Nieuwjaar - 1 januari 2017
Jesaja 54:10: Want bergen zullen wijken en heuvelen wankelen, maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de HEERE, uw Ontfermer.
INLEIDING
Bij het begin van een nieuw jaar, terwijl wereld en kerk wankelen, klinkt de vaste belofte uit Jesaja 54:10: Bergen zullen wijken, en heuvelen wankelen; maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de HEERE, uw Ontfermer. Deze nieuwjaarspreek wijst de gemeente op het enige wat nooit wankelt: Gods trouw aan Zijn volk.
De toekomst van de Kerk
JESAJA 54:7-13
7 Voor een klein ogenblik heb Ik u verlaten, maar met grote ontfermingen zal Ik u vergaderen.
8 In een kleinen toorn heb Ik Mijn aangezicht van u een ogenblik verborgen, maar met eeuwige goedertierenheid zal Ik Mij uwer ontfermen, zegt de HEERE, uw Verlosser.
9 Want dat zal Mij zijn als de wateren Noachs, toen Ik zwoer dat de wateren Noachs niet meer over de aarde zouden gaan; alzo heb Ik gezworen dat Ik niet meer op u toornen, noch u schelden zal.
10 Want bergen zullen wijken en heuvelen wankelen, maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de HEERE, uw Ontfermer.
11 Gij verdrukte, door onweder voortgedrevene, ongetrooste: Zie, Ik zal uw stenen gans sierlijk leggen, en Ik zal u op saffieren grondvesten.
12 En uw glasvensters zal Ik kristallijnen maken en uw poorten van robijnstenen, en uw ganse landpale van aangename stenen.
13 En al uw kinderen zullen van den HEERE geleerd zijn, en de vrede uwer kinderen zal groot zijn.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Jesaja 54:10
THEMA
De toekomst van de Kerk
Gemeente, hebt u een beetje vertrouwen in de toekomst? Jongelui, hebben jullie een beetje vertrouwen in de toekomst? U zegt: ‘Ja, wel een beetje, maar er zijn nogal wat onzekerheden.’ Je zegt (als je tenminste je ogen en oren niet in je broekzak hebt), je zegt niet zo snel, jongelui: ‘Ik heb echt een rotsvast vertrouwen in wat er dit jaar komt.’
Want? Rotsvast? Er wankelt immers nogal wat. De wereld wankelt. Er is nogal wat politieke instabiliteit in de wereld. De dreiging van terrorisme en aanslagen neemt toe. De wereld wankelt. Maar ook de kerk wankelt. De ontkerkelijking neemt toe. De kerk lijkt niet meer dat onwankelbare instituut wat het voorheen was. Waarheden wankelen. Voorheen hield niemand in de kerk het voor mogelijk dat wij vroeger apen waren en dat alles zich steeds meer ontwikkeld heeft tot een hoger niveau. Toch zijn er steeds meer mensen, ook in de kerk, die midden in een wereld vol van desintegratie zijn gaan geloven in de evolutietheorie van de vooruitgang. De Bijbel is niet meer het boek wat het vroeger was. Huwelijken en gezinnen wankelen. Het aantal echtscheidingen en gebroken gezinnen neemt toe. Ja, je kan zelfs persoonlijk wankelen: ‘M’n vriendschap is voorbij. M’n gezondheid is voorbij. Er heeft zich een ernstige ziekte geopenbaard. M’n leven is bezig voorbij te gaan. Misschien is dit wel m’n laatste jaar.’ Alles lijkt te wankelen…
Toch is er in de Bijbel één ding, dat symbool staat voor wat niet kan wankelen. Hoewel? Ik bedoel: de bergen, de hemelhoge bergen, die vaststaan door Gods kracht (Psalm 65:4Ongerechtige dingen hadden de overhand over mij; maar onze overtredingen, die verzoent Gij., ber.). Heb je ze, jongens en meisjes, weleens gezien? Geweldig, indrukwekkend zijn die bergen, die hemelhoge bergen, die duizenden meters hoge bergen. Bij alles wat wankelt en verandert en verdwijnt, kan je je niet voorstellen dat aan die bergen iets veranderen zal: die zullen blijven. Ze zijn in de Bijbel ook teken van wat blijft: die onverzettelijke bergen. Denk maar aan wat Psalm 90 zegt: ze zijn in het uur van de schepping al geboren (Psalm 90:2). Toen zijn ze, zegt Amos, geformeerd door Gods hand (Amos 4:13Want zie, Die de bergen formeert, en den wind schept, en den mens bekend maakt, wat zijn gedachte zij, Die den dageraad duisternis maakt, en op de hoogten der aarde treedt, HEERE, God der heirscharen, is Zijn Naam.). En, zo zingt de dichter van Psalm 65: ze zijn vastgezet door Gods kracht (Psalm 65:7).
