Lijdenstijd - 19 maart 2017
Jesaja 53:7: Als dezelve geëist werd, toen werd Hij verdrukt; doch Hij deed Zijn mond niet open; als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open.
INLEIDING
Op deze lijdenszondag klinkt de profetie van Jesaja 53:7: als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open. Deze leespreek bepaalt u bij Christus in Zijn verdrukking en Zijn zwijgen, en roept op om het Lam Gods te zien als de enige toevlucht voor schuldige zondaren.
Zie het Lam Gods
JESAJA 53:4-9
4 Waarlijk, Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze smarten, die heeft Hij gedragen; doch wij achtten Hem dat Hij geplaagd, van God geslagen en verdrukt was.
5 Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden.
6 Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg; doch de HEERE heeft ons aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen.
7 Als dezelve geëist werd, toen werd Hij verdrukt; doch Hij deed Zijn mond niet open; als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open.
8 Hij is uit den angst en uit het gericht weggenomen; en wie zal Zijn leeftijd uitspreken? Want Hij is afgesneden uit het land der levenden; om de overtreding mijns volks is de plaag op Hem geweest.
9 En men heeft Zijn graf bij de goddelozen gesteld, en Hij is bij den rijke in Zijn dood geweest, omdat Hij geen onrecht gedaan heeft, noch bedrog in Zijn mond geweest is.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Jesaja 53:7
THEMA
Zie het Lam Gods
AANDACHTSPUNTEN
Ziet u die pelgrim, daar op zijn terugreis van Jeruzalem naar Ethiopië? Ontmoedigd zit hij in zijn wagen. Nog ziet hij zich staan, bij de tempel, voor die grote borden. Voor die borden bij de middelmuur des afscheidsels: verboden voor heidenen. Drieduizend kilometer heeft hij gereisd, en nu: geen toegang. Hij hoort er niet bij. Buiten gesloten van het volk van God. In de verte hoort hij het gezang, in de verte ziet hij de priesters en de rook van de offers, maar voor hem is het onbereikbaar. En nu is hij op reis, terug naar huis. Op een eenzame weg rijdt zijn karavaan. In zijn wagen en daarbuiten is het smoorheet. Ondertussen leest hij, hij leest de rol van Jesaja.
Maar kijk, daar loopt een man. Filippus, de evangelist, de dominee van Samaria. Hoe wonderlijk. God brengt deze twee mannen midden in de wildernis bij elkaar. Filippus heeft zijn gemeente achtergelaten en is op pad gestuurd voor één man. Zo stuurt God nog mensen, naar schijnbaar onbereikbare en ontoegankelijke gebieden voor één man of voor één vrouw. Filippus is gegaan. Hij rekende niet, hij ging in gehoorzaamheid.
Als Filippus in de buurt van die wagen komt, dan hoort hij onverwacht bekende klanken: Hij is gelijk een schaap ter slachting geleid; en gelijk een lam stemmeloos is voor dien, die het scheert, alzo doet Hij Zijn mond niet open. Bekende klanken zijn dat. ‘Verstaat u ook hetgeen gij leest?’ Begrijpt u het met uw hart? Ja, maar: ‘Van wie zegt de profeet dit?’ Over wie gaat deze profetie van het geslachte schaap en het zwijgende lam? En Filippus deed zijn mond open en beginnende van diezelfde Schrift, verkondigde hem Jezus. Dat gemeente, is ook vandaag mijn voornemen: om beginnende van die Schrift, u Jezus Christus te verkondigen en Die gekruisigd.
Op deze (…)e lijdenszondag wil ik uw aandacht vragen voor datzelfde Schriftgedeelte uit de profetie van Jesaja, hoofdstuk 53, vers 7: Als dezelve geëist werd, toen werd Hij verdrukt; doch Hij deed Zijn mond niet open; als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open.
