PREEK · KERKELIJK JAAR

Simeon: Laat mij heengaan in vrede naar Uw Woord - Lukas 2

Kerst - 5 januari 2020

Verwerking

Lukas 2:29: Nu laat Gij, Heere, Uw dienstknecht gaan in vrede, naar Uw woord;

INLEIDING

Simeon leeft in een donkere tijd, maar verwacht de vertroosting Israëls: niet zomaar troost, maar de Trooster Zelf. De Heilige Geest heeft hem beloofd dat hij eerst de Christus zal zien. Door de Geest geleid komt hij precies op het juiste moment in de tempel, wanneer Jozef en Maria hun Kind komen voorstellen. Simeon neemt Hem in zijn armen en looft God: nu kan hij heengaan in vrede, want zijn ogen hebben Gods zaligheid gezien. Zijn lof is gericht op Vader, Zoon en Heilige Geest samen.

THEMA

Het Woord van de belofte vervuld

KERNPUNTEN

  1. Verwachte troost
  2. Gegeven vrede
  3. Gezongen lof

LUKAS 2:25-33

25 En zie, er was een mens te Jeruzalem, wiens naam was Simeon; en deze mens was rechtvaardig en godvrezend, verwachtende de vertroosting Israëls; en de Heilige Geest was op hem.
26 En hem was een Goddelijke openbaring gedaan door den Heiligen Geest, dat hij den dood niet zien zou, eer hij den Christus des Heeren zou zien.
27 En hij kwam door den Geest in den tempel. En als de ouders het Kindeken Jezus inbrachten, om naar de gewoonte der wet met Hem te doen,
28 Zo nam hij Hetzelve in zijn armen en loofde God en zeide:
29 Nu laat Gij, Heere, Uw dienstknecht gaan in vrede, naar Uw woord;
30 Want mijn ogen hebben Uw Zaligheid gezien,
31 Die Gij bereid hebt voor het aangezicht van al de volken:
32 Een Licht tot verlichting der heidenen en tot heerlijkheid van Uw volk Israël.
33 En Jozef en Zijn moeder verwonderden zich over hetgeen dat van Hem gezegd werd.

VOLLEDIGE TEKST

Simeon: Laat mij heengaan in vrede naar Uw Woord - Lukas 2

ds. J. IJsselstein - Lukas 2:29

THEMA

Het Woord van de belofte vervuld

LITURGIE

Lofzang Simeon:1

Tien Geboden:9 |

Psalm 116:1

Lezen Lukas 2:25-35

Psalm 116:9

Psalm 34:2

Lofzang Simeon:2

Gemeente, de preek van vanmorgen gaat over Simeon. Over hoe Simeon de kleine Heere Jezus in de tempel in zijn armen neemt. De geschiedenis is uw voorgelezen uit Lukas 2. We overdenken samen met Gods hulp Lukas 2:25-32. Ik lees je samenvattend het 29e vers nog een keer aan u voor, waar Simeon zegt: Nu laat Gij, Heere! Uw dienstknecht gaan in vrede naar Uw woord.

Het thema voor de preek is: Het Woord van de belofte vervuld

We letten samen op drie aandachtspunten. Als eerste op verwachte troost, dat ziet u in vers 25 en 26. Als tweede op gegeven vrede, dat ziet u in vers 27 tot en met 30. En als derde letten we op gezongen lof, dat ziet u in vers 30 tot en met 32. Dus: het Woord van de belofte vervuld. Drie aandachtspunten: 1. Verwachte troost 2. Gegeven vrede 3. Gezongen lof Als eerste dus:

1. Verwachte troost

We lezen in vers 25: En ziet, er was een mens te Jeruzalem, wiens naam was Simeon; en deze mens was rechtvaardig en godvrezende; verwachtende de vertroosting Israëls, en de Heilige Geest was op hem. Er was iemand in Jeruzalem, die Simeon heette. Zoals er in die tijd zoveel meer waren, die Simeon heetten. Een gewone, een onaanzienlijke man. Het is direct duidelijk: ik zei wel ‘het gaat over Simeon’, maar niet dus. Het gaat vanaf het begin alleen maar over wat God gaat doen en gedaan heeft.

