PREEK · KERKELIJK JAAR

Dewijl dan deze dingen alle vergaan - 2 Petrus 3

Oudjaar - 31 december 2023

2 Petrus 3:11: Dewijl dan deze dingen alle vergaan, hoedanigen behoort gij te zijn in heiligen wandel en godzaligheid,

INLEIDING

Op deze oudejaarsavond, na een jaar dat voorbijging, klinkt uit 2 Petrus 3:8-14 de oproep om vooral vooruit te zien: "Dewijl dan deze dingen alle vergaan, hoedanigen behoort gij te zijn in heiligen wandel en godzaligheid! Verwachtende en haastende tot de toekomst van de dag Gods." Deze leespreek laat zien hoe de zekere komst van Christus en Zijn liefdevolle, genadige geduld de gelovige bewegen tot een heilige wandel, verwachting en ijver, nu al het aardse hier toch eens vergaan zal.

THEMA

De verwachting van de tweede komst van de Heere Jezus Christus.

KERNPUNTEN

  1. Zijn komst is zeker
  2. Zijn geduld is liefdevol
  3. Zijn genade vervuld ons (als het goed is) met verwachting, heiligheid en ijver.

2 PETRUS 3:11-18

11 Dewijl dan deze dingen alle vergaan, hoedanigen behoort gij te zijn in heiligen wandel en godzaligheid,
12 Verwachtende en haastende tot de toekomst van den dag Gods, in welken de hemelen, door vuur ontstoken zijnde, zullen vergaan, en de elementen brandende zullen versmelten!
13 Maar wij verwachten, naar Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, in dewelke gerechtigheid woont.
14 Daarom, geliefden, verwachtende deze dingen, benaarstigt u dat gij onbevlekt en onbestraffelijk van Hem bevonden moogt worden in vrede;
15 En acht de lankmoedigheid onzes Heeren voor zaligheid; gelijkerwijs ook onze geliefde broeder Paulus, naar de wijsheid die hem gegeven is, ulieden geschreven heeft,
16 Gelijk ook in alle zendbrieven, daarin van deze dingen sprekende; in welke dingen sommige zwaar zijn om te verstaan, die de ongeleerde en onvaste mensen verdraaien, gelijk ook de andere Schriften, tot hun eigen verderf.

17 Gij dan, geliefden, zulks tevoren wetende, wacht u dat gij niet door de verleiding der gruwelijke mensen medeafgerukt wordt, en uitvalt van uw vastigheid;
18 Maar wast op in de genade en kennis van onzen Heere en Zaligmaker Jezus Christus. Hem zij de heerlijkheid, beide nu en in den dag der eeuwigheid. Amen.

VOLLEDIGE TEKST

Dewijl dan deze dingen alle vergaan - 2 Petrus 3

ds. J. IJsselstein - 2 Petrus 3:11

THEMA

De verwachting van de tweede komst van de Heere Jezus Christus.

LITURGIE

Psalm 102:14,15 Belijdenis van Westminster, artikel 33

Psalm 98:4

Lezen 2 Petrus 3:8-18

Psalm 130:2,3,4

Psalm 72:11

Psalm 89:19, 1

Gemeente, het is vanavond de laatste avond van het voorbijgegane jaar (2016). De avond van een dag waarop velen van ons terugzien, naar dat wat in het afgelopen jaar gepasseerd is. Toch hoop en bid ik, dat u vanavond vooral vooruit zult kijken, in gespannen verwachting vooruit zult zien. Niet alleen en altijd gericht op wat was, maar ook en vooral op wat komt.

Natuurlijk denken we vanavond ook terug aan alles wat voorbijgegaan is. We denken aan wat voorbijging in het maatschappelijke leven, aan dat wat passeerde in het kerkelijke leven. We zien vanavond ongetwijfeld vooral ook terug op wat plaatsvond in onze persoonlijke levens. We denken terug aan geliefden die ons ontvielen: uw man of uw vrouw, je vader of je moeder, je broer of zus, je kind, je ongeboren kindje. Maar, en dat is waard om op te merken: wijzelf stierven niet.