Het thema voor de preek luidt: Zie het Lam Gods Er zijn twee aandachtspunten: 1. Zie Hem in Zijn verdrukking: Als dezelve geëist werd, toen werd Hij verdrukt. 2. Zie Hem in Zijn zwijgen: Doch Hij deed zijn mond niet open. Als eerste dus:
Als dezelve geëist werd. Wie werd geëist? Wat werd geëist? Misschien zegt u: Christus werd geëist? Nee, kijkt u eens naar vers 6: Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg; doch de HEERE heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen. En dan volgt: toen dezelve geëist werd. Toen onze ongerechtigheden geëist werden. Onge-recht-igheden. Daarin zit het woordje recht, maar dan het tegenovergestelde: on- recht. Onrecht, dat is alles wat wij gedaan hebben, dat niet in overeenstemming is met Gods recht, met Gods wet. Wanneer, jongens en meisjes, worden je on-ge-recht-igheden geëist? Wanneer je op het matje geroepen wordt! Je hebt iets gedaan op school. Gelukkig weet niemand ervan. Je voelt je wel wat onrustig vanbinnen. Totdat… Ja het duurt even, maar het komt uit: Jij bent de dader. Je wordt geconfronteerd met de waarheid, met het recht. Denk maar aan David. Bijna een jaar lang voelt hij het vanbinnen: Ik heb gezondigd. Maar hij verbergt het, hij doet gewoon alsof er niets aan de hand is. Totdat Nathan komt en zegt: Gij zijt die man! Geconfronteerd met het recht, door de mand gevallen en op het matje geroepen!
Wat is jouw eerste reactie op zo’n moment? Als je terecht wordt beschuldigd? ‘Nee, meneer, maar…, maar het is anders gegaan.’ ‘Nee, meneer, maar…, ik heb een goed excuus. Nee, meneer, maar…, hij deed ook mee.’ ‘Nee, meneer…, ik kon er niets aan doen. Sorry, foutje. Ik ben eigenlijk slachtoffer.’
Is dat echt bevrijdend? Ga je dan ’s middags echt met een tevreden gevoel naar huis? Nee toch? Dan blijft het knagen van binnen. We doen precies als Adam in het paradijs! Ons verschuilen, ons verontschuldigen, een ander de schuld geven. Brengt dat echte vrede en rust? Nee! Nooit!
Het kan op school ook anders: ‘Meneer, u hebt gelijk. Ik heb het precies zo gedaan, zoals u het zegt. Ik weet niet hoe ik het goed moet maken. Maar als u me straf geeft, is dat helemaal terecht, ik heb het verdiend.’ Dat vraagt veel. Dat vraagt het onmogelijke. Dat vraagt alles. Want zo zijn we helemaal niet. En toch, zou je zo, ’s middags op weg naar huis niet veel geruster zijn? Beschaamd, ja dat wel, maar toch eigenlijk ook een beetje blij.
Zo ons hoofd buigen, dat doen we van nature niet. Daar is Gods werk voor nodig in ons leven. Als Nathan zegt: ‘Gij zijt die man!’ En als David antwoordt: ‘Ja, ik heb gezondigd’, dan is dat Gods werk. Is dat, door genade, ook uw antwoord al geworden op de eis van Gods recht? God zegt vanmorgen tegen u, wie u ook bent: ‘U bent die man, u bent die vrouw! U hebt tegen mij gezondigd. Ik eis uw ongerechtigheden! Dat wil zeggen: betaal Me wat u Mij schuldig bent! U hebt overtreden, u bent een opstandeling, u hebt u schuldig gemaakt aan de hoogste vorm van majesteitsschennis, u hebt gegrepen naar de troon van de Almachtige en: Ik stel u in staat van beschuldiging!’ God stelt u in staat van beschuldiging en eist van u: volkomen gehoorzaamheid en betaling van uw hemelhoge schuld.
Zijn hier mensen in de kerk die moeten zeggen, die willen zeggen, die het van harte willen instemmen: ‘Ja, Heere, het is waar! Ik heb gezondigd. Als U me daagt voor Uw rechterstoel en vraagt om betaling, (betaal Mij wat u schuldig bent!), dan is dat terecht. Maar, Heere, ik heb niets om te betalen. Ik heb een hemelhoge schuld. Niet alleen de zonde van vandaag, maar al die zonden van mijn hele leven. Niet tegen één gebod alleen, maar tegen al Uw geboden! Ik voel de eis van U, o heilige God. Betaal! Betaal! Maar, ik heb niets! Ik heb wel van alles en nog wat gedaan om mezelf te verbeteren om aan Uw eisen te voldoen, maar het is allemaal mislukt. Ik ben een totale mislukking voor U.’
