit soort dingen ingelaten hebt? Misschien heb je er wel veel last van. Je bent er bang van geworden, het lukt niet meer zo om in je Bijbel te lezen of te bidden. Raak niet in paniek. Ga ook niet beginnen aan allerlei toverrituelen om de duivel uit te bannen. Maar blijf er ook niet mee lopen. Praat er over met anderen. Met gewone mensen, ouders, vrienden. Belijd dat je de verkeerde weg bent ingegaan en kom terug. En zeg biddend tegen de Heere wat je verkeerd gedaan hebt. Want het gebed is de enige manier om de grote kracht van de duivel te overwinnen. Daar heb je geen speciale mensen voor nodig, die bestaan trouwens ook niet. Bid heel eenvoudig alleen, of samen met je ouders of vrienden. Vraag om bekering en vergeving aan God. En om losmaking uit die verkeerde wereld waar je ingestapt bent.
Want God alleen heeft alle macht in de hemel en op de aarde. Het advies van Petrus: Bekeer je van je zonde, en bid God. Hij zal het je zeker vergeven. Luister naar je Bijbel, breek met de zonde, en bid God. Gemeente, … het einde aller dingen is nabij; zijt dan nuchter, en waakt in de gebeden. (1 Petrus 4:7En het einde aller dingen is nabij; zijt dan nuchteren, en waakt in de gebeden.)
Amen.
Slotzang Psalm 101:2,4:
'k Zal met verstand den weg betreên der vromen; Wanneer zult Gij, mijn Bondgod, tot mij komen? Ik zal doen zien in al mijn huisbeleid D' oprechtigheid.
't Verkeerde hart, in wien 't mij ook moog' blijken, Zal uit mijn huis en van mijn omgang wijken; Mijn gunst zal hen, die boze wegen gaan, Nooit gadeslaan.
Andere preken over Handelingen