Natuurlijk denken we vanavond ook terug aan alles wat voorbijgegaan is. Misschien is uw huwelijk in het afgelopen jaar gestrand. Uw verloor uw gezondheid, u kreeg van de dokter een ernstige boodschap te horen. Misschien denk je terug aan het verlies van je vriendschap, je werk, je baan of van andere zekerheden.

We kijken vanavond terug en zingen weemoedig met de dichter van Psalm 102: Alles wat uit stof is neemt een end, door de tijd die alle schendt. We kijken vanavond terug naar wat was. Maar ik vraag u vanavond in liefde en ernst: kijkt u ook verwachtingsvol vooruit? Kent u iets van het verlangen van de apostel Johannes, die zegt: Kom, Heere Jezus (Openbaring 22:20). Wanneer komt de dag, dat ik bij U wezen mag? Of zit u volledig vastgeroest…, aan…, aan wat bezig is te verdwijnen?

Het Woord van de Heere wat wij vanavond met elkaar overdenken bevat een dringende aansporing, niet om terug te kijken, maar om vooruit te kijken, niet om naar beneden te kijken, maar om omhoog te zien.

We overdenken vanavond het voorgelezen Schriftgedeelte 2 Petrus 3, daarvan in het bijzonder de verzen 8 tot en met 14. De tekst voor de preek van vanavond vindt u in

2 Petrus 3:8-14, waarvan ik u als samenvatting nu alleen voorlees de verzen 11 en 12a: Dewijl dan deze dingen alle vergaan, hoedanigen behoort gij te zijn in heilige wandel en godzaligheid! Verwachtende en haastende tot de toekomst van de dag Gods.

Onze tekst spreekt van (en dat is ook het thema voor de preek op deze oudejaarsavond): De verwachting van de tweede komst van de Heere Jezus Christus. Dus: De verwachting van de tweede komst van de Heere Jezus Christus. We letten op drie aandachtspunten: 1. Zijn komst is zeker (in vers 9 en 10 staat dat die dag zeker zal komen!) 2. Zijn geduld is liefdevol (dat staat ook in vers 9) 3. Zijn genade vervult ons (als het goed is) met verwachting, heiligheid en ijver (zoals we straks zullen zien in vers 11 tot en met 14). Drie aandachtspunten dus: Zijn komst is zeker, Zijn geduld is liefdevol, en Zijn genade vervult ons met verwachting, heiligheid en ijver. Als eerste dus:

1. Zijn komst is zeker.

U twijfelt er ook niet aan. Tenminste, zo leek het toen we samen zongen: Hij komt, Hij komt op de aarde te richten. Maar, is dat echt zo? Bent u daar echt zo zeker van?

In de dagen van de apostel Petrus kwamen er steeds meer mensen die daaraan twijfelden. In de eerste christengemeenten leefde men met de stellige zekerheid en in de intense verwachting van: Maran-atha! De Heere Jezus komt! (1 Korinthe 16:22). Het was ook de stellige belofte geweest van de twee engelen bij de hemelvaart van de Heere Jezus Christus, zoals staat in Handelingen 1:11: Welke ook zeiden: Gij Galilese mannen, wat staat gij en ziet op naar den hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in de hemel, zal alzo komen, gelijkerwijs gij Hem naar den hemel hebt zien heenvaren.

Maar de tijd tikte door, de jaren gingen voorbij, en… de twijfel sloeg toe. Het begon bij de mensen, die in vers 3 genoemd worden ‘spotters’. Twee dingen waren kenmerkend voor die mensen, voor die spotters. Ze zeiden (in de eerste plaats): ‘Volgens ons is het niet waar, hor. Er gebeurt helemaal niets. Jezus komt heus niet terug!’ En (en dat was hun tweede kenmerk): ze wandelden naar hun eigen begeerlijkheden (vers 3). Dat wil zeggen: ze leefden in de zonde, ze hingen vast aan hun plezier, aan de dingen van deze aarde, die zouden ze voor geen goud willen missen. Twee dingen die altijd bij elkaar horen. Het is een onafscheidelijke tweeling: leven in de zonde en denken en zeggen dat de Heere toch niet terugkomt.