Mag ik u vragen, u die zo voor God staat: Is de eis van God niet terecht? Is die niet rechtvaardig? U kunt de eis wel niet voldoen en de straf wel niet dragen, maar ik vraag u: Is het niet terecht dat God tegen u zegt: ‘Betaal Mij wat u schuldig bent?’ Daarover heeft Jesaja het hier: toen onze ongerechtigheden geëist werden. Toen onze ongerechtigheden geëist werden, toen moesten wij zeggen: ‘Ja, Heere, het is terecht, want het zijn mijn ongerechtigheden.’ We hebben het, gemeente, weleens over het ‘mijnen’ van het geloof, maar ik vraag u: heb u uw schuld voor God wel eens ge-mijn-d? Heere, het is mijn schuld. Ik heb gedaan dat kwaad is in Uw oog, dies ben ik Heer’ uw gramschap dubbel waardig?
Maar, wanhoop niet, u die zo voor God staat. Want in onze tekst klinkt een machtig evangeliewoord. Toen onze ongerechtigheden vroegen om betaling, toen werd Hij verdrukt! Hier vindt een wonderlijke ruil plaats. Hier past slechts verwondering en verbazing. Om onze ongerechtigheden werd Hij gedrukt, geperst. Letterlijk staat er zoiets als: gedwongen tot werk en betaling. Het is hetzelfde woord dat de Bijbel gebruikt voor de harde slavendienst in Egypte. Hij, Christus is geslagen. Geslagen door de Heilige God. Hij droeg een oneindige last van ellende en droefheid. Hij droeg de oneindige toorn van de Almachtige. Zijn ziel werd geheel bedroefd tot de dood toe.
In Zijn leven kwam Hem niets anders tegemoet dan belediging, hoon, en Godslastering: ‘Hij? Hij heeft de duivel, Hij is een vraat en wijnzuiper, een vriend van tollenaren zondaren!’ Men heeft Hem diep veracht. Men verachtte en bespotte Zijn ambten: Zijn ambt van profeet: ‘Profeteer, wie is het die U geslagen heeft?!’ Zijn ambt van priester: ‘Anderen heeft Hij verlost, Hij kan Zichzelf niet verlossen!’ Zijn ambt van koning: ‘Wees gegroet, gij, Koning der Joden.’
En Zijn dood was de dood van een godslasteraar, van een misdadiger. Opdat zulke zondaren gered zouden worden. Hij heeft ‘de rechtvaardige toorn van God onder welke wij eeuwig hadden moeten verzinken’ gedragen en alle gehoorzaamheid aan de wet vervuld. Hij werd gebonden, opdat Hij ons zou ontbinden. Hij heeft ontelbare smaadheden geleden, opdat wij nimmermeer te schande zouden worden. Hij is onschuldig ter dood veroordeeld, opdat wij in het gericht Gods vrijgesproken zouden worden. Hij heeft Zijn gezegend lichaam aan het kruis laten nagelen, opdat Hij het handschrift van onze zonde daaraan zou hechten. Hij heeft de vervloeking die op ons lag, op Zich geladen. Hij heeft geroepen: Mijn God, Mijn God waarom hebt Gij Mij verlaten? Opdat wij nimmermeer van Hem verlaten zouden worden.
Gods recht eiste, vanwege de ongerechtigheden van Zijn bruidskerk. En Hij liet Zich vrijwillig drukken, persen, ja, vermorzelen in hun plaats. Dien die geen zonde gekend of gedaan heeft, heeft God zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem. Om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld. Vermalen als koren tot meel, geperst zoals olijven geperst worden, tot er niets van overblijft dan olie. Hij is geslagen, verwond, geperst, doorstoken in Zijn hart.
En zo, in die weg, heeft Zijn Middelaarshart Zich geopend. Voor wie? Voor wat voor soort van mensen? Voor verloren zondaren. Niet voor goede mensen, niet voor gevoelige en fijnbesnaarde kerkmensen, niet voor actieve en goedgelovige mensen. Jezus kwam voor zondaren, voor goddelozen. Hij kende geen zonde, maar is zonde gemaakt. En Hij stond in de plaats van godslasteraars, wijnzuipers, bedriegers, dieven, moordenaars, overspelers, ja, in de plaats van totale mislukkelingen.
Als u niet bij een van die categorieën wilt behoren, dan bent u nog onbekeerd. Dan bent u nog buiten Christus. Hij kwam voor zondaren. Hij kwam voor mensen als Paulus, die schrijft: Ik was een godslasteraar. Als nooit uw hart en hoofd gebogen zijn tot die diepte, dan bent u nog onbekeerd. Hij, de vlekkeloos heilige Zoon van God kwam voor zondaars, voor opstandelingen en rebellen!