Hij wordt nog wel even kort, met een paar pennenstreken getekend. Hij was rechtvaardig, eerlijk en oprecht voor de mensen. En hij was Godvrezend, hij leefde dicht bij de Heere. Twee dingen, die altijd samen horen te gaan: eerlijk voor de mensen en God vrezend. Die twee dingen horen bij een kind van God. En die twee dingen zijn ook nodig in de dienst van God als we ambtsdrager zijn.

David zegt in Psalm 25: Laat oprechtigheid (eerlijkheid) en vroomheid (God vrezend zijn) mij behoeden, want… ik verwacht U. Dat laatste gold ook voor Simeon: Ik verwacht U. Want, zo staat in vers 25: Hij verwachtte de vertroosting Israëls.

Het is een donkere tijd. Net als nu. En er is veel onrust. De Romeinen zijn de baas. En de brute koning Herodes regeert. De godsdienst is voor de Schriftgeleerden vooral vormendienst geworden. En de sadduceeën nemen het ervan, met hun wereldse gezindheid. En daarbij en vooral: de profetie zwijgt.

Hoewel, de laatste tijd gaat het gerucht rond van de priester Zacharias, dat de Heere hem verschenen is. En ook is er het gerucht van de herders, die vertellen over de geboren Messias. En trouwens, wie de Schriften kent, de profetieën van Jesaja, van Jeremia, van Daniël en van andere profeten, die weet het: de tijd van de vervulling van Gods belofte is aanstaande. En dus zijn er door Gods genade midden in die donkere tijd mensen (zoals staat in vers 38) die de verlossing in Jeruzalem verwachtten. Maar verder is het donker. Verder is er verdriet…

Want (zo staat in vers 25): Simeon verwachtte de vertroosting Israëls. En vertroosting verwacht je, als je verdriet hebt. Eeuwen geleden had de Heere het beloofd door de mond van de profeet Jesaja, in Jesaja 40: Troost, troost Mijn volk, zal ulieder God zeggen. Spreekt naar het hart van Jeruzalem, en roept haar toe, dat haar strijd vervuld is, dat haar ongerechtigheid verzoend is, dat zij van de hand des HEEREN dubbel ontvangen heeft voor al haar zonden (40:1-2). De weg zal bereid worden, en dan zal de heerlijkheid van de HEERE gezien worden.

Daar wachtte Simeon op. Op troost? Nee, er staat letterlijk: op de vertroosting Israëls. Op de Trooster Zelf dus. Op de Messias, Die ongerechtigheid zou verzoenen en zonden menigvuldig zou vergeven. Simeon wachtte op de Trooster. Was hij dan troosteloos? Was hij moedeloos of hopeloos? Dat staat er allemaal niet bij. Er staat ook niet dat hij de Heere niet kende, of dat hij niets wist van vergeving van zonden. Uit alles is duidelijk: Simeon is een kind van de Heere, en Simeon leeft ook dicht bij de Heere. Want er staat in vers 25: De Geest was op hem.

Maar juist dat kennen van de Heere (in het begin van het leven met de Heere, maar ook blijvend), juist dat kennen van de Heere leidt tot verlangen om de Heere meer te mogen leren kennen. Om op te mogen wassen, om op te mogen groeien in de kennis en de genade van de Heere Jezus Christus. Om meer te mogen krijgen uit de volheid van genade en waarheid, die er is in de Heere Jezus Christus. Om dichterbij te mogen komen, om de Heere persoonlijk te mogen ontmoeten.