Maar die spotters begonnen ook hun invloed te krijgen op de oprecht gelovigen, op de kinderen van God in de gemeenten aan wie Petrus schrijft. Twijfel aan het Woord van God is een besmettelijke ziekte. De een zegt: ‘Ik geloof er niet meer in’. En de ander zegt: ‘Nu jij het zegt, begin ik er ook aan te twijfelen…’ En zo ging dat destijds ook. En dat leidt bij de apostel Petrus tot een vriendelijke en liefdevolle vermaning.

Hij begint daarmee in vers 8: Doch deze ene zaak zij u niet onbekend, geliefden, dat een dag bij de Heere is als duizend jaren, en duizend jaren als een dag. Met andere woorden: God rekent anders dan wij. Wij kunnen de dag van de terugkomst van de Heere Jezus Christus niet berekenen en niet weten. Maar als je verstandig bent, als je wijs bent, dan reken je er wel mee!

Want (zo staat in vers 10): de dag des Heeren dag zal komen! Daar is geen twijfel aan. Een dag als alle andere dagen. Onverwachts komt hij. Als een dief in de nacht. Een dief belt niet aan. Een dief stuurt van tevoren geen afspraak. Een dief vraag niet of je voor één keer de deur wilt openlaten… Nee, een dief komt plotseling, onaangekondigd, ongevraagd, niet op gerekend…, breekt hij in.

De massa van de mensen rekent niet op de komst van de Zoon des mensen. Waarom niet? Waarom rekenen zoveel mensen, waarom rekenen zovelen van u niet met de terugkomst van de Heere Jezus Christus? Ik zal het u zeggen: Het komt u niet uit. U bent nog even bezig. Met uw eigen dingen… Ik moet denken aan het gedicht van een man die ooit hoogleraar was aan de Universiteit in Kampen. Hij schreef (even vrij door mij vertaald): De dominee zegt: ‘Kom haastig, Heere Jezus’. ‘Ja, amen’, zegt een boer, ‘alleen, wacht even, liever na de oogst. Want ik wil eerst zien of het stuk land dat ik pas gekocht heb een goede opbrengst zal geven.’ ‘Ja, amen’, zegt de dame, ‘maar mag ik eerst nog een seizoen in mijn nieuw gekochte kleding lopen?’ ‘Ja, amen’, zeggen de jongelui, ‘alleen, nog even wat tijd voor onze nieuwe vriendschap.’ ‘Ja, amen’, zegt de ambtsdrager, ‘maar ik ben net herkozen…’ Met andere woorden: ‘Goed, maar liever niet nu’. Het leven is mij… deze aarde… Sterven? Uw komst? Verlies… (naar Filippenzen 1:21). Want ik zit vast, ik zit vastgevroren, vastgeklonken, vastgeroest. Aan…? Aan dat wat vergaat!

Wat een dwaasheid! Wie schroeft zijn kluis met kostbaarheden nu vast aan een zinkend schip? Wie belegt er nu in een ondergaande wereld?

Wie verbindt zijn kostbare ziel nu aan wat voorbij gaat? Want, kijk eens in vers 10: De dag des Heeren zal komen als een dief in de nacht, in welke de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden. De dag komt, dat de hemelen met gedruis zullen vergaan. Zoals staat in Openbaring 6: En de hemel is weggeweken, als een boek, dat toegerold wordt; en alle bergen en eilanden zijn bewogen uit hun plaatsen (Openbaring 6:14). De zichtbare wolkenhemel, de atmosferische hemel zal met een gedruis, met scherp geraas (als met het geluid van een vliegende pijl of speer, als met scherp knetterende geluid van vuur), met gedruis voorbijgaan, door vuur ontstoken zijnde (vers 12).

En de elementen, de zon, de maan en de sterren, zullen branden en vergaan. Zoals de profeet Joël al profeteerde in Joël 2: De aarde is beroerd voor deszelfs aangezicht, de hemel beeft; de zon en maan worden zwart, en de sterren trekken haar glans in (Joël 2:10).