Maar als u van harte moet en wilt bekennen, dat u tot dat soort van mensen behoort, en als het roept in uw hart: ‘Is er nog een weg? Wees mij genadig Heere, ik kom tot U gevloden!’, dan heeft deze tekst een bijzondere boodschap voor u. Het was de liefde van Christus tot de eer van Zijn Vader en Zijn onbegrijpelijke liefde tot zondaren, die Hem bewoog om de prijs te betalen: de last van Gods toorn en volkomen gehoorzaamheid. De last van verdrukking, verbrijzeling, smaad, pijn, lijden, ja, zelfs van de dood. Voor? Voor zondaren. Dit is een getrouw woord en alle aanneming waardig dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om zondaren zalig te maken.
Zijn hier van die zondaren, die staan met legen handen voor God? Gehoopt op eigen werk, maar in het zicht van Gods rechtvaardigheid bleef er niets van over? Ik zeg tegen u: Zie het Lam Gods. Zie op Hem! Leg uw zonden op het hoofd van het Lam. Hij werd gedrukt, geperst onder een zondelast die van Hem niet was, maar van al degenen in wier plaats Hij wilde staan. En Hij wilde staan in de plaats van doodschuldige zondaren. En Hij roept hen, die tot Hem roepen toe: ‘Ik voor U! Ik in uw plaats!’ Wacht niet tot u het zult begrijpen, want u zult het nooit begrijpen. Wacht niet tot u het van harte kunt geloven, maar roep: ‘Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp.’
Misschien zegt u: ‘Kon ik maar in Hem geloven? Net als de Moorman bij Filippus die zei: Ik geloof, dat Jezus Christus de Zoon van God is.’
Wat is dat eigenlijk: geloven? Niets doen. Alles uit handen geven. Ralph Erskine zegt in een van zijn preken dit: Want het geloof doet zelf niets, maar vraagt Christus om alles te doen. Het geloof zegt niet dat het kan geloven, maar belijdt een volkomen onvermogen.
Kom dan, kom zo, zondaren, met niets van uzelf, tot Christus! Zie op Hem. Om onze ongerechtigheden, zegt Jesaja, werd Hij verbrijzeld. Toen die geëist werden, toen werd Hij verdrukt. Arme zondaar, u die staat voor een heilige en rechtvaardige God: Geef uw hoop op al het andere maar op. En wend u naar Hem toe en word behouden, want Hij is God en niemand meer. Hij is Immanuël: God met ons. O, kom toch met uw verloren leven tot Christus. Met berouw en boetvaardigheid. Met een schuldverslagen hart. Met koorden van de veroordeling om de hals. Dat is de weg die u gewezen wordt. Er is geen andere weg. Kom met NIETS van uzelf. Met niets…, niets…, niets! Maar kom! Kom zo tot Hem. God moge u Zelf brengen op die plaats, door het krachtige en overtuigende werk van de Heilige Geest. Want zonder dat werk, zal niemand zo diep willen buigen voor God. Kom zo tot Hem. Die gekomen is om te zoeken en zalig te maken dat verloren was. Zie het lam Gods.
Misschien zegt u: ‘Ik weet iets van de last van die schuld. Ik ben hopelijk wel op de goede weg, maar zo ver is het in mijn leven nog nooit gekomen. Ik ben nog nooit tot Christus gekomen. Nog nooit aan Zijn voeten gebracht.’ Daar kan maar één reden zijn: wel zien, maar niet op het Lam van God. Maar op iets of iemand anders. Terwijl er geen andere Naam onder de hemel gegeven is, door welke u kunt zalig worden, dan door de Naam van Jezus alleen. Zie niet op uzelf, op uw werken, op uw tranen, op uw vernedering, maar zie het Lam Gods! Acht alle andere dingen toch schade en drek om de uitnemendheid van Christus Jezus.
Onbekeerden, u die de last van Gods toorn niet voelt: Zie het Lam Gods. Als u werkelijk op Hem ziet, dat zult u het stellige bewijs zien van de waarheid van de wet en van de kracht van de vloek die op u rust. Zie Hem hangen aan het kruis, zie Hem kruipen als een worm en geen man. En u ziet: het loon op de zonde!