Een hart zonder geestelijk verlangen, een hart zonder geestelijke verwachting is dood. Bezit (je hebt het, je bent er) is een teken van de dood. Genade ziet altijd eigen gebrek en verlangt naar meer genade. Denk maar aan de vader van de bezeten jongen. Hij roept in tranen uit: Ik geloof, Heere! kom mijn ongelovigheid te hulp (Markus 9:24). Bezit is een teken van de dood, maar arm zijn van geest, honger en dorst hebben naar Christus, uitzien, verlangen, verwachten en hopen op God, dat zijn tekenen van geestelijk leven. Want die laten zien dat God een band van geloof in ons hart gelegd heeft, en dat de Heere ons met de koorden van Zijn liefde naar Hem toe trekt.

En de wederliefde, de liefde terug, die dat oproept in ons hart, en dat verlangen en die verwachting worden alleen maar sterker, als de Heere tot ons gaat spreken met Zijn beloften. Er is geen tevredenheid, maar altijd weer schuld en zondenood. Er is geen hoop in ons, maar verdriet om onze zonden en om de blijvende zonden van ons hart. Die ons met verdrietig zuchten omhoog aan de voeten van de Heere brengen: vertroost mijn ziel in haar geween, en zeg haar (voor het eerst of weer opnieuw): Ik ben uw heil, uw zaligheid, alleen.

En de Heere geeft Zijn vertroosting, en spreekt met Zijn vertroostende beloftewoord. Met woorden uit de Bijbel, die passen bij de toestand van ons hart. Die de Heere met kracht en majesteit binnen draagt in ons hart. Met woorden die we door Gods genade geloven, omdat we weten: het is de Heere, Die het zegt.

Zo kunnen er persoonlijke beloften zijn in het leven van Gods kinderen. Geen teksten waar je mee te koop loopt. Het gevaar is zo groot, dat je er zelf iets mee wordt! Nee, woorden (in de eerste plaats) uit de Bijbel. Woorden (in de tweede plaats) passend bij de nood van ons hart. En woorden (in de derde plaats) die ons in gebed aan de Heere verbinden. Die ons leren te smeken om de vervulling van Gods beloften. Beloften worden veranderd in gebeden. Biddend met David: Heere, doen wat u gesproken hebt.

Denk maar aan de dichter van Psalm 119. Hij zegt: Uw toezegging (Uw belofte) heeft mij levend gemaakt. En daarna bidt hij: Wees mij genadig naar Uw toezegging. Maak mij levend, red mij naar Uw toezegging (Psalm 119: 50,154,170).

Zo was het ook op de Pinksterdag. De discipelen hebben in hun verdriet en gemis de beloften van de Trooster, de belofte van de Heilige Geest gekregen. En wat lezen we daarna? Ze waren volhardend in het bidden en smeken (Handelingen 1:14). Want de belofte is niet alleen om te troosten, maar vooral om ons te laten verlangen naar de vervulling en om ons te brengen tot gebed. Om met Psalm 119 te zeggen: Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw heil. Naar dat wat U mij hebt toegezegd.

Zo is het ook in het leven van Simeon. Hij verwachtte, midden in die donkere tijd en middenin blijvend zondeverdriet, de vertroosting Israëls, de Heere Jezus Christus. Die hij kende in de beloften. Want de Heilige Geest was op hem.

Maar hij ziet uit naar meer. Want het geloof verlangt altijd om de Heere meer te mogen kennen en liefde hebben, om Hem te mogen ontmoeten, om Hem meer eer te mogen geven. Is er wat dit betreft, gemeente, geen nood in onze tijd? Geen geestelijke nood in ons persoonlijke leven, geen geestelijke nood in ons kerkelijke leven? We leven in een donkere tijd. Er is ook, net als destijds, zo veel uiterlijke godsdienst, maar zonder geloof. Er is zo veel tevredenheid, ook in het leven van Gods kinderen, zonder levende hoop en hoopvolle verwachting. Er is zo veel vastgekleefd zijn aan de dingen van deze tijd, zonder het verlangen van Simeon om de Zaligmaker persoonlijker te mogen omhelzen en heen te gaan in vrede.