En… (en dan komt het dichterbij) de aarde en de werken die daarin zijn zullen verbranden (vers 10). Zij zullen door vuur gezuiverd, zij zullen door vuur schoongemaakt worden. Door vuur gezuiverd, dat wil zeggen dat alles wat zondig, alles wat tegen en buiten God is, zal verbranden. Eigenlijk moet de vertaling, eigenlijk moet de woordkeus scherper. Er staat eigenlijk: de aarde en de werken die daarin zijn, zullen naakt gesteld worden voor God. Dus: de aarde met al haar inwoners en al hun werken zullen naakt gesteld worden voor Gods rechterstoel. Al het andere is weg: uw huis, uw auto, uw diploma’s, uw bankrekening, uw lidmaatschap van de kerk, uw zwarte pak… Alles is verbrand. Daar sta ik, daar staat u! Naakt… Als mens… Voor God! Hij komt, Hij komt om de aarde te richten.

Ik snap, onbekeerde vrienden, dat u liever achteruit kijkt, dan vooruit. Dat u liever praat, eindeloos praat over vroeger, dan over de dingen die komen gaan. Ik snap dat u hier liever niet aan denkt, dat u hier liever uw ogen en oren voor sluit. Want met uw zondige leven zonder God en Christus is de gedachte hieraan onverdraaglijk. Maar kom, sluit uw ogen en uw oren niet. Weet en geloof: onverwachts, als een dief in de nacht, binnenkort staat u voor God. Ook u moet eerdaags voor God verschijnen, zoals al die andere mensen, die in het afgelopen jaar voor Gods rechterstoel geplaatst zijn. Paulus schrijft in 2 Korinthe 5: Want wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdrage, hetgeen door het lichaam geschiedt, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad (2 Korinthe 5:10). Wij moeten geopenbaard worden, dat wil zeggen: ons binnenste dat verborgen is moet onthuld, binnenstebuiten gekeerd worden, ons hart en leven moeten opengelegd worden. Zoals staat in onze tekst: we moeten en zullen naakt voor God gesteld worden.

Toen we het jaar begonnen, hoopten en baden we dat jullie zielen, jongeren, zouden smelten, zoals sneeuw smelt voor de zon. We hoopten en baden dat uw harten, ouderen, zouden buigen en breken. Gode zij dank, sommige zielen smolten, sommige harten braken. Maar helaas, velen van u zijn nog steeds op weg naar het eeuwige verderf, naar de poel die brandt van vuur en sulfer. Mag ik u, op deze laatste dag van dit snel vervlogen jaar, alsnog proberen te bewegen tot het geloof? Wij waren en zijn nog steeds gezanten van Christus wege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christus wege: laat u met God verzoenen (2 Korinthe 5:20)! Zo zegt de Heere (o, geloof toch Zijn heil- en troostrijk woord): Ik heb geen lust aan de dood des stervenden (hoort u trouwens, hoe de Heere u aanspreekt? Als een stervende! Ik sta hier als een stervende voor een gemeente van stervenden!). Ik heb geen lust aan de dood des stervenden, spreekt de Heere HEERE, daarom bekeer u en leef (Ezechiël 18:32). Verhard u niet, maar laat u leiden. Weet en geloof: Zijn komst, Zijn tweede komst is zeker en gewis. Hij komt, Hij komt om de aarde te richten. We gaan verder met onze tweede gedachte:

2. Zijn geduld is liefdevol.

De tweede komst van de Heere Jezus Christus is zeker en gewis. Maar u krijgt, onbekeerde vrienden, nog tijd en gelegenheid om u te bekeren.

Kijkt u maar in vers 9: De Heere vertraagt de belofte niet (gelijk enigen dat traagheid achten), maar is lankmoedig over ons, niet willende, dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen.

Vier dingen worden er eigenlijk gezegd: a. Als eerste: De Heere is lankmoedig over ons. De Heere is lankmoedig over Zijn kinderen. Hij geeft ons in het bijzonder extra tijd. Extra tijd om toe te nemen in kennis, in heiligheid en in goede werken. Extra tijd om ons te oefenen in geloof en geduld, veelal door wegen van druk en lijden. Extra tijd om ons zo geschikt en passend te maken voor de hemel. Want zonder heiligmaking zal niemand de Heere zien (Hebreeën 12:14).

