PREEK · KERKELIJK JAAR

Arm geworden, daar Hij rijk was – 2 Korinthe 8

Kerst - 23 december 2013

2 Korinthe 8:9: Want gij weet de genade van onzen Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden.

INLEIDING

Terwijl wij mensen, groot en klein, altijd meer willen hebben, laat God ons in het licht van Kerst iets heel anders zien: “Gij weet de genade van onze Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede zou rijk worden” (2 Korinthe 8:9). Deze leespreek laat zien hoe verschrikkelijk het is dat de Heere Jezus arm moest worden, en hoezeer het tegelijk een wonder is dat Hij dat vrijwillig deed.

THEMA

Arm worden.

KERNPUNTEN

  1. Het is verschrikkelijk dat het moet.
  2. Het is een wonder dat Jezus het doet.

2 KORINTHE 8:1-12

1 Voorts maken wij u bekend, broeders, de genade Gods die in de gemeenten van Macedónië gegeven is;
2 Dat in veel beproeving der verdrukking de overvloed hunner blijdschap en hun zeer diepe armoede overvloedig geweest is tot den rijkdom hunner goeddadigheid.
3 Want zij zijn naar vermogen (ik betuig het), ja, boven vermogen gewillig geweest,
4 Ons met veel vermaning biddende dat wij wilden aannemen de gave en de gemeenschap dezer bediening, die voor de heiligen geschiedt;
5 En deden niet alleen gelijk wij gehoopt hadden, maar gaven zichzelven eerst aan den Heere en daarna aan ons, door den wil Gods;
6 Alzo dat wij Titus vermaanden dat, gelijk hij tevoren begonnen had, hij ook alzo nog deze gave bij u voleinden zou.
7 Zo dan, gelijk gij in alles overvloedig zijt, in geloof en in woord en in kennis en in alle naarstigheid, en in uw liefde tot ons, ziet dat gij ook in deze gave overvloedig zijt.
8 Ik zeg dit niet als gebiedende, maar als door de naarstigheid van anderen ook de oprechtheid uwer liefde beproevende.
9 Want gij weet de genade van onzen Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden.
10 En ik zeg in dezen mijn mening; want dit is u oorbaar, als die niet alleen het doen, maar ook het willen van over een jaar tevoren hebt begonnen.
11 Maar nu, voleindigt ook het doen, opdat, gelijk als er geweest is de volvaardigheid des gemoeds om te willen, er ook alzo zij het voleindigen uit hetgeen dat gij hebt.
12 Want indien tevoren de volvaardigheid des gemoeds daar is, zo is iemand aangenaam naar hetgeen dat hij heeft, niet naar hetgeen dat hij niet heeft.

VOLLEDIGE TEKST

Arm geworden, daar Hij rijk was – 2 Korinthe 8

ds. J. IJsselstein - 2 Korinthe 8:9

THEMA

Arm worden.

LITURGIE

Psalm 132:10

Psalm 113:4

Lezen 2 Korinthe 8:1-15

Psalm 146:3,5

Lofzang van Maria:6

Psalm 73:13,14

Gemeente, de kerstdagen liggen nog maar net (of: nog niet zo lang) achter ons. In de dienst van vanmorgen kijken we samen terug naar het wonder van de geboorte van de Heere Jezus Christus. Een wonder dat overigens niet losstaat van heel de lijdensgang van de Heere Jezus Christus. Kribbe en kruis zijn als het ware met een gouden draad aan elkaar verbonden.

De tekst voor de preek van vanmorgen kunt u vinden in het gedeelte dat u voorgelezen is, 2 Korinthe 8, daarvan het negende vers: 2 Korinthe 8:9. Daar lezen we het Woord van God als volgt: Want gij weet de genade van onze Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede zou rijk worden.

Het gaat vanavond over: Arm worden. Dat is het thema van de preek: arm worden. Er zijn twee aandachtspunten. In de eerste plaats: het is verschrikkelijk dat het moet. In de tweede plaats: het is een wonder dat Jezus het doet. Dus: Arm worden 1. Het is verschrikkelijk dat het moet. 2. Het is een wonder dat Jezus het doet. Als eerste dus:

1. Het is verschrikkelijk dat het moet.

Jongens en meisjes in de kerk, fijn, dat je er bent en probeert om goed te luisteren. Wat wil je later worden? Misschien zeg je: ‘ik wil groot worden, ik wil sterk worden… En dan wil ik rijk worden...’ Zou je ook arm willen worden? ‘Nee’, zeg je, ‘ik wil niet arm worden, ik wil rijk worden. Ik heb thuis een kleine spaarpot en die is al halfvol. Maar als die vol is, dan wil ik een grotere. Want ik wil méér geld sparen.

Zou je, meisjes in de kerk, liever geboren zijn als een arm Cambodjaans kindje, of liever als een prinsesje dat gelegd werd in een prinsessenwiegje? Jullie, jongens in de kerk, zou

je liever geboren zijn als een arm Indonesisch kindje dat vaak pijn in zijn buik heeft van de honger, of liever als een prinsje van een koning in een paleis? ‘Nee’, zeg je, ‘dat laatste: ik zou graag rijk willen zijn. Ik heb wel veel, maar ik zou graag nog meer willen hebben’. Ja, dat begrijp ik. Maar denk eens even na, jongens en meisjes, je hebt al zoveel. Jongens, je hebt thuis in de kast al zoveel lego staan. En nog steeds zeg je: ‘Ja, maar ik wil meer. En straks wil ik ook nog technisch lego…’ Meisjes in de kerk, je hebt al zoveel poppen thuis. Je zegt: ‘Ja, maar ik wil er nog meer en ik wil ook nog die pop, en die pop... En straks als ik alles heb, dan wil ik ook nog een heel groot poppenhuis met allemaal van die mooie kleine meubeltjes...’ Ik gun het je van harte, hor. Blijf goed luisteren jongens en meisjes.