Want die bijzondere belofte had de Heere aan hem gedaan. We lezen in vers 26: En hem was een Goddelijke openbaring gedaan door de Heilige Geest, dat hij de dood niet zien zoude, eer hij de Christus des Heeren zou zien. Door een bijzondere openbaring, door een bijzondere onthulling, door een bijzondere inspraak in zijn hart, heeft de Heilige Geest hem laten zien: ‘Simeon, je zult niet sterven (dus ligt het wel voor de hand dat Simeon òf oud òf ziek is), Simeon, je zult niet sterven voordat je de beloofde Gezalfde des Heeren, de Heere Jezus zal hebben gezien.’ Dan, als je persoonlijk de vertroosting Israëls gezien zal hebben, dan zal je sterven, maar niet eerder. We gaan het zien in onze tweede punt:

2. Gegeven vrede

Want we lezen in vers 27: En hij kwam door (of in) de Geest in de tempel. Op het moment dat: de ouders het Kindeken Jezus inbrachten, om naar de gewoonte der wet met Hem te doen. Door de Geest van de Heere aangespoord, gedrongen en gestuurd, komt hij precies op het juiste moment in de tempel. Op het moment dat Jozef en Maria hun eerstgeboren Zoon in de tempel aan de Heere gaan voorstellen.

De dagen van de reiniging van Maria zijn voorbij, veertig dagen (vers 22). En nu komt zij naar de tempel om de Heere te offeren om weer rein te worden (Lev. 12). En om haar eerstgeboren Zoon aan de Heere voor te stellen, om Hem aan de Heere te geven (Ex. 13). Want een eerstgeboren zoon moest apart gezet worden, die was heilig, voor de Heere en Zijn dienst.

a. Maria moet rein worden, Want ze is door de geboorte van haar Kind onrein geworden. En dus is haar Kind, in zekere zin en niet wezenlijk, ook onrein. Van Zijn geboorte af aan. Niet van Zichzelf. Want de Hebreeën brief zegt: hij is heilig, onschuldig en onbesmet (Hebreeën 7:26). Maar de onreinheid van zijn volk is hier al op Hem gelegd. Die draagt hij, voor hen. Voor hen die met David moeten zuchtten: het is niet alleen dit, dat roept om straf, ik ben ook in ongerechtigheid geboren en in zonden heeft mij mijn moeder ontvangen. Hier klinkt, naar de eerdere besnijdenis op de achtste dag, opnieuw: ik voor u, ik voor u onreinheid.

En opnieuw vloeit er bloed, als er twee offers gebracht worden. Heenwijzend naar het aanstaande offer op God, waar het lam Gods zelf geslacht zal worden tot verzoening voor de zonden. En lam als brandoffer en een duif als zondoffer. Maar dat Jozef en Maria arm zijn, mogen ze volstaan met twee duiven. Een zondoffer om verzoening en vergeving te vragen. Maar voor wie eigenlijk? Een brandoffer om de verhouding met de Heere te herstellen. Maar voor wie eigenlijk? Niet voor hemzelf, maar voor verloren zondaars.

b. Maria moet gereinigd worden. En haar kind moet (dat is het tweede) aan de Heere voorgesteld worden. Het is een gewoonte die dateert uit de tijd van de uittocht van Israël uit Egypte. Alle eerstgeboren zoons in Egypte waren gedood. Maar, zo zei de Heere toen: de eerstgeboren zoons van Israël, die ik heb laten leven, die zijn van nu af aan van mij, voor mij en mijn dienst.