En dus is het een zegen dat de Heere ons, kinderen van God, tijd geeft, om in ons hart en leven te werken wat Hij nodig vindt voor onze zielen. En dus is er ook reden, om terugkijkend naar de wegen van tegenspoed en zorg, niet alleen verdrietig te zijn, maar ook te zeggen: ‘Ik dank U, Heere, dat U mijn weg met doornen betuind hebt’ (Hosea 2:6). ‘Ik dank U, dat U toornig op mij geweest bent’ (Jesaja 12:1). ‘Ik dank U, dat u me beproefd en verdrukt hebt’ (Psalm 119:71). Want U deed het tot mijn bestwil, en U gaf met de verzoeking ook de uitkomst (1 Korinthe 10:13).

b. Het tweede wat gezegd wordt is: God is lankmoedig over ons, niet willende dat enigen verloren gaan. Waarom is de dag van de terugkomst van de Zoon des mensen nog niet aangebroken? Niet omdat God Zijn woord niet houdt, maar God wil niet dat u verloren gaat! Ik denk aan wat Ezechiël zegt in Ezechiël 18 (het zijn woorden van de Heere Zelf): Zou Ik enigszins lust hebben aan de dood des goddelozen, spreekt de Heere HEERE; is het niet, als hij zich bekeert van zijn wegen, dat hij leve? (Ezechiël 18:23) Want Ik heb geen lust aan den dood des stervenden, spreekt de Heere HEERE; daarom bekeert u en leeft (Ezechiël 18:32). Zie dan toch, onbekeerde vrienden onder ons, de goedheid en het geduld van de Heere over u. Dat u nog leeft, dat uw naam straks niet voorgelezen gaat worden als een van de overledenen, maar dat u als een stervende nog leven mag, en dat de grote en heerlijke dag van de komst van onze Heere Jezus Christus nog niet is aangebroken, dat is Gods geduld over u! Nu dan, werpt van u weg al uw overtredingen, waardoor u overtreden hebt, en maakt u een nieuw hart en een nieuwe geest; want waarom zou u sterven, o huis Israëls? (Ezechiël 18:31)

c. Maar er is nog iets. Het derde wat gezegd wordt is: niet willende dat enigen verloren gaan, maar (en dan komt het) dat zij allen tot bekering komen. Calvijn zegt: ‘Dit is Gods wonderbare liefde tot het menselijke geslacht, dat Hij ze allen zalig wil hebben, en gereed is tot zaligheid op te nemen, die moedwillig verloren gaan.’ Hier spreekt God niet van Zijn verborgen raad (dus spreekt u daar ook niet over!), maar hier spreekt God van Zijn wil die in het Evangelie geopenbaard is. Gemeente, weer is er een jaar voorbijgegaan. Als u iedere zondag in de kerk was, hebt u weer meer dan honderd preken gehoord. Als u iedere dag ‘s ochtends, ‘s middags en ‘s avonds uit de Bijbel las, hebt u meer dan duizend keer het Woord gelezen of gehoord. Weet u, het ligt niet aan God, als u verloren gaat. God heeft geen lust in uw dood. Hij wil dat u tot bekering komt. O, kom dan toch, met uw verloren leven, terug naar God toe. Bekeer u, want waarom zou u sterven en verloren gaan?

d. Niet willende dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen. Daar ligt nog een vierde zaak in. Ik denk in dit verband ook aan wat Paulus schrijft aan Timotheüs: (God) wil, dat alle mensen zalig worden, en tot kennis der waarheid komen (1 Timotheüs 2:4). Dat de dag van de Zoon des mensen nog niet aangebroken is, dat komt ook omdat het Evangelie des Koninkrijks gepredikt moet zijn tot aan het uiterste van de aarde. En dan pas zal het einde zijn! Heeft de Heere Jezus niet gezegd: En dit Evangelie des Koninkrijks zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis allen volken; en dan zal het einde komen (Mattheüs 24:14)? Dan pas en niet eerder!