Hoewel, het lijkt allemaal wel zo vast, maar er zijn momenten en er komt een moment dat zelfs die bergen wankelen of zullen wankelen. Soms, als de aarde beeft, bij grote aardbevingen, dan schudden niet alleen de huizen en de wegen, maar dan schudden zelfs de bergen. Dat is nu. En, als de tijd voorbij gegaan is, dan (zo schrijft Johannes), is de hemel weggeweken, als een boek, dat toegerold wordt (de hemel wijkt!), en alle bergen en eilanden zijn bewogen uit hun plaatsen (Openbaring 6:14En de hemel is weggeweken, als een boek, dat toegerold wordt; en alle bergen en eilanden zijn bewogen uit hun plaatsen.). De bergen zullen bewogen worden! Zelfs die hemelhoge bergen zullen wankelen, en smelten voor de komst van de Zoon des mensen (zie Jesaja 64:1Och, dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt, dat de bergen van Uw aangezicht vervloten;,3). Dus? Is er dan niets wat echt vaststaat en blijft? Zongen we niet: zo min de hemel (de hemel der hemelen!) ooit uit zijne stand zal wijken, zo min zal Uwe getrouwe ooit wankelen of bezwijken? (Psalm 89:1Een onderwijzing van Ethan, den Ezrahiet., ber.) Jazeker, en dat alleen geeft vaste hoop en echte verwachting voor de toekomst, ook aan het begin van dit nieuwe jaar (2017). Want bergen zullen wijken, en heuvelen wankelen; maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de HEERE, uw Ontfermer.
Dat is de tekst voor de preek op deze nieuwjaarsmorgen: Jesaja 54 vers 10. Want bergen zullen wijken, en heuvelen wankelen; maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de HEERE, uw Ontfermer.
Het thema voor de preek is: De toekomst van de Kerk.
Er zijn twee aandachtspunten 1. Alles, bijna alles wankelt en zal wankelen 2. Eén ding wankelt nooit. Eén ding wankelt nooit. En daarom zingt de Kerk des Heeren, daarom zingt het volk van God, hoe het ook verder zal gaan: Hij (God) is mijn Rots, mijn Heil in nood, Mijn hoog Vertrek; Zijn macht is groot; Ik zal noch wankelen, noch bezwijken. Ik zal geen grote wankeling vrezen (Psalm 62:1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, over Jeduthun.,4, ber.). Onze eerste gedachte:
Alles wankelt: de wereld, de kerk, de waarheid, huwelijken en gezinnen, vriendschappen, gezondheid… Waarom? Om ons. Vanwege onze ontrouw! Want onze tekst in Jesaja 54 wordt voorafgegaan door negen verzen die slechts één ding aantonen: de ontrouw van Juda en Jeruzalem. Ik moet het eigenlijk nauwkeuriger zeggen: die negen verzen tonen twee dingen aan, namelijk de trouw van Israëls God tegenover de ontrouw van Juda en Jeruzalem.