Later werden de levieten aangewezen om de Heere te dienen. Sindsdien moesten de eerstgeboren jongens van de andere stammen gelost, vrijgekocht worden. Voor vijf sikkels, voor vijf zilveren munten.’ Vijf munten betalen om een zoon vrij te kopen, zodat hij (terugdenkend aan Egypteland) mocht blijven leven. Voor dit kind, dat niet verdiend heeft om te moeten sterven, maar dat dat vrijwillig zal gaan doen. Voor dit kind, dat straks niet met zilver of goud, maar met zijn eigen bloed de onbetaalbare prijs zou betalen om zijn volk te redden van de dodelijke verderfengel.

Bij die voorstelling, bij dat overgeven aan de Heere hoorde dus betaling, de betaling van een koopsom, van geld om in leven te mogen blijven. Wat Hij Zelf, door Zijn komst in deze wereld, in een oneindig veelvoud betaalde (hier al!) opdat Zijn kinderen in leven zouden mogen blijven.

En zo wordt dit Kind dat (a) onreinheid draagt en (b) voor Zich laat betalen, door de priester in de armen genomen en aan de Heere voorgehouden. Hij beseft waarschijnlijk niet wat hij doet. Hij denkt dat hij een schuldig Kind omhoog houdt voor de Heere, maar in werkelijkheid houdt hij de Middelaar Zelf omhoog! Voor God! De Eniggeliefde Zoon, in Wie God een welbehagen heeft.

Al de dagen van Zijn leven zal Hij de Vader dienen, zonder zonde. Hier is zichtbaar wat Paulus later schrijft in Galaten 4: Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet; opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou, en opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden (Galaten 4:4-5).

En ziet! (vers 25), let op! Dan, juist dan, als deze dingen gebeuren of gebeurd zijn, dan komt Simeon door de Geest van de Heere aangespoord, gedrongen en geleid, precies op het juiste moment in de tempel.

En middenin al die mensen die bij de tempel zijn, wijst de Heilige Geest de Heere Jezus aan. En Simeon ziet Hem, Degene die hem belooft was, hij loopt op Hem af en ook hij neemt Hem in zijn armen. De belofte wordt op Gods tijd vervuld. De belofte wordt op Gods tijd altijd vervuld.

En meer overvloedig dan Simeon verwacht heeft. De Heere doet letterlijk boven bidden en denken (Efeze 3:20). Hij dacht, hij wist, hij geloofde: ik zal de Christus des Heeren zien, maar nu mag ook hij Hem ook in zijn armen nemen. Dit reine, zondeloze Kind, in Wie God een welbehagen heeft. Die de schuld van Zijn volk draagt en tot het einde toe zal dragen. Ook Simeons schuld. De Heere, Hij doet boven bidden en denken.

U zegt: ‘Dat kunnen wij nu helaas niet meer.’ Dat is waar, zo kan het niet meer. Maar, zo zegt Calvijn: Met Zijn Goddelijke majesteit schijnt Hij (Christus nu) stralend in het Evangelie, nu niet meer in de zwakheid van Zijn lichaam, maar in de kracht van Zijn Geest. Waar Hij vanuit de hemel, van de rechterhand van Zijn Vader, door Zijn Heilige Geest nog steeds tot ons komt in het Woord, waarin Hij zich door het geloof laat omhelzen en in de armen laat nemen. En waar wij (hopend en wachtend op de vervulling van Gods belofte, midden in onze verslagenheid), waar wij de gift van Christus in het Evangelie mogen aannemen met een gelovig hart. Met liefde, met verwondering, met verbazing, met onderworpenheid: zo grote zaligheid, voor zo’n groot zondaar! Dan, als de Heere dat geeft, is er maar één reactie denkbaar. Dan maken we God groot.

Dan gaan we zingen, zoals ook nu gaan zingen uit Psalm 34:2: Kom, maakt God met mij groot! Komt, maakt God met mij groot; Verbreidt, verhoogt, met hart en stem, Den nooit volprezen naam van Hem, Die ons behoedt in nood. Ik zocht in mijn gebed Den HEERE, ootmoedig met geween; Hij heeft mij in angstvalligheên Geantwoord, mij gered.