Jongelui, je zegt: ‘Ik heb een fiets, maar het wordt tijd voor een scooter. Mijn bankrekening wil nog wel niet zo vlotten. Maar als ik zou kunnen kiezen voor de toekomst, ik zou natuurlijk rijk willen zijn. Ik heb een mooie mobiel in mijn zak. Maar ik wil eigenlijk die andere, zo’n IPhone XS, of zo’n Samsung Galaxy S9, die is mooi! Ik heb veel, maar ik wil zo graag meer…’

Ja, zegt u misschien, ouderen: ‘die jongeren van tegenwoordig…’ Ja, maar wacht even, kijk eens in uw hart. U hebt een mooie auto, drie jaar oud, hij ziet er nog prachtig uit. Maar ondertussen kijkt u stiekem, terwijl uw vrouw het niet ziet, al in de folders of op internet, naar een nieuwe. Want u zegt: ‘Ik wil een andere, een mooiere, een nieuwere’. En u hebt al zoveel kleding in de kast en u hebt al zoveel hoeden op de plank liggen. Maar, zegt u: ‘het wordt nu wel tijd voor wat nieuws. Ik wil meer’. En het bankstel thuis is prachtig. Het ziet eruit als nieuw. En toch zegt u: ‘Ik wil een nieuwe, ik wil wat anders. Ik wil meer’.

Misschien zegt u: ‘Nee, daar herken ik me helemaal niet in. Zo ben ik helemaal niet! Ik bewaar al mijn geld netjes op de bank. Ik spaar!’ Misschien zegt u: ‘Ik heb het gratis uitgeleend aan het Grootboek van de Gereformeerde Gemeenten’. Of u denkt in uw hart: ‘Nee, ik heb mijn geld weggezet bij de beste bank, ik bewaar het voor later! Voor later, want hoe langer het er staat, hoe meer het wordt. Zo wordt steeds meer, meer..., meer…

Hoort u ondertussen de echo in mijn gedachten en in uw gedachten: ‘Ik wil meer, meer..., meer…, meer… U lijkt nog het meest op…, op wie? Op Adam. Op wie, zegt u? Op Adam! Groter worden, groeien…, meer hebben…, alles hebben…!

U zegt: ‘Wat een somber begin van deze dienst!’ Ja, dat is waar. Maar dat komt niet door God. Dat komt door… Adam.

Want had Adam dan niet genoeg in het Paradijs? Adam had toch alles? Gezet in de hof van Eden, in het Paradijs. Een lust voor het oog was die tuin. Eten en drinken in overvloed. Adam had alles: geluk, vrede, een lieve vrouw, rechtstreeks uit de hemel gekregen.

‘Adam, je hebt alles: vrede met God, je kent God en je kent Zijn stem aan het ruisen van de bladeren in de hof. Adam, je hebt alles!’

Maar wat zegt Adam? En dan hoor ik eigenlijk mezelf, en misschien hoort u ook uzelf… Adam zegt: ‘Ja, ik heb misschien wel alles, maar één ding heb ik niet… Ik wil meer, meer..., meer…’ ‘Eén ding heb ik niet: ik ben een mens en ik zou zo graag god willen zijn…’

Adam, je kon tevreden zijn met alles wat de Heere je had gegeven: eeuwig, hemels leven in het vooruitzicht, zonder zonde en volmaakt! Maar Adam koos vrijwillig: Ik wil meer zijn, ik wil als God zijn. En hij deed het.

Jongens en meisjes, hij stond op tegen God. Hij greep naar de kroon en rukte aan de troon. Maar wie zou kunnen bestaan voor de almachtige God? Adam viel en raakte alles kwijt. Hij had alles! En hij raakte alles kwijt. En toen had hij niets meer. Door Adam kwam de zonde in de wereld, en door de zonde de dood. En in hem hebben wij allen gezondigd. Zo’n mens als Adam ben ik, ben jij, bent u. We hadden alles en we zijn alles, maar ook echt alles kwijtgeraakt. Hebt u dat weleens gezien voor uzelf, voor God? Zijn uw ogen daar weleens voor open gegaan? Ik moet zeggen: Heeft God uw ogen daar al voor open gedaan? Zodat u bent gaan zien, dat u leeft in een staat van vervallenheid voor God, in een staat van volkomen ongeluk, in een staat van vijandschap tegen God, in een staat van oorlog met God? Geen vrede meer met God, geen innige band meer met uw Schepper en Maker…? Hebt u het weleens gezien, gemeente, bij Geesteslicht, dat u op deze aarde leeft, een kort poosje maar, als een ter dood veroordeelde misdadiger, wachtend in een dodencel op de definitieve voltrekking van uw doodsvonnis? U bent alles kwijt…!

Misschien zegt u: ‘Dat zie ik toch anders. Ik ben het er eigenlijk niet mee eens ook. Ik voel me helemaal niet arm. Ik voel me een gelukkig mens. Met de gezelligheid van mijn familie en vrienden... Ik ben niet arm, ik ben niet ongelukkig. Waar hebt u het over?’