De Heere schetst in het Oude Testament Zijn verhouding tot het volk Israël vaker met het beeld van een huwelijk tussen man en vrouw. Zoals ook de profeet Hosea dat bijvoorbeeld doet in de eerste drie hoofdstukken van zijn profetie. En datzelfde huwelijk is ook in het Nieuwe Testament beeld van de relatie tussen Christus en Zijn gemeente, tussen de hemelse Bruidegom en Zijn aardse bruid (Efeze 5).
Hij, God, Christus, is en blijft trouw. Maar zij, Israël (ook het geestelijke Israël: de kerk, Gods kinderen)? Kijk maar in vers 1, hoe zij getekend wordt. Op drie manieren wordt Israël getekend als iemand die geen kinderen heeft; iets wat destijds in Israël gezien werd als straf, en dus als reden tot heel veel verdriet. En dat laatste is zeker nog zo. Juda en Jeruzalem worden getekend als: een onvruchtbare vrouw, die niet gebaard heeft en die geen barensnood gehad heeft. U voelt: het is beeldspraak. Het volk is weggevoerd in ballingschap, in gevangenschap in Babel. En daarmee lijken ze voor de toekomst weggevaagd te zijn. Er is geen toekomst meer. Zoals mensen in oorlogsgebieden soms weggevaagd lijken te zijn. Geen enkel perspectief meer voor de toekomst! Met andere woorden, zo zegt God: u bent, Israël, om eigen schuld en zonden weggevoerd. En onvruchtbaar, dat wil zeggen: niet in staat om kinderen leven te geven. En dus zonder toekomst.
En toch… En toch klinkt de oproep om blij te zijn! En die oproep wordt ook met drie woorden uitgedrukt: zing vrolijk, maak geschal, juich! Want? U zult krap aan overleven? Nee, u zult meer uitbreiden dan wie dan ook. U zult meer kinderen krijgen dan een gewone, getrouwde vrouw (vers 1). En dus (vers 2): maak uw tent maar groter. En steek de pinnen ervan (wat die bredere tentdoeken zijn zwaarder), steek de pinnen ervan maar dieper in de grond. Want u zult in menigte uitbreken en u zult de verwoeste steden van Juda weer mogen bewonen (vergelijk 2 Koningen 18:13Maar in het veertiende jaar van den koning Hizkia kwam Sanherib, de koning van Assyrië, op tegen alle vaste steden van Juda, en nam ze in.).
Hoe was het eigenlijk zover gekomen? Dat Juda en Jeruzalem in de ballingschap terecht zijn gekomen? Dat staat in vers 7: Ik heb u verlaten. En in vers 8: Ik heb Mijn aangezicht van u verborgen. En in vers 9: Ik toornde op u, Ik heb op u gescholden. Ik heb u verlaten, omdat u Mij verlaten hebt (zie ook Jeremia 2:13Want Mijn volk heeft twee boosheden gedaan; Mij, den Springader des levenden waters, hebben zij verlaten, om zichzelven bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water houden.). Uw ontrouw heeft scheiding gemaakt (Jeremia 3:8En Ik zag, als Ik ter oorzake van alles, waarin de afgekeerde Israël overspel bedreven had, haar verlaten, en haar haar scheidbrief gegeven had, dat de trouweloze, haar zuster Juda, niet vreesde, maar ging henen, en hoereerde zelve ook.). En daarom bent u beschaamd en schaamrood geworden (vers 4), kwetsbaar als een eenzame en verlaten vrouw, als een weduwvrouw. En, u bent teruggekeerd tot Mij?
Ja, straks wel, maar niet uit eigener beweging. De terugkeer, zo blijkt uit het vervolg, van het volk uit de ballingschap toen, en de bekering van Gods volk nu, was geen zaak van hun en is geen zaak van ons initiatief. Onze beweging heeft één richting: weglopen en ontrouw zijn. En wij willen niet terugkeren. Denkt u maar aan wat onze Dordtse Leerregels zeggen: Wij willen en kunnen tot God niet wederkeren, noch onze verdorven natuur verbeteren, noch onszelf tot de verbetering daarvan schikken, zonder de genade des wederbarenden Heiligen Geestes (DL III/IV, 3).
Het is Gods eenzijdige trouw, Gods opzoekende liefde geweest, die Juda in Babel bezocht, die Gods volk opzocht. Denk maar aan Jesaja 65: Ik ben gevonden (zegt de Heere) van hen, die naar Mij niet vraagden; Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten; tot het volk, dat naar Mijn Naam niet genoemd was, heb Ik gezegd: Ziet, hier ben Ik, ziet, hier ben Ik (Jesaja 65:1).
Dat is wat de Heere in het verleden deed, en dat is wat Hij nog steeds doet en ook dit jaar doen zal. Hij zoekt het verlorene, dat om eigen schuld verloren is (Ezechiël 34:16Het verlorene zal Ik zoeken, en het weggedrevene zal Ik wederbrengen, en het gebrokene zal Ik verbinden, en het kranke zal Ik sterken; maar het vette en het sterke zal Ik verdelgen, Ik zal ze weiden met oordeel.). Omdat het in ontrouw weggegaan is en met God gebroken heeft. Van zichzelf niet schuldbewust, niet gebroken van hart. Van zichzelf opstandig, hoogmoedig en trots, dwalend in eigen wegen (denk maar aan Jesaja 53:6Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg; doch de HEERE heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen.: wij keren ons een iegelijk naar zijn eigen weg). Vastzittend, rotsvast in onze zonden, in onze eigen werken en in het vertrouwen op onszelf.
Totdat…, totdat de hand van Gods Geest die bergen, mijn bergen gaat laten wankelen. Totdat de hand van de Heilige Geest mijn berg, de berg van mijn hoogmoed en zelfvertrouwen vernedert. Dan zie ik de grootheid van mijn kwaad: mijn ontrouw en mijn kwaadwillige verlating. En dan zie ik, dat het een wonder is, dat ik er nog ben, dat het de goedertierenheden des HEEREN zijn, dat ik niet vernield ben (Klaagliederen 3:22Cheth. Het zijn de goedertierenheden des HEEREN, dat wij niet vernield zijn, dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben;). Dan wankel ik, dan word ik geveld, dan kom ik als een bidder aan de grond. Dat kan ook na ontvangen genade, als de Heere me verder ontdekt aan wie ik ben, aan mijn ongeloof, aan mijn dwalen en verdwalen, aan mijn eigen ontrouw. Denk maar aan wat de dichter van Psalm 30 zegt: Want, HEERE! U had mijn berg(!) door Uw goedgunstigheid vastgezet; maar toen U Uw aangezicht verborg, werd ik verschrikt (Psalm 30:7). Toen wankelde ik.
Wat zie ik, juist dan, bergen! Bergen die scheiding maken tussen God en mij. ‘Ik heb U verlaten, ik heb een breuk geslagen tussen U en mijn hart. Is er nog, Heere, een weg terug?’ Voorheen was alles helder, voorheen stond alles vast. Ik wist waar ik op vertrouwde: op eigen inzet en krachten, op dat ik netjes was, op dat ik zo mijn best deed, op het zelfstandige leven dat ik leidde. Maar nu: alles wankelt, om me heen, maar vooral ook in mijn eigen hart en leven. Wat een uitzichtloze toestand: verlaten om eigen schuld, beschaamd en schaamrood (zoals staat in vers 4), verlaten en bedroefd (zoals staat in vers 6), en het aangezicht van de Heere verborgen (zoals staat in vers 8).
Wat een wonder, als de Heere dan, juist in die diepte, iets laat zien, van wat staat in Jesaja 64: U kwam neder, van Uw aangezicht vervloten (smolten) de bergen (Jesaja 64:3). Van wat staat in Jesaja 49: Ik zal al Mijn bergen tot een weg maken, en Mijn banen zullen verhoogd zijn (Jesaja 49:11). Ik zal het doen!
Laten we daar samen eerst van zingen uit Psalm 97, het derde vers.
Dat ieder schaamrood zij, Die, onbeschroomd en vrij, Een beeld durft eer bewijzen En nietig' afgoôn prijzen, Den waren God ten hoon. Knielt voor Hem, al gij goôn! Zwicht voor den Opperheer; Buigt u met ootmoed neer Voor Zijn geduchten troon.
We gaan verder met onze tweede gedachte:
Want de Heere zegt tegen al de Zijnen, tegen al Zijn kinderen: Maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de HEERE, uw Ontfermer. Bergen wijken. Letterlijk: bergen gaan weg, vertrekken, nemen afscheid, en dus: verdwijnen. Heuvels wankelen. Letterlijk: heuvels trillen en schudden. In de wereld, in de kerk, in huwelijk en gezin (om zo tegenop te zien, lettend op het komende jaar), ook in het persoonlijke leven voor de Heere. Alle schijnbare vastheid wankelt. Ik moet zeggen: ‘Bij mij is geen hoop. In mij is geen kracht.’
‘Nee, klopt’, zo zegt de Heere als het ware, ‘zoek het daar dus ook niet.’ Zoek het voor het komende jaar niet bij uzelf, vertrouw niet op uzelf. Daar komt niets van terecht. Sla uw ogen omhoog. Naar? Kijk maar in vers 5: naar uw Maker, met wie u gebroken hebt. Naar de HEERE der heerscharen, de Almachtige, de Heilige Israëls, voor Wie u niet kunt bestaan.
Hoe dat moet? Hoe dat kan? Dat ligt opgesloten in die andere naam: uw Verlosser. Want, o schapen van Mijn weide, Ik heb u gegeven aan Mijn Zoon, aan de Knecht des HEEREN. En Hij heeft u gekocht met de prijs van Zijn bloed. En dus: vrees niet, maak u niet zo bezorgd. U bent wel van Mij weggegaan, en u bent wel in alles en altijd ontrouw geweest, maar luister: alles komt van Mij!
Uw maker is uw Man. Is dat niet een teken en een bewijs van een altijd blijvende verbintenis? Ik ben uw Verlosser, die zich over kwetsbare weduwen ontfermt. Ik ben de Roepende, die de verlaten vrouw bescherming wil bieden (vers 5, 6, 8). In een kleine toorn heb Ik Mijn aangezicht van u een ogenblik verborgen; maar met eeuwige goedertierenheid zal Ik Mij uwer ontfermen, zegt de HEERE, uw Verlosser. Want dat zal Mij zijn als de wateren van Noach, toen Ik zwoer, dat de wateren van Noach niet meer over de aarde zouden gaan; alzo heb Ik gezworen, dat Ik niet meer op u toornen, noch u schelden zal (vers 8-9).
Is dat geen troost voor u? Voor u, die genoemd wordt in vers 11: verdrukten, door onweder voortgedrevenen, ongetroosten? Zoekt u toch voor het komende jaar geen troost en geen moed bij uzelf. Ziet hier is uw God (Jesaja 40:9O Sion, gij verkondigster van goede boodschap, klim op een hogen berg; o Jeruzalem, gij verkondigster van goede boodschap, hef uw stem op met macht, hef ze op, vrees niet, zeg den steden van Juda: Zie hier is uw God!).
Hoor deze blijde boodschap: alle zekerheid is u ontvallen en zal u ontvallen. Zelfs dat zal gebeuren, wat u niet voor mogelijk zou houden. Maar zelfs als het meest ondenkbare zal gebeuren (de bergen van Zwitserland wankelen, de heuvels van Zuid-Limburg schudden), wat er ook gebeurt: Ik blijf getrouw! Mijn goedertierenheid, o Mijn volk, Mijn eenzijdige liefde en trouw, en Mijn hartelijke bewogenheid met u, Mijn barmhartigheid voor u, ze zullen van u niet wijken, ze zullen van u niet vertrekken, ze zullen niet van u gaan. Want het eeuwige verbond Mijns vredes, dat nieuwe verbond, dat Ik met Christus gemaakt heb, in Wie u begrepen bent, dat verbond is vast en dat zal niet wankelen.
Wie dat zegt? Ik, de HEERE, geschreven met vijf hoofdletters, de trouwe God van het verbond, die altijd Zijn Woord houdt. ‘Die HEERE ben Ik, en Ik ben uw Ontfermer, die Mij in hartelijke liefde en ontferming over u neerbuig.’
Wat een troost, wat een bemoediging, wat een zekerheid. Zonder grens. Want die HEERE, zo staat in vers 5, die is de God van de ganse aardbodem. Met andere woorden: waar u ook bent, en waar u ook heengaat, Ik ben met u. Ik ben met u al de dagen. Ik ben met u en Ik zal met u blijven, met Mijn goedertierenheid, liefde en trouw. En Ik zal u in dat eenzijdige verbond Mijns vredes vasthouden en u daarin voor altijd veilig bewaren. Teruggenomen als een liefhebbende vrouw, hangend aan Mijn trouw, bent en blijft u voor altijd veilig en bewaard. Al veranderde de aarde haar plaats, en al werden de bergen verzet in het hart der zeeën (Psalm 46:3Daarom zullen wij niet vrezen, al veranderde de aarde haar plaats, en al werden de bergen verzet in het hart der zeeën;). Wij zullen dit vrezen. Want U bent met ons. U met ons, om Uw Knecht, om Immanuël.
Mijn liefde en trouw zullen van u, Mijn kinderen niet wijken. Hoewel ik Mijn aangezicht voor een tijd van u kan verbergen, in tijden van beproeving. Toch blijf Ik Dezelfde. Mijn macht is groot, Mijn trouw zal nooit vergaan (Psalm 93:4Doch de HEERE in de hoogte is geweldiger dan het bruisen van grote wateren, dan de geweldige baren der zee., ber.). Ik zal u niet begeven, Ik zal u niet verlaten (Deuteronomium 31:6Weest sterk en hebt goeden moed, en vreest niet, en verschrikt niet voor hun aangezicht; want het is de HEERE, uw God, Die met u gaat; Hij zal u niet begeven, noch u verlaten.,8). Want Ik ben gisteren en heden Dezelfde en tot in der eeuwigheid (Hebreeën 13:8Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid.).
Dus gaan we, kinderen van God, hoe het ook gaat, en waarheen de Heere onze weg ook leidt, een goede en veilige toekomst tegemoet: gedragen in Zijn armen en vastgehouden in Zijn liefde en trouw. En daarom: Heb goede moed! Wij wankelen, wij zijn ontrouw, wij zijn zwak van moed en klein van krachten. Maar onze God is getrouw, Zijn waarheid wankelt nimmermeer. Laten we daarom, hoe het ook moog tegenlopen, gestadig op Zijn goedheid hopen. Want die zal van ons niet wijken.
U kunt proberen te vertrouwen op uzelf. En ik vrees dat heel veel mensen dat doen. Maar staat u wel veilig en vast? Als straks de tijd komt dat zelfs de bergen zullen wijken en de heuvels zullen wankelen? Immers zo staat het in Openbaring 6: En de hemel is
weggeweken, als een boek, dat toegerold wordt; en alle bergen en eilanden zijn bewogen uit hun plaatsen. Waar moet u dan veiligheid en garantie voor de toekomst zoeken?
De apostel Johannes op het eiland Patmos schetst ons een heel somber beeld. In die tijd, bij de tweede komst, bij de terugkomst van de Heere Jezus Christus, zullen de mensen (mensen, die zich hier misschien wel prima gevoeld hebben, altijd veilig en zeker), in die tijd zullen de mensen schuiling zoeken, juist bij die wankelende bergen. Hij schrijft: En de koningen der aarde, en de groten, en de rijken, en de oversten over duizend, en de machtigen, en alle dienstknechten, en alle vrijen, verborgen zichzelven in de spelonken, en in de steenrotsen der bergen; En zeiden tot de bergen en tot de steenrotsen: (O, wankelende bergen!) valt op ons, en verbergt ons van het aangezicht Desgenen, Die op den troon zit, en van de toorn des Lams. Want de grote dag Zijns toorns is gekomen, en wie kan bestaan? (Openbaring 6:15-17) Maar, zegt Johannes: Alle eiland is gevloden, en de bergen zijn niet gevonden (Openbaring 16:20En alle eiland is gevloden, en de bergen zijn niet gevonden.). De bergen zijn weg! Uw schuilplaats is er niet meer!
Want de dag des HEEREN der heirscharen zal zijn tegen alle hovaardige en hoge, en tegen alle verhevene, opdat hij vernederd worde, en tegen alle hoge en verhevene cederen van Libanon, en tegen alle eiken van Basan, en tegen alle hoge bergen, en tegen alle verhevene heuvelen (Jesaja 2:12-14Want de dag des HEEREN der heirscharen zal zijn tegen allen hovaardige en hoge, en tegen allen verhevene, opdat hij vernederd worde; En tegen alle hoge en verhevene cederen van Libanon, en tegen alle eiken van Basan; En tegen alle hoge bergen, en tegen alle verhevene heuvelen;).
Waar u ook houvast zoekt, alles wat hier vast lijkt te zijn, gaat voorbij. De dag komt, dat alle einden van de aarde zullen zien het heil onzes Gods. Maar u? Onbekeerden onder ons, u bent het jaar (2016) onbekeerd uitgegaan. Hoe lang gaat u nog zo door? Als de bergen hun plek niet zeker zijn, ze zijn de verdwijning nabij. Hoe moet het dan toch met u, van wie het leven een damp is, een schaduw die verdwijnt.? O, maakt toch haast, grote haast met het werk van uw zaligheid!
U die God vreest, u die de Heere zoekt, u die Christus liefhebt, heb goede moed. Vrees niet. God is getrouw. Zijn plannen falen nooit. Hij laat van Zijn woorden er geen ter aarde vallen. Hij zal u niet begeven, Hij zal u niet verlaten. God zal zorgen voor Zijn Woord. Dat zal niet wankelen. Zijn waarheid wankelt nimmermeer (Psalm 117:1Looft den HEERE, alle heidenen; prijst Hem, alle natiën!, ber.). God laat niet één van al Zijn woorden op de aarde vallen (1 Samuel 3:19). God zal zorgen voor zijn Woord. God zal zorgen voor Zijn werk. Want des HEEREN woord is recht, en al Zijn werk getrouw (Psalm 33:4Want des HEEREN woord is recht, en al Zijn werk getrouw.). God zal zorgen voor zijn Woord. God zal zorgen voor Zijn werk. En God zal zorgen en blijven zorgen voor Zijn Kerk. Want: God is in het midden van haar, zij zal niet wankelen (Psalm 46:5).
Zie daarom, kinderen van God, niet op uzelf, maar zeg maar met de dichter: Ik stel de HEERE gedurig voor mij, omdat Hij aan mijn rechterhand is, zal ik niet wankelen (Psalm 16:8Ik stel den HEERE geduriglijk voor mij, omdat Hij aan mijn rechterhand is, zal ik niet wankelen.).
Amen.
Slotzang Psalm 117:1
Loof, loof den HEER, gij heidendom; Gij volken, prijst Zijn naam alom. Zijn goedheid is, in nood en dood, Voor ons, Zijn volk, oneindig groot; Zijn waarheid wankelt nimmermeer. Zingt, Hallelujah, zingt Zijn eer!
Andere preken over Jesaja
Andere preken voor Nieuwjaar
Andere gerelateerde preken