Verontschuldig en verberg u niet, als Adam. Zie uw levensgevaar! Want uw ongerechtigheden worden geëist. En u hebt niets om te betalen. En u hebt niemand die staat in uw plaats. God heeft Zijn eigen Zoon niet gespaard. Hoeveel minder zal Hij u sparen, u die als ter dood veroordeelden wacht in uw dodencel. Hij zal u op het moment van voltrekking van het vonnis niet sparen. Hij zal u vertreden, als een worm en geen man, in grote toorn.
U zegt: Wat moet ik doen? Bekeer u en geloof het Evangelie! Erken uw ongerechtigheid dat u tegen de Heere uw God hebt overtreden! Buk en buig met David en zeg: ‘Ik heb gezondigd! Ik heb gedaan dat kwaad is in Uw oog. Ik erken, o Heer’ aan U oprecht mijn zonde, ‘k verberg geen kwaad dat in mij wordt gevonden.’
Voelt u niet in uw hart het verzet tegen die belijdenis? Zeg het maar eerlijk tegen de Heere: ‘Heere, ik wil mijn hoofd niet buigen. Alles in me verzet zich daartegen. Ik wil het niet, ik kan het niet. Mijn nek is van onbuigzaam ijzer. Maar wilt U me buigen, wilt U me laten bukken? Geef toch aan me wat U van me vraagt?’
Misschien zegt u: ‘Ja, maar zo ingewikkeld hoeft het toch ook weer niet? Ik heb gezien op het Lam Gods en Het heeft mijn zonde weggenomen en mijn ziel gered.’ Maar, mag ik u vragen: Waarvan heeft het u gered? Een redder heeft toch pas waarde als we ergens van gered zijn? Die man is groot in mijn waardering, die - toen ik schreeuwde om redding - me redde uit een brandend huis, waar ik anders zeker verbrand zou zijn. Die vrouw heeft al mijn respect, die - toen ik riep: help, ik verdrink - me redde uit het ijskoude water, waar ik anders zeker verdronken zou zijn. Dit Lam Gods, deze Redder wordt ons alleen dierbaar, als we - met het zicht op onze schuld en ongerechtigheden - wel moeten roepen: Wees mij zondaar genadig! Ik heb
tegen u gezondigd! Weest gewaarschuwd, lieve vrienden. Het gaat er niet om of u gekozen hebt voor Jezus, maar het gaat erom dat u gekomen bent tot Jezus. Gekomen zoals u bent: als een arme, schuldige zondaar. Voordat we verdergaan met ons tweede aandachtspunt zingen we Psalm 8:4:
Mijn God, wat is de mens dan op deez' aarde! De broze mens, hoe klimt hij tot die waarde, Dat Gij aan hem in zoveel gunst gedenkt; En 's mensen zoon Uw teêrste liefde schenkt!
Onze tweede gedachte:
Doch Hij deed Zijn mond niet open. Als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open Hier ziet u Christus in al Zijn heerlijkheid, veel schoner dan de mensenkinderen. Hij liet zich als een lam door de priester naar de slachtbank leiden, zonder enig protest. Hij ging vrijwillig. Hij richtte Zelf Zijn aangezicht om naar Jeruzalem te reizen, hoewel Hij wist dat de dood Hem wachtte. Hij bad: ‘Niet Mijn wil, maar Uw wil geschiedde.’ Toen men Hem zocht, zei Hij: ‘Ik ben het, indien u dan Mij zoekt, zo laat dezen heengaan.’ Wij zouden alles in het werk gezet hebben om te ontsnappen, maar Hij liet zich binden. Het mes werd gezet op de keel van het lam, maar het behoefde niet gebonden te worden.
Hij gaf Zichzelf van harte en volkomen. Hij was gewillig als een offerlam. Hij liet Zijn handen en voeten spijkeren aan het kruis. Wat zouden wij niet gedaan hebben om zo’n straf te ontkomen, maar Hij gaf Zich vrijwillig. Hij liet Zich gewillig scheren, zoals een schaap geschoren wordt, ontdaan van de wol. En dat voor dwalende, altijd blijvend dwalende schapen. En Hij deed Zijn mond niet open. Geen bitter woord kwam uit Zijn mond.