Ja, maar dat u dat zegt, dat is nu juist het bewijs dat u niet maar iets kwijt bent, maar dat u echt alles kwijt bent. Dat u als een veroordeelde misdadiger uw tijd verprutst en verdoet in het gezelschap van mede veroordeelde misdadigers, zonder ooit uw ellende te zien, dat is het stelligste bewijs dat u alles kwijt geraakt bent, zelfs uw gezonde geestelijk begrip!

U ziet uw nood niet en u voelt uw ellende en dood niet. O, wat bent u toch een diep ellendig mens, als u zonder God leeft. Alles kwijt, zelfs een gezond geestelijk besef. Wat is die toestand toch levensgevaarlijk. Besef dat toch, gemeente. U hangt, zegt de bekende dominee Jonathan Edwards, als u zonder God leeft aan een spinnendraad (en u weet wel hoe breekbaar die is), u hangt aan een spinnendraad boven de eeuwige rampzaligheid. U wacht in uw dodencel als een ter dood veroordeelde. En nog een ogenblik, misschien maar heel even, en dan komt de dag van de voltrekking van het vonnis. O, zie toch het gevaar van uw toestand voordat het te laat is! Arm… Misschien zegt u: ‘Ja, Heere, kijkt U maar in mijn hart. Arm, dat ben ik. Vroeger was ik zo rijk, maar nu ben ik zo arm. Ik ben alles kwijt’. Ja, is dat écht zo? Kijk eens heel eerlijk in uw hart, armen. Want dat hart van mij, en ongetwijfeld dat hart van u ook, dat is zo bedrieglijk. Zal ik u zeggen, hoe het kan zijn in mijn hart? Ik zeg: ‘O, Heere, ik ben alles kwijt. Maar kijk toch, Heere, hoe innig ik naar U verlang! Zie toch Heere mijn verlangen...’ ‘Heere, wat ben ik toch een schuldig mens. Kijk toch Heere, hoe hartelijk mijn tranen zijn. Zie toch Heere mijn tranen…’ Zó bedrieglijk is mijn hart. ‘Heere, ik heb gedaan dat kwaad is in Uw oog. O, zie toch mijn innige berouw… Kijk, Heere, hier is mijn…, mijn berouw.’ ‘Heere, ik zie zo uit naar Uw komst, naar de openbaring van U in mijn leven. O, mag het alsnog Kerst worden in mijn donkere hart? Zie toch Heere, mijn…, mijn verwachting…’

Hoort u goed wat ik zeg? Hoort u de echo in mijn woorden? Zie toch…, nee, niet meer, meer, meer… Maar zie toch mijn..., mijn…, mijn…, mijn verlangen, mijn verwachting, mijn tranen, mijn liefde, mijn armoede... En ondertussen, terwijl u zo staat voor God, ondertussen zucht u vertwijfeld in uw hart: ‘Hoe komt het toch, dat ik maar geen vrede vind? Hoe komt het toch, dat ik maar geen zekerheid en rust vind in mijn leven?’

Het is waar, gemeente, als God werkt in mijn zondige hart, dan zie ik hoe arm ik ben voor God. Nooit, echt nooit ging een rijke de hemel binnen. Ik bedoel niet een rijke voor wat betreft uw bankrekening, dat snapt u. Nooit ging een ‘geestelijk rijke in zijn hart’ de hemel binnen. Allen die de doodsrivier naar het nieuwe Jeruzalem zijn overgestoken en nog zullen oversteken, ze zijn zonder uitzondering allemaal in zichzelf arm en ellendig en vol van nood.

Kijk eens in uw hart vanmorgen: bent u, ben jij ooit arm geworden voor God? Nee, ik vraag niet naar uw rijkdom. Ik vraag niet naar uw bezit, naar wat u hebt, maar ik vraag naar uw armoede, ik vraag naar uw gebrek… Bent u ooit een arm, een straatarm mens geworden voor God?

Maar wat kunnen zelfs die armen verdwalen. Wat kunnen juist die armen zo vasthouden aan het weinige dat ze hebben. Welke zwerver, welke bedelaar draagt niet met grote zorgvuldigheid zijn plastic bekertje waar hij al driehonderd keer uit gedronken heeft? Welke zwerver draagt niet met grote zorgvuldigheid zijn plastic zakken met…? Wij zouden zeggen: ‘Man, gooi weg die rommel!’ Maar wat zegt die bedelaar, die zwerver? ‘Nee, dat is van mij, dat is mijn bezit, dat gooi ik nooit weg. Dat is mijn bedelaarsrijkdom…’

Godzoekers in ons midden, u die God zoekt in al uw zielsverdriet en die roept (en ik hoop dat u zo in de kerk zit), u die tot God roept ‘O, geef mij toch Jezus, want ik sterf’, ‘ik verwacht de HEERE, meer dan de wachters op de morgen…’ U bedoel ik, kijk eens naar uw handen… U zegt in uw hart: Ik ben zo arm! Maar kijk eens, zijn het echt handen van een bedelaar? Of zijn het handen, net als de handen van die bedelaar die nog zoveel heeft om vast te houden en te bewaren? U hebt nog zoveel wat u meedraagt: uw verlangen, uw verwachten, uw liefde, uw tranen, ja, zelfs… uw armoede.

U zegt: Moet ik dan alles kwijt? Dat doet zo’n píjn vanbinnen om alles kwijt te raken. Ja, gemeente, u moet echt alles kwijt. Want hoe kunnen die handen die zo vol zijn van de dingen van onszelf, hoe kunnen die handen ooit de Zaligmaker omhelzen? Hoe kunnen die handen zich vouwen aan de voet van de kribbe, aan de voet van het kruis van de Heere Jezus Christus? O, armen onder ons, u die nog zoveel hebt, laat u vanavond toch arm maken, straatarm.