Zo nam hij Hetzelve in zijn armen (zo lees ik verder in vers 28), en loofde God (de eer is voor God, en voor God alleen!), en zeide: Nu laat Gij, Heere! Uw dienstknecht gaan in vrede naar Uw woord, want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien.

Nu, Heere, nu U Uw belofte vervuld hebt, laat me nu heengaan, laat me nu sterven. U hebt het beloofd: Simeon, je zult niet sterven, voordat je de Christus des Heeren zal zien. En nu zie ik Hem niet alleen, nu heb ik Hem zelfs in mijn armen. Laat me nu maar heengaan. De Prediker zegt: Het oog wordt niet verzadigd met zien (Prediker 1:8). Maar het oog dat Christus heeft gezien, is verzadigd en kan sterven.

In vrede. Nu, Heere, is de tijd van zuchten, de tijd van wachten en verwachten, de tijd van hopen en uitzien voorbij. Laat mij nu heengaan in vrede met U, en in vrede met de dood. Ik verlang heen te gaan. Het is mij goed voor altijd nabij God te zijn.

Misschien hebt u zo ook wel eens gestaan aan het sterfbed van een van Gods kinderen. Met zichtbare rust en vrede op het gezicht, met verlangen om heen te gaan. Om de tijd van moeite en verdriet, om de tijd van zonde en verderf achter te laten. Om eeuwig te zingen van Gods goedertierenheid. Dat maakt indruk. Dat vergeet je niet snel… Dat laat zo heel indringend zien, hoe goed het is om de Heere te dienen en vrezen. Hoe goed de Heere Zelf is. En wat een enige troost Hij geeft, zowel in leven, als in sterven.

Gaat u straks ook zo sterven? Kunt u zo sterven? Bent u bereid, bent u klaar om te sterven, om God te ontmoeten? Omdat voor u (net als bij Simeon) de prikkel van de dood, de zonde overwonnen is? Door het sterven en de opstanding van de Heere Jezus Christus? Omdat de Reine betaalde voor deze onreine? Omdat de Onschuldige zichzelf offerde voor deze doodschuldige?

Gemeente, de dag van uw dood, de dag van de terugkomst van de Zoon des mensen komt steeds dichterbij. De dag waarop vermoeide Jakobs blij zullen uitroepen: Op Uw zaligheid wacht ik, Heere! De dag waarop oude of zieke Simeons zullen zingen: Nu zal ik in vrede heengaan, naar Uw woord. Maar u? Hoe loopt het met u af? Is dat ook uw toekomst…? Of zult u (zoals staat in Lukas 23) zeggen tot de bergen ‘valt op ons’, en tot de heuvels ‘bedekt ons’? (Lukas 23:30)

Wat een uiterste tegenstelling! ‘Laat me heengaan in vrede’, om mijn oudste Broeder te omhelzen. Of: ‘Laat me verpletterd worden’, om me te verbergen voor Hem. Voor Hem, Die nu (terwijl u uw armen niet naar Hem uitstrekt om Hem te ontvangen) Zijn armen wel naar u uitstrekt en zegt: Kom! Verlaat de slechtheid en leef. Kom tot Mij. Wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.

We gaan verder met ons derde aandachtspunt:

3. Gezongen lof

Want we lezen in vers 30,31 en 32: Want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien, die Gij bereid hebt voor het aangezicht van al de volken, een Licht tot verlichting der heidenen, en tot heerlijkheid van Uw volk Israël. Simeon bezingt met woorden Gods lof. Zoals we zo vaak in de Bijbel tegenkomen, en zoals het ook niet vreemd is in het leven van Gods kinderen. Lof, die niet zomaar vanzelf opborrelt in ons hart. Want sinds het verloren paradijs klinkt Gods lof niet meer op onze lippen. Maar lof, die door Gods genade in de benauwdheid wordt geboren, die uitspruit uit de bodem van een verslagen hart.