Dat is Gods geduld, niet alleen met Zijn kinderen, niet alleen met de onbekeerden in de kerk, maar ook met de nog onbereikten in deze wereld. Dit is Gods wil, dit is Gods verlangen: dat zij allen tot bekering komen. Dus, jonge mannen, jonge vrouwen, jonge gezinnen, als de komst van Christus je verlangen is, kleef dan niet vast aan wat deze voorbijgaande aarde te bieden heeft, maar geef dan vrijwillig je leven in de dienst van de Heere om toe te brengen wat nog toegebracht moet worden (verloren zielen!), opdat Zijn huis vol worde. Want dan pas, als die taak voltooid is en niet eerder, dan zal vervuld worden wat we nu samen gaan zingen uit Psalm 72, daarvan het elfde vers: Zijn Naam moet en zal eeuwig eer ontvangen. Psalm 72:11.

Zijn Naam moet eeuwig eer ontvangen; Men loov' Hem vroeg en spâ; De wereld hoor', en volg' mijn zangen, Met Amen, Amen na.

Gemeente, het gaat vanavond op deze oudejaarsavond over de verwachting van de tweede komst van de Heere Jezus Christus. We zijn toe aan onze derde gedachte:

3. Zijn genade vervuld ons (als het goed is) met verwachting, heiligheid en ijver.

Immers we lezen in vers 11: Dewijl dan deze dingen alle vergaan, hoedanigen behoort gij te zijn in heiligen wandel en godzaligheid! Nu alles hier verdwijnt, nu behoort dit ons leven te kenmerken: heiligheid en godzaligheid. Dat is onze roeping, kinderen van God. Want God heeft ons niet geroepen tot onreinigheid, maar tot heiligmaking (1 Thessalonicenzen 4:7), om onberispelijk te zijn in heiligmaking, voor onze God en Vader, in de toekomst van onze Heere Jezus Christus met al Zijn heiligen (1 Thessalonicenzen 3:13). We zijn geroepen met een heilige roeping (2 Timotheüs 1:9), opdat we zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde (Efeze 1:4). Heilig zijn, dat is iets laten zien van hoe God is. Want God is heilig (Jozua 24:19). Heilig zijn, dat is iets laten zien van hoe Christus is: heilig, onnozel, onbesmet en afgescheiden van de zondaars (Hebreeën 7:26). Het is een afkeer hebben van, een haten van, een wegvluchten van en een strijden tegen de zonde in alles. In ons zijn, in ons leven, in wat we doen, in wat we denken of zeggen. In leer en leven, in wandel en hart. Van binnen en van buiten, in liefde en haat, in vreugde en verdriet. In werk en ontspanning, in vriendschap en relaties, in lezen en schrijven, in kijken en luisteren, kortom: in alles gericht op God, op de eer en de glorie van God de Allerhoogste. Zo behoort ons hart en leven te zijn, kinderen van God. En zo’n leven zit niet vast aan de aarde, maar is gericht op de hemel.

En dat vraagt om veel genade en om veel gebed. Want als de aarde en de lucht gezuiverd moeten worden door vuur (hoewel zij een zuivere schepping van God zijn), wat staat ons dan te doen, die zo bevlekt met zonden zijn? Niets anders dan de toevlucht te nemen tot God, door Jezus Christus, ten alle tijd biddend en smekend om meer heiligheid, om meer hemelgerichtheid. Want dat alles komt uit God (zie 2 Petrus 1:3).

Verwachtende en haastende (zo lezen in vers 12) tot de toekomst van de dag Gods, in welken de hemelen, door vuur ontstoken zijnde, zullen vergaan, en de elementen brandende zullen versmelten. Eigenlijk is de strekking van de woorden van Petrus, als het gaat om de toekomst van de dag des Heeren: verwachtend (dat is passief) en haar komst versnellend (dat is actief!). Verwachtend, dat wil zeggen ‘uitziend’: mijn ziel wacht sterker op de Heere, dan de wachters op de nieuwe morgen. Dat is (om zo te zeggen) passief. Maar ‘haastende’, dat wil zeggen ‘haar komst versnellend’. Dat is actief!