Want u bent zo druk (kijk maar eens eerlijk in uw hart), u bent zo druk met alles wat u nog denkt te hebben voor God: uw tranen, uw liefde, uw berouw, uw armoede... Zó druk dat u geen oog hebt voor het Kind, dat ligt in de kribbe en voor de Man die hangt aan het kruis. O, laat u toch door Gods Geest arm maken. Een arme, doodschuldige zondaar, die niets anders overhoudt, echt niets anders, dan… een ding: het Woord. Niet uw tranen, uw verlangen, uw liefde, uw armoede. Maar dit … Heere, op Uw Woord, op Uw Woord heb ik gehoopt.

U zegt: op welk Woord? Op dit Woord, het is een Woord voor armen: Want u weet de genade van onze Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat u door Zijn armoede zou rijk worden.

Er is echt geen loon voor uw tranen, voor uw verdriet, voor uw God zoeken, voor uw verwachten. En daarom loopt alles zo dood in uw leven. U hoopt dat het (dit jaar) nog wat zal worden met u. Dat u de Heere hartelijker zal gaan liefhebben en dat uw tranen inniger zullen worden, uw gebeden hartelijker. Maar ik zeg u vanavond (staande nog aan het begin van dit nieuwe jaar): het wordt nooit meer iets met u en mij, nooit! Paulus zegt het, het klinkt huiveringwekkend: Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen (Galaten 3:10). Dat betekent dat van nature geldt: vervloekt ben ik… En ik zeg het met huiver in mijn gedachten. Het betekent ook: vervloekt bent u voor God.

O, laat toch los, armen onder ons. U moet alles kwijt. Laat toch los, alles van u. U zegt: Maar wat blijft er dan over? Dan blijft er niets anders over dan een goddeloze, dan een vijand, dan een verlorene, dan een vervloekte. Dat is waar. Maar wat krijgt dit Woord dan waarde: Want gij weet de genade (de genade!) van onze Heere Jezus Christus. Het is genade, niet meer! Genade en niet minder! Genade voor een verloren mens die echt niets, niets meer heeft.

Wat is het nodig, gemeente, dat de Heilige Geest ons daar brengt. Want dit strijdt zo met mijn hart, met mijn Adamshart. Ik wil rijk zijn, ik wil meer, meer..., meer…. Ook als de Heere werkt. Want wie zegt van zichzelf (zeg eens eerlijk, u die God vreest): Ik wil arm zijn? Niemand. We willen ook geestelijk rijk zijn voor God en voor de mensen. Een wonder van Goddelijke genade is het, dat is echt genade, dat God zegt: U wilt het wel niet. Maar Ik wil het wel. Ik wil en zij zullen! Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk; die zullen op de Naam des HEEREN (op het Woord des Heeren, op het vleesgeworden Woord, op Christus) betrouwen (Zefanja 3:12). Want wat wordt dat Kind in de kribbe, en wat wordt de Man die straks hangt aan het kruis, wat wordt Christus, kostbaar in de ogen van zulke arme, failliete zondaren. Als ik rijk ben in mezelf, als ik nog wat in mijn handen heb, dan heb ik zo weinig oog voor de rijkdom van de Heere Jezus Christus. Maar lege handen van failliete zondaars, die strekken zich uit naar de onnaspeurlijke rijkdom van de genade die in Christus Jezus is.

En daarom vraag ik aan u: Bent u zo’n arme, zo’n failliete zondaar, die niets meer heeft? Bent u zo iemand?

Kom dan, kom en aanbid de Heere in al Zijn armoede. Aanbid de Heere in al Zijn lijden. Uw lege handen, armen, mogen zich vouwen aan de voet van de kribbe. Daar mogen uw knieën zich buigen. Daar mogen uw lege en misschien wel bevende handen de

Zaligmaker omhelzen, terwijl het roept in uw hart: Ik geloof, Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp (Markus 9:24). Want ik kan het niet geloven dat U zo goed, bent voor zo’n arm en slecht mens.

Kom armen, failliete zondaars onder ons, aanbidt de Heere in de heerlijkheid van Zijn armoede, in de heerlijkheid van Zijn diepe lijden. U mag Hem omhelzen. Want …, waarom zeg ik dat zo? Het staat hier: Want u weet de genade van onze Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil, armen, om u (!), is Hij arm geworden (‘Ik voor u’), daar Hij rijk was, opdat u door Zijn armoede rijk zou worden.

Voordat wij verder gaan met onze tweede gedachte, zingen wij nu eerst, over rijkdom en armoede, vanuit de lofzang van Maria, het zes vers. Hij heeft, en dat doet de Heere nog steeds, na lang geduld, met goederen vervuld, der hongerigen monden. Hij zag, en dat is nog steeds zo, geen rijken aan, maar heeft ze in hun waan, gans ledig weggezonden. De lofzang van Maria, het zesde vers.

Hij heeft, na lang geduld, Met goederen vervuld Der hongerigen monden; Hij zag geen rijken aan; Maar heeft z', in hunnen waan, Gans ledig weggezonden.

Arm worden, daar gaat het vanavond over. Het is verschrikkelijk dat het moet. En nu als tweede:

2. Het is een wonder dat Jezus het doet.

Gemeente, er zijn, en dat is het verband van onze tekst, problemen gekomen in de gereformeerde gemeente van Korinthe. Dat kan zo maar gebeuren in een gemeente: problemen tussen de gemeente van Korinthe en Paulus. Problemen zouden wij zeggen, tussen de gemeente en de dominee.