a. Geen bitter woord tegen Zijn vijanden. Ben jij wel eens vals beschuldigd? Valse getuigen beschuldigden Hem, maar Hij antwoordde hun niet één woord. Bent u wel eens in uw gezicht geslagen? Ze sloegen Hem in het gezicht, maar Hij sprak niet. Hij zweeg voor Kajafas, Hij zweeg voor Pilatus, Hij zweeg voor de soldaten die Hem sloegen en spuugden. Hij zei niet: ‘Ik heb nooit gezondigd!’, maar Hij leed, zwijgend, voor mensen die moeten bekennen: Heere, ik heb alleen maar gezondigd. Eén bevel, één engel, en iedereen zou geslagen zijn, maar Hij deed het niet. Goddelijke liefde weerhield Hem van wraak. Liefde tot zondaren. Geduld met zondaren. Liefde tot vijanden. Geduld met vijanden.
En Hij deed Zijn mond niet open. Geen bitter woord kwam uit Zijn mond tegen Zijn vijanden.
b. Geen bitter woord ook, tegen hen voor wie Hij leed. Hij zei niet: ‘Hoe zou Ik zo bitter lijden, zoveel liefde tonen, voor zo weinig wederliefde? Hoe zou ik zo zwaar lijden voor zulke onverbeterlijke zondaren, voor zulke dwalende schapen?’ Het was enkel zondaarsliefde die Hem bewoog om Zich vrijwillig en van harte te geven. Hij zweeg als een Borg voor de Zijnen. Hoe gemakkelijk had Hij alle beschuldigingen kunnen weerleggen, maar Hij deed het niet. Want het was niet Zijn kwaad dat Hij droeg, het was hun kwaad. Het waren niet Zijn zonden, het waren hun zonden. En Hij deed Zijn mond niet open. Geen bitter woord kwam uit Zijn mond. Hij zweeg.
c. Hij zweeg ook voor God. Hij zweeg voor God in de hof, toen Hij zei: ‘Niet Mijn wil, maar Uw wil geschiedde.’ Hij zweeg voor Zijn Vader. Zijn zwijgen was een zwijgen om de eer van Zijn Vader. Want hoe zouden Gods deugden tot hun recht komen en tegelijkertijd zondaren gered worden, als Hij spreken zou? En daarom zweeg Hij. Hij zweeg vanwege de eer van Zijn Vader. Hij zweeg.
Zijn zwijgen was wonderlijk. Het ontbrak de Zoon van God niet aan antwoord, maar Hij zweeg. Het is moeilijk om onder zware beschuldigingen te spreken, maar het is voor een mens bijna onmogelijk te zwijgen onder een zee van onterechte beschuldigingen. Maar Hij, Jezus, zweeg. Hij wist voor wie Hij leed. Hij zweeg, opdat een wederhorig kroost altijd bij Hem zou kunnen wonen. Hij wist voor wie Hij leed en voor wie Hij zwijgen moest.
Zijn zwijgen was ook een gehoorzaam zwijgen. Het was een zwijgen van volmaakte gehoorzaamheid. Niet alleen Zijn dood was een volkomen offer, maar ook Zijn leven. Zijn gehoorzaamheid was volmaakt.
Zijn zwijgen was tegelijkertijd ook huiveringwekkend. Hoe vaak had Hij niet gesproken en bewezen de Messias te zijn. Ook tegen u. Zijn zwijgen roept als het ware zonder woorden: ‘Wat heb Ik nog meer aan Mijn wijngaard te doen, dat Ik niet gedaan heb?’
Zijn zwijgen was ook een bitter zwijgen. U, die weet wat lijden is, is het geen verademing om in hartverscheurende pijn te kreunen, een gesmoorde schreeuw te geven, die enigszins bevrijdt? Welke dokter herinnert zich niet de patiënt die in hartverscheurende pijn schreeuwt, roept, kreunt. Maar Jezus zweeg stil. Om onze ongerechtigheden werd Hij verbrijzeld, maar Hij zweeg, Hij verdroeg.
Mag ik u vragen? Als u één moment denkt aan het bittere lijden van deze zwijgende Christus, zonder enige zonde, en dat voor zondaren, breekt er dan niet iets in uw hart? Hoe kunt u zo onbewogen in de kerk zitten, bij de gedachte aan een Zaligmaker, die de hemel der heerlijkheid heeft verlaten en Zich vrijwillig heeft vernederd tot in de diepste dood? Hoe kunt u met droge ogen uw schouders ophalen, als het Evangelie u toeroept: Zie het Lam Gods?
Onbekeerden onder ons. Ik bedoel u, die leeft in de zonde, en ook u, die leeft in uiterlijke rechtzinnigheid. U, die gemakkelijk spreekt over de wet, maar vijand bent van vrije genade. U, die leeft in uw eigen gemaakte keuze voor Jezus, zonder ooit als zondaar met al uw ongerechtigheid te hebben gebogen aan de voeten van de Zaligmaker van zondaren. Uw ogen zijn gesloten voor uw schuld en voor Hem die kwam voor de grootste van de zondaren. Zie toch het wonderlijke, dat Christus nog steeds zwijgt, in schier eindeloos geduld. Hoewel u Zijn lijden al zo vaak hebt veracht en Zijn bloed al zo vaak hebt vertreden, toch klinkt uit Zijn mond nog steeds geen: Gaat weg van Mij! Er lopen nog steeds tranen over de wangen van de Middelaar: Och, of u in deze uw dag bekende wat tot uw eeuwige vrede dienen zou! Mag ik u zeer dringend vragen? Ja, ik bid u van Christus’ wege, in de Naam van dit geslachte Godslam: Laat u toch met God verzoenen, voordat het te laat is! U bent in levensgevaar! De Rechter staat voor de deur, om uw ongerechtigheid te eisen en u hebt niets om te betalen.
Uw onbekeerd zijn is niet Gods schuld, maar uw schuld! Roep toch tot God om vrije genade en Hij zal u verhoren. Smeek uw Rechter om genade en Hij zal u genade schenken. Wie Hem aanroept in de nood, vindt Zijn gunst oneindig groot.
Zijn hier nog van die ‘moormannen’? Van die buitenstaanders? Geen plaats gekregen bij het heiligdom en nu bedroefd denken: ‘Hoe zal ik toch ooit deel krijgen aan het goed dat God weggelegd heeft voor degenen die Hem vrezen?’ Als u ziet op uw ongerechtigheid, dan moet u de hand wel op de mond leggen, zoals Paulus zegt in Romeinen 3. Ik heb gedaan dat kwaad is in Uw oog, ik ben Uw gramschap dubbel waardig… Buitenstaanders, u leest wel, maar verstaat u ook wat u leest? Als dezelve geëist werd, toen werd Hij verdrukt. Toen onze ongerechtigheden geëist werden, toen werd Hij verdrukt, maar Hij deed Zijn mond niet open.
Ik hoor u zuchten: ‘Kon ik maar in Hem geloven. Kon ik Hem maar omhelzen.’ Maar ik zeg het nogmaals tegen u: het geloof doet niets. Het geloof zegt niet: ik kan geloven, en daarom doe ik het. Het geloof belijdt volkomen onvermogen en zegt: ‘Heere, in mij is niets. Ik kan niet geloven.
Het geloof komt ook niet met het wisselgeld van tranen, van gebeden, van geloof of berouw. Maar het geloof zegt, het geloof roept: ‘O God, wees mij zondaar genadig! Geef me Jezus of ik sterf. Doet U alles maar.’
En dan is dit is het antwoord van het gezegende Godslam: ‘Ik doe alles.’ Ik voor u, schuldige zondaar. Om uw ongerechtigheden heb Ik Mij laten verbrijzelen. De straf die u de vrede aanbrengt, was op Mij. Door Mijn striemen is u genezing geworden. Toen uw ongerechtigheden werden geëist, toen zei Ik: ‘Zie Ik kom.’ Toen ben Ik verbrijzeld, toen ben Ik verdrukt, toen ben Ik als een schaap geschoren, toen ben Ik van alles ontdaan, toen ben Ik als een lam geslacht.
Kom, buitenstaanders, is het u niet genoeg? Dit: Ik voor u? Is het u teveel? Dat kan ik begrijpen. U zult het ook nooit kunnen begrijpen. U zult het alleen maar tot in eeuwigheid kunnen bewonderen. Leg uw hemelhoge schuld maar op het Hoofd van het Lam. En zeg het maar, met de Moorman: ‘Ik geloof...’ Nee, niet: ‘Ik geloof dat ik…’ Maar: ‘Ik geloof dat Hij, Jezus Christus de Zone Gods is.’ De Zoon van God, Die gekomen is om te zoeken en zalig te maken dat verloren was. Die gekomen is om zondaren zalig te maken, zondaren zo groot als mij. Niet alleen anderen, maar ook mij. Hij nodigt u vriendelijk en zegt: ‘Kom, leg uw zonden maar op Mij.’ Laat dit uw antwoord zijn: ‘Heere, neem mijn zonde en leg ze op U.’
Kinderen van God, dit ‘Ik voor u’, dit ‘Ik in plaats van u’ is een onuitputtelijke bron voor verwondering en verbazing. Wie heeft ooit zoveel goed tegenover zoveel kwaad gesteld? Hier is ook een blijvende bron voor schaamte: Wie heeft ooit zoveel kwaad tegen zoveel goed bedreven? Laten wij maar voortdurend, door de genade van God alleen, zien op het lam Gods. Niet op iets van ons, maar alleen op Hem.
Ook in de voortdurende begeerte om Zijn voetstappen te mogen drukken. Als een schaap dat stemmeloos zwijgt voor die, die het scheert. Het Lam Gods is tegelijk ook de Herder der schapen. En het is het werk van de grote Opperherder om Zijn schapen te scheren. Hij neemt Zijn schapen en scheert hun wol. Hij ontneemt hun hun wol in beproeving. Misschien is het wel uw man, uw vrouw, uw kind, uw bezit, uw baan of uw goede naam. En is het dan niet goed, om in al die tegenspoed te zeggen (terwijl Zijn gewilligheid ons tot een voorbeeld is): ‘Heere, doe wat goed is in Uw ogen? Niet mijn wil, maar Uw wil geschiede?’
Is het uiteindelijk niet in het voordeel van het schaap zelf, dat het geschoren wordt? Die dikke laag wol verstrikt hen zo gemakkelijk in de doornige struiken. En wat te denken van de hitte van de zomer? Het is beter de wol te verliezen, dan gehinderd te worden door de wol.
Het is voor de eer van God en voor ons eigen bestwil, het beste om ons te onderwerpen aan Gods Vaderlijke wil en leiding. Zo kunnen zegeningen ons ontnomen worden, als ze ons niet langer tot een zegen zouden zijn. Het manna was na een dag bedorven, daarna stonk het. Een zegen van God kan onze rijkdom worden, en dan kan het een zegen zijn, als God het ons ontneemt.
Schapen die geschoren werden, werden ook gewassen. In Israël werden ze door het water geleid, hun kop bleef net boven, voor de rest gingen ze onder. Dat was benauwd voor zo’n dier. Daarna werd het geschoren en verloor het zijn vacht. Zo kreeg de eigenaar de wol en het was tot nut van het schaap.
Maar wees ondertussen, kinderen van God, toch verzekerd van de goede zorg van de goede Herder. Hij scheert Zijn schapen in alle voorzichtigheid en verwondt ze niet. Hij scheert ze niet in de winter, in de bittere kou, maar op een gepaste tijd. Hij ontneemt ons het onze, om ons meer te geven van het Zijne. Hij neemt een beetje van ons, en geeft het Zijne in overvloed. Wij treuren om het verlies van het onze, dat vaak weinig is, maar soms ook heel veel, bijvoorbeeld als het onze geliefden zijn. Maar Hij doet het in wijsheid en liefde om ons geschikt te maken om Zijn genade te ontvangen.
Daarom, treft u tegenspoed en beproeving? Bent u als een schaap dat geschoren wordt? Stribbel dan niet zo tegen. Lig eens stil! Hij is de hand van de goede Herder die het doet. En Hij weet wat Zijn schapen nodig hebben. Dat is Zijn wijsheid. Wandel dan maar stil achter Hem aan. Zo worden de schapen klaar gemaakt om de grote Herder te aanbidden als het Lam: Zeggende met een grote stem: Het Lam, Dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht, en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en dankzegging.
Geliefde gemeente, Zie het Lam Gods!
Amen.
Slotzang Psalm 45:1
Mijn hart, vervuld met heilbespiegelingen, Zal 't schoonste lied van enen Koning zingen; Terwijl de Geest mijn gladde tonge drijft; Is z' als de pen van een, die vaardig schrijft. Beminlijk Vorst, uw schoonheid hoog te loven, Gaat al het schoon der mensen ver te boven; Genâ is op uw lippen uitgestort, Dies G' eeuwiglijk van God gezegend wordt.
Andere preken over Jesaja
Andere preken voor Lijdenstijd
Andere gerelateerde preken