Kan je dan als mens het tijdstip van de terugkomst van de Heere Jezus versnellen? Nee, dat tijdstip staat vast. Die tijd is de door God Zelf vastgestelde tijd. En toch is hier een aansporing om (laat ik het maar zo zeggen), om haast te maken met de tweede komst van de Zoon des Mensen.

Hoe dan? a. Door, in de eerste plaats, net als de Vroege Kerk, veel te bidden: Maran-atha. Heere Jezus, kom! (1 Korinthe 16:22, Openbaring 22:20). b. Door, in de tweede plaats, veel te bidden de tweede bede van het Onze Vader: Uw Koninkrijk kome (Mattheüs 6:10). c. En door, in de derde plaats, (terugkijkend naar vers 9, waar staat dat God wil dat alle mensen zalig worden), de wereld te evangeliseren.

Een kerk, een gemeente die geen vurig verlangen heeft om het Evangelie aan de wereld te verkondigen, is een kerk, is een gemeente die ook niet verlangt naar de terugkomst van de Heere Jezus Christus. Die kerk slaapt. En een kerk die slaapt, die is in gevaar! De Heere Jezus Zelf zegt: Dwing ze in te komen, opdat Mijn huis vol wordt (Lukas 14:23). En dan, dan zal het einde zijn. Hij of zij, die persoonlijk verlangen wil naar de hemel, de gemeente, die verlangend wil uitzien naar de liefelijkheid van het zalige hemelleven, gericht op God, op het hiernamaals, gericht op het staan met de schare die niemand tellen kan, uit alle naties en geslachten en volken en talen, staande voor de troon en voor het Lam (Openbaring 7:9), die man of vrouw, die gemeente… die (1) zoeke veel de nabijheid van God en het leven uit Christus, om meer de zonde te doden en hemelgericht te leven, die (2) bidde veel: Uw Koninkrijk kome, Maran-atha, en… die (3) make werk van het zoeken van de verloren zielen die buiten zijn.

Wilt u dat de dag van de wederkomst spoedig zal aanbreken? Jonge mannen, jonge vrouwen, jonge gezinnen, ga dan heen op zoek naar de miljoenen onbereikten in deze wereld! Zijn het niet de laatste, liefdevolle woorden geweest van onze heengaande Meester? U zult ontvangen de kracht des Heiligen Geestes, Die over u komen zal; en u zult Mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem, als in geheel Judea en Samaria, en tot aan het uiterste der aarde (Handelingen 1:8).

En toen waren er die vriendelijke woorden van die twee engelen: Gij Galilese mannen, wat staat u en ziet op naar de hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in den hemel, zal alzo komen, gelijkerwijs u Hem naar den hemel hebt zien heenvaren (Hand. 1:11) Want: als Zijn huis vol is, dan zal Hij komen!

Zo, en in die weg alleen, wordt dit levende werkelijkheid, èn persoonlijk, èn voor ons als gemeente (wat staat in vers 13): Maar wij verwachten, naar Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, in dewelke gerechtigheid woont.

Daarom, geliefden, verwachtende deze dingen, benaarstigt u, dat u onbevlekt en onbestraffelijk van Hem bevonden moogt worden in vrede (2 Petrus 3:14).

Amen.

Slotzang Psalm 89:19 en 1

Gedenk, o HEER, hoe zwak ik ben, hoe kort van duur; Het leven is een damp, de dood wenkt ieder uur; Zou 't mensdom dan vergeefs op aarde zijn geschapen? Wie leeft er, die den slaap des doods niet eens zal slapen? Wie redt zijn ziel van 't graf? Ai, help ons, als tevoren, Gelijk Gij bij Uw trouw aan David hebt gezworen.

'k Zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheên; Uw waarheid t' allen tijd vermelden door mijn reên. Ik weet, hoe 't vast gebouw van Uwe gunstbewijzen, Naar Uw gemaakt bestek, in eeuwigheid zal rijzen; Zo min de hemel ooit uit zijnen stand zal wijken, Zo min zal Uwe trouw ooit wank'len of bezwijken.