En hoe kwam dat? Paulus had de gemeente opgeroepen tot een collecte voor de armen in Jeruzalem. Maar kennelijk was dat hen helemaal in het verkeerde keelgat geschoten. Dat was helemaal verkeerd gevallen en daarom was er verwijdering gekomen. Er was, ja, we zouden kunnen zeggen, er was ruzie gekomen tussen de gemeente en tussen Paulus. Men wilde zelfs zijn apostolische gezag niet meer erkennen. Maar ondertussen is er wel het nodige gepasseerd. Paulus is nog een keer op bezoek geweest in Korinthe, om de zaak weer goed te maken. Paulus heeft nog een brief geschreven, de zogenaamde tranenbrief. En Titus is ook nog een keer op bezoek geweest in Korinthe.

En ondertussen blijkt uit alles, dat de relatie weer beter is geworden, dat die weer is hersteld. Het is weer goed gekomen. En nu…? Nu begint Paulus in wijsheid en voorzichtigheid toch weer over diezelfde kwestie, over die collecte voor de armen in Jeruzalem. En hij doet dat door hen, en vooral hen die God vrezen in Korinthe, te wijzen op de vruchten van de Geest. Hij schrijft, u kunt het zien in vers 7: U, gemeente van Korinthe, bent overvloedig in het Woord (dat wil zeggen in de profetie, in de uitlegging van het Woord), u bent overvloedig in kennis (in geestelijk inzicht), in alle naarstigheid (dat wil zeggen: het ontbreekt u niet aan inzet) en in liefde als gemeente tot ons.

Daarin bent u overvloedig. Maar…, en u voelt het, daar komt het…, maar, zegt Paulus, als het ware: Het zou ook goed zijn, gemeente van Korinthe, als u die liefde waarin u zo overvloedig bent, als u die metterdaad, letterlijk, met de daad zou betonen, door…? Ja, door die collecte voor de armen in Jeruzalem. Met andere woorden, als de Geest werkt, gaat niet alleen je hart open, maar ook je portemonnee. Het is niet zo, dat je dan alles weggeeft en alles moet weggeven, om zelf in armoede achter te blijven. Dat staat er ook in vers 13, leest u het thuis nog maar een keer na. Maar toch, waar het om gaat is dit: wel van harte, met de liefde van het hart geven aan hen die het nodig hebben.

Oprechte liefde, als gave van de Geest maakt offervaardig. Als de Geest in je hart werkt, dan ben je geen krent die zijn geld oppot, die erop gaat zitten, en zegt: ‘de diaconie, daar zorgen maar andere gemeenteleden voor!’ Nee, dan geef je van harte en naar vermogen. Dan kan het zijn, jongens en meisjes, dat mag vast wel van je vader of moeder, dat je ook weleens zegt: ‘Die spaarpot die ik heb, daar zit best veel geld in. Ik wil ook eens vijf euro geven aan iemand anders, die minder heeft, of aan de kerk, of aan de zending.’ Geven uit liefde.

En die oproep van Paulus om vrijwillig en van harte en met alle liefde van het hart te geven, die komt tot een climax in onze tekst, als hij wijst op de vrijwillige liefde van de Heere Jezus Christus. Want u weet de genade van onze Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat u door Zijn armoede zou rijk worden.

Hij, Christus was rijk! Hoe rijk was Christus? Van eeuwigheid af was Hij samen met de Vader en de Heilige Geest de drie-enige en eeuwige God. Eén eeuwig, Goddelijk Wezen, volmaakt in hemelse heerlijkheid en majesteit, bezongen door miljarden van engelen, die zongen: Heilig, heilig, heilig is de HEERE der heirscharen (Jesaja 6:3). Ze dienen Hem dag en nacht in Zijn tempel, in de plaats waar halleluja’s weergalmen en gouden harpen ruisen, in de plaats waar de morgensterren vrolijk zingen; iedere dag, in volmaakte, stoorloze vreugde. Hoe rijk was Christus!

We krijgen jongens en meisjes, een kleine blik in die hemelse heerlijkheid als we met de herders in de velden van Efratha naar boven kijken, als de hemel opengaat en miljarden engelen zingen: Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen (Lukas 2:14).

Hoe rijk was Christus? Hij had alles. Deze Christus is het, die in de stilte van de nooit begonnen eeuwigheid in het Goddelijke overleg Zichzelf gegeven heeft, vrijwillig, voor een verloren volk. Onbegrijpelijk wonder van eeuwige, vrijmachtige, eenzijdige, verkiezende genade. ‘Zie Ik (hoewel volmaakt in heerlijkheid en majesteit), Ik, de eeuwige God, zie, Ik kom! Voor zulken die zich straks weg zullen zondigen van voor Uw heilig aangezicht, o Vader.’ En toen Adam zich wegzondigde in het paradijs, toen hij greep naar de troon en rukte aan de kroon, toen, toen klonk als het ware opnieuw in de hemel der hemelen: ‘Zie, Ik kom, o Mijn Vader’.

Hoe rijk was Christus? Hij had alles. Hij was rijk, maar Hij werd arm.

Hoe arm werd Hij? Je wilde toch, meisjes, liever geboren worden als een prinsesje en gelegd worden in een prinsessenwiegje? Maar de Prins van de hemel der hemelen koos er vrijwillig voor om gelegd te worden in een etensbak voor dieren. Je wilde toch rijk zijn, jongens, en liefst geboren worden als een prinsje, een zoon van een grote koning? De Koning der koningen, die alles kon en kan, en die alles had, Hij wilde arm worden. Dat is Kerstfeest! En dat is straks Goede Vrijdag! Christus, de Eeuwige, de Heerlijke, vernedert Zich vanuit de hoogste hoogte en daalt af tot in de diepste diepten. Dat, gemeente, is het wonder van Kerst, dat is straks het wonder het wonder van Goede Vrijdag. Stuk voor stuk heilsfeiten waar we ons ten diepste diep voor moeten schamen.

U zegt: ‘Schamen?’ Ja, u moet u schamen, en ik ook, voor Kerst en Goede Vrijdag. Dat dat nodig was, dat is mijn schuld, dat is onze schuld.

En tegelijkertijd zijn het feestdagen, heilsfeiten om vol te worden van verwondering en van verbazing. Zoals Elizabeth gezongen heeft, vol verwondering: Wat is het dat de moeder des Heeren tot mij komt? (Lukas 1:43) Uit de hoogste hemel tot de diepste diepten van mijn bestaan?

Hij daalde af, Christus, als een Kind geboren in diepe armoede, en gelegd in een etensbak: een Koningskind, de Koning(!) in een voerbak...

En zie Hem straks (want heel Zijn leven was een weg van lijden), zie Hem straks als een jongen, zoals jullie jongens, als een jongen gebukt onder de walm en de stank van de zonde, zonder twijfel een schier ondragelijke last voor Zijn heilige schouders en Zijn heilige hart. Straks als een volwassen Man, veracht, bespot, gehoond. Hij preekt in de tempel maar wordt verworpen. Als Borg lijdt Hij in de diepte van Gethsémané en straks op de hoogte van Golgotha. Hij sterft en Hij wordt begraven. Over de kribbe van Bethlehem klinkt uit de hoogte: Deze is Mijn geliefde Zoon in dewelke Ik Mijn welbehagen heb. Hoort Hem (Mattheus 17:5). En over het kruis klinkt straks als het ware dezelfde stem uit de hoogte: Deze is Mijn geliefde Zoon. Zijn bloed, Zijn tranen en Zijn lijden zijn dierbaar in Mijn Goddelijk oog.

Het klinkt uit de hoogte. En… het klinkt uit de diepte. Het klinkt uit de diepte van de kribbe, woordeloos: Ik deed dit voor u, armen. En het klinkt uit de mond van een stervende Middelaar: Ik deed dit voor u, arme, failliete zondaars. Ik voor u. Dat is de boodschap van Kerst, van de kribbe. En dat is straks ook de boodschap van de hof van Gethsémané, van de heuvel Golgotha. Dat is de boodschap van het kruis, van het graf, van het gesloten graf, van het geopende graf, van de geopende hemel. Ik voor u, daar u anders de eeuwige dood had moeten sterven.

Dat is Kerst en dat is Goede Vrijdag voor u, armen, voor u... Kijk nog eens naar uw handen… Voor u die echt alles kwijt bent geraakt. Niet als u nog steeds zegt en zingt ‘mijn bloed, mijn tranen en mijn lijden zijn dierbaar in Uw oog, o God’. Dat is wat u zó weghoudt bij de zekerheid en bij de rust van het geloof. Alleen Zijn bloed, Zijn tranen en Zijn lijden zijn dierbaar in Gods oog.

Zijn bloed, toen Hij geboren werd als klein kind, toen Hij na acht dagen besneden werd. Zijn tranen, heel Zijn leven lang, vanwege de zonde waarin Hij (met Zijn heilige hart) moest leven. En Zijn bloed, het bloed van de straks stervende Middelaar aan het kruis, dat bloed was dierbaar in Gods oog.

O, arme en failliete zondaren, weet toch de genade van onze Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil arm geworden is! O, weet het toch en geloof: Hij deed het voor u! Hij is om uwentwil arm geworden, daar Hij rijk was, opdat u door Zijn armoede, Zijn armoede in de kribbe en Zijn diepe lijden aan het kruis, rijk zou worden. O, blik toch in al uw armoede in de kribbe en werp met uw gebroken oog een blik op het kruis. Zie Zijn armoede. Dat is Zijn schoonheid! Zie Zijn armoede. Dat is nu Zijn rijkdom voor u!

Zie Zijn gebrek en zie Zijn lijden, en u ziet de schoonheid van deze Borg. Zo wilde Hij komen voor een straatarme bruid.

Dit is de schoonheid, dit is de kostbaarheid, dit is de beminnelijkheid van het Kind, van het Kerstkind en van de Man van smarten die hangt aan het kruis: Zijn diepe armoede en Zijn nameloos diepe lijden. Zie toch, armen onder ons Zijn kostbaarheid, Zijn dierbaarheid, Zijn beminnelijkheid in Zijn armoede voor u. Uit de kribbe van Bethlehem klinken woordeloze woorden, gericht tot u: ‘Ik deed het echt voor u! Om u ben Ik arm geworden.’ En hoort u de roep niet van het kruis: ‘Ik deed het voor u, arme, failliete zondaren. Om u ben ik arm geworden.’

Gaat u dan niet zingen in uw hart, armen van geest, u die hongert en dorst naar God en naar de gerechtigheid van Christus, als u zo bukt aan de kribbe, als u zo bukt aan de voet van het kruis: ‘O, dierbaar Kind, o stof van vreugd?’ Zingt u dan niet in uw hart, zoals bij Simeon: ‘Nu laat U, Heere, Uw knecht gaan in vrede naar Uw Woord. Want mijn ogen hebben Uw Zaligheid (letterlijk staat er: het reddende Kind!) gezien? (Lukas 2:29) Zegt u dan niet in uw hart (mocht de Heilige Geest de woorden op uw lippen leggen): Deze Koning in Zijn armoede en deze Middelaar in Zijn diepe lijden, Hij is mijn Liefste? Dit, dit is mijn Zaligmaker, dit is mijn Losser, dit is mijn Borg? Hij is blank en rood, Hij draagt de banier boven tienduizend. En al wat aan Hem is, alles aan Hem, is gans begeerlijk (Hooglied 5:16). Alles! Wat dan allemaal? Alles! Maar vooral Zijn armoede, Zijn armoede voor mij, arme! Zijn lijden, voor mij, vijand, goddeloze. O, buig toch, arme en roepende zondaars vanmorgen als verloren mensen aan de kribbe en aan de voet van het kruis. En zeg het maar in uw hart, misschien stamelend: O, Heere, ik geloof, kom mijn ongelovigheid te hulp (Markus 9:24).

Het Woord nodigt u, arme, failliete zondaar, dus zeg het maar met heel uw hart: ‘Deze Arme, Hij is mijn Zaligmaker. Ik heb Hem verwacht en Hij zal ook mij zalig maken. Hij is mijn Hogepriester. Hij was rijk, Hij was schatrijk, maar Hij is arm, Hij is om mij arm geworden. En wat was Zijn offer? Hij heeft Zichzelf geofferd: Zijn heerlijkheid, Zijn majesteit, Zijn hemelse volmaaktheid, Zijn rijkdom, Zijn leven, Zijn bloed, Zijn hart, ja alles!’ Armen onder ons, zó’n Hogepriester hebt u nodig, zó’n Hogepriester, een arme en een lijdende Hogepriester in uw plaats. Hogepriester en Lam beide. O, zie toch Zijn gewilligheid, Zijn bereidwilligheid, de liefde van Zijn hart voor u, armen. Hij deed het voor u. Het klinkt uit Zijn mond, hoewel u het niet kunt geloven: ‘Ik deed het voor u... Ik ben om uwentwil arm geworden.’

O, kom dan toch en buig. Ja, u moet buigen, u mag buigen. Kom, buig en aanbid uw Heere en Zaligmaker.

Dit is wat u ook nodig hebt, rijken onder ons. U begrijpt, ik heb het niet over uw bankrekening. Ik heb het over u die rijk bent in uw hart. Of moet ik straks van u aantekenen, moet de Heere straks van u aantekenen: ‘Hij of zij ging bedroefd weg, want hij of zij had veel goederen…?’ Beseft u wel, rijken onder ons, waar u mee bezig bent? De Prins van de hemelse heerlijkheid, de Koning van alle koningen, gaf alles, echt alles, wat Hij had. Hij werd geboren in deze wereld, Hij liet Zich leggen in een voerbak voor beesten, Hij is gestorven aan een kruis, Hij heeft Zichzelf vernietigd, leeggegoten, Hij heeft alles gegeven wat Hij had... En u zegt: ‘Kerst, Goede Vrijdag, gezellig: familiebezoek... Maar…, maar verder, het doet me eigenlijk niets, het zegt me eigenlijk helemaal niets.’ Dank voor uw eerlijkheid. Omdat voor Hem, de Arme, geen plaats is in de rijke herberg van uw rijke hart. Lieve mensen, leef zo niet door! Beste jongelui in de kerk, leef zo niet door. Dat gaat, vroeg of laat, helemaal fout. Dat gaat écht helemaal fout. Zo kunt u, als rijke, echt niet voor God verschijnen. Lukas schrijft in hoofdstuk 16 van zijn Evangelie (ik zal u een stukje voorlezen over de rijke en de arme), hij schrijft dit: En er was een zeker rijk mens, en was gekleed met purper en zeer fijn lijnwaad, levende alle dag vrolijk en prachtig. En er was een zeker bedelaar, met name Lazarus, welke lag voor zijn poort vol zweren; En begeerde verzadigd te worden van de kruiken, die van de tafel des rijken vielen; maar ook de honden kwamen en lekten zijn zweren. En het geschiedde, dat de bedelaar stierf, en van de engelen gedragen werd in de schoot van Abraham. En de rijke stierf ook, en werd begraven. En als hij in de hel zijn ogen ophief, zijnde in de pijn, zag hij Abraham van verre, en Lazarus in zijn schoot. En hij riep en zeide: Vader Abraham, ontferm u mijner, en zend Lazarus, dat hij het uiterste zijns vingers in het water dope, en verkoele mijn tong; want ik lijd smarten in deze vlam. Maar Abraham zeide: Kind, gedenk, dat u uw goed ontvangen hebt in uw leven, en Lazarus desgelijks het kwade; en nu wordt hij vertroost, en u lijdt smarten. En boven dit alles, tussen ons en ulieden is een grote kloof gevestigd, zodat degenen, die van hier tot u willen overgaan, niet zouden kunnen, noch ook die daar zijn, van daar tot ons overkomen (Lukas 16:19-26).

Dit is de toekomst en de werkelijkheid van de geestelijke bedelaars, van de armen. Ze zullen op Gods tijd door de engelen gedragen worden in de schoot van Abraham. Dit is de toekomst en de werkelijkheid ook van de rijken, van de geestelijk onbetrokkenen, van de onverschilligen, van de onbekeerden, van degenen die zich rijk wanen met al hun eigen vroomheid. Dit is uw toekomst: uw plaats, als u zo doorgaat, zal zijn in de hel, in de eeuwige rampzaligheid. En u zult roepen: ‘Vader Abraham, ontferm u over mij, en

zend toch Lazarus, dat hij het uiterste van zijn vinger in het water dope, en verkoele mijn tong, want ik lijd smarten in deze vlam.’ Maar het antwoord zal zijn: ‘Nee.’ En bovendien, die grote kloof…

Moet het écht zo ver komen met u en met jou? Jongelui, stuur je hier nu bewust op aan: de weg geweten, maar niet bewandeld? Je mag komen, je wordt genodigd, maar je wil niet komen? Moet het echt zó ver komen? Kom vrienden, het is nog niet te laat. Het is nog genadetijd.

U zegt: ‘Ja, u hebt het nu gehad over die armen, over die mensen die geestelijk failliet zijn, maar dat ben ik niet. Ik ben zo’n een rijke. Ik zeg het maar éérlijk: Ik ben een rijke, ik ben een ongevoelige, ik ben een geestelijk dode.’ Kom dán maar zoals u bent. Kom dán maar als iemand die helemaal niets ziet in het Kind dat ligt in de kribbe, in de Man die hangt aan het kruis. Kom dan maar zo en zeg: ‘Heere, open toch mijn ogen, voordat het te laat is.’ Als u dan toch rijk bent, komt u dan maar als een rijke, met uw armen vol en zeg: ‘Heere, alstublieft, o, maak me toch arm, een arme zondaar, voordat het voor eeuwig te laat is.’ Al moet u erkennen dat u dood bent, hard en ongevoelig, kom dan maar als een dode, als een harde en ongevoelige zondaar, en zeg maar eerlijk: ‘Heere, ik ben dood, ik ben hard en ongevoelig. Het doet me helemaal niets. Maak me, Heere toch levend, voordat dat het te laat is?’ Hoe u komt, het maakt me niet uit. Als u maar komt. Maar ga zo niet door. Loop niet met open ogen regelrecht af op uw eeuwige rampzaligheid.

Kom vrienden, er is zoveel goeds, echt, er is zoveel goeds te krijgen aan de kribbe van Bethlehem, aan de voet van het kruis. U weet écht niet wat u mist: zoveel heil en zegen, en vrede en zaligheid. Jongelui, er ligt zoveel vreugde en blijdschap in, als we door onze tranen, ja, ik zeg het eerlijk, door onze tranen van armoede en gemis heen kijkend mogen bukken en buigen aan de kribbe van onze Koning en het uit Zijn mond mogen horen: ‘Dit deed Ik nu voor u.’ Jongens, meisjes, dan ben je zo gelukkig. Het is zo goed, ik wens het je zo van harte toe, het is zo goed om de Heere te dienen en te vrezen. Het is zo goed om arm te zijn. Ah, je zegt: ‘Dat klinkt helemaal niet goed. Dat klinkt helemaal niet fijn, arm zijn.’ En toch is het goed. Toch is het zaligheid, arm zijn in jezelf. Want we hebben zo’n rijke Koning, die zoveel, die een overvloed van genade heeft, die Hij wegschenkt aan arme zondaren. Het is zo zalig en goed om leeg te zijn. Je zegt: ‘Dat klinkt niet goed, leeg zijn.’ En toch, is het zó goed. Daar ligt zoveel vrede en zaligheid en blijdschap in, als je leeg bent in jezelf en alles uit genade ontvangt, uit de rijkdom van de genade die in de Heere Jezus Christus is.

Als je dit niet kent, jongelui, dan mis je niet veel, dan mis je alles. Ouderen onder ons, als u Christus niet kent, mist u echt alles. Dan bent u werkelijk een door en door ellendig mens. Maar, als u Christus hebt, dan hebt u alles.

Ja, armen onder ons. Want bij Hem moet u wel terechtkomen. Want buiten Hem is er geen rust en geen vrede, ook niet in onze armoede. ‘Heere, zie toch mijn armoede…’ Nee, zo niet. Er is rust als we met lege handen als een failliete zondaar mogen buigen aan de voet van de kribbe, aan de voet van het kruis. Want het ware leven, lieven, loven is daar waar men Jezus ziet! Daar gaan die armen zingen. Wat zullen ze zingen, nu, maar ook straks in de hemel! Wat ze zullen zingen, die arme bedelaars? Dit: ‘Het was door U, door U alleen, o Heere, om het eeuwige welbehagen.’

Mocht de Heilige Geest ons daar allen brengen, daar waar ik niet kán, maar vooral niet wíl komen, en u ongetwijfeld ook niet. Waar ik niets meer heb, waar ik echt alles kwijt ben... Want daar wordt Christus alles en daar wordt het waar, dit Evangelie van Kerst en van Goede Vrijdag: Want gij weet de genade (ja, want het is genade!), u weet de genade van onze, onze Heere Jezus Christus, dat Hij om u, armen, arm geworden is, daar Hij rijk was, opdat u door Zíjn armoede schatrijk zou worden. Want als u Christus hebt, hebt u werkelijk alles. Amen.

Slotzang Psalm 73:13,14

Wien heb ik nevens U omhoog? Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog, Op aarde nevens U toch lusten? Niets is er, waar ik in kan rusten. Bezwijkt dan ooit, in bittere smart Of bange nood, mijn vlees en hart, Zo zult Gij zijn voor mijn gemoed Mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed.

Wie, ver van U, de weelde zoekt, Vergaat eerlang en wordt vervloekt; Gij roeit hen uit, die afhoereren En U den trotse nek toekeren; Maar 't is mij goed, mijn zaligst lot, Nabij te wezen bij mijn God; 'k Vertrouw op Hem geheel en al, Den HEER, Wiens werk ik roemen zal.