Denk maar aan Psalm 116, waar de dichter zegt: De banden des doods hadden mij omvangen, en de angsten der hel hadden mij getroffen; ik vond benauwdheid en droefenis. Maar ik riep den Naam des HEEREN aan, zeggende: Och HEERE! bevrijd mijn ziel (116:3-4). Maar toen hoorde God! En toen klonk Gods lof, zoveel rijker en zoveel hartelijker dan ooit in het hart van een natuurlijk mens is opgekomen: Mijn ziel! keer weder tot uw rust, want de HEERE heeft aan u welgedaan. Ik zal U offeren, offerande van dankzegging, en den Naam des HEEREN aanroepen (116:7,17).

Als de Heere ons gebed verhoort, ons versterkt met kracht in onze ziel, als de Heere vanwege Zijn Naam Zijn Woord groot maakt, dan zingen we in God verblijd, aan Hem gewijd, van ’s Heeren wegen (Psalm 138). Over…? Over God dus. Alleen over Hem, alleen gericht op Hem.

Zoals bij Simeon. Want wat zegt hij? Wat heb ik gezien? Mijn Zaligmaker? Nee, hij zegt: Uw zaligheid. Want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien, Die U bereid hebt. U hebt dit in de stille eeuwigheid voorbereid, in oneindige wijsheid en zondaarsliefde. Toen U met al de liefde van Uw hart Uw eniggeboren Zoon gegeven hebt. En toen Uw Zoon zei: Zie, Ik kom, om Uw wil te doen. Uw wet is in het binnenste van Mijn ingewand, van mijn hart.

En u hebt dit nu voorbereid door de Heilige Geest in het lichaam van Maria: Uw zaligheid, Uw redding, dit Uw ‘reddende Kind’! En terwijl Simeon dit reddende Kind van de Vader door de Heilige Geest in de armen gedrukt krijgt, beweegt ook hij deze onbegrijpelijke Gift van Gods Zoon, als het ware voor de Vader: Heere, dit is Uw zaligheid!

Dat wil dus zeggen: de Heilige Geest, Die Simeon leidt, maakt niet alleen Christus groot, maar Hij verheerlijkt ook de Vader, Die in eeuwige wijsheid deze weg heeft uitgedacht.

Met het reddende Kind in zijn armen kan Simeon voor God staan en Zijn lof bezingen. Met vrede in zijn hart. Zo zingt Simeon de lof van God Drie-enig. En zo krijgt Simeon de zaligheid. Van God, verzoend met Hem, door het reddende Kind.

Hier treden de drie Goddelijke Personen in de heilige Drie-eenheid op de voorgrond. De Vader wordt aanbeden en lof toegezongen voor Zijn onuitsprekelijke gave, voor de gift van Zijn Zoon: Uw zaligheid! De Zoon wordt aanbeden in de armen van Simeon. En de Heilige Geest richt het geloof, het hart en de ogen van Simeon op de liefde van de Vader en op de gekomen Christus.

Gemeente, maak de drie Goddelijke personen nooit van elkaar los. Bedenk dat de Vader in eeuwige wijsheid en zondaarsliefde Zijn Zoon zond. Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe (Johannes 3:16) Bedenk dat de Zoon de Vader wil verheerlijken. En bedenk dat de Heilige Geest onze ogen wil richten op de Vader en de Zoon.

Pas op dat u niet in geestelijk donker blijft (a) door te zeggen dat u de Vader liefhebt, zonder te weten van vergeving van schuld door het werk van de Zoon. Pas op dat u niet in geestelijk donker blijft (b) door te zeggen dat u in de Zoon gelooft, zonder oog te hebben voor de liefde van de Vader, die Zijn Zoon overgaf tot in de dood van het kruis. Pas op dat u niet in geestelijk donker blijft (c) of door te zeggen of te denken dat u de Heilige Geest niet nodig hebt, omdat u het zelf wel kan. God Drie-enig wil en zal verheerlijkt worden in het werk van Zijn zaligheid.

Want mijn ogen (zo zingt Simeon) hebben Uw zaligheid gezien, die U bereid hebt, voor het aangezicht van al de volken. Midden op dat drukke Tempelplein, iedereen mag het zien en horen: ‘Mensen, dit is Gods redding, dit is Zijn reddende Kind. God heeft eeuwenlang Zijn komst voorzegd. En nu is Hij gekomen. Zichtbaar voor u allemaal: Hier is Hij!’

Zoals Hij ook nu, in de prediking van het Evangelie, zichtbaar voor iedereen voorgesteld wordt. De door God gezonden Zaligmaker, gewillig en bereid om u te redden van het verderf. In het Evangelie u voor ogen geschilderd als het reddende Kind van Bethlehem, als de gekruisigde Zaligmaker. Door wie u zalig kunt worden. Wend u naar Hem toe en wordt behouden. Geloof in de Heere Jezus Christus. Veracht Hem niet, verwerp Hem niet. Maar kom, buig aan Zijn voeten, en smeek Hem om redding en behoud, en u zult zalig worden!

Voor het aangezicht van al de volken. En: Een licht tot verlichting der heidenen. Letterlijk staat er: tot openbaring van de heidenen. Niet: tot openbaring voor de heidenen, maar tot openbaring, tot het naar voren komen van de heidenen.

Met andere woorden: ‘heidenen (en daar horen wij ook bij!), komt tevoorschijn! U dwaalt op eigen wegen, tastend (zoals Paulus zei op de Areopagus) tastend in het duister. Maar nu het Licht in de wereld gekomen is, zegt de Heere: komt tevoorschijn, kom tot het Licht!’

Een licht tot verlichting der heidenen. En: tot heerlijkheid van uw volk Israël. Ineens gaat er ook een andere belofte in vervulling, een belofte die God eeuwen geleden aan Abraham gedaan heeft: In u, Abraham, zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden (Genesis 12:3). Gods belofte wordt altijd vervuld. Geen ding is er zekerder, in deze donkere wereld, dan de vervulling van Gods belofte.

Wat een heerlijkheid voor het volk Israël. De Zaligmaker is uit hen geboren, uit Abraham. Straks zullen ze als eerste delen in de boodschap van Gods zaligheid. Het Evangelie zal gepredikt worden in de hele wereld, beginnende van Jeruzalem (Lukas 24:47). En straks zullen ze als laatste opnieuw delen in het heil van de Messias. Als de Heere hen weer zal aannemen (zo schrijft Paulus in Romeinen 11), dan zal Hij hun zonden wegnemen (Romeinen 11:15,27). Dan zal Israël Hem tot een volk zijn. En de Heere hun God. Tot heerlijkheid van Zijn volk Israël, en tot heerlijkheid van Israëls God!

Dan zal opnieuw gezongen worden: Zingt de HEERE een nieuw lied; want Hij heeft wonderen gedaan; Zijn rechterhand, en de arm Zijner heiligheid, heeft Hem heil gegeven. De HEERE heeft Zijn heil bekend gemaakt; Hij heeft Zijn gerechtigheid geopenbaard voor de ogen der heidenen. Hij is gedachtig geweest Zijner goedertierenheid, en Zijner waarheid aan het huis Israëls; en al de einden der aarde hebben gezien het heil onzes Gods (Psalm 98:1-3).

Amen.

Slotzang Lofzang Simeon:2

Een licht, zo groot, zo schoon, Gedaald van 's hemels troon, Straalt volk bij volk in d' ogen; Terwijl 't het blind gezicht Van 't heidendom verlicht, En Isrel zal